Onder Moeders Vleugels

Chapter 8

Chapter 84,229 wordsPublic domain

"Ja, ik begrijp het, het is heel aardig begaafd te zijn en mooi en elegant, maar niet om vertooning te maken of er zich op te verheffen," zei Amy nadenkend.

"Die dingen worden altijd gevoeld en gewaardeerd in iemands manier van doen en van spreken, als ze maar met bescheidenheid gebruikt worden; het is heusch niet noodig er mee te koop te loopen," zei mevrouw March.

"Net zoo min als je 't in je hoofd zou halen, al je hoeden en jurken en strikken tegelijk te dragen, om de menschen toch vooral maar te laten zien, dat je ze hebt," voegde Jo er bij, en "de preek" eindigde met gelach.

HOOFDSTUK VIII.

JO ONTMOET APPOLLYON.

"Waar gaan jullie heen?" vroeg Amy, toen ze op een Zaterdagmiddag, in haar kamer komende, haar twee oudste zusters bezig vond hun goed aan te doen, met een zekere geheimzinnigheid die haar nieuwsgierigheid opwekte.

"Dat gaat je niets aan; kleine kinderen moeten niet zoo nieuwsgierig zijn," antwoordde Jo scherp.

Als er iets is, dat ons ergert, wanneer wij nog jong zijn, dan is het wel, dat ons dit onder den neus gewreven wordt, en nog grievender is het, als men ons daarbij vriendelijk verzoekt: "Nu maar gauw wat te gaan spelen." Amy stoof bij deze beleediging op, en besloot het geheim uit te vorschen, al moest ze er een uur lang om zeuren. Zich tot Meta wendende, die haar nooit lang iets kon weigeren, begon ze vleiend: "Toe vertel het me maar; je kon me _best_ laten meegaan; Bets is zoo verdiept in haar poppen, en ik heb niks te doen en 'k voel me zóó eenig!"

"Ik kan je niet meenemen, liefje, omdat je niet gevraagd bent," begon Meta, maar Jo viel haar ongeduldig in de rede met een: "Nu, Meta, houd je stil, of je zult alles bederven. Je kunt niet meegaan, Amy, stel je dus niet aan als een klein kind, door er om te dwingen."

"Jullie gaan met Laurie ergens heen, ik weet het heel goed; je hebt gisterenavond samen op de canapé zitten fluisteren en lachen, en jullie hield in eens op, toen ik binnenkwam. Is 't soms niet waar?"

"Ja, we gaan met Laurie ergens heen; wees nou maar stil en zanik niet langer."

Amy zweeg, maar gebruikte haar oogen, en zag dat Meta een waaier in den zak stak. "Ik weet het al! Ik weet het al, jullie gaan naar de comedie, "De zeven Kasteelen" zien," riep ze, er vast besloten bijvoegende: "En _ik_ ga ook, want moeder heeft gezegd, dat ik het mocht zien, en ik heb het geld van de prullen nog bewaard! Onuitstaanbaar van jullie om mij niet bijtijds te waarschuwen."

"Luister eens even naar me, en wees nu eens lief," zei Meta kalmeerend. "Moeder wou, dat je deze week nog niet gingt, omdat je oogen nog niet heel goed zijn om al het licht bij het tooverballet te verdragen. De volgende week kun jij gaan met Bets en Hanna, en een heerlijken avond hebben."

"Dat vind ik niet half zoo plezierig als met jullie en Laurie. Och, laat mij maar meegaan? ik ben nu al zoolang om mijn verkoudheid thuis geweest, en ik snak naar een pretje. Toe, Meta, ik zal heel lief zijn," smeekte Amy zoo roerend mogelijk.

"Zouden we haar dan toch maar meenemen. Ik geloof niet dat Moeder er op tegen zou hebben, als we haar goed instopten," begon Meta.

"Als _zij_ gaat, ga _ik_ niet; en als ik niet meega, heeft Laurie het land; 't zou trouwens heel onbeleefd zijn er Amy bij in te halen, nu hij alleen ons gevraagd heeft. Ik vind, dat ze zich schamen moest zich zoo in te dringen, waar ze niet begeerd wordt," zei Jo knorrig, want ze had niets geen lust op een beweeglijk kind te passen, nu ze zich voorgenomen had eens echt te genieten.

Haar toon en manieren maakten Amy boos; ze begon haar laarzen aan te trekken en zei op de meest tergende manier: "Ik ga _toch_: Meta zegt, dat ik mag, en als ik voor mezelf betaal, heeft Laurie er niets mee te maken."

"Je kunt niet bij ons zitten, want wij hebben gereserveerde plaatsen, en je kunt ook niet alleen zitten; Laurie moet je dan natuurlijk zijn plaats wel afstaan en dat zal ons plezier bederven; of hij neemt een andere plaats voor je en dat is onbehoorlijk, want je bent niet gevraagd. Je hoeft geen moeite te doen, want je blijft eenvoudig waar je bent," bromde Jo, knorriger dan ooit, daar ze zich juist in haar haast in den vinger had geprikt. Amy, die op den grond zat met één laars aan, begon te schreien, en Meta zocht haar tot rede te brengen, toen Laurie zich beneden liet hooren en de twee meisjes haastig naar hem toe gingen, haar zusje snikkend achterlatend; want nu en dan vergat Amy haar groote-menschen-manieren en gedroeg ze zich als een bedorven kind. Juist toen het gezelschap de deur uit zou gaan, riep ze op dreigenden toon over de leuning: "Het zal je berouwen, Jo March! dat beloof ik."

"Malligheid!" antwoordde Jo, de deur toeslaande.

Ze hadden een genotvollen avond, want de "Zeven Kasteelen aan het Kristallen Meer" waren zóó tooverachtig, zoo wonderschoon, als men maar verlangen kon. Maar in weerwil van de grappige roode dwergen, de schitterende elfen en de prachtig aangekleede prinsen en prinsessen, was Jo's genoegen met een bitteren droppel vermengd; de blonde krullen van de feeënkoningin herinnerden haar aan Amy, en tusschen de verschillende bedrijven hield ze zich bezig met te bedenken, wat haar zusje zou doen, om "het haar te doen berouwen." In den loop der jaren hadden zij en Amy al menige schermutseling gehad, want beiden hadden een driftig karakter en werden licht heftig, als ze eens los kwamen. Amy plaagde Jo, en Jo maakte Amy boos, en af en toe hadden er uitbarstingen plaats, waarover beiden zich later schaamden. Hoewel zij de oudste was, had Jo de minste zelfbeheersching en bracht menigen moeilijken dag door in het bestrijden van den driftigen geest, die haar zoo dikwijls in verdrietelijkheden bracht. Haar boosheid was nooit van langen duur, en als ze nederig haar schuld beleden had, voelde ze er oprecht berouw over, en trachtte zich te beteren. Haar zusters bekenden dikwijls, dat ze het wel "leuk" vonden Jo eens woedend te maken, omdat ze dan later zoo engelachtig lief was. De arme Jo deed wanhopig haar best om kalm te zijn, maar haar boezemvijand was altijd gereed op te vliegen en haar de nederlaag toe te brengen; en er was een jarenlange, geduldige strijd noodig om hem te verslaan. Toen ze thuis kwamen, zat Amy te lezen in de zitkamer. Ze nam een beleedigd air aan, sloeg haar oogen niet van haar boek op en deed geen enkele vraag. Misschien zou haar nieuwsgierigheid het gewonnen hebben van haar trots, als Bets er niet geweest was om naar alles te vragen en een opgewonden beschrijving van het stuk te krijgen. Toen Jo naar boven ging om haar besten hoed te bergen, keek ze het eerst naar de latafel, want bij den laatsten twist had Amy haar gevoel zoeken te luchten, door Jo's bovenste la op den grond om te keeren. Alles scheen nu evenwel op zijn plaats, en na een haastigen blik in haar kast, waschtafel en doozen, kwam Jo tot het besluit, dat Amy de beleediging vergeven en vergeten had.

Maar daarin had Jo zich vergist, want den volgenden dag deed ze een ontdekking, die een storm teweegbracht. Meta, Bets en Amy zaten in den namiddag bij elkander, toen Jo opgewonden de kamer binnenstormde en ademloos vroeg: "Heeft iemand mijn sprookjes weggenomen?"

Meta en Bets zeiden dadelijk "neen" en keken verbaasd op; Amy pookte in het vuur en zei niets. Jo zag, dat ze een kleur kreeg en vloog op haar toe.

"Amy, jij hebt ze weggenomen!"

"Neen."

"Dan weet jij, waar ze zijn!"

"Neen, dat weet ik niet."

"Dat jok je!" riep Jo, haar bij de schouders vattende met zoo'n woedenden blik dat ze een moediger kind dan Amy, zou hebben doen schrikken.

"Dat jok ik _niet_!" Ik heb ze niet, en weet niet waar ze zijn, en ik geef er ook geen zier om."

"Je weet er iets van, en je zou beter doen het maar dadelijk te zeggen, of ik zal je er toe dwingen," en Jo schudde haar onzacht heen en weer.

"Dreig maar zooveel je wilt, je krijgt je malle verhalen niet terug," riep Amy, nu op haar beurt boos wordende.

"Waarom niet?"

"Ik heb ze verbrand."

"Wat! mijn sprookjes, waar ik zooveel van hield en zoo hard aan werkte, en die ik van plan was af te maken, voordat Vader thuiskwam? Heb je ze wezenlijk verbrand?" vroeg Jo verbleekend, terwijl haar oogen schitterden en haar handen Amy zenuwachtig vastklemden.

"Ja zeker! ik heb gezegd, dat het je berouwen zou, dat je gisteren zoo onaardig was, en daarom heb ik het gedaan, dus--" verder kon Amy het niet brengen, want Jo's driftige natuur werd haar de baas; ze schudde Amy, dat de tanden in haar mond klapperden, en riep in een hartstochtelijke vlaag van droefheid en woede:

"Je bent een slecht, een akelig kind! Ik kan ze nooit meer zoo schrijven, en ik vergeef het je nooit, zoolang ik leef."

"Meta vloog toe om Amy te ontzetten en Bets om Jo tot bedaren te brengen; maar Jo was geheel buiten zichzelf, en na Amy tot afscheid een klap om de ooren te hebben gegeven, vloog ze de kamer uit, naar de oude canapé op den zolder en streed haar strijd alleen.

De storm klaarde beneden op toen mevrouw March thuiskwam; na het verhaal aangehoord te hebben, bracht ze Amy weldra tot inzicht van het onrecht, dat ze haar zuster had aangedaan. Jo's boek was de trots van haar hart, en werd door de huisgenooten beschouwd als een veelbelovend letterkundig spruitje. Het waren niet meer dan een half dozijn sprookjes, maar Jo had er geduldig aan gewerkt met haar gansche hart, in de hoop, iets te kunnen voortbrengen, dat de moeite waard was gedrukt te worden. Ze had ze juist zeer zorgvuldig in het net geschreven, en het klad verscheurd, zoodat Amy's brandstapel het dierbaar werk van verscheiden maanden had vernietigd. Mogelijk scheen het anderen een gering verlies toe, maar voor Jo was het een vreeselijk ongeluk, en ze gevoelde, dat het haar nooit vergoed kon worden. Bets treurde als om een gestorven katje, en Meta weigerde voor haar lieveling in de bres te springen; mevrouw March keek ernstig en bedroefd, en Amy was onder den indruk, dat niemand meer van haar zou houden, eer ze vergeving had gevraagd voor de daad, die ze nu meer dan iemand anders betreurde.

Toen de theebel ging, verscheen Jo, maar ze zag er zoo boos en ongenaakbaar uit, dat Amy al haar moed bijeen moest rapen om zachtzinnig te zeggen: "Jo, wil je 't mij als 't je blieft vergeven? Ik heb er vreeselijk veel spijt van."

"Ik zal het je _nooit_ vergeven," was Jo's beslist antwoord, en van dat oogenblik af, scheen ze Amy's bestaan geheel en al te vergeten.

Niemand sprak over de droevige gebeurtenis, zelfs mevrouw March niet, want allen hadden door ondervinding geleerd, dat woorden niets uitwerkten als Jo in zoo'n bui was; en dat het wijste zou zijn, te wachten tot de een of andere kleine gebeurtenis, of Jo's eigen edelmoedige natuur, haar verbittering verzachtte en de breuk heelde. Het was geen gelukkige avond, want hoewel de meisjes als naar gewoonte zaten te werken, terwijl hun moeder voorlas uit Bremer, Scott of Edgeworth, ontbrak er toch iets aan, en de liefelijke, huiselijke vrede was verstoord. Ze gevoelden dit vooral toen het oogenblik van zingen was gekomen; want Bets kon alleen maar spelen, Jo zweeg als een steenen beeld, en Amy begon te schreien, zoodat Meta en Moeder alleen zongen. Maar in spijt van hun pogingen om zoo vroolijk te zijn als leeuwerikken, schenen de heldere stemmen toch niet zoo goed bij elkander te passen als gewoonlijk, en allen voelden zich ontstemd.

Toen mevrouw March Jo een nachtkus gaf, fluisterde ze haar teeder toe: "Kindlief, laat de zon niet ondergaan over je toorn, vergeeft elkander, helpt elkander, en begin morgen weer opnieuw." Jo verlangde niets liever dan haar hoofd neer te leggen aan dat moederlijk hart en haar droefheid en boosheid uit te schreien; maar tranen waren een onmannelijke zwakheid, en ze voelde zich zoo diep beleedigd, dat ze nog niet _kon_ vergeven. Ze knipoogde dus uit alle macht, schudde haar hoofd en zei barsch, omdat Amy nog onder het bereik van haar stem was: "Het was een afschuwelijk leelijke streek, en ze verdient niet, dat ik het haar vergeef."

Zoo stapte Jo naar haar kamer en naar bed, en er werd dien avond geen vroolijk of vertrouwelijk praatje gehouden.

Amy voelde zich diep gegriefd, dat haar vredesvoorslagen van de hand gewezen waren en begon te wenschen dat ze zich niet zoo vernederd had, daarna zich hoe langer hoe meer beleedigd te achten en eindelijk zich op een onuitstaanbare wijze te verheffen op haar deugdzaamheid. Jo zag er nog altijd uit als een donderwolk, en niets ging dien dag goed. 's Morgens was het bitter koud; ze liet haar kostelijk warm puddingtrommeltje in de goot vallen, tante March had een aanval van rusteloosheid, Meta was afgetrokken, Bets keek bedroefd en neerslachtig toen ze thuiskwam, en Amy praatte gedurig over menschen, die altijd den mond vol hadden van goed te worden en er toch niet naar wilden streven, zelfs niet, wanneer andere menschen hun een goed voorbeeld gaven.

"Ze zijn allemaal zoo onverdraaglijk, ik zal maar eens aan Laurie vragen, of hij met me wil gaan schaatsenrijden. Hij is altijd vriendelijk en vroolijk en zal me wel weer in mijn fatsoen brengen, dat weet ik zeker," zei Jo tot zichzelf en ging op weg.

Amy hoorde het klepperen der schaatsen, en keek naar buiten met den ongeduldigen uitroep:

"Daar nu! ze had me beloofd, dat ik den eersten den besten keer mee zou gaan, want dit is natuurlijk het laatste ijs, dat we dit jaar zullen hebben. Maar het zou vergeefsche moeite zijn aan zoo'n brombeer te vragen mij mee te nemen."

"Zeg dat niet, Amy; je bent heel ondeugend geweest en het _is_ moeilijk voor Jo je het verlies van haar kostbaar boekje te vergeven; maar ik vind, dat ze het nu wel doen kon, en ik denk ook wel, dat ze het doen zal, als je 't maar op het goede oogenblik vraagt," zei Meta. "Loop hen achterna, zeg niets voordat Jo weer in haar humeur gekomen is door Laurie, neem dan een gunstig oogenblik waar en geef haar een kus of doe iets liefs, en dan geloof ik zeker, dat ze met heel haar hart vrede zal sluiten."

"Ik zal het probeeren," zei Amy, want die raad was naar haar smaak; en na zich haastig aangekleed te hebben, liep ze de vrienden na, die juist achter den heuvel verdwenen.

Het was niet ver tot aan de rivier, maar beiden stonden al op de schaatsen, voordat Amy hen bereikte. Jo zag haar komen, en keerde zich om; Laurie zag haar niet, want hij probeerde zorgvuldig het ijs langs den kant, daar een warm zonnetje aan de laatste vorst was voorafgegaan.

"Ik zal tot aan de eerste bocht gaan, en zien of alles in orde is voordat we om het hardst rijden," hoorde Amy hem zeggen, terwijl hij vooruit schoot en er in zijn pels en bonten muts uitzag als een jonge Rus.

Jo hoorde hoe Amy hijgde na haar harde loopen, en hoe ze met de voeten stampte en haar vingers warm zocht te blazen, terwijl ze bezig was haar schaatsen aan te binden, maar Jo keerde zich volstrekt niet om, en reed langzaam "en zigzag" de rivier op, met een bitter en ongelukkig soort van voldoening in den tegenspoed van haar zuster. Ze had haar boosheid gekoesterd, tot het een krachtig gevoel was geworden, dat haar heelemaal beheerschte, zooals kwade gedachten en opwellingen altijd doen, tenzij men ze terstond verjaagt. Toen Laurie de bocht omging, riep hij terug:

"Blijf aan den kant, het is in 't midden niet veilig". Jo hoorde het, maar Amy kwam juist overeind en verstond geen woord. Jo keek over haar schouder, en de kleine demon, dien ze schuilplaats verleende, fluisterde haar in 't oor:

"'t Komt er niet op aan, of zij het hoorde of niet, laat ze maar voor zichzelf zorgen."

Laurie was achter de bocht verdwenen, Jo kwam er juist dichtbij en Amy ver in de achterhoede, zette zich in beweging naar de mooie effen baan in het midden der rivier. Eén oogenblik stond Jo stil met een vreemd gevoel in haar hart; toen besloot ze verder te gaan, maar een zeker iets hield haar tegen en dwong haar nog eens om te kijken, juist bijtijds om te zien, hoe Amy de handen in de hoogte sloeg, en onder het plotseling kraken van brekend ijs, het geplas van water, en het uiten van een gil, die Jo's hart van schrik deed stilstaan, wegzonk. Ze wilde Laurie roepen, maar haar stem begaf haar; zij trachtte op haar zusje toe te schieten, maar haar voeten schenen alle macht verloren te hebben, en ze stond daar maar onbeweeglijk met een ontzet gezicht te staren naar het kleine blauwe hoedje boven het zwarte water. Eensklaps schoot haar iets pijlsnel voorbij, en Laurie's stem riep haar toe: "Haal een stok; gauw, gauw!"

Hoe zij het deed, wist ze nooit te zeggen, maar de volgende oogenblikken werkte ze als een bezetene, blindelings gehoorzamende aan Laurie, die zijn zelfbeheersching niet verloor, en voorover liggende, Amy ophield met zijn armen, totdat Jo een lat aangesleept had en ze met vereende krachten het kind, meer verschrikt dan bezeerd, uit het ijs trokken. "Ziezoo, nu moeten wij zoo hard mogelijk met haar naar huis loopen; pak haar goed in met onze dingen, terwijl ik die verwenschte schaatsen losmaak," riep Laurie, zijn jas om Amy heenslaande en aan de riemen rukkende, die nooit te voren zoo ingewikkeld hadden geschenen.

Rillend, druipend en schreiend brachten ze Amy thuis, en na wat van den schrik bekomen te zijn, viel ze bij een heet vuur en warm in dekens gewikkeld in slaap. Onder al de bemoeiingen had Jo bijna niet gesproken, maar bleek en verwilderd rondgevlogen, haar hoed en mantel half af, haar japon gescheurd, en haar handen opengehaald en bezeerd door ijs en latten en weerspannige gespen. Toen Amy rustig lag te slapen, het huis stil was, en mevrouw March voor het bed zat, riep ze Jo tot zich en begon hare gewonde handen te verbinden.

"Weet u wel zeker, dat ze buiten gevaar is?" fluisterde Jo en zag vol wroeging naar het goudlokkig hoofdje, dat wel voor goed uit haar oogen had kunnen verdwijnen, onder het verraderlijke ijs.

"Volkomen, mijn kind; ze heeft zich niet bezeerd, en zal zelfs niet verkouden worden, denk ik; je hebt haar zoo flink ingestopt en zoo gauw thuis gebracht," antwoordde haar moeder opgeruimd.

"Dat heeft Laurie gedaan, ik liet haar haar gang gaan. Moeder, _als_ Amy stierf, zou het mijn schuld zijn," en naast het bed neervallende bekende Jo, onder een stroom van berouwvolle tranen, al wat er gebeurd was, de hardheid van haar hart ten diepste veroordeelend en onder snikken haar dankbaarheid betuigend, dat de zware straf, die haar had kunnen treffen, haar bespaard was.

"Het is alles de schuld van mijn ellendige drift! Ik tracht het te overwinnen, gedurig denk ik, dat ik het overwonnen heb, en dan is het weer erger dan ooit. O moeder! wat zal ik doen! Wat zal ik toch doen?" riep de arme Jo wanhopig.

"Waak en bid, lieveling; geef nooit den strijd uit moedeloosheid op, en denk nooit dat het onmogelijk is een gebrek te overwinnen," zei Mevrouw March, en ze trok het verwilderde hoofd tegen haar schouder en kuste de betraande wang zoo teeder, dat Jo nog hartstochtelijker begon te schreien.

"Ik weet het niet; u kunt niet begrijpen hoe erg het is! Als ik zoo driftig ben, geloof ik, dat ik tot alles in staat zou zijn. Ik word zoo woedend, dat ik iemand wel zou kunnen aanvliegen en kwaad doen, en er dan blij om zijn. Soms ben ik zoo bang, dat ik nog eens iets verschrikkelijks _zal_ doen en mijn leven bederven, en maken, dat iedereen mij haat. O Moeder, help me, help me toch alstublieft!"

"Dat zal ik, mijn kind, dat zal ik. Schrei niet zoo bitter, maar vergeet dezen dag nooit, en neem je met heel je ziel voor er zoo nooit meer een te beleven. Jolief! wij hebben allen onze verzoekingen, sommigen veel grooter dan de jouwe, en we hebben dikwijls ons heele leven noodig om ze te overwinnen. Jij meent, dat je humeur het slechtste ter wereld is, maar het mijne was vroeger precies zoo."

"Het uwe, Moeder? En u bent nooit boos!" riep Jo voor een oogenblik haar berouw in haar verbazing vergetende.

"Veertig jaar heb ik er tegen gestreden, en daardoor geleerd mij te beheerschen. Ik word bijna elken dag van mijn leven boos, Jo; maar ik heb geleerd het niet te toonen, en ik hoop nog altijd ook dat te overwinnen, al moest het me ook nóg veertig jaar kosten."

Het geduld en de nederigheid, die te lezen stonden op het gelaat, dat ze zoo liefhad, waren een betere les voor Jo dan de verstandigste preek, de scherpste bestraffing. Zij voelde zich dadelijk vertroost door haar moeders medegevoel en vertrouwen; de overtuiging, dat Moeder hetzelfde gebrek had en het steeds trachtte te verbeteren, maakte het voor haar zooveel gemakkelijker te dragen, en versterkte haar besluit er tegen te strijden; hoewel veertig in waken en bidden doorgebrachte jaren een meisje van vijftien wel lang schenen.

"Moeder, is u boos als u uw lippen zoo op elkander drukt en soms de kamer uitgaat, wanneer Tante March bromt, of de menschen het u lastig maken?" vroeg Jo, die zich meer en inniger dan ooit te voren met haar moeder verbonden voelde.

"Ja, ik heb geleerd de haastige woorden, die mij voor den mond komen, te bedwingen; en als ik voel, dat ze toch, tegen mijn wil, zouden ontsnappen, ga ik een oogenblik heen en neem mijzelf eens onderhanden, omdat ik zoo zwak en slecht was," antwoordde mevrouw March met een zucht en een glimlach, terwijl zij Jo's verwarde lokken gladstreek en in orde bracht.

"Hoe hebt u geleerd u te bedwingen? Dat kost mij de meeste moeite--want de scherpe woorden ontvallen me, voordat ik weet wat ik doe; en hoe meer ik zeg, des te erger wordt het, totdat het me goed doet het gevoel van anderen te kwetsen en verschrikkelijke dingen te zeggen. Vertel mij toch eens, Moes, hoe u het aanlegt."

"Mijn goede moeder hielp mij altijd--".

"Zooals u ons helpt,"--viel Jo haar met een dankbaren kus in de rede.

"Maar ik verloor haar, toen ik nog maar iets ouder was dan jij nu, en moest jarenlang alleen voortsukkelen, want ik was te trotsch om mijn zwakheid aan iemand anders te bekennen. Ik had een moeilijken tijd, Jo, en stortte veel bittere tranen over mijn tekortkomingen; want in weerwil van mijn pogingen scheen ik toch nooit vooruit te komen. Toen kwam je vader, en voelde ik me zoo gelukkig, dat het mij gemakkelijk viel goed te zijn. Maar weldra, toen ik vier dochtertjes om mij heen had, en we arm werden, begon de oude strijd opnieuw; want ik ben van natuur niet geduldig en het kostte me heel veel, als ik zag, dat mijn kinderen niet alles hadden, wat ze verlangden."

"Arme Moeder! wie heeft u toen geholpen?"

"Vader, Jo. Hij verliest nooit zijn geduld, twijfelt nooit, klaagt nooit, maar hoopt altijd, en werkt zoo opgeruimd, dat men zich schamen moet in zijn nabijheid anders te zijn. Hij hielp mij en beurde mij op, en toonde mij aan, dat ik naar al de deugden moest streven, die ik graag mijn kleine meisjes wilde zien bezitten, want ik moest hun voorbeeld zijn. Het was gemakkelijker daarnaar te trachten ter wille van jullie, dan ter wille van mezelf; een verschrikte of verbaasde blik van een van mijn kinderen, als ik eens scherp uitviel, was mij grooter verwijt dan woorden hadden kunnen zijn; en de liefde, de achting en het vertrouwen van mijn kinderen was de heerlijkste belooning, die ik kon ontvangen voor mijn streven, om de vrouw te worden, die ik wenschte, dat ze zouden navolgen."

"O, Moeder! als ik ooit half zoo goed word als u, zal ik tevreden wezen," zei Jo aangedaan.

"Ik hoop, dat je veel beter zult worden, lieve kind; maar je moet waken tegen je "boezemvijand", zooals je Vader zegt, anders zou hij je leven treurig maken, zoo niet bederven. Je hebt nu een waarschuwing gehad, onthoud die, en zoek met hart en ziel dit driftig humeur te beteugelen, voordat het je grooter droefheid en berouw veroorzaakt, dan je nu voelt."

"Ik zal het probeeren, Moeder, ik zal wezenlijk mijn uiterste best doen. Maar u moet me helpen, het mij herinneren, en maken dat het niet tot zoo'n uitbarsting komt. Ik heb vroeger wel eens gezien, dat Vader soms zijn vinger op den mond hield, en u aanzag met een heel vriendelijk, maar ernstig gezicht; en dan klemde u altijd de lippen vast op elkaar, of ging weg; herinnerde hij er u dan aan?" vroeg Jo zacht.