Chapter 5
"Ik heb nogal een grappigen dag bij Tante gehad, en ik trok vandaag aan 't langste eind," begon Jo, die heel graag vertelde. "Ik moest natuurlijk uit dien eindeloozen Belsham lezen, en dreunde maar voort, zooals gewoonlijk, want Tante valt gauw in slaap, en dan haal ik het een of ander mooi boek voor den dag en lees als een bezetene, totdat ze wakker wordt. Vandaag werd ik er zelf slaperig van, en voor dat ze nog begon te knikkebollen, gaapte ik zoo hoorbaar, dat ze mij vroeg, wat ik er mee bedoelde mijn mond zoo wijd open te zetten; 't was of ik het heele boek wel zoo wou opslokken.
"Ik wou dat ik het kon, dan was ik er af," zei ik met een ernstig gezicht.
"Jullie begrijpt, toen kreeg ik een lange preek over mijn verkeerdheden en raadde ze me aan er eens stil over te blijven nadenken, terwijl zij zich eens voor een oogenblikje "van binnen zou gaan bekijken." Nou, dat "oogenblikje" duurt gewoonlijk nogal heel lang, en zoodra ik dus haar muts zag heen en weer wiebelen als een topzware dahlia, haalde ik "De predikant van Wakefield" uit mijn zak, en las zoo vlug ik kon, met één oog op hem en één op Tante. Ik was juist gekomen, tot waar de heele familie in 't water valt, toen ik hardop begon te lachen. Ik _dacht_ niet meer aan Tante, dat snap je! Ze werd wakker, maar bleek na haar slaapje wat beter gehumeurd, commandeerde me, haar een eindje voor te lezen en eens te laten zien, welk beuzelachtig boek ik de voorkeur gaf boven den waardigen en leerzamen Belsham. Ik deed mijn uiterste best en 't beviel haar puik, maar ze zei niets anders dan:
"Ik begrijp niet waar dat allemaal over is; begin nog eens van voren af aan, kind!"
Ik begon opnieuw en maakte de Primroses zoo belangwekkend mogelijk. Toen 't haar juist erg boeide, hield ik midden in een passage op en zei zachtzinnig: "Ik ben bang, dat het u vervelen zal, Tante; wil ik nu maar uitscheiden?"
Ze nam haar breiwerk op, dat ze had laten vallen, keek mij heel scherp aan door haar bril en zei kortaf:
"Lees het hoofdstuk uit en wees niet brutaal, jongejuffrouw."
"Erkende ze later, dat ze 't mooi vond?" vroeg Meta.
"Wel neen! maar ze liet den ouden Belsham gelukkig rusten, en toen ik van middag terugkwam om mijn handschoenen, zat ze weer zoo verdiept in haar lievelingsschrijver, dat ze niet eens hoorde, hoe ik in de gang liep te springen en te dansen, uit blijdschap over den goeden tijd, die ophanden is. Wat zou ze een plezierig leven kunnen hebben, als ze maar wou. Ik benijd haar niets, al heeft ze ook nog zooveel geld, want alles wel beschouwd, hebben rijke menschen bijna evenveel moeilijkheden als arme, geloof ik," voegde Jo er philosofisch bij.
"Nu schiet mij ook iets te binnen om te vertellen," zei Meta. "Het is niet zoo leuk, als dat van Jo, maar ik heb er op mijn terugwandeling over loopen denken. Bij de Kings vond ik vandaag alles van streek, en een van de kinderen zei, dat haar oudste broer iets heel verschrikkelijks had gedaan en dat Papa hem weggejaagd had. Ik hoorde mevrouw King schreien en mijnheer King heel hard spreken, en Grace en Ellen keerden hun gezicht af, toen ze mij voorbijgingen, om niet te laten zien hoe rood hun oogen waren. Ik vroeg natuurlijk naar niets; maar 't speet me zoo voor hen allemaal, en ik was eigenlijk blij, dat ik geen broer had, die slechte dingen deed en de familie onteerde. Ontzettend lijkt me dat."
"Nu maar, ik vind, op school te pronk gezet te worden ook iets ontzettends," zei Amy en schudde haar hoofd, alsof haar ondervinding in het leven al bijzonder treurig was. "Susie Perkins kwam van morgen op school met een beelderig ringetje aan, met een donkerrood steentje. Ik wou het vreeselijk graag hebben, en dacht maar al: hè, 'k wou dat ik Susie was! Maar later teekende ze een portret van meneer Davis, met een monsterachtigen neus en een bochel, en de woorden: "Jonge dames, mijn oog is op u gevestigd," kwamen uit zijn mond in een soort van ballon. Wij stikten er om, maar opeens _was_ zijn oog op ons gevestigd, en schreeuwde hij Susie toe, hem haar lei te brengen. Ze was _geparalitizeerd_ van schrik, maar ging toch en o, wat denk jullie, dat hij deed? Hij trok haar bij een oor, verbeeld je! is het niet verschrikkelijk en duwde haar onder het bord, waar ze een half uur moest blijven staan en haar lei zóó voor zich houden, dat iedereen de teekening zien kon."
"Moesten de meisjes niet onbedaarlijk lachen?" vroeg Jo, die erg veel schik had in het geval.
"Lachen! geen een, ze zaten zoo stil als muizen en Susie schreide vreeselijk, dat kan ik je wel zeggen. Ik benijdde haar toen heusch niet meer, want ik geloof, dat zelfs duizend gouden ringetjes mij na zooiets niet meer gelukkig zouden hebben gemaakt. Nooit, nooit zou ik zoo'n vernederenden morgen hebben kunnen doorkomen," en Amy naaide weer voort, in het trotsch bewustzijn van haar braafheid en het gelukkig ten einde brengen van zoo'n sierlijke zinsnede.
"Ik heb heelemaal vergeten aan tafel te vertellen, wat ik van morgen voor aardigs gezien heb," kwam nu ook Bets uit den hoek, terwijl ze al pratende Jo's rommelig mandje opruimde. "Toen ik voor Hanna oesters ging halen, was mijnheer Laurence in den vischwinkel, maar hij zag me niet, want ik stond achter een ton en hij was bezig met Cutter, den vischboer. Toen kwam er een arme vrouw met een emmer en luiwagen en vroeg Cutter, of ze de straat mocht schrobben voor wat visch, omdat ze geen eten had voor haar kinderen en haar werk was misgeloopen. Cutter had haast en zei nogal knorrig: "Neen," en ze wou al hongerig en bedroefd weggaan, maar toen schoof mijnheer Laurence haar met zijn wandelstok een grooten visch toe. 't Arme menschje was zoo blij en verbaasd, dat ze den visch in haar arm nam en mijnheer wel tienmaal bedankte. Hij zei, dat ze nu maar gauw heen moest gaan en den visch dadelijk koken; en toen liep ze dolblij, op een drafje, naar huis. Aardig van hem, hè? O, ze zag er zoo grappig uit, toen ze dien grooten, glibberigen visch zoo aan haar hart drukte en zei, dat mijnheer Laurence er den hemel aan had verdiend."
Toen allen over Bets' verhaal waren uitgepraat, vroegen de meisjes of Moeder niets beleefd had en na een oogenblik nadenkens begon Mevrouw March:
"Terwijl ik van morgen blauw baaien borstrokken zat te knippen in het magazijn, voelde ik me ongerust over Vader, en dacht er over hoe eenzaam en bedroefd we toch zouden zijn, als hem eens iets overkwam. Dat was nu wel niet heel wijs van me, maar ik bleef aan het tobben, totdat er een oud man binnenkwam met een briefje voor enkele dingen. Hij ging dicht bij me zitten en ik sprak hem eens toe, want hij zag er zoo arm en vermoeid en bezorgd uit.
"Heb je zoons in 't leger?" vroeg ik, want het briefje, dat hij bracht, was niet voor mij.
"Ja mevrouw," vertelde de man, ik had er vier, maar er zijn er al twee doodgeschoten en één zit gevangen, en nu ga ik den vierden eens opzoeken. Die ligt hard ziek in een hospitaal in Washington."
"Je hebt wel veel voor je vaderland over gehad," zei ik, en ik voelde nu eerder hoogachting dan medelijden.
"Geen zier meer dan ik moest, mevrouw. Ik zou zelf gaan, als ik maar iets waard was; omdat ik het niet ben, geef ik mijn jongens, en ik geef ze van heeler harte."
"Hij sprak zoo opgeruimd, keek me zoo oprecht aan, en scheen zoo gelukkig, dat hij zijn alles geven kon, dat ik mij over mijzelf schaamde. Ik had maar één man gegeven en vond het veel, terwijl hij er vier gaf zonder morren; ik had al mijn dochtertjes thuis om mij te troosten, en zijn laatste zoon wachtte mijlen ver op hem, om hem misschien voor altijd vaarwel te zeggen. Ik voelde mij zoo rijk, zoo gelukkig, toen ik mijn voorrechten overdacht, dat ik een flink pakje voor hem maakte, hem wat geld gaf en hem hartelijk dankte voor de les, die hij me gegeven had."
"Vertel nog eens wat, Moeder, zoo'n soort verhaal, als dit. Ik denk er graag later nog eens over na, als het wezenlijk gebeurd en niet te preekachtig is," zei Jo, na een oogenblik van algemeen stilzwijgen.
Mevrouw March glimlachte en begon terstond, want ze had sinds jaar en dag vertelseltjes verteld aan dit kleine gezelschap, en wist, hoe ze bezig te houden.
"Er waren eens vier meisjes, die alles bezaten, wat ze noodig hadden; kleeren, eten en drinken in overvloed, tal van gemakken en genoegens, lieve vrienden en ouders, die ze innig liefhadden, en toch waren ze niet tevreden. (Hier wierpen de hoorderessen elkander steelsgewijze blikken toe en begonnen ijverig te naaien). Deze meisjes verlangden niets liever dan goed te zijn en namen veel flinke besluiten, maar--ze kwamen ze niet al te best na en zeiden gedurig: "Als wij dit maar hadden," of: "Als we dat maar konden doen," heelemaal vergetende, hoeveel ze al hadden, en hoeveel prettige dingen ze toch al konden doen; daarom vroegen ze eens aan een oude vrouw, of ze hun niet een toovermiddeltje kon geven om zich gelukkig te voelen, en het oudje antwoordde: zoodra als je ontevreden bent, denk dan eens na, over je zegeningen, en weest dankbaar." (Hier keek Jo plotseling op, alsof ze iets wilde zeggen, maar ze veranderde van gedachte, toen ze zag, dat het verhaal nog niet uit was).
"Daar ze verstandige meisjes waren, besloten ze haar raad op te volgen en weldra waren ze verbaasd over de goede uitwerking. De eene ontdekte, dat geld niet bij machte is schande en droefheid uit de huizen der rijken te bannen; een andere, dat zij, hoewel arm, vrij wat gelukkiger was door haar jeugd, gezondheid en opgeruimd humeur, dan zekere knorrige, zwakke, oude dame, die niet genieten kon van haar schatten; een derde dat, hoe onaangenaam het ook wezen mocht het eten te helpen klaarmaken, 't nog veel harder was er om te moeten bedelen, en de vierde, dat zelfs gouden ringetjes niet zooveel waard zijn als een goed gedrag. Daarom sloten ze een verbond, niet langer te klagen, maar te genieten van het geluk dat ze hadden en te trachten zich dat waardig te maken; en ik geloof, dat ze nooit teleurgesteld werden of berouw kregen, dat ze den raad van die oude vrouw hadden opgevolgd."
"Moeder, Moeder, dát is ondeugend van u, om onze eigen verhalen als een wapen tegen ons te gebruiken en ons een preek te geven, in plaats van een lang verhaal," riep Meta.
"Ik houd wel van dat soort van preeken; ze lijken op die van Vader," zei Bets, terwijl ze peinzend de spelden op Jo's kussentje gelijk stak.
"Ik klaag niet _half_ zooveel als de anderen, en ik zal nu meer dan ooit mijn best doen, want ik heb een waarschuwing gehad door Susie," zei Amy op zedigen toon.
"We hadden het lesje noodig en zullen het niet vergeten. _Als_ we het soms doen, moet u maar tegen ons zeggen, wat Tante Chloe in de negerhut zei: "Denk aan je voorrechten, kinders, denk aan je voorrechten," voegde Jo er bij, die, al zou het haar ook haar leven gekost hebben, niet nalaten kon uit de kleine preek een grapje te halen, hoewel ze die even goed ter harte nam als de anderen.
HOOFDSTUK V.
GOEDE BUREN.
"Wat ter wereld ga je nu doen, Jo?" vroeg Meta op een sneeuwachtigen middag, toen haar zuster de gang door kwam stappen, met overschoenen aan, een ouden mantel om, een versleten hoed op het hoofd, een bezem in de eene hand en een schop in de andere.
"Buiten wat bewegingen nemen," antwoordde Jo met van ondeugendheid flikkerende oogen.
"Ik zou denken, dat twee lange wandelingen per dag genoeg waren. Het is koud en akelig buiten, en ik raad je, liever warm en droog bij 't vuur te blijven, zooals ik van plan ben," zei Meta huiverend.
"Ik volg nooit iemands raad op, ik kan niet den heelen dag stilzitten, en omdat ik nu eenmaal geen poes ben, houd ik er niet van bij het vuur te zitten dommelen. Ik houd van avonturen, en ik ga ze opzoeken."
Meta ging weer in de kamer om haar voeten te roosteren en "Ivanhoe" te lezen, en Jo toog met grooten ijver aan 't werk. De sneeuw lag niet hoog en met haar bezem had zij gauw een pad schoon geveegd, de heele lengte van den tuin, zoodat Bets, als de zon doorkwam, zou kunnen wandelen, want de zieke poppen hadden behoefte aan frissche lucht. Het huis der familie March grensde aan dat van den heer Laurence; beide lagen in een der buitenwijken, waar het nog landelijk was, met boschjes en laantjes, groote tuinen en stille straten, en een lage heg scheidde de twee eigendommen. Aan de eene zijde stond een oud, bruin huis, dat er wel wat kaal en armoedig uitzag, nu het beroofd was van de dichte wijngaard-blâren, die in den zomer zijn muren bedekten, en van de bloemen, die het dan omgaven; aan de andere zijde een statig steenen gebouw, dat duidelijk de kenteekenen droeg van gemak en weelde: van het groote koetshuis en den goed onderhouden tuin af, tot de serre toe, terwijl men hier en daar tusschen de zware gordijnen door, een kijkje kon nemen van de weelde daar binnen. Toch scheen het een eenzaam, uitgestorven soort van huis, want geen kinderen stoeiden op het grasveld, geen moederlijk gelaat glimlachte ooit achter de vensters en zelden ging er iemand in of uit, behalve de oude heer en zijn kleinzoon.
Voor Jo's levendige verbeelding scheen de mooie villa een soort van betooverd paleis, vol heerlijke, wonderlijke dingen, waarvan niemand genoot. Ze had er al lang naar gehunkerd deze verborgen pracht eens te zien en "die jongen van hiernaast" te leeren kennen, die er wel naar uitzag, alsof hij kennis wilde maken, als hij maar wist hoe te beginnen. Sedert de partij was ze begeeriger dan ooit geweest en had ze menig plan gemaakt om vriendschap met hem te sluiten; maar in den laatsten tijd scheen hij nooit voor den dag te komen, zoodat Jo al begon te denken, dat hij weg was, toen ze op zekeren dag voor een der bovenvensters, een gebruind gezicht zag verschijnen, dat met verlangende oogen naar hun tuin tuurde, waar Bets en Amy elkander met sneeuwballen gooiden.
"Die jongen snakt naar gezelschap en vroolijkheid," zei ze tot zich zelf. "Zijn grootvader weet niet wat goed voor hem is en houdt hem eenzaam opgesloten. Hij heeft behoefte aan een troep jongens om mee te spelen, of aan iemand die jong en vroolijk is. Ik heb grooten lust eens over te wippen en dat aan den ouden heer te gaan vertellen."
Dat denkbeeld vatte post bij Jo, die graag waagstukken volbracht en Meta altijd ergerde door haar wonderlijke bedenksels. Het plan om "over te wippen" werd niet vergeten, en toen de sneeuwmiddag kwam, besloot Jo eens te probeeren wat ze kon doen. Zoodra ze mijnheer Laurence zag wegrijden, stapte ze naar buiten om een pad tot aan de heg te maken, waar ze even rust hield en eens rondkeek. Alles was stil, de gordijnen beneden waren neergelaten, de bedienden niet te zien, en nergens iets te bekennen, behalve een donker hoofd voor een der bovenramen.
"Daar is hij," dacht Jo, "arme jongen! heelemaal alleen en ziek op zoo'n somberen dag. Het is schande! Ik zal een sneeuwbal naar boven gooien, dan zal hij wel eens kijken, en dan zal ik hem eens een vriendelijk woordje toeroepen."
Een stevige bal vloog de lucht in, en het hoofd keerde zich dadelijk om en vertoonde een gezicht, dat onmiddellijk begon te glimlachen. Jo knikte, lachte terug en riep, zwaaiend met haar bezem:
"Hoe gaat het? Ben je ziek?"
Laurie schoof het raam op en riep met een schorre stem:
"Wat beter, dank je. Ik ben geweldig verkouden geweest en heb een week huisarrest gehad."
"Dat spijt me. Wat voer je uit?"
"Niks, 't is hier zoo stil als in een graf."
"Lees je niet?"
"Niet veel; ze willen het niet hebben."
"Kan niemand je voorlezen?"
"Grootpapa doet het soms, maar hij vindt mijn boeken vervelend en ik heb er een hekel aan, het altijd aan Brooke te vragen."
"Is er dan niemand, die je eens komt opzoeken?"
"Er is niemand, dien ik graag zou willen zien. Jongens maken zoo'n kabaal en ik heb erge hoofdpijn."
"Is er niet het een of ander aardig meisje, dat je zou willen voorlezen en gezelschap houden? Meisjes zijn stil en spelen graag voor ziekenoppasster."
"Ik ken er geen een."
"Je kent mij toch!" begon Jo lachend en zweeg toen.
"Dat is waar! Wil jij komen?" riep Laurie.
"_Ik_ ben toevallig _niet_ stil en aardig, maar ik wil wel komen, als Moeder 't goedvindt. Ik zal 't haar even vragen. Doe het raam nu weer dicht als een brave jongen en wacht tot ik kom."
Met die woorden nam Jo den bezem op haar schouder en wandelde naar huis, in nieuwsgierige afwachting, wat de anderen wel tegen haar zeggen zouden. Laurie, wat opgewonden bij de gedachte, dat hij bezoek zou krijgen, vloog rond om alles in orde te maken; want hij was, zooals mevrouw March het uitdrukte, "een heertje", en ter eere van de verwachte gast, borstelde hij zijn haar glad, deed hij een schoon boord om, en begon hij de kamer op te ruimen, die er, ondanks een half dozijn dienstboden, alles behalve netjes uitzag. Na een poosje werd er haastig aan de bel getrokken en een flinke stem vroeg naar "mijnheer Laurie", waarop een verbaasde dienstbode naar boven liep om een jonge dame aan te dienen.
"In orde, laat haar maar boven komen, 't is juffrouw Jo," zei Laurie en ging Jo tot aan de deur van zijn kleine zitkamer te gemoet. De bezoekster zag er blozend en vriendelijk uit en was volmaakt op haar gemak; in de eene hand hield ze een dekschaaltje en in de andere Bets' drie kleine katjes.
"Hier ben ik met pak en zak," zei ze vroolijk. "Moeder laat je vriendelijk groeten en was heel blij, dat ik iets voor je kon doen. Meta wou, dat ik wat blanc manger meenam; ze heeft ze zelf zoo lekker klaargemaakt, en Bets dacht, dat je haar katjes wel aardig zou vinden. Ik wist wel, dat je er om lachen zou, maar ik kon het haar niet weigeren, ze wou zoo graag iets voor je doen."
Het toeval wilde, dat Bets' pleegkinderen juist van pas kwamen, want Laurie vergat al lachende om de jolige jonge poesen zijn verlegenheid en was dadelijk heel gezellig.
"Dat ziet er te lekker uit om op te eten," zei hij glimlachend, toen Jo het deksel van het schaaltje nam en den blanc manger vertoonde, omgeven door een krans van groene blaadjes en de vuurroode bloemen van Amy's lievelings-geranium.
"Het is niet veel bijzonders, maar ze waren allemaal even vriendschappelijk gestemd en wilden dat ook graag toonen. Zeg aan de meid, dat ze het bewaart voor van avond bij de thee; er is niets scherps in, zoodat j'er gerust van kunt eten; 't is een echt ziekenkostje en glijdt gemakkelijk naar binnen, zonder je pijnlijke keel zeer te doen. Wat is dit een gezellige kamer."
"Dat zou hij kunnen zijn, als 't hier maar wat netter was, maar de meiden zijn lui, en ik weet niet hoe ik het aan moet leggen om te maken, dat ze den boel onderhouden; 't is vervelend."
"Ik zal 't binnen een paar minuten in orde brengen; want er mankeert niets aan, dan dat het om den haard wat aangestoft moet worden, zoo--en nu de ornamenten recht op den schoorsteen,--zoo en de boeken hier en de fleschjes daar, en je canapé met den rug naar het licht en de kussens een beetje opgeschud. Ziezoo, nu is het prettig."--En dat was waar, want al lachend en pratend had Jo de dingen op hun plaats gezet en de kamer een heel ander aanzien gegeven. Laurie keek in eerbiedige stilte naar haar; en toen ze hem uitnoodigde op de canapé te gaan zitten, zette hij zich met een zucht van voldoening neer en zei dankbaar:
"Dank je wel! Ja, dat ontbrak er aan. Neem nou als t' je belieft dien grooten stoel en laat ik iets doen om mijn gast te amuseeren."
"Neen, ik kwam juist om jou te amuseeren. Zal ik iets voorlezen?" en Jo keek verlangend naar een stapeltje uitlokkende boeken in de nabijheid.
"Dank je, ik heb ze allemaal al gelezen en als je 't goedvindt zou ik liever wat praten," antwoordde Laurie.
"Heel goed, ik kan den heelen dag wel praten, als je me maar aan den gang brengt. Bets zegt, dat ik nooit weet op te houden."
"Is Bets niet het meisje met de roode wangen, dat veel thuis blijft en soms uitgaat met een mandje?" vroeg Laurie belangstellend.
"Ja, dat is Bets, ze is mijn lievelingetje en een echte dot."
"De mooie is Meta, en de kleine met de krullen Amy, is 't niet?"
"Hoe ben je dat te weten gekomen?"
Laurie bloosde, maar antwoordde oprecht: "Och, zie je, ik hoor jullie dikwijs elkaar roepen, en als ik hier boven alleen ben, kan ik niet nalaten naar je huis te kijken; jullie schijnt altijd zooveel pret te hebben. Neem me niet kwalijk, dat ik zoo gegluurd heb, maar je vergeet soms wel eens het gordijn te laten vallen voor het raam, waar de bloemen staan, en als de lamp dan aangestoken is, lijkt het precies een plaatje: het vuur en jullie allemaal om de tafel met je moeder; ze zit met haar gezicht hier naar toe en ze ziet er zoo vriendelijk uit achter die bloemen, dat ik niet kan laten er naar te kijken. Ik heb geen moeder zooals je weet," en Laurie pookte in het vuur om een lichte trilling van zijn lippen, die hij niet kon bedwingen, te verbergen.
De droefgeestige, hongerige blik in zijn oogen vond rechtstreeks den weg naar Jo's warm hart. Ze was zoo eenvoudig opgevoed, dat er geen oogenblik dwaze gedachten in haar hoofd kwamen en ze op vijftienjarigen leeftijd even onschuldig en open was als een kind. Laurie was ziek en eenzaam; en gevoelende hoe rijk zij was aan huiselijk geluk en onderlinge liefde, wilde ze dien schat graag met hem deelen. Haar donkere oogen keken heel vriendelijk en haar scherpe stem klonk ongewoon zacht, toen ze zei:
"We zullen dat gordijn nooit meer dicht doen, en ik geef je permissie zooveel te gluren als je wilt. Maar ik zou veel liever willen, dat je in plaats van naar ons te zitten kijken, ons eens kwam opzoeken. Moeder zou zoo hartelijk voor je zijn, en Bets kon voor je zingen, als ik het haar vroeg en Amy dansen; Meta en ik zouden je aan 't lachen kunnen maken met onze gekke vertooningen en zoo konden we samen een dolprettigen tijd hebben. Zou je grootvader het goed vinden?"
"Ik denk het wel, als je moeder het hem vroeg. Grootpapa is heel aardig, al ziet hij er niet naar uit, en hij laat me vrij wel doen wat ik wil; hij is alleen maar bang, dat ik lastig zou zijn voor vreemden," zei Laurie opgevroolijkt.
"Wij zijn geen vreemden, wij zijn buren, en je hoeft nooit te denken, dat het ons lastig zou zijn. Wij _verlangen_ er naar dat je komt; ik heb al zoo vaak geprobeerd kennis te maken. We wonen hier nog niet lang, maar we kennen toch al onze buren, behalve jullie."
"Ja, zie je, Grootpapa leeft in zijn boeken, en geeft niet veel om de buitenwereld. Mijnheer Brooke, mijn gouverneur, woont hier niet in huis, en ik heb niemand om met mij te loopen, dus blijf ik maar thuis en breng, zoo goed en zoo kwaad het kan, mijn tijd door."
"Wat saai. Je moest het maar eens wagen om overal, waar je gevraagd wordt, een visite te gaan maken; dan zou je een massa vrienden krijgen en gelegenheid hebben om uit te gaan. Je moet j' er niet aan storen, of je wat verlegen bent; dat zal wel overgaan, als je maar veel uitgaat."
Laurie kreeg weer een kleur, maar werd toch niet boos, dat hij zoo van verlegenheid beschuldigd werd, want Jo scheen zoo welgezind, dat het niet mogelijk was haar rondborstige verklaringen anders op te nemen, dan ze bedoeld waren.
"Ga je op een prettige school?" vroeg hij, van onderwerp veranderend na een kleine pauze, waarin hij in het vuur had zitten staren en Jo voldaan had zitten rondkijken.
"Ik ga niet naar school, ik ben een man van zaken, een "meisje" van zaken, bedoel ik. Ik houd mijn tante gezelschap, een lieve, kribbige, oude ziel," antwoordde Jo.