Onderweg in Tunis De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 1

Chapter 13,756 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

ONDERWEG IN TUNIS.

Naar het Fransch van Mevr. B. Chantre.

I.--Aankomst te Tunis.--De tegenwoordige stad.--Bezoek aan den heer Roy te Dar el-Bey.--Een zitting van het mohammedaansche gerechtshof.--De Belvédère.--Vertrek naar Soesa.--De stad, haar catacomben.--El Djem.--Sfax.--De olijvenboschjes; de sponscultuur.--Middagmaal bij den kaïd.--Op weg naar Gabes.--Reeks van kleine ongevallen.--De oase.--Einde van het feest.--Onder de palmen.

Het was volkomen donker, toen wij den 5den Maart te Tunis aankwamen, zoodat wij het schouwspel misten, dat het binnenvaren van het schip in de haven oplevert, terwijl de landing zelf er minder vlug door ging. Bij het aan wal gaan waren we blij, onze uitstekende vrienden, den heer en mevrouw Alapetite op de kade te vinden, wier hartelijke ontvangst ons deed vergeten, wat de overtocht bij koud weer en een onstuimige zee voor onaangenaams had gehad. Ze brengen ons vlug per rijtuig naar het Residentshuis, waar ze ons op de vriendelijkste manier gastvrijheid bewijzen.

Al is de afstand van Tunis over zee slechts twee-en-dertig uren en al krijgt men tallooze verhalen te hooren van bezoekers, die tegenwoordig door Tunesië dwalen, toch wil men wel eens graag met eigen oogen een land zien, waarvan men zich nog kan verbeelden, dat men het ontdekt. En zoo, in afwachting van ons vertrek naar Zuid-Tunis en Tripolis, waarheen de heer Chantre zich moet begeven, om een anthropologische zending te vervullen, hem opgedragen door den minister van openbaar onderwijs, gebruik ik mijn tijd met het bekijken van de stad. Het is mijn eerste kennismaking met dit hoekje van Afrika, onder welks hemel onze vlag wappert als een getuige van het werk des vredes, dat Frankrijk er heeft ondernomen en dat veel goeds er in het leven zal roepen.

Van jaar tot jaar is de hoofdstad van ons protectoraat vervormd en is ze mooier geworden, en het is geen overdrijving, als men zegt, dat ze in volle vaart is op de baan harer ontwikkeling. De eigenlijke europeesche stad, waarvan de wijken zich uitbreiden aan den voet van de arabische, ziet er met haar welgebouwde huizen, haar electrische trams, haar squares en mooie winkels allervriendelijkst uit. Het prachtige Post- en Telegraafkantoor, de groote scholen voor uitgebreid onderwijs aan jongens en meisjes maken de stad niets minder aantrekkelijk en bewijzen, dat de bevolking drukke zaken doet en ijverig de studie voorstaat. Als men door de breede straten loopt, waar de équipages, de automobielen, de inlandsche wagentjes, de huurrijtuigen met dichtgesloten gordijntjes, waarin de mohammedaansche dames uitrijden, voor de blikken der voorbijgangers verborgen, de verschillende ruiters en rijdieren elkander opvolgen, en als men den blik slaat op de prachtige hooge huizen, zou men zich nog te Marseille wanen, waarvan Tunis, als het ware, de voortzetting is op den anderen oever van de Middellandsche Zee. Een trouw bezoeker van de Cannebière zou zich volstrekt niet misplaatst voelen op het terras van een der café's aan de Avenue de France.

Maar voor den toerist ligt niet daar de grootste aantrekkelijkheid van Tunis. Toen ik per electrische tram mij naar de kasba begaf, om met één blik de inlandsche stad te overzien, was ik verrast over het echt oostersche tooneel, dat zich aan mij voordeed. En langen tijd bleef ik kijken naar het Witte Tunis, dat mij schooner leek, dan ik had durven droomen, ondanks wat ik herhaalde malen had gehoord over den goeden staat, waarin het was bewaard gebleven. Gebouwd op heuvels met zachte helling, op zekeren afstand van het meer, vormen de witte huizen met platte daken een schitterend geheel, doorsneden door grillige, smalle straatjes en afgebroken door koepels en sierlijke minarets met slanke lijnen. Komt men in de stad, dan wordt men getroffen door de treffende tegenstelling, die er bestaat tusschen de drukke levendigheid in de koopluistraatjes en de soeks of bazars, en de kloosterlijke stilte, die als in een doode stad overal elders heerscht, een tegenstelling, die zich voordoet in alle mohammedaansche steden. Tevergeefs ondervraagt de toerist met zijn blikken de blinde en stomme huizen. Het blijven raadsels en ze verbergen angstvallig voor profane oogen achter hun vensterlooze muren het geheim van het familieleven der bewoners.

Ons eerste bezoek geldt den heer Roy, secretaris van de tunesische regeering, van wien bekend is, welke rol hij heeft gespeeld in Tunis in de jaren, die aan de bezetting vooraf gingen. De heer Roy heeft steeds met onze residenten-generaal meegewerkt sedert de instelling van het Protectoraat. Hij is de deken van alle fransche ambtenaren, en niemand beter dan hij kent de geheimen der taal en de geestelijke gesteldheid der inboorlingen. Men mag gerust zeggen, dat niets hem vreemd is wat de belangen van Tunis betreft. Het is een land, dat hij tot het zijne heeft gemaakt, dat hij lief heeft als zijn tweede vaderland en waaraan hij zijn leven, dat is al zijn arbeidskracht, heeft gewijd. Zijn kantoren bevinden zich te Dar el-bey. Dat paleis is tegenwoordig zelden in gebruik bij den Bey, die het grootste deel van het jaar in het Marsapaleis woont. Hij komt er alleen eenmaal per week, om met den eersten minister te werken, aanwezig te zijn bij de aanhechting van het zegel op de vastgestelde decreten en de stukken te onderteekenen, die gereed gemaakt zijn door de rechterlijke macht te Dar el-bey, terwijl hij dan tevens de hulde in ontvangst neemt, die zijn onderdanen hem brengen, en aalmoezen uitdeelt.

Onder het geleide van den heer Roy, die ons tot een bezoek aan het paleis in staat stelt, bewonderen we eerst het mooie binnenplein, geplaveid met zwart en wit marmer, versierd met bogen, die door sierlijke zuilen worden gedragen, en wandelen daarna door de vertrekken van den Bey. Die kamers en suite, groote en kleine zalen, waar men binnen komt, door nu eens een paar trapjes op te gaan en dan weer eenige treden af te dalen, naar het grillige spel van den bouwtrant der arabische huizen, zijn alle meer of minder weelderig versierd met tegels en fijne arabesken en ook met dat edele stucwerk, waarin van ouds de Tunesiërs hebben uitgemunt. Het mooie gaat er echter wel een weinig af door de tegenstelling met europeesche meubels van ontwijfelbare smakeloosheid.

Uit de kamer van den Bey, door welker vensters hij door een vernuftige inrichting van de houten tralies, zonder gezien te worden, kan waarnemen wat er op straat en in de winkels der kooplieden gebeurt, gaan we naar de eetzaal en de raadzaal, die wondermooi zijn versierd. En altijd door nauwe gangen, langs tallooze trappen, komen we boven in dit enorme paleis op terrassen of platte daken, waar we plotseling door het licht worden verblind, om daarna van het hooge punt het uitzicht te genieten.

Bij het verlaten van Dar el-bey, onder de bekoring nog van ons bezoek aan den beminnelijken heer Roy, gaan we door de wijk de Medina, het hart der inlandsche stad. Op enkele kleine verschillen na in kleeding en manieren der menschen, zou men zich kunnen verbeelden in Konstantinopel of het oude Kaïro te wezen. De winkeltjes van groenten, gebak, kruidenierswaren zijn in alle mohammedaansche steden bijna gelijk, en overal ook ziet men dezelfde straattooneelen, het martelaarschap van de zachtaardige ezeltjes, die met harde woorden en slagen worden overladen door hun geleiders zonder dat ze weten waarom, en het gebrom der altijd ontevreden kameelen.

Het is overbodig, nog eens weer voor de zooveelste maal de winkels te beschrijven van de borduurders, de kleermakers, de zadelmakers en reukwerkverkoopers, die overal en altijd aan elkander gelijk zijn in oostersche landen en enkel een weinig verschillen in rijkdom. Het is prettiger, op goed geluk te dwalen door dit heerlijke Medina met de straten, als daar zijn de Vrouwenstraat, de Schatkiststraat, de Katstraat, de Hondenstraat, de Negerstraat, en in hun petiterige werkplaatsen de veelsoortige handwerkslieden aan het werk te zien, ernstig, waardig en onverstoorbaar onder de oogen van nieuwsgierige wandelaars.

Vooral des morgens zijn de straten en de soeks in de arabische stad druk en woelig. In de menigte vormen de Europeanen maar een zeer kleine minderheid, terwijl men er alle typen in herkent uit Noord-Afrika, van den Marokkaan af tot de zonen der woestijn van Tripolis, waarbij dan nog de Soedaneezen zich voegen met hun tint, zwart als ebbenhout.

Wij komen aan het gerechtshof, waar het schilderachtige binnenplein bezet is door de eischers en beklaagden en hun advocaten, om dan naar de gehoorzaal te gaan. De aanblik daarvan is alleen de reis naar Tunis waard. Dat men zich voorstelle een zaal van noorschen bouwtrant en van kleine afmetingen, hoog en wit, tot de halve hoogte behangen met een groene stof, en langs welker randen een breede divan is aangebracht, die in het midden afgebroken wordt door een prachtigen troon, die van den Bey.

Al de rechtsprekende personen zijn rijk gekleed in gewaden van zachte kleuren, lichtgroen, bleekgeel, mauve, vieux rose, zooals zeer coquette vrouwen het zich voor haar geliefdste japonnen zouden droomen. De sjeik el islam en de kadi dragen den grooten tulband van smetteloos witte kleur, waarop een sluier van cachemire is bevestigd, die aan den kant is vastgestrikt, gelijk de gewoonte was bij de oude khans. Als men hen zoo ziet zitten, met de beenen onder zich gevouwen, leunend tegen den divan, ernstig en waardig met hun sneeuwwitte baarden, den amberen rozenkrans in de hand, meent men zich verplaatst in een zaal van het paleis van Haroen al Raschid.

De open ruimte in de gerechtszaal is voorzien van banken en stoelen, waarop de inboorlingen en hun advocaten plaats nemen. Er moet uitspraak gedaan worden over de meest uiteenloopende zaken. Onze beminnelijke gids, een jong Tunesiër, Si Ali Abdul Wahah, tolk aan de rechtbank, legt ons enkele uit. Een paar processen, op erfenissen betrekking hebbend, loopen al jaren. Niet enkel bij ons in Frankrijk werkt de justitie langzaam! Andere worden in de loopende zitting dadelijk door den kadi uitgemaakt. Een arme, havelooze sukkel met een burnoes vol gaten, die hij angstvallig tegen zijn naakte beenen drukt, komt nader. Hij beklaagt zich, o ironie van het lot, over zijn vrouw, die van hem rijker kleederen eischt, dan hij haar kan verschaffen. Een andere man, niet minder somber en ongelukkig, verhaalt aan de rechters, dat zijn vrouw, een zure, kijvende natuur, geen vrede kan houden met haar buren en hem tot voortdurende verhuizingen noodzaakt. Daarop antwoord de kadi: "Doe wat je vrouw wenscht. Ga weer verhuizen."

Wij wachten het einde van de zitting af, om tegenwoordig te zijn bij het vertrek van de hooge dignitarissen der mohammedaansche geestelijkheid. Pas zijn ze verschenen op den drempel van de deur, of de menigte van cliënten en advocaten, die onder de bogen zijn blijven staan op de binnenplaats, maken eerbiedig hun buiging. Ieder tracht, naderbij te komen en de hand te kussen of het kleed van de schoone grijsaards. Met vluggen tred en glimlachend met een levendigen oogopslag bestijgen ze hun muilezels en zijn snel uit het gezicht in den doolhof der bochtige straten.

Er is geen prettiger wandeling en geen kalmer dan naar de Bélvedère, dat prachtige Bois de Boulogne van Tunis. Deze nog kort geleden in het leven geroepen gelegenheid is onwaardeerbaar in een stad als Tunis, die niet zeer begunstigd is uit het oogpunt van groen en tuinen. Gelegen op de hellingen van een vrij hoogen heuvel, heeft de stad mooie, slingerende rijwegen, terwijl er voor de voetgangers smallere paden zijn en heerlijke lanen, waar schaduw en koelte verkwikking schenken. Op den top van den heuvel is een verbazend uitgestrekt plateau, waar het uitzicht het mooiste panorama van Tunis en de omstreken te genieten geeft. In het zuiden ziet men de lijn van den Zaghoean en den Ressas met den karakteristieken top van den Boe-Korneïn; in het Oosten speurt de blik het spiegelende meer en de heuvels van Carthago; in het Noorden strekt zich een veld van olijfboomen uit en in het Westen verrijst het Bardo, de Manoeba.

Wij keerden dikwijls terug naar die Bélvedère, in welks groen twee juweeltjes van arabische architectuur verscholen lagen. Het eene, Mida genoemd, is een klein gebouw, een reinigingszaaltje aan den ingang der moskee, die in een van de dijken van Tunis dreigde in puin te vallen. Dank zij het initiatief van het secretariaat-generaal van de tunesische regeering, en met de ondersteuning van den Dienst der Oudheden, is het gebouwtje weer opgetrokken, steen voor steen, en nu in een uitgezocht schoone omgeving. Diezelfde groote zorg voor de inlandsche kunst heeft in dergelijke omstandigheden een sierlijk gebouw, een Koeba, laten overbrengen naar een beter terrein; het was een kiosk uit den tuin van Hamoeda bey uit het eind der achttiende eeuw. De koepels en opengewerkte stucversiering en heel de inrichting maken van het gebouw een heerlijk rustplaatsje, waar men den tijd kan verdroomen en waar men een prachtig uitzicht heeft, terwijl men de zuivere lucht inademt, vol met de geuren van mimosa's.

De Tunesiërs schijnen de bekoring van de Bélvedère wel op prijs te stellen. Ze wandelen er druk, en in het lentegroen vormen hun kleurrijke gewaden van mauve en rood, hemelsblauw en saffraangeel een aardige afwisseling. Maar men zou tevergeefs zoeken naar de traditioneele spookvrouwen in lichte sluiers, die met haar slepende gewaden in kwijnende gratie dergelijke plaatsen aan den oever van den Bosporus belangwekkend maken. Hier bestaat de vrouw niet. Men zou best kunnen gelooven, dat ze er heelemaal niet zijn!

Den 15den Maart zeggen wij Tunis voor eenigen tijd vaarwel. De heer Alapetite is zoo vriendelijk, ons wel te willen meenemen op de eerste officiëele tournée, die hij gaat maken in het Zuiden van het Regentschap. Van daar zal de heer Chantre Tripolitanië bereiken, waar hij de anthropologische studiën gaat voortzetten, die hij vroeger al heeft gedaan over de volken van West-Azië en Egypte. Wij zullen per spoor naar Soesa terug keeren, waar we ons weer zullen aansluiten bij den Resident-generaal, die per auto vertrekt in gezelschap van den heer en mevrouw André Siegfried, de heeren Buellet, prefect van Aveyron, Gabriel Puaux kabinetschef van den Resident-generaal, en kapitein Roux, zijn ordonnans. Op die wijze winnen wij een vermoeienden dag uit, want er ligt een verblijf te Kairoean in opgesloten.

Bij den langzamen gang van den trein kunnen we het landschap op ons gemak waarnemen, dat door den spoorweg wordt doorsneden. Het is een der best bebouwde streken van Tunis. Ze omvat de groote domeinen Potinville en Enfida, welker belangrijkheid overal bekend zijn. De dorpen zijn schaarsch in vergelijking van de bebouwde oppervlakte. Buiten de groote goederen, waar de modernste cultuurmethoden worden toegepast, brengen de korenvelden, op inlandsche manier bewerkt, dat is met de antieke houten ploeg, slechts magere oogsten voort, die nog problematieker worden door het gemis aan water, dat het heele land in ontwikkeling tegen houdt. Maar de dorheid van den tunesischen grond gaat in de lente schuil onder een frisch tapijt van groen en bloemen.

Naarmate men Soesa nadert, wordt het veld al rijker bezet met olijfboomen. De zon gaat onder in een grootsch wolkentooneel, dat boven de toppen van den Zaghoean hangt. In de stille rust van den voorjaarsavond, die uitgespreid ligt over de olijfboschjes en de door cactussen omsloten velden, komen we in de hoofdstad van de Sahel aan, het oude Hadrumetum, dat als een witte meeuw sierlijk aan het strand der zee ligt.

Na onze bagage in het hotel te hebben gelaten, haasten we ons naar den heer Alapetite, die ons aan het Contrôlegebouw wacht, om te middagmalen. Daar er een panne zich had voorgedaan al gauw na het vertrek met de automobiel, moest de Resident-generaal zijn reisplan al op den eersten dag wijzigen. Slechts een deel van zijn geïnviteerden zijn naar Kairoean gegaan.

Onze vrienden, die dezen morgen reeds in de vroegte per auto uit Tunis zijn vertrokken, verlangen naar rust. Toen het eten was afgeloopen, namen we spoedig afscheid van den Resident en van den heer en mevrouw Dianons. Op weg naar ons hotel liepen we door het slapende Soesa, gelijk aan een witte necropool en gingen door stille straten, uitkomend aan zee, waarop we in de verte de lichtjes der schepen konden onderscheiden. De maan wierp haar stroomen van bleek licht over de terrassen, en we sliepen in met het heerlijke gezicht nog voor oogen van dat bekoorlijk nachtelijk tooneel.

De gekanteelde muren van Soesa worden beschouwd als een der mooiste staaltjes van sarraceensche krijgskundige bouwkunst. De versterkingen zijn nog onveranderd gebleven en hebben den vorm van een langen rechthoek. Sierlijke torens steken eruit op en trekken op bepaalde afstanden de aandacht. In de binnenstad dalen de straten naar de zee af en zijn dicht opeen gebouwd, juist als in Tunis, met welke stad Soesa veel overeenkomst vertoont. Hier en daar verrijzen minarets; overal ziet men palmboomen en boven de trotsche stad aanschouwt men de terrassen van de Kasba en haar torens, waardoor aan de afstammelinge van het oude Hadrumetum een schoonheid wordt gegeven, die haar tot iets heel bijzonders maakt.

De europeesche wijk ligt als in Tunis tusschen de wallen en de zee. Het is er vooral door de nabijheid der haven steeds zeer druk. Mooie huizen, hotels, winkels, café's wijzen er op een gestadige ontwikkeling. Een onschatbare dienst is aan de stad bewezen door de instelling eener waterleiding. Een niet minder te waardeeren weldaad dan het water, de zindelijkheid der straten, trekt de aandacht zoowel te Soesa als te Tunis. De boven- en de benedenstad, de inlandsche straatjes en de groote verkeerswegen, alles ziet er zindelijk uit, een feit, dat zoo iets ongewoons is in mohammedaansche landen, waar de straten ophoopingen van vuil zijn, dat men er wel eer voor moet brengen aan het fransche bestuur.

Terwijl de Resident zijn officiëele recepties houdt in het Contrôlegebouw, wandelen wij door de straten en de soeks. Er heerscht overal in de inlandsche wijken de grootste levendigheid. Men gaat er door steegjes en langs trappen, en komt van het helderste licht plotseling te midden van de duisternis der overdekte bazars of soeks. Daar vindt men enkel de gewone voortbrengselen van dagelijksch gebruik. De eenige tak van industrie van beteekenis is die van olie en zeep. Het is bekend, dat de olijfboschjes van de Sahel de belangrijkste zijn uit het Regentschap, en die welke onder de contrôle van Soesa staan, zijn zeer uitgestrekt. De olijven worden behandeld in de fabrieken, waarvan men de hooge schoorsteenen zich ziet verheffen in de voorsteden aan de zee.

Na een vluchtig bezoek aan het Museum, dat een overvloed heeft van archeologische rijkdommen uit de phoenicische, romeinsche en byzantijnsche periode en verzameld in de omstreken, bereiken wij tegen den middag in den heeten zonneschijn het Gebouw der civiele contrôle, dat we nog maar terloops hebben gezien bij onze aankomst gisteren. Het sierlijke gebouw, het oude Dar el-bey, staat op een pleintje met zwart en wit plaveisel, van waar men een mooi uitzicht op de zee heeft.

Toen het ontbijt was afgeloopen, gingen we onder leiding van den abt Laynaud in het gevolg van den Resident-generaal naar de catacomben, door een merkwaardige reeks van opgravingen onlangs aan het licht gebracht. Het zijn de eerste en eenige, die in Tunis bekend zijn en ze zullen voortaan een aantrekkelijkheid te meer vormen voor den bezoeker van de hoofdstad van de Sahel. Aan kolonel Vincent van het vierde regiment tirailleurs komt de eer der ontdekking toe. Dr. Carton, wiens naam is verbonden aan alles, wat op de oudheidkunde van Tunis betrekking heeft. Geholpen door de Oudheidkundige Vereeniging van Soesa en met machtiging van den Directeur der Antiquiteiten, besloot deze de zaak tot op den grond te vervolgen en het mogelijk bestaan van catacomben nauwkeurig na te gaan. Hij werd bij zijn onderzoek geholpen door den abt Laynaud en kolonel Calley de Saint-Paul, die arbeiders te zijner beschikking stelde voor de opgravingen.

Met een lantaarn gewapend, opende de heer Laynaud den optocht door de donkere gangen. Achter onzen geleider liepen we in een lange rij door de prachtig opgeruimde gangen van deze christelijke doodenstad, waarvan de wanden over de geheele lengte verschillende verdiepingen van "loculi" vertoonen, netjes op een rij zonder ruimteverlies. Evenals te Rome zijn de graven in den vorm van langwerpige nissen in den rotswand uitgehold en met steenen afgesloten.

Zijn lantaarn in de hoogte houdend, brengt de heer Laynaud de belangwekkende opschriften onder onze aandacht, de geschilderde emblemata ook, die op de loculi dus niet zijn gegraveerd. Wat die opschriften van de catacomben van Hadrumentum kenschetst, is de soberheid en de eentonigheid ervan. De aanwijzing van den dag en de maand, nooit die van het jaar, gaat gewoonlijk aan den naam vooraf, zonder voornamen en met de formule "in pace". De hier begraven Christenen waren arm. Men is er dan ook wel ver van de sarcophagen en fresco's uit Rome. In den steeds onontwarbaarder wordenden doolhof van gangen, waar nu en dan de vreemde helderheid binnenvalt van een uitkijkje, drongen wij al dieper door, aangemoedigd door het geestdriftig woord van onzen gids. Eerst nadat we hem hartelijk hadden bedankt voor den interessanten tocht naar de dooden, bereikten we den uitgang en het daglicht.

Sedert het automobilisme, dat de maat voor de afstanden heeft gewijzigd, durft men haast niet meer zeggen, dat men een verre reis doet, zelfs niet in zuidelijk Tunis. Hoe het zij, of we nu een reis doen of maar een uitstapje, het komt mij piquant voor, na onze eindelooze tochten te paard door Russisch Armenië en Klein-Azië, na onze langzame vaarten op den Nijl, nu eens dit hoekje van Noord-Afrika te bezoeken in het snelle tempo van de automobiel.

Den 16den Maart verlieten wij om één uur in den namiddag Soesa en daar rolden we al spoedig over den weg naar Sfax, die de vergelijking kan doorstaan met onze beste rijwegen in Frankrijk. Het land werd al gauw dor en verlaten. Eenige kudden schapen en kameelen tusschen de weinige doears verlevendigden den weg. Toch weet men, dat deze streek vroeger met woningen overdekt was en dat in de nabijheid op de plaats zelve, van El Djem, dat we nu naderen, de romeinsche stad Thysdrus stond, een der rijkste steden van Noord-Afrika. De invallen, die successievelijk het land hebben verwoest, hebben tevens de vernietiging meegebracht van alle aanplantingen, olijven, graansoorten en vruchtboomen en van de bewonderenswaardige besproeiingswerken, die de Romeinen er hadden aangelegd. Waterleidingen, thermen en een circus zijn teruggevonden. De nomaden hebben hun zwarte tenten opgericht en hebben hun kudden laten grazen op de ruïnen, waarvan men de mozaïeken gaat bewonderen in het Museum te Soesa; zij, die van roof leven, bijna zonder behoeften zijn en halve wilden, huizen op de terreinen die de korenschuur van Rome werden genoemd.