Chapter 7
"Ja, lieveling, het zal hem veel genoegen doen, en 't is een aardige manier om hem te bedanken. De meisjes zullen er je aan helpen, en ik zal het opmaken betalen," antwoordde mevrouw March, die bijzonder graag Bets' verzoek inwilligde, omdat zij zoo zelden iets voor zichzelf verlangde. Na veel ernstige overleggingen met Meta en Jo werd het patroon gekozen, de benoodigdheden gekocht en de pantoffels begonnen. Een bouquet stemmige, maar toch vroolijke viooltjes op een donkerpurperen grond werd juist geschikt verklaard en Bets werkte vroeg en laat en werd alleen maar hier en daar bij moeilijke eindjes geholpen. Zij was een handig, klein meisje en de pantoffels waren af, voor ze iemand begonnen te vervelen. Toen schreef ze een kort, eenvoudig briefje en wist ze met Laurie's hulp onder zijn Grootvaders schrijftafel te smokkelen, toen de oude heer nog niet bij de hand was.
Toen dat pak van haar hart was, wachtte Bets af, wat er gebeuren zou. Die gansche dag ging voorbij en een gedeelte van den volgenden, zonder dat ze er iets van hoorde, en ze begon al te vreezen, dat ze haar grilligen vriend beleedigd had. Op den middag van den tweeden dag ging ze een boodschap doen en nam de arme Johanna, haar gebrekkige pop, mee voor haar dagelijksche wandeling.
Bij haar terugkomst, zag zij al uit de verte drie, neen, vier hoofden uit de ramen kijken, en zoodra die hoofden haar zagen, wuifden verscheiden handen en riepen vier stemmen vroolijk:
"Er is een brief van den ouden mijnheer; kom hem maar gauw lezen!"
"O, Bets! hij heeft je--" begon Amy en zwaaide alles behalve fatsoenlijk met de handen; maar ze kon niet verder komen, want Jo smoorde haar ontboezeming door het raam dicht te slaan.
Bets haastte zich wat ze kon met een van blijdschap bonzend hart; bij de deur namen haar zusters haar op en droegen haar in opgetogenheid naar de zitkamer, alle drie naar den hoek wijzende en roepende: "Kijk eens!" Bets keek, en werd bleek van verrukking en verrassing, want daar stond eene kleine piano met een brief er boven op, geadresseerd aan: Mejuffrouw Elizabeth March.
"Voor mij?" fluisterde Bets en hield zich vast aan Jo, met een gevoel, alsof ze op den grond zou vallen; het was alles zoo wonderlijk, zoo overstelpend!
"Ja; heelemaal voor jou, lieveling. Is dat niet kranig van hem? Vind je hem niet den liefsten ouden man in de heele wereld? De sleutel zit in den brief, we hebben hem niet opengemaakt, maar we branden van verlangen om te hooren, wat er in staat," riep Jo, terwijl ze haar zusje opgewonden tegen zich aandrukte en haar den brief in de hand stopte.
"Lees jij hem alsjeblieft, ik kan niet, ik voel me zoo raar. O, hij is véél te mooi voor mij," en Bets verborg haar gezicht in Jo's boezelaar, voor het oogenblik heelemaal van streek.
Jo opende den brief en begon te lachen, want de eerste woorden, die ze zag, waren:
Mejuffrouw March,
"Waarde, jonge Vriendin."
"Wat klinkt dat aardig! Ik wou dat iemand ook eens zoo aan mij schreef!" zei Amy, die den ouderwetschen aanhef wel "deftig" vond.
"Ik heb vele pantoffels gehad in mijn leven, maar nooit een paar, dat mij zoo goed paste, als de uwe," ging Jo voort. "Viooltjes zijn mijn geliefkoosde bloemen en deze zullen mij altijd de lieve geefster in herinnering brengen. Ik doe gaarne mijn schulden af, en ik denk dus, dat ge "den ouden heer" wel zult willen toestaan u iets te zenden, wat eenmaal behoorde aan het kleindochtertje, dat hij verloren heeft. Met hartelijken dank en beste wenschen blijf ik,
Uw dankbare vriend en dienstw. dien. James Laurence.
"Nu Bets, dàt is een eer, waar je trotsch op mag zijn, zou ik denken! Laurie vertelde me, hoeveel mijnheer Laurence van dat kind hield, en hoe zorgvuldig hij al haar dingen bewaard heeft. Denk eens, hij heeft jou haar piano gegeven! Dat komt er van als je groote blauwe oogen hebt en van muziek houdt," zei Jo en zocht Bets te kalmeeren, die erg beefde en een kleur had van opgewondenheid.
"Zie eens wat aardige kandelaartjes voor de kaarsen, en wat mooie groene zij van achteren, in het midden opgenomen met een goud roosje, en de mooie stander en het krukje, alles bij elkander," voegde Meta er bij, de piano openende en alle schoonheden aanwijzende.
""Uw dienstwillige dienaar, James Laurence;" verbeeldt je toch eens, dat schreef hij aan jou! Ik zal het de meisjes op school vertellen, die zullen het haast niet kunnen gelooven," riep Amy, op wie het briefje een diepen indruk gemaakt had.
"Probeer 'm eens, liefje, laten we die dreumes van een piano eens hooren," zei Hanna, die altijd met haar gansche hart deelde in de vreugde en droefheid der familie.
Bets speelde dus een stukje, en ieder zei, dat het de mooiste toon was, dien ze ooit gehoord hadden. Het instrument was klaarblijkelijk pas gestemd en opgeknapt; maar hoe volmaakt het ook was, geloof ik toch, dat er niets zoo bekoorlijk was als dat gelukkigste van alle gelukkige gezichtjes, die er over hingen, toen Bets met teedere handen de mooie zwarte en witte toetsen aanraakte en haar voeten de blinkende pedalen drukten.
"Je zult hem moeten gaan bedanken," zei Jo, bij wijze van grap, want dat "het kind" werkelijk zou gaan, kwam niet in haar op.
"Ja, dat ben ik ook stellig van plan; ik geloof, dat ik nu maar moest gaan, voordat ik bang word," en tot groote verbazing van het verzamelde gezin, stapte Bets vastbesloten den tuin in, de heg door en recht op het huis der Laurences aan.
"Wel, heb ik van me leven! als dat niet het raarste is, wat ik ooit gezien heb; de piano heeft haar heelendal van de wijs gebracht; 't schaap zou nooit gegaan zijn, als ze bij der positieve was!" riep Hanna, haar naziende, terwijl het wonder de meisjes een oogenblik sprakeloos maakte. Ze zouden nog meer verwonderd zijn geweest, als ze gezien hadden, wat Bets verder deed. Ze liep, zonder zich ook maar een oogenblik te bedenken, naar de studeerkamer, klopte aan, en toen een forsche stem "binnen" riep, _ging_ ze werkelijk naar binnen, stapte op mijnheer Laurence af, die zeer verwonderd opkeek, stak hem haar hand toe en zei met een maar _even_ bevende stem: "Mijnheer, ik kwam u bedanken voor--" maar verder bracht ze het niet; want hij keek haar zoo vriendelijk aan, dat ze haar toespraak vergat; en er alleen aan denkende, dat hij het kleine meisje, dat hem zoo lief was geweest, verloren had, sloeg ze beide armen om zijn hals en kuste hem.
Als het dak van het huis plotseling boven het hoofd van den ouden heer was ingestort, zou hij niet verbaasder hebben kunnen zijn, maar hij vond het heel plezierig--o ja! hij vond het _bijzonder_ plezierig; en hij was door dit groote bewijs van vertrouwen zoo geroerd en gelukkig, dat al zijne norschheid verdween. Hij nam haar op zijn knie en vleide zijn gerimpelde wang tegen haar blozend gezichtje, en verbeeldde zich, dat hij zijn eigen kleindochtertje terug had gekregen. Van dat oogenblik af had Bets niets geen angst meer voor hem, en zat ze zoo gezellig met hem te babbelen, alsof ze hem haar leven lang gekend had; want liefde sluit vrees uit en dankbaarheid kan trots overwinnen. Toen ze naar huis terugkeerde, bracht hij haar tot aan haar eigen deur, schudde haar hartelijk de hand, nam bij het afscheidnemen zijn hoed voor haar af, en wandelde statig en deftig terug, zooals een knap, krijgshaftig oud heer betaamt.
Toen de meisjes dat zagen, _moest_ Jo een paar bokkesprongen maken om haar blijdschap te toonen; Amy viel in haar verbazing bijna uit het raam, en Meta riep met opgeheven handen: "Nou geloof ik heusch, dat de wereld op haar eind loopt!"
HOOFDSTUK VII.
AMY'S DAL DER VERNEDERING.
"Die jongen is een echte cycloop, vindt jullie niet?" vroeg Amy op een keer, toen Laurie te paard voorbij rende en in het voorbijgaan met zijn zweep salueerde.
"Hoe durf je dat te zeggen van een jongen, die zijn beide oogen heeft, en nog wel heel mooie ook!" riep Jo, die niet de minste aanmerking op haar vriend kon velen.
"Ik zei niets van zijn oogen, en ik begrijp niet, waarom je zoo op moet vliegen, als ik zijn rijden bewonder."
"O, lieve ziel! die kleine gans bedoelt een centaur en ze zegt een cycloop," riep Jo, in lachen uitbarstend.
"Je hoeft je niet zoo ruw aan te stellen, het is alleen maar een "lapsus lingus," zooals mijnheer Davis zegt," antwoordde Amy, Jo met haar Latijn den mond snoerend. "Ik wou maar, dat ik een gedeelte van het geld had, dat Laurie aan dat paard verspilt," voegde ze er als tot zichzelf sprekend bij, maar toch in de hoop, dat haar zusters het hooren zouden.
"Waarom?" vroeg Meta vriendelijk, want Jo kreeg een nieuwe lachbui bij Amy's tweede vergissing.
"Ik heb het zoo hoog noodig; ik zit diep in de schuld en mijn beurt voor het prullengeld komt nog in geen maand."
"In schulden, Amy, wat bedoel je?" vroeg Meta bezorgd.
"Och, ik ben minstens een dozijn dadels schuldig, en je weet, ik kan ze niet betalen, voor ik geld heb, want Moeder heeft me volstrekt verboden iets op rekening te koopen."
"Vertel mij de heele zaak eens. Zijn dadels nu in de mode? Vroeger waren het "balletjes," en Meta trachtte haar gezicht in de plooi te houden, want Amy zag er hoogst ernstig en gewichtig uit.
"Och, zie je, de meisjes koopen ze telkens, en als je niet voor schriel wilt aangezien worden, moet je het ook wel's doen. Het zijn nu altijd dadels; iedereen zit er onder schooltijd in zijn lessenaar aan te zuigen en verruilt ze in het speelkwartier tegen potlooden, kralen, ringen en papieren poppetjes of iets anders. Als een meisje veel van een ander houdt, geeft ze haar er een mee; als zij boos op haar is, eet zij er een voor haar oogen op, zonder haar zelfs te vragen of ze er even aan wil zuigen. Ze tracteeren om beurten, en ik heb er al een hoop gehad, zonder ooit iets terug te doen; en dat moet ik toch, want het zijn eereschulden, is 't niet?"
"Hoeveel heb je noodig, om alles af te doen en je crediet te herstellen?" vroeg Meta, haar beurs uit den zak halend.
"Een kwartje zou genoeg zijn, dan bleef er nog wel wat over om jullie te trakteeren, of houden jullie niet veel van dadels?"
"Niet erg, je mag mijn deel houden. Hier is het geld--maak er zooveel van als je kunt, want ik kan 't je niet dikwijls geven, dat weet je."
"O, dank je wel; wat heerlijk toch om zakgeld te hebben. Ik zal een heel feest aanrichten, want ik heb de heele week geen dadel geproefd. Ik wou er liever geen een aannemen, omdat ik niets terug kon geven, en ik smacht er wezenlijk naar."
Den volgenden dag kwam Amy vrij laat op school, maar ze kon de verzoeking niet weerstaan met vergeeflijken trots een vochtig, bruin papieren pakje te vertoonen, voordat ze het in de verborgenste schuilhoeken van haar lessenaar wegstopte. Het volgend oogenblik ging het praatje als een loopend vuurtje door de klasse, dat Amy March vierentwintig heerlijke dadels bij zich had (zij had er onderweg één opgegeten) en zou trakteeren, waarop ze door haar vriendinnen met attenties overladen werd. Katy Brown verzocht haar dadelijk op haar eerstvolgende partij, Mary Kingsley drong er op aan haar tot het speeluur haar horloge te leenen; en Jenny Snow, een satirieke jonge dame, die Amy laaghartig geplaagd had met haar dadelloozen staat, wierp haastig de wapens neer, en bood de antwoorden aan, voor een paar moeilijke sommen. Maar Amy had de scherpe opmerkingen niet vergeten van de jongejuffrouw Snow over "sommige menschen, wier neuzen niet te stomp waren om de dadels van anderen te ruiken, en verwaande menschen, die niet te trotsch waren er om te vragen," en zij sloeg dadelijk de hoop van "dat kind Snow" den bodem in, door de vernietigende tijding: "Je hoeft niet plotseling zoo beleefd te zijn, want je krijgt er toch geen."
Nu gebeurde het, dat de school dien morgen bezocht werd door een gewichtig personage, die Amy's net geteekende kaarten prees, welke eer, aan haar vijandin bewezen, een angel was in de ziel van jongejuffrouw Snow, en jongejuffrouw March de airs deed aannemen van een jonge pauw. Maar helaas, helaas! hoogmoed komt voor den val, en de wraakzuchtige Snow deed met rampzalig succes de kans keeren. Niet zoodra had de bezoeker de gewone complimenten gemaakt en den aftocht geblazen, of Jenny deelde den onderwijzer, mijnheer Davis, onder voorwendsel van iets belangrijks te vragen, mede, dat Amy March dadels in haar lessenaar had.
Nu had de heer Davis dadels voor contrabande verklaard, en plechtig gezworen, dat de eerste, die de wet durfde overtreden, openlijk kennis zou maken met de handplak. De arme man, die heel wat te verdragen had, was er na een langen, hevigen oorlog in geslaagd de balletjes te verbannen, had een vuurtje gestookt van de in beslag genomen romannetjes en couranten, een privaat-postkantoor opgeheven, het gezichten trekken, het geven van bijnamen, het teekenen van caricaturen verboden, en alles gedaan wat één enkel man doen kan om een vijftigtal oproerige meisjes in bedwang te houden. Jongens stellen het menschelijk geduld meer dan genoeg op de proef, de hemel weet het! maar meisjes nog erger, vooral dat van zenuwachtige heeren met een tiranniek gemoed en niet meer talent voor het onderwijs dan "Dr. Blimber." De heer Davis had veel kennis van Grieksch, Latijn, algebra en "ologies" van allerlei soort, waarom hij een bijzonder goed onderwijzer genoemd werd, terwijl manieren, zedenleer, gevoelens en voorbeelden van niet veel belang beschouwd werden. Het was een zeer gelukkig oogenblik om Amy aan te klagen, en Jenny wist bet. Klaarblijkelijk had mijnheer Davis dien morgen te sterke koffie gedronken, er woei een Oostenwind, die altijd zijn zenuwen prikkelde en zijn leerlingen hadden hem niet die eer bewezen, die hij wist verdiend te hebben; daarom was hij, om den veelzeggenden, indien ook al niet bevalligen spreektrant van een schoolmeisje te gebruiken, "zoo kwaadaardig als een bul en zoo brommig als een beer." Het woord "dadel" werkte als vuur bij buskruit; zijn tanig gezicht werd vuurrood, en hij sloeg met zoo'n kracht op zijn lessenaar, dat Jenny met ongewone vlugheid naar haar plaats terugwipte.
"Jonge dames, opletten _als 't je blieft_!"
Op dat streng verzoek zweeg het geraas, en vijftig paar blauwe, zwarte, grijze en bruine oogen werden gehoorzaam gericht op zijn schrikwekkend gelaat.
"Jongejuffrouw March, kom hier."
Amy stond op om te gehoorzamen, uiterlijk bedaard maar inwendig angstig genoeg, want de dadels bezwaarden haar geweten.
"Breng de dadels mee, die in je lessenaar zijn," klonk het onverwachte bevel, dat haar tegenhield, nog eer ze uit de bank was gekomen.
"Neem ze niet allemaal mee," fluisterde haar buurvrouw, een jonge dame, die veel tegenwoordigheid van geest bezat.
Amy schudde er haastig een half dozijn uit en legde de overige voor mijnheer Davis neer, vast overtuigd, dat ieder man, die een menschelijk hart in zich omdroeg, zachter gestemd zou worden, als die verrukkelijke geur zijn neus bereikte. Ongelukkig had de heer Davis een bijzonderen afkeer van de vrucht, en die afschuw deed zijn toorn stijgen.
"Is dat alles?"
"Neen, mijnheer," stamelde Amy.
"Breng dadelijk het overige hier."
Met een wanhopigen blik op haar clubje gehoorzaamde Amy.
"Weet je zeker, dat er niet meer zijn?"
"Ik jok nooit, mijnheer!"
"Dat zie ik. Neem nu die walgelijke dingen twee aan twee op en smijt ze uit het raam."
Een diepe zucht steeg uit aller hart op, die wel een kleine windvlaag geleek, toen de laatste hoop vervloog en de lekkernij ontstolen werd aan de smachtende lippen.
Purper van schaamte en toorn deed Amy haar twaalf vreeselijke wandelingen heen en terug, en iederen keer, dat een veroordeeld paar, o, zoo dik en sappig! uit haar onwillige handen viel, vermeerderde een juichtoon van de straat de smart der meisjes, want die vreugdeuitingen zeiden hun, dat de kleine Iersche kinderen, hun geslagen vijanden, met Amy's tractatie hun voordeel deden. Dit was te veel; allen wierpen verontwaardigde of smeekende blikken op den onverbiddelijken Davis, en één hartstochtelijke dadelliefhebster barstte in tranen uit.
Toen Amy van haar laatste tochtje terugkeerde, "hm"de de heer Davis gewichtig, en begon op zijn indrukmakendsten toon: "Jonge dames, gij herinnert u, wat ik een week geleden gezegd heb. Het spijt me, dat dit gebeurd is, maar ik kan niet toestaan, dat er inbreuk gemaakt wordt op mijn wetten, en ik breek _nooit_ mijn woord. Jongejuffrouw March, houd uw hand op."
Amy schrikte, hield de beide handen op den rug en zag hem zoo smeekend aan, dat die blik krachtiger voor haar pleitte, dan de woorden, die ze niet kon uitbrengen. Ze was min of meer een lieveling van den "oude", zooals hij genoemd werd, en ik voor mij geloof, dat hij zijn woord _zou_ gebroken hebben, indien niet de verontwaardiging van een zichzelf niet beheerschende jonge dame, zich geuit had in een leelijk gesis. Dat gesis, hoe flauw het ook was, dreef den prikkelbaren leeraar tot het uiterste en besliste het lot der schuldige.
"Uw hand, jongejuffrouw March!" was het eenig antwoord op haar stomme bede, en te trotsch om te schreien of vergiffenis te vragen, klemde Amy de tanden op elkaar, wierp het hoofd fier achterover, en verdroeg, zonder eenig teeken van pijn te geven, verscheiden slagen op haar kleine hand. Ze waren talrijk noch zwaar, die slagen, maar dat maakte geen verschil. Voor de eerste maal in haar leven was ze _geslagen_, en de vernedering was in haar oogen even groot, als wanneer hij haar een pak ransel gegeven had.
"Ga nu tot het vrije kwartier voor het bord staan", beval mijnheer Davis, vast besloten de zaak door te zetten, nu hij eenmaal begonnen was.
Dat was verschrikkelijk! Het zou al erg genoeg geweest zijn nu naar haar plaats terug te keeren, en de medelijdende gezichten te zien van haar vriendinnen, of de triomfeerende blikken van haar vijandinnen; maar om daar te pronk te staan, ten aanschouwe van de geheele school, terwijl de schande nog zoo versch in 't geheugen lag, scheen Amy ondraaglijk, en gedurende een oogenblik was liet haar, alsof ze zich voorover op den grond moest laten vallen en in heete tranen uitbarsten.
Een bitter gevoel van verongelijkt te worden en de gedachte aan Jenny Snow hielpen het haar echter dragen. Toen ze de standplaats ingenomen had, vestigde ze haar oogen op de kachelpijp, boven wat haar nu een zee van hoofden toescheen. Daar stond ze, zoo onbeweeglijk en bleek, dat de meisjes het moeilijk vonden hun aandacht bij 't werk te houden, met die tragische kleine gedaante voor zich. Gedurende de vijftien minuten, die nu volgden, had het trotsche, gevoelige kleine ding, zooveel schaamte en verdriet te verdragen, dat ze het nimmer vergat. Voor anderen mocht het een belachelijke of weinig beteekenende zaak zijn, voor Amy was het een harde ondervinding. Gedurende de twaalf jaren van haar leven uitsluitend door liefde geregeerd, had haar nog nooit zoo iets getroffen. Al de pijn in haar hand en de smart van haar ziel werden vergeten bij de kwellende gedachte: "Ik moet het thuis vertellen en ze zullen zoo teleurgesteld over me zijn!" De vijftien minuten schenen haar een uur, maar ze waren toch eindelijk om, en het woord "opbergen" had haar nog nooit zoo welkom in de ooren geklonken.
"Je kunt gaan, Amy March," zei mijnheer Davis en hij leek zooals hij zich ook gevoelde, alles behalve op zijn gemak.
Het duurde lang, eer hij den verwijtenden blik vergat, dien Amy hem toewierp, toen ze, zonder een enkel woord te zeggen, naar de kleedkamer ging, haar goed van den kapstok rukte en de plaats "voor altijd" verliet, zooals ze zichzelf hartstochtelijk beloofde. Thuis raakte ze totaal overstuur, en toen de oudere meisjes eenigen tijd later terugkwamen, werd er dadelijk een zeer verontwaardigde vergadering gehouden. Mevrouw March zei niet veel, maar keek ontstemd en troostte haar bedroefd dochtertje op de teederste wijze. Meta bette het gepijnigde handje met glycerine en tranen; Bets voelde, dat zelfs haar geliefde katjes geen balsem konden brengen voor een smart als deze, en Jo meende in haar woede, dat mijnheer Davis zonder uitstel behoorde gearresteerd te worden, terwijl Hanna haar vuist balde tegen den "ellendeling" en de aardappelen voor het middagmaal met zulk een vuur fijnstampte, alsof ze _hem_ onder den lepel had.
Niemand, behalve haar makkertjes, nam eenige notitie van Amy's vlucht; maar de scherpziende jonge dames merkten op, dat "Davis" 's middags bijzonder vriendelijk en ook buitengewoon zenuwachtig was. Even voordat de school begon, verscheen Jo met een "grimmig gelaat", stapte op den leeraar toe, en overhandigde hem een briefje van haar moeder; daarna pakte ze alles bij elkaar wat aan Amy toebehoorde en vertrok, na zorgvuldig haar laarzen afgeveegd te hebben op de mat bij de voordeur, alsof ze het gehate stof van haar voeten wilde schudden.
"Ja, je kunt nu van deze school af gaan, maar moet dan elken dag een tijd met Bets studeeren," zei mevrouw March dien avond. "Ik ben tegen lichaamsstraf, vooral wat meisjes betreft. Ik houd niet van mijnheer Davis' manier van onderwijzen en geloof ook niet, dat de meisjes, waarmee je omgaat, je veel goed doen. Voor ik je naar een andere school zend wil ik eerst Vader eens raadplegen."
"Heerlijk! Ik wou dat alle meisjes weggingen en zijn akelige school opgeruimd moest worden. Is 't niet om gek te worden, als je aan die heerlijke dadels denkt?" zuchtte Amy met het gezicht van een martelares.
"Het spijt me niet, dat je ze verloren hebt, want je handelde in strijd met de regels en verdiende straf voor je ongehoorzaamheid," was het strenge antwoord, dat de jonge dame die niets dan medelijden verwachtte, wel eenigszins teleurstelde.
"Bedoelt u, dat u blij is, dat ik voor de geheele school vernederd ben?" riep Amy.
"Ik zou niet dien weg inslaan om een gebrek te verbeteren," antwoordde haar moeder; "maar ik ben er niet zeker van of je deze methode niet meer goed zal doen, dan een zachtere manier. Je bent mooi op weg veel te verwaand en gewichtig in je eigen oogen te worden, kindlief, en het is meer dan tijd, dat je er eens goed acht op geeft. Je hebt veel goede eigenschappen en kleine deugden, maar het is niet noodig ze zoo uit te stallen, want verwaandheid bederft den besten aanleg. Een echt talent of echte goedheid zullen niet licht over het hoofd gezien worden, en al hád dit ook plaats, dan moest nog het bewustzijn, ze te bezitten en ferm te gebruiken, iemand voldoen. Bedenk dat de grootste aantrekkelijkheid van elk begaafd mensch is: bescheidenheid."
"Ja, dat is waar," riep Laurie, die in een hoek met Jo zat te schaken. "Ik heb een meisje gekend, dat een bijzonder talent voor muziek had, zonder het zelf te weten; ze wist ook niet, hoe lief de kleine stukjes waren, die ze componeerde, wanneer ze alleen was, en zou het niet geloofd hebben, al had iemand het haar verteld."
"Ik wou, dat ik dat meisje gekend had; ze zou mij misschien wel willen helpen, ik ben zoo dom," zei Bets, die gretig luisterend naast hem stond.
"Je kent haar, en ze helpt je beter dan eenig mensch ter wereld zou kunnen," antwoordde Laurie en zag haar met zoo'n ondeugende uitdrukking in z'n vroolijke, zwarte oogen aan, dat Bets plotseling bloosde en haar gezicht verborg in een canapékussen, heelemaal ontsteld door die plotselinge ontdekking.
Jo liet Laurie het spel winnen, om hem te beloonen voor dien lof, haar Bets toegezwaaid, die er echter niet toe te bewegen was dien avond iets te spelen na dat compliment. Laurie deed dus zijn best en zong uitstekend, daar hij in een bijzonder goede luim was, want aan de Marches toonde hij zelden de schaduwzijde van zijn karakter. Toen hij vertrokken was, vroeg Amy, die den geheelen avond peinzend had zitten kijken, plotseling, alsof haar een nieuwe gedachte inviel: "Is Laurie een begaafde jongen?"
"Ja, hij heeft veel gaven en een prachtige opvoeding gehad; hij zal een knap man worden, als hij niet door vertroeteling bedorven wordt," antwoordde haar moeder.
"En hij is _niet_ verwaand, wel?" vroeg Amy.
"Volstrekt niet; dat is juist de reden, waarom hij zoo aantrekkelijk is, en we allemaal zooveel van hem houden."