Onder Moeders Vleugels

Chapter 9

Chapter 94,054 wordsPublic domain

"Ja, ik had hem gevraagd mij zoo te willen helpen, en Vader vergat het nooit, maar bewaarde me voor menig scherp woord door die kleine beweging en dien vriendelijken blik."

Jo zag, dat haar moeders oogen zich met tranen vulden, en dat haar lippen beefden, terwijl ze sprak. Vreezend, dat ze te veel gezegd had, fluisterde ze hartelijk: "Deed ik er verkeerd aan, dat ik zoo op u lette en dat ik er nu van sprak? Ik was niet van plan iets onliefs te zeggen, maar het is zoo prettig u alles te vertellen wat ik denk, en me bij u zoo veilig en gelukkig te voelen."

"Mijn lieve Jo, je mag Moeder _alles_ zeggen, want het is mijn grootste geluk en trots, als ik voel, dat mijn meisjes vertrouwen in me stellen, en weten, hoe lief ik ze heb.""

"Ik dacht, dat ik u bedroefd maakte."

"Neen, kind, maar als ik zoo over Vader spreek, voel ik zoo diep zijn gemis, zoo duidelijk hoeveel ik hem verschuldigd ben, en hoe zorgvuldig ik waken en werken moet om zijn dochtertjes veilig en goed voor hem te bewaren."

"En toch hebt u hem aangeraden te gaan, Moeder, en schreide niet, toen hij heenging, en u klaagt nu nooit en ziet er nooit uit, alsof u hulp noodig hebt," zei Jo verwonderd.

"Ik gaf het beste, wat ik had, aan het land, dat ik liefheb, en bewaarde mijn tranen, tot hij vertrokken was. Waarom zou ik klagen, als we beiden slechts onzen plicht hebben gedaan, en er aan 't einde zeker gelukkiger om zullen zijn? Als het je toeschijnt, dat ik geen hulp noodig heb, dan is dat, omdat ik een beter vriend heb dan zelfs Vader is om mij te troosten en te steunen. Mijn kind, de moeiten en verzoekingen van je leven beginnen eerst, en zullen misschien vele zijn: maar je kunt ze allen bestrijden en overwinnen, zoo je de kracht en de teederheid leert kennen van onzen hemelschen Vader, zooals je die van je aardschen vader kent. Hoe meer je Hem liefhebt en vertrouwt, des te dichter zul je je bij Hem gevoelen, en zooveel minder zul je steunen op menschelijke macht en wijsheid. Zijn liefde en zorg worden niet moede, noch veranderen; ze kunnen je nooit ontnomen worden, en zullen je, hoop ik, een bron zijn van vrede, geluk en sterkte voor het heele leven. Geloof dit van harte, en ga tot God met al je kleine zorgen en bezwaren, je zonden en lasten, even vrij en vertrouwelijk, als je tot mij gaat."

Jo's eenig antwoord was, dat ze haar moeder vaster omklemde, en in de stilte, die nu volgde, steeg het oprechtste gebed, dat ze ooit gebeden had, uit haar hart tot God op; want in dat droevig, maar toch zoo gelukkig uur had ze niet alleen de bitterheid van berouw en wanhoop leeren kennen, maar ook het liefelijke van zelfverloochening en zelfbeheersching, en geleid door haar moeders hand, was zij nader gekomen tot den Vriend, die ieder menschenkind welkom heet met een liefde, sterker dan die van eenig vader, teederder dan die van eenige moeder.

Amy bewoog zich en zuchtte in haar slaap, en alsof ze er naar verlangde dadelijk haar fout te herstellen, keek Jo op met een uitdrukking op haar gezicht, die er vroeger nooit op te zien was geweest.

"Ik liet de zon ondergaan over mijn toorn; ik wou haar niet vergeven, en vandaag zou het te laat geweest zijn, als Laurie ons niet geholpen had! Hoe kon ik zoo slecht zijn?" zei Jo halfluid, terwijl ze zich over haar zusje heenboog en het vochtige haar, dat op het kussen lag, streelde.

Amy sloeg haar oogen op, alsof ze de woorden gehoord had en stak de armen uit met een glimlach, die rechtstreeks doordrong tot Jo's hart. Geen van beiden sprak een enkel woord, maar ze omhelsden elkander innig, in spijt van al de dekens, en alles werd met een hartelijken kus vergeven en vergeten.

HOOFDSTUK IX.

META GAAT NAAR DE KERMIS DER IJDELHEID.

"Dat treft nu heusch al zoo gelukkig mogelijk, dat die kinderen juist nu de mazelen krijgen," zei Meta op zekeren dag in April, terwijl ze, omringd door haar zusjes, in haar kamer een koffer stond te pakken.

"En zoo lief van Annie Moffat, dat ze haar belofte niet heeft vergeten. Lekker hoor, zoo veertien dagen lang plezier te gaan maken," antwoordde Jo, die wel een windmolen leek, zooals ze daar, met uitgespreide armen, rokken stond op te vouwen.

"En zulk heerlijk weer, daar ben _ik_ zoo blij om," voegde Bets er bij, die zorgvuldig ceintuurs en haarlinten sorteerde en wegbergde in haar mooiste doos, die ze Meta voor de gewichtige gelegenheid geleend had.

"Ik wou, dat ik zoo'n prettigen tijd te gemoet ging, en al die mooie dingen mocht dragen," zei Amy met haar mond vol spelden, om het kussen van de gelukkige smaakvol en kunstig te gaan besteken.

"O, ik wou dat jullie allemaal meegingen, maar daar dat nu niet kan, zal ik mijn wederwaardigheden goed onthouden en jullie alles vertellen, als ik terugkom. Dat is ook al het minste, wat ik doen kan, nu jullie allemaal zoo lief zijn geweest om mij allerlei te leenen en in orde te helpen brengen," zei Meta, rondziende naar de eenvoudige kleeren, die in haar oogen bijna volmaakt waren.

"Wat heeft Moeder je uit de schatkist gegeven?" vroeg Amy, die er niet bij tegenwoordig was geweest, toen een zeker cederhouten kastje openging, waarin mevrouw March enkele overblijfselen van vroegere weelde bewaarde, als geschenken voor haar meisjes, wanneer de geschikte tijd daarvoor gekomen zou zijn.

"Een paar zijden kousen, dien mooi gesneden waaier, en een beeldig, blauw ceintuur. Ik had ook zoo graag die blauwe zijden japon gehad, maar er is geen tijd meer om hem te vermaken en ik moet dus maar tevreden zijn met mijn oude alpaca."

"Mijn nieuwe neteldoekje zal je ook keurig staan en het lange zijden ceintuur zal alles zoo opvroolijken. Ik wou, dat ik mijn bloedkoralen armband niet kapot gegooid had, dan hadt je hem met plezier kunnen krijgen," zei Jo, die gaarne iets gaf of uitleende, maar wier bezittingen gewoonlijk te verminkt waren om nog tot eenig nut te zijn.

"Er is in de "schatkist" een beelderig, ouderwetsch stel paarlen, maar Moeder zei, dat levende bloemen het mooiste sieraad zijn voor een jong meisje, en Laurie beloofde me te zullen zenden, wat ik noodig heb," antwoordde Meta. "Nu, laat eens zien, hier is mijn nieuw, grijs wandelpakje--och, Bets, krul de veer van mijn hoed eens wat op,--dan mijn alpaca voor Zondags en de kleine partij--het is wel wat zwaar voor het voorjaar, vind je niet? het blauwe zijdje zou zoo netjes staan; och hemel ja!"

"O kom, je hebt de neteldoeksche voor de groote partij, en als je in 't wit bent, zie je er altijd engelachtig uit," zei Amy, heelemaal verdiept in den kleinen voorraad opschik, waar haar hart zoo naar uitging.

"Die heeft geen lagen hals en geen sleep, maar het zal zoo wel moeten. Mijn blauwe huisjapon ziet er zoo netjes uit, nu hij gekeerd en nieuw opgemaakt is, dat het net een nieuwe lijkt. Jammer, mijn mantel is lang niet naar de laatste mode, en mijn hoed heeft niets van dien van Sallie. Ik heb maar niets gezegd, maar ik was ook vreeselijk teleurgesteld over mijn parapluie. Ik had Moeder verteld dat ik liefst een zwarte met een witten stok wou hebben, maar ze vergat het en kocht er een met een leelijken geelachtigen stok. Hij is sterk en netjes, dus moet ik niet klagen, maar ik weet dat ik er verlegen over zal zijn, als ik Annie's zijden parapluie met een gouden knop er naast zie," zuchtte Meta en bekeek met grooten tegenzin het kleine regenscherm.

"Ruil hem," raadde Jo.

"Neen, dat zou flauw zijn, en ik wil Moeders gevoel ook niet kwetsen, nadat ze zooveel moeite gedaan heeft om alles voor me in orde te krijgen. Het is heel laf van me, dat ik er over denk, en ik ben niet van plan er aan toe te geven. Mijn zijden kousen en twee paar nieuwe handschoenen troosten me in mijn leed. Erg lief van je, Jo, dat je mij de jouwe wilt leenen. Ik voel me zoo rijk en deftig met twee nieuwe paren en de ouwe gewasschen voor dagelijksch gebruik;" en Meta nam een hartversterkend kijkje in haar handschoenendoos.

"Annie Moffat heeft blauwe en rose lintjes in haar onderlijfjes; zou jij er ook niet een paar door de mijne willen rijgen?" vroeg ze, toen Bets met een berg schoon strijkgoed, versch uit Hanna's handen, kwam aandragen.

"Hé, neen, dat zou ik niet doen; de lintjes zouden niet in overeenstemming zijn met je eenvoudige lijfjes, waaraan maar een onnoozel kantje zit. Arme menschen moeten zich niet opdirken," zei Jo beslist.

"Ik zou wel eens willen weten, of ik _ooit_ zoo gelukkig zal zijn om _echte_ kant aan mijn ondergoed te hebben?" riep Meta wrevelig.

"Laatst zei je, dat je volmaakt gelukkig zou zijn, als je maar bij Annie Moffat kon gaan logeeren," merkte Bets op haar bedaarde manier aan.

"Dat heb ik ook gezegd! O, ik _ben_ ook wel gelukkig, en ik wil niet zeuren, maar het is toch net, of je meer verlangt, naarmate je meer krijgt; vindt jullie niet? Ziezoo, de bak is klaar en alles is er in, behalve mijn baljapon, die ik maar voor Moeder zal laten," zei Meta opvroolijkend, toen ze van den halfgevulden koffer naar het keurig gestreken neteldoekje keek, dat ze zeer gewichtig haar "baljapon" noemde.

Den volgenden dag was het mooi weer, en Meta vertrok, behoorlijk toegerust, om veertien dagen van ongekend genot tegemoet te gaan. Mevrouw March had met eenigen tegenzin haar toestemming tot het uitstapje gegeven, vreezende, dat Meta ontevredener dan ze nu soms al was, zou terugkomen. Maar ze had er zoo om gebedeld, en Sallie had beloofd goed voor haar te zullen zorgen, en een kleine uitspanning scheen, na een zwaren winter, zoo begeerlijk, dat de moeder zich liet overhalen, en de dochter haar eerste proefje ging nemen van het leven in de "uitgaande kringen."

De Moffats leefden op grooten voet, en de eenvoudige Meta was in het begin min of meer overbluft door de pracht van het huis en de elegante kleeding der bewoners. Maar het waren vriendelijke menschen, in weerwil van hun beuzelachtig leven, en ze zetten hun gast spoedig op haar gemak. Misschien gevoelde Meta wel, zonder precies te weten waarom, dat het geen bijzonder knappe of schrandere menschen waren, en dat al het verguldsel de gewone stof, waarvan ze gemaakt waren, niet kon verbergen. Het was zeker heel plezierig, lekker te eten, in een mooi rijtuig te rijden, elken dag haar beste japon te dragen en niets te doen, dan zich aangenaam bezig te houden. Zooiets viel echt in haar smaak, en het duurde niet lang, of zij begon de manieren en gesprekken van haar nieuwe omgeving na te volgen, nam kleine airs en gewoonten aan, gebruikte Fransche woorden, crêpeerde haar haar, nam haar japonnen in, en praatte zoo goed ze kon mee over de modes.

Hoe meer ze zag van Annie Moffat's mooie dingen, hoe meer ze haar benijdde en smachtte naar rijkdom. Thuis scheen haar nu alles in de herinnering kaal en somber toe; te moeten werken, werd harder dan ooit, en Meta vond, dat ze een heel arm en slecht bedeeld meisje was, in weerwil van de handschoenen en de zijden kousen.

Ze had echter niet veel tijd om te treuren, want de drie meisjes maakten het zich heel druk met allerlei pretjes. Ze winkelden, wandelden, reden, en legden elken dag bezoeken af; gingen naar de comedie en de opera, of hadden 's avonds thuis plezier, want Annie had veel vriendinnen en wist ze aardig bezig te houden. Haar oudere zusters waren mooie jonge dames, en een van hen was geëngageerd, wat in Meta's oog bizonder interessant en romantisch was. Mijnheer Moffat was een dik, vroolijk oud heer, die haar vader wel kende; en mevrouw Moffat, een gezette, vroolijke oude dame, die evenals haar dochter groote genegenheid opvatte voor Meta. Iedereen haalde haar aan, en men was mooi op weg "Daisy", zooals ze haar noemden, het hoofd op hol te brengen. Toen de avond voor de "kleine partij" aanbrak, merkte ze dat er van het alpaca'tje volstrekt geen sprake kon zijn, want de andere meisjes deden dunne japonnen aan en maakten veel toilet; dus haalde ze de witte voor den dag, die er naast Sallie's nieuwe japon, eenvoudiger uitzag dan ooit tevoren. Meta zag, hoe de meisjes er naar keken en haar wangen begonnen te gloeien; want ze was met al haar zachtheid toch heel trotsch. Niemand zei er een enkel woord over, maar Sallie bood aan haar haar op te maken, en Annie haar ceintuur te strikken, en Belle, de geëngageerde zuster, prees haar blanke armen. In al die vriendelijkheid zag Meta slechts medelijden met haar armoede, en haar hart was zwaar, toen de andere meisjes zoo lachten en praatten, zich coquet kapten, en als vluchtige vlinders heen en weer vlogen. Het harde, bittere gevoel was tot een aanmerkelijke hoogte gestegen, toen een der dienstmeisjes een doos met bloemen binnenbracht. Voor Meta nog iets kon zeggen, had Annie er het deksel reeds afgenomen, en allen bewonderden luide de prachtige rozen en andere bloemen.

"Dat is natuurlijk voor Belle. George stuurt haar altijd bloemen, maar deze zijn wel _buitengewoon_ mooi!" riep Annie, de geur diep inademend.

"Ze zijn voor Juffrouw March, werd er bij gezegd. En hier is een briefje," zei het meisje, het Meta overreikend.

"Wat aardig! Van wien zijn zij? Ik wist niet, dat jij een aanbidder hadt!" riepen de meisjes en fladderden in de grootste nieuwsgierigheid en verbazing om Meta heen.

"Het briefje is van Moeder, en de bloemen zijn van Laurie," zei Meta eenvoudig, maar toch zeer gestreeld dat hij haar niet vergeten had.

"Zoo!" zei Annie met een spottenden blik, toen Meta het briefje in den zak stak, als een soort van talisman tegen afgunst, ijdelheid en valschen trots; want die enkele teedere woorden hadden haar goed gedaan, en de prachtige bloemen vroolijkten haar op.

Ze voelde zich bijna weer gelukkig en legde een paar rozen en wat groen voor zichzelf op zijde, terwijl ze haastig van de overschietende bloemen allerliefste kleine bouquetjes maakte voor het haar, of het ceintuur van haar vriendinnen, en ze zoo vriendelijk aanbood, dat Clara, de oudere zuster, zei, dat ze het "aardigste kleine ding was dat ze ooit gezien had," en allen zeer ingenomen waren met die attentie. De vriendelijke daad maakte een einde aan haar neerslachtigheid, en toen allen gezamenlijk naar beneden gingen, om zich aan mevrouw Moffat te vertoonen, zag ze, toen ze voor den spiegel stond en de bloemen in haar golvend haar stak, een gelukkig gezichtje met schitterende oogen, terwijl de japon, door de rozen versierd, haar nu niet meer zoo eenvoudig toescheen. Ze had dien avond veel plezier, want ze danste naar hartelust; allen waren even vriendelijk voor haar, en ze kreeg twee complimentjes. Annie verzocht haar wat te zingen, en een der gasten maakte de opmerking, dat ze een bijzonder lieve stem had; majoor Lincoln vroeg "wie dat frissche, aardige meisje met de mooie oogen was!" Alles te zamen genomen had ze dus een recht prettigen avond, totdat ze een gedeelte van een gesprek hoorde, dat haar geheel van streek maakte. Ze zat juist in de serre te wachten, tot haar cavalier een portie ijs bracht, toen ze aan den anderen kant van een bloemen- en groenversiering een stem hoorde vragen:

"Hoe oud is ze?"

"Zestien of zeventien denk ik," antwoordde een andere stem.

"Het zou een buitenkansje zijn voor een van die meisjes, zou het niet? Sallie zegt, dat zij heel intiem zijn, en de oude heer vreeselijk van hen houdt."

"Mevrouw M. heeft haar plannen, wed ik, en zal haar spel wel goed spelen, al is het ook nog wat vroeg. Het meisje heeft er klaarblijkelijk geen idee van," zei mevrouw Moffat.

"Ze vertelde dat leugentje omtrent haar mama anders, alsof zij er wel iets van wist, en kreeg een kleur, toen de bloemen kwamen."

"Arm kind, ze zou er heel aardig uitzien als ze maar naar de mode gekleed was. Denkt u, dat ze beleedigd zou zijn, als we aanboden haar een japon voor Donderdag te leenen?" vroeg weer een andere stem.

"Ze is trotsch, maar ik geloof niet, dat ze er tegen zou hebben, want ze heeft niets dan dat simpele neteldoekje. Misschien krijgt zij er van avond wel een scheur in, dat zou een goed voorwendsel zijn om haar een andere aan te bieden."

"We zullen zien; ik zal dien Laurence een uitnoodiging zenden om haar een beleefdheid aan te doen, en dan kunnen we er later pret over maken."

Hier verscheen Meta's partner met het ijs; zij zag er verhit en zenuwachtig uit. Haar "trots" kwam haar nu goed te pas, om haar verontwaardiging, haar woede en verdriet, over wat ze juist gehoord had, te verbergen; want hoe onschuldig en onergdenkend ze ook was, dit kon niet beletten, dat ze de praatjes van haar vrienden begreep. Ze deed haar best alles van zich af te zetten, maar het baatte niet, want gedurig herhaalde ze bij zichzelf: "Mevrouw M. heeft haar plannen," "dat leugentje omtrent haar mama" en "simpel neteldoekje", tot ze op het punt was te gaan schreien, en gaarne naar huis gevlogen zou zijn, om al haar verdriet te vertellen en om raad te vragen. Daar dit onmogelijk was, deed zij haar best vroolijk te schijnen, en dank zij haar zenuwachtige opgewondenheid, slaagde ze daar zoo goed in, dat niemand vermoeden kon, hoeveel inspanning het haar kostte. Wat was ze dankbaar toen alles was afgeloopen en ze rustig in het bed lag, waar ze kon denken en zich verbazen en woedend zijn, totdat haar hoofd scheen te zullen barsten en haar gloeiende wangen afgekoeld werden door een stroom van tranen.

Die dwaze, maar toch goed gemeende woorden, hadden een nieuwe wereld voor Meta ontsloten, en den vrede van de oude wereld, waarin ze tot nu toe zoo gelukkig als een kind had geleefd, verstoord. Haar onschuldige vriendschap met Laurie was bedorven door de dwaze praatjes, die ze afgeluisterd had; haar vertrouwen in haar moeder even geschokt door de wereldsche plannen, haar toegeschreven door mevrouw Moffat, die anderen naar zichzelf beoordeelde; en het verstandig besluit om tevreden te zijn met de eenvoudige kleeren, die aan de dochter van arme ouders voegden, aan het wankelen gebracht door het onnoodig medelijden van eenige meisjes, die meenden dat een niet modieuse japon een der grootste levensrampen was. De arme Meta had een onrustigen nacht en stond met zware oogen en diep ongelukkig op, half knorrig op haar vriendinnen, half beschaamd over zichzelf, dat zij niet ronduit alles vertelde en de zaak in orde bracht. Ieder verbeuzelde dien morgen en het werd middag, eer de meisjes lust genoeg konden verzamelen om zelfs maar een handwerkje op te nemen. Er was iets in de houding van haar kennisjes, dat dadelijk Meta's aandacht trok; ze meende, dat ze haar met meer onderscheiding behandelden, buitengewoon veel belangstelling toonden in alles, wat ze zei, en haar met nieuwsgierige blikken aankeken. Dit alles verwonderde en vleide haar, hoewel ze het niet begreep, totdat Belle van haar schrijftafel opzag en heel sentimenteel zei:

"Daisy, ik heb een uitnoodiging gestuurd voor Donderdagavond aan je vriend Laurence. We zouden hem graag eens leeren kennen, en het zou voor jou heel aardig zijn, als hij kwam."

Meta bloosde, maar een ondeugende inval om de meisjes te plagen, deed haar heel stemmig antwoorden:

"Heel vriendelijk, maar ik vrees, dat hij niet zal komen."

"Waarom niet?" vroeg Belle.

"Hij is te oud."

"Kind, wat bedoel je? Hoe oud is hij dan wel?" riep Clara.

"Bijna zeventig, geloof ik," antwoordde Meta, steken tellende, om den opkomenden lach te verbergen.

"Ondeugd! wij bedoelen natuurlijk het jongemensch Laurence," zei Belle lachend.

"Die bestaat niet; Laurie is nog maar een jongen," en Meta lachte ook om den verbaasden blik, dien de zusters met elkander wisselden, toen zij haar onderstelden aanbidder zoo beschreef.

"Zoowat van jouw leeftijd?" vroeg Nan.

"Meer van dien van Jo; _ik_ word al zeventien in Augustus," antwoordde Meta, het hoofd achterover werpend.

"Aardig van hem je bloemen te sturen, vind je niet?" vroeg Annie en keek alsof ze iets heel gewichtigs zei.

"Ja, hij stuurt ze ons dikwijls, want zij hebben er zoo'n massa, en wij houden er zooveel van. Moeder en de oude heer Laurence zijn vrienden, dus is het heel natuurlijk, dat wij, kinderen, samen spelen," en Meta hoopte, dat ze er hu over zwijgen zouden.

"Het is duidelijk te merken, dat Daisy nog niet uitgaat," zei Clara met een knikje tegen Belle.

"Heusch een idyllische eenvoud," antwoordde juffrouw Belle schouderophalend.

"Ik ga uit om een paar kleinigheden voor de meisjes te koopen; kan ik ook iets voor jullie meebrengen, jonge dames?" vroeg mevrouw Moffat, als een schip met volle zeilen de kamer binnenkomende, sierlijk uitgedost in zijde en kant.

"Neen, dank u, mevrouw," antwoordde Sallie; "ik heb mijn nieuwe roze zijdje voor Donderdag en heb verder niets noodig.

"Ik ook niet--" begon Meta, maar zweeg, omdat het haar inviel, dat zij _wel_ verscheiden dingen noodig had, maar ze niet kon krijgen.

"Wat doe jij aan?" vroeg Sallie.

"Mijn oude witte weer, als ik die ten minste goed kan verstellen; ik heb den rok den vorigen keer erg gescheurd," zei Meta, en ze deed haar best kalm te spreken, hoewel ze alles behalve op haar gemak was.

"Waarom schrijf je niet naar huis om een andere?" zei Sallie, die niet bijzonder slim was uitgevallen.

"Ik heb geen andere." Het kostte Meta moeite dit te zeggen, maar Sallie merkte niets en riep in naïve verbazing:

"Niets dan die eene! Wat grappig--" Ze eindigde haar zin niet, want Belle schudde het hoofd en viel haar vriendelijk in de rede:

"Volstrekt niet grappig; waarom zou Daisy veel japonnen hebben, als ze nog niet uitgaat? Er is niets geen reden om naar huis te schrijven, Daisy, zelfs al had j' er een dozijn, want ik heb een keurig blauw zijdje, dat ik niet dragen kan, omdat het mij wat nauw is, en jij zult het wel willen aandoen om mij te plezieren."

"Het is heel vriendelijk van je, maar ik vind het niets naar om mijn witte japon weer aan te trekken, als het jullie hetzelfde is; die is goed genoeg voor mij," zei Meta.

"Kom, laat ik nu eens het plezier hebben je netjes aan te kleeden. Ik vind het zoo prettig en je zou heusch eene kleine beauté zijn, als er hier en daar maar een kleinigheidje werd aangebracht. Ik zal je aan niemand laten zien, voordat je kant en klaar bent, en dan komen we opeens voor den dag, zooals Asschepoetster en haar petemoei, toen zij naar het bal gingen," zei Belle overredend.

Meta kon het zoo vriendelijk gedane aanbod niet weerstaan; de begeerte om zelf te zien, of ze "een kleine beauté" zou zijn, als ze wat opgekleed was, drong haar toe te geven, en al haar vroegere, onaangename gevoelens jegens de Moffats te vergeten. Toen de Donderdagavond daar was, sloot Belle zich op met haar kamenier, en die twee veranderden Meta in eene elegante jonge dame.

Ze crêpeerden en krulden haar haar, poederden hals en armen, gaven haar lippen een mooie roode kleur, door er iets koraalzalf op te smeren, en Hortense, de kamenier, zou er graag _un soupçon de rouge"_ aan toegevoegd hebben, als Meta er zich niet tegen verzet had. Het lichtblauwe japonnetje zat zoo strak, dat ze nauwelijks kon ademhalen, en was zoo laag uitgesneden, dat de zedige Meta over zichzelf bloosde, toen ze in den spiegel keek. Verder haalde Belle een fijn zilver kettinkje voor den dag, armbanden, speldjes en al wat er meer noodig bleek. Een toef theerozenknoppen en een ruche om den hals van haar japon verzoenden Meta met het tentoonstellen van haar welgevormde, blanke schouders, en een paar hooggehakte, blauw zijden schoentjes vervulden haar laatsten hartewensch. Eindelijk voltooiden een kanten zakdoek, een veeren waaier en een bouquet in een zilveren houder haar toilet, en Belle bekeek haar met de voldoening, waarmee een klein meisje een nieuw aangekleede pop beschouwt.

"Mademoiselle est charmante, très joli, n'est-ce-pas?" riep Hortense, met gemaakte verrukking de handen in elkander slaande.