Chapter 4
"Ik zocht iets te bemachtigen voor Meta, die heel moe is, maar stootte me en nu zit ik er mooi mee," antwoordde Jo, terwijl ze mistroostig haar oogen liet gaan over de bevlekte japon en den koffiekleurigen handschoen.
"Dat is een gek geval! Ik zocht juist iemand om dit aan te geven; mag ik het aan je zuster brengen?"
"O, als 't je belieft; ik zal je wijzen, waar zij is. Ik zal maar niet aanbieden het zelf te dragen, want als ik het deed, zou ik zeker weer in nieuwe moeilijkheden komen."
Jo wees den weg, en Laurie, die naar het scheen gewend was, dames te bedienen, trok een klein tafeltje naar Meta toe, bracht eene tweede bezending koffie en ijs voor Jo, en was zoo gedienstig, dat zelfs Meta erkende, dat hij een aardige jongen was. Ze maakten gekheid over de bonbons en ulevelpapiertjes, en waren in het midden van een geanimeerd spelletje met twee of drie andere jongelui, die zich bij hen gevoegd hadden, toen Hanna verscheen. Meta vergat haar voet, en stond zoo haastig op, dat ze genoodzaakt was Jo bij den arm te pakken met een schreeuw van pijn.
"Stil, zeg niets," fluisterde ze en voegde er hardop bij: "Het is niets, ik verzwikte mijn voet even, dat is alles," en ze hinkte naar boven om haar goed om te doen.
Hanna knorde, Meta schreide en Jo wist niet wat te doen, tot ze besloot zelf de zaak in handen te nemen. Stil wegsluipende liep ze naar beneden en een knecht tegenkomend, verzocht zij hem, of hij niet een rijtuig voor haar kon bestellen. Ongelukkig was het een vreemde knecht, die de buurt niet kende, en Jo zag rond naar hulp, toen Laurie, die gehoord had wat ze vroeg, naar haar toekwam en het rijtuig van zijn grootvader aanbood, dat juist voor hem was gekomen, zooals hij zei.
"Het is nog zoo vroeg,--je zult nu toch nog niet heengaan," begon Jo, verlicht, maar nog aarzelend om het aanbod aan te nemen.
"Ik ga altijd vroeg,--wezenlijk. Kom, laat ik jullie thuis brengen, het ligt in mijn weg, dat weet je, en ze zeggen, dat het regent."
Dat gaf den doorslag; en nadat Jo hem op de hoogte had gebracht van Meta's ongeval, nam ze het voorstel dankbaar aan en vloog naar boven om de anderen te waarschuwen. Hanna had evenveel afkeer van regen als een poes en maakte dus geen tegenwerpingen; en even later rolden ze weg in het gemakkelijke dichte rijtuig, echt feestelijk en voornaam gestemd. Laurie was op den bok gaan zitten, zoodat Meta haar voet op de bank kon leggen, en de meisjes vrij over de partij konden spreken.
"Ik heb een heerlijken avond gehad en jij?" vroeg Jo, haar haar wat losmakend en zich gemakkelijk achterover vleiend.
"Ja, totdat ik mijn voet bezeerde. Sallie's vriendin, Anna Moffat, scheen me nogal aardig te vinden en vroeg, of ik een week bij haar wou komen logeeren, gelijk met Sallie. Ze gaat in 't voorjaar, als de opera begint, dol, hè, als Moeder me maar laat gaan," antwoordde Meta, door de gedachte aan de invitatie opgevroolijkt.
"Ik zag je dansen met dien roodharige, waar ik voor weggeloopen ben; was hij aardig?"
"O ja, heel aardig; zijn haar is kastanjebruin, niet rood; hij was heel beleefd en ik heb zóó pleizierig met hem gedanst!"
"Hij zag er uit als een sprinkhaan, die een stuip krijgt, toen hij dien nieuwen pas deed. Laurie en ik hebben gebruld van 't lachen; kon je ons hooren?"
"Neen, maar het is heel ongemanierd. Wat heb je toch al dien tijd achter dat gordijn uitgevoerd?"
Jo vertelde haar avonturen, en toen ze er mee klaar was waren ze thuis. Onder hartelijke dankbetuigingen namen ze afscheid, en slopen stil naar boven, in de hoop niemand te zullen storen; maar op het oogenblik dat de deur van hun kamer kraakte, kwamen twee hoofden te voorschijn en twee slaperige, maar verlangende stemmen riepen:
"Vertel wat van de partij, o, toe, vertel wat van de partij!"
Jo had,--Meta vond het "ongemanierd"--wat lekkers voor de zusjes bewaard, en nadat deze de gewichtigste gebeurtenissen van den avond gehoord hadden, gingen ze tevreden slapen.
"'k Heb net een gevoel of ik een rijke jonge dame ben, die in haar eigen rijtuig van een bal thuiskomt en nu in haar kamer zit met een kamenier tot haar dienst," zei Meta, terwijl Jo haar voet inwreef met arnica en daarna haar haar borstelde.
"Ik geloof niet, dat rijke jonge dames meer pret hebben dan wij, ondanks verbrande krullen, oude japonnen, één handschoen per hoofd, en nauwe schoentjes, die je laten zwikken, als je zoo dwaas bent ze te dragen," antwoordde Jo, en ik geloof dat ze gelijk had.
HOOFDSTUK IV.
LASTEN.
"Hè! wat is het moeilijk onze pakken weer op te nemen en voort te gaan," zuchtte Meta 's morgens na de partij; want nu de vacantie om was, maakte de week van pretmaken haar weinig geschikt tot het opgewekt hervatten van een taak, waar zij nooit mee ophad.
"Ik wou, dat het altijd Kerstmis of Nieuwjaar was; zou dat niet genoeglijk zijn?" vroeg Jo, akelig geeuwende.
"Wij zouden niet half zooveel plezier hebben als nu. Maar het _is_ zoo heerlijk soupeetjes bij te wonen en bouquetten te krijgen, en naar partijen te gaan, en in een eigen rijtuig naar huis te rijden, veel te lezen en te rusten en niet te werken. Dat is zooals rijke menschen het hebben, en ik benijd altijd meisjes, die zulke dingen kunnen doen. O, ik houd eigenlijk zoo dol veel van weelde," bekende Meta, terwijl ze onderzocht, welke van twee versleten japonnen de minst versletene was.
"Kom, laten we maar niet zaniken, we kunnen het nu eenmaal zoo niet hebben; laten we onze pakken dus maar opnemen en even tevreden voorstappen als Moeder. Jullie weet, Tante March is een echte nachtmerrie voor me, maar ik denk dat--als ik geleerd heb, haar nukken zonder klagen te verduren, de last van mij af zal vallen, of zoo licht worden dat ik er niets meer om geef."
Deze gedachte prikkelde Jo's verbeelding en bracht haar in een goed humeur; maar Meta klaarde er niet door op, want haar last, uit vier bedorven kinderen bestaande, scheen zwaarder dan ooit. Ze had zelfs geen lust zich als naar gewoonte zoo mooi mogelijk te maken, door een blauw dasje om haar boord te knoopen en haar haar op de netste manier op te steken.
"Wat doet het er toe, of ik me netjes aankleed, als niemand me ziet, behalve die lastige apen. Niemand geeft er een zier om, of ik er netjes uitzie of niet," pruttelde ze en deed haar la met een ruk dicht. "Ik zal mijn heele leven door moeten tobben en zwoegen, en alleen nu en dan eens een pretje hebben, en oud en leelijk en kribbig worden, omdat ik arm ben, en niet van mijn leven kan genieten zooals andere meisjes. 't Is ellendig!"
Meta ging naar beneden met een verongelijkt gezicht en was aan 't ontbijt alles behalve vriendelijk gestemd.
Iedereen scheen wel uit zijn humeur en knorrig. Bets had hoofdpijn en lag op de canapé, troost zoekende bij de kat met haar drie kleintjes; Amy pruilde omdat ze haar lessen niet geleerd had en haar overschoenen niet kon vinden; Jo _wilde_ niet uitscheiden met fluiten en maakte veel onnoodige drukte en beweging om klaar te komen; mevrouw March deed haar uiterste best een brief af te krijgen, die volstrekt dadelijk op de post moest en Hanna had een booze bui, want laat opblijven vleide haar niet.
"Ik heb nog nooit zoo'n brompotten-familie gezien!" riep Jo, die uit haar humeur raakte, toen ze een inktkoker omgegooid, haar veters gebroken had, en op haar hoed was gaan zitten.
"En jij bent de brommerigste van allemaal!" antwoordde Amy en veegde de som, die maar niet lukken wou, uit, met de tranen, die op haar lei vielen.
"Bets, als je die akelige katten niet beneden in den kelder opsluit, laat ik ze verdrinken!" dreigde Meta boos, terwijl ze zich zocht te ontdoen van het katje dat langs haar rug was opgekropen en zich als een klis aan haar vastklemde.
Jo lachte, Meta bromde, Bets smeekte om genade, en Amy huilde, omdat zij niet kon onthouden, hoeveel negen maal twaalf was.
"Kinderen, kinderen! wees toch een oogenblik stil. Ik moet dezen brief afmaken en jullie brengt mij totaal in de war door dat gekibbel," riep mevrouw March die voor den derden keer een zin in haar brief doorhaalde.
Er was een poosje rust, onderbroken door Hanna, die naar binnen stormde, twee heete blikken puddingvormen op tafel zette en weer wegvloog. Dit was een vaste gewoonte, en de meisjes noemden ze "moffen," want ze hadden geen andere, en op koude ochtenden warmden ze hun handen aan die heete blikjes. Hanna vergat nooit ze te maken, hoe druk of knorrig ze ook mocht zijn, want de wandeling was lang en eentonig, en "de arme schapen" kregen niets anders dan die kleine trommelkoek voor hun twaalfuurtje en kwamen zelden vóór drieën thuis.
"Liefkoos je katjes maar en beterschap met de hoofdpijn, Betsje. Goeden dag, Moeder, we zijn van morgen een troep akeligheden geweest, maar we komen als engelachtige wezens thuis. Kom Meta," en Jo stapte weg, ten volle overtuigd dat de Pelgrims niet volgens hun plicht de reis aanvaardden.
Voor ze den hoek om gingen, keken ze altijd nog eens om, want mevrouw March stond altijd aan het raam om ze nog eens toe te knikken en na te wuiven. 't Was net of de meisjes den dag niet goed zouden kunnen doorkomen, als ze dat moesten missen. Want in welke stemming ze ook mochten zijn, de laatste glimlach van Moeders lief gezicht liet nooit na als een zonnetje op hen te werken.
"Als Moeder haar vuist tegen ons balde, in plaats van ons zoo vriendelijk na te wuiven, zouden we ons verdiende loon hebben, want ondankbaarder spoken dan wij zijn, heb ik nooit gezien!" riep Jo, en trotseerde met een zekere voldoening den modderigen weg en den scherpen wind.
"Gebruik toch zulke krasse uitdrukkingen niet," zei Meta van uit den dichten sluier, waarin ze zich gehuld had als een non, die wars is van de wereld.
"Ik houd van flinke, krachtige woorden, die iets beteekenen," antwoordde Jo, haar hoed grijpende, die op het punt stond weg te vliegen.
"Geef jezelf zooveel scheldnamen als je verkiest; maar ik ben noch een akeligheid, noch een spook, en verkies niet zoo genoemd te worden."
"Jij bent de verdrukte onschuld en vandaag bepaald ongenietbaar, omdat je niet altijd "in den schoot der weelde" kunt zitten. Arm schatje, wacht maar tot ik mijn fortuin heb gemaakt, dan zul je genieten van rijtuigen en van vanilleijs, en van hooggehakte schoentjes en bouquetten en van roodharige jongens om mee te dansen."
"Wat ben je toch dwaas, Jo!" maar Meta lachte om den onzin, en voelde zich, of ze wilde of niet, toch opgevroolijkt.
"Wees blij, dat ik dwaas ben, want als ik mij ook zoo beleedigd aanstelde en net zoo diep neerslachtig trachtte te zijn, als jij, zouden wij een heerlijk leven hebben. Gelukkig maar dat ik altijd iets kan vinden om het hoofd boven water te houden. Toe, mok niet langer, maar kom vroolijk thuis, dan ben je de beste."
Jo gaf haar zuster een bemoedigend tikje op den schouder, toen ze afscheid namen, waar ieder een verschillenden kant opging, drukte haar klein warm trommeltje aan het hart en deed haar best opgeruimd te zijn, in weerwil van het koude winterweer, het harde werk, en veel onvoldane begeerten.
Toen mijnheer March zijn vermogen verloor, door een ongelukkigen vriend bij te staan, hadden de twee oudste meisjes verzocht of zij niet iets zouden mogen doen, om tenminste in hun eigen behoeften te voorzien. Daar hun ouders meenden, dat ze niet te vroeg konden beginnen met zich te gewennen aan werk en te streven naar onafhankelijkheid, gaven ze hun toestemming, en beiden vatten hun werk op met dien vasten, goeden wil, die in spijt van alle moeilijkheden ten laatste zeker slaagt. Meta vond een plaats als gouvernante, en gevoelde zich rijk met haar klein salaris. Ze kwam er rond voor uit, dat ze hunkerde naar weelde, en armoede haar grootste verdriet was. Geen geld te hebben viel haar zwaarder dan de anderen, omdat zij zich een tijd kon herinneren, toen alles in huis mooi, het leven vol gemak en genot, en ontbering, van welken aard ook, onbekend was. Terwijl ze haar best deed niet jaloersch of ontevreden te zijn, was het niet meer dan natuurlijk, dat ze dikwijls verlangde naar mooie dingen, vroolijke vrienden en een gemakkelijk leven. Bij de familie King voelde ze dagelijks wat haar ontbrak, want de oudere zusters dier kinderen gingen dien winter voor het eerst uit, en Meta zag dikwijls met een oogwenk keurige baljaponnen en dure bouquetten, woonde levendige gesprekken bij over comedies, concerten, sleevaarten en pretjes van allerlei aard, en zag geld weggegooid voor kleinigheden, die voor haar schatten zouden geweest zijn. De arme Meta klaagde zelden, maar een gevoel van onrechtvaardigheid maakte, dat ze soms bitter gestemd was jegens iedereen, want ze had nog niet leeren beseffen, hoe rijk ze was in datgene, wat alleen het leven waarde geeft.
Jo viel in den smaak van Tante March, die verlamd was en behoefte had aan een bedrijvig persoontje om haar te bedienen. Toen de slag viel had de kinderlooze oude dame aangeboden een van de meisjes als haar kind tot zich te nemen, en zich zeer beleedigd getoond, omdat haar aanbod werd afgeslagen. Andere vrienden deelden de Marches mee, dat ze alle kans verloren hadden op een legaat van de oude rijke dame, maar de onbaatzuchtige Marches hadden geantwoord:
"Wij kunnen onze meisjes niet afstaan; voor geen dozijn legaten. Rijk of arm, we blijven bij elkaar en zullen samen gelukkig zijn."
Geruimen tijd wilde de oude dame niet tegen hen spreken, maar toen ze Jo op zekeren dag bij een vriendin ontmoette, werd ze getroffen door een zeker iets in haar grappig gezicht en vrije manieren en stelde ze voor haar als gezelschapsjuffrouw te nemen. Dit viel volstrekt niet in Jo's smaak, maar ze nam de betrekking aan, omdat zich niets beters voordeed, en, tot ieders verbazing kon ze het zeer goed vinden met haar oploopende bloedverwant. Nu en dan had er wel een stormachtig tooneel plaats, en eens zelfs was Jo thuisgekomen met de verklaring, dat ze het niet langer kon uitstaan, maar Tante March draaide altijd gauw weer bij en verzocht haar nichtje met zulk een aandrang te willen terugkomen, dat ze niet kon blijven weigeren, want in haar hart hield ze veel van de oude, snibbige dame.
Ik geloof eigenlijk, dat de ware aantrekkingskracht zat in een groote bibliotheek, die sinds den dood van Oom March een prooi geworden was van stof en spinnen. Jo herinnerde zich den ouden, vriendelijken heer nog zeer goed, die haar van zijn groote woordenboeken spoorwegen en bruggen liet bouwen, haar vertelseltjes vertelde over de wonderlijke plaatjes in zijn Latijnsche boeken, en lekkers voor haar kocht, telkens als hij haar op straat tegenkwam. De sombere, stoffige kamer, waar de bustes haar van de hooge boekenkasten aanstaarden, de globes, maar vooral de onafzienbare massa boeken, waarin ze zich naar hartelust kon begraven, maakten de bibliotheek een paradijs voor haar. Zoodra deed Tante March niet haar dutje of kreeg ze bezoek, of weg vloog Jo naar dat rustige plekje, nestelde zich in den grooten stoel, en verslond dichtwerken, romans, geschiedboeken, reisbeschrijvingen en plaatwerken, als een echte boekworm. Maar ook dat geluk duurde als naar gewoonte niet heel lang; Jo kon er zeker van zijn, dat zoodra ze het beslissend punt in een roman, het aandoenlijkste couplet in een lied, of het gevaarlijkste avontuur van haar reiziger genaderd was, een schrille stem zou roepen:
"Jose-phine! Jose-phine!" en dan moest ze haar Eden verlaten om wol te winden, den poedel te wasschen, of urenlang uit "Belsham's Verhandelingen" voor te lezen.
Jo's eerzucht ging er naar uit, iets groots te doen; ze kon zelf niet zeggen wat, maar ze liet het aan den tijd over dit te openbaren, en inmiddels bestond haar grootste verdriet hierin, dat ze niet naar hartelust kon lezen, loopen en beweging nemen. Een driftig humeur, een scherpe tong en een rustelooze geest brachten haar telkens in moeilijkheden, en haar leven bestond uit vallen en opstaan, aandoenlijk en grappig tegelijk. Maar de oefenschool, die ze bij Tante March doormaakte, was juist wat ze noodig had, en de gedachte dat ze iets deed voor haar eigen onderhoud maakte haar gelukkig, in spijt van het onophoudelijk: "Jose-phine!"
Bets was te teer en te verlegen om naar school te gaan; er was een proef mee genomen, maar ze had zooveel geleden, dat men het had moeten opgeven; ze leerde nu thuis bij haar vader. Zelfs na zijn vertrek, en terwijl haar moeder geroepen was om haar beste krachten te wijden aan een vereeniging tot hulp en ondersteuning van de militairen te velde, ging Bets trouw alleen voort en deed haar uiterste best. Ze was een huishoudelijk schepseltje en hielp Hanna het huis netjes en gezellig houden voor de werkende leden van het gezin, zonder ooit eenige andere belooning te wenschen dan de liefde der haren. De dagen waren lang en stil voor haar, maar werden niet eenzaam of in ledigheid doorgebracht, want haar kleine wereld was bevolkt met denkbeeldige vrienden en ze was van nature een werkzaam bijtje. Elken morgen moesten er zes poppen opgenomen en aangekleed worden, want Bets was nog een kind en hield nog evenveel als vroeger van haar lievelingen, al was geen van de zes ook meer gaaf of mooi; het waren allemaal afgedankte invaliden, want toen haar zusters te groot waren geworden voor die liefhebberij, gingen ze op haar over, omdat Amy nooit iets wilde hebben, dat oud en leelijk was. Bets vertroetelde ze juist om die reden en richtte een hospitaal op voor gebrekkige poppen. Nooit stak ze een speld in hun katoenen ledematen, nooit hoorden ze een onvriendelijk woord of werden ze geslagen; het hartje van de meest terugstootende zelfs werd nooit gekrenkt door verwaarloozing, maar allen werden met onuitputtelijke teederheid gevoed en gekleed, verzorgd en geliefkoosd. Eén zwerveling uit het poppendom had aan Jo toebehoord, en was, na een stormachtig leven in de prullemand terecht gekomen, uit welk somber armhuis ze bevrijd werd door Bets en naar het hospitaal gebracht. Daar de stakkerd haar achterhoofd kwijt was, zette Bets haar een lief klein mutsje op, en daar de armen en beenen in den slag waren gebleven, wikkelde ze haar in een deken, om dit gebrek voor aller oogen te bedekken, terwijl ze haar beste kribje aan deze kwijnende zieke afstond. Indien iemand getuige was geweest van de zorg, aan dit popje besteed, zou het zeker zijn hart getroffen hebben, al wekte het ook tegelijkertijd den lachlust op. Bets bracht haar kleine bouquetjes, las haar voor, ging met haar in de lucht, warm ingestopt onder haar mantel, zong wiegeliedjes voor haar, en zou nooit naar bed gaan, zonder een kus te drukken op het verveloos gezichtje en zacht te fluisteren: "Ik hoop, lieveling, dat je een goeien nacht zult hebben."
Bets had haar moeilijkheden zoo goed als de anderen, en daar zij geen engel was, maar een zeer menschelijk klein meisje, schreide ze dikwijls een deuntje, zooals Jo zei, omdat ze geen muziekles en geen mooie piano kon krijgen. Ze hield zooveel van muziek, deed zoo haar best om vooruit te komen en studeerde zoo gelukkig op het rammelende oude instrument, dat de een of ander (om niet van Tante March te spreken) haar waarlijk wel helpen mocht.
Maar niemand deed het, en niemand zag hoe Bets, wanneer ze alleen was, de tranen afwischte van de gele oude toetsen, die zoo ontstemd waren. Ze deed haar werk zingend als een kleine leeuwerik, was nooit te vermoeid om voor Moeder en de meisjes te spelen, en zei telkens weer opnieuw hoopvol tot zichzelve: "Ik weet, dat ik mettertijd mijn muziek nog eens krijgen zal, als ik maar goed oppas."
Er zijn veel van die Betsy's in de wereld, verlegen en stil in een hoekje verscholen, tenzij men ze noodig heeft, en zoo opgeruimd zich zelf vergetend voor anderen, dat niemand hun opofferingen ziet, totdat de kleine krekel aan den haard ophoudt met zingen en de liefelijke zonnige verschijning verdwijnt, stilte en schaduw achterlatend.
Als iemand aan Amy gevraagd had, wat de grootste beproeving van haar leven was, zou ze zonder aarzelen geantwoord hebben: "Mijn neus." Toen ze nog heel klein was, had Jo haar bij ongeluk in het kolenhok laten vallen, en Amy hield vol, dat die val voor altijd haar neus bedorven had. Hij was niet dik of rood, alleen maar een beetje stomp, en al het knijpen ter wereld kon hem geen sierlijke punt geven. Niemand dan zij zelf vond het bizonder betreurenswaard, en het lichaamsdeel deed zijn best te groeien, maar Amy gevoelde diep het gemis van een Grieksch neusje, en teekende vellen vol mooie exemplaren om zich te troosten.
"De klein Raphaël," zooals de zusjes haar noemden, had een bepaald talent voor teekenen, en was niet gelukkiger dan wanneer ze bloemen copieerde, of verhaaltjes met allerlei zonderlinge plaatjes kon versieren. Dikwijls klaagden haar onderwijzers er over dat ze in plaats van haar sommen te maken, haar lei vol teekende met dieren; de witte bladen van haar atlas gebruikte ze om kaarten op na te teekenen en de bespottelijkste caricaturen fladderden op een ongelukkig oogenblik uit al haar boeken. Ze rolde zoo goed ze kon door haar lessen, en wist aan straf te ontkomen door een voorbeeldig goed gedrag. Daar ze een goed humeur had, en de gelukkige gave bezat te behagen, zonder er moeite voor te doen, was ze de lieveling van al haar kennisjes. Haar kleine gemaaktheden en pedanterieën werden zeer bewonderd, evenals haar talenten, want behalve teekenen, kon zij twaalf stukjes spelen, aardig handwerken en Fransch lezen, zonder meer dan twee derde der woorden verkeerd uit te spreken. Daarbij kon ze op zoo'n droevigen toon zeggen: "Toen Papa rijk was, deden wij zoo en zoo," dat het heusch aandoenlijk klonk; en de meisjes op school vonden haar lange woorden wel wat driftig, maar toch "leuk".
Men was mooi op weg Amy te bederven, want iedereen vertroetelde haar, en de kiemen van ijdelheid en zelfzucht ontwikkelden zich voorspoedig. Er was echter iets dat die ijdelheid beteugelde; Amy moest de kleeren van haar nichtje afdragen. Nu had Florence's mama volstrekt geen smaak, en Amy vond het vreeselijk, dat ze een rooden, in plaats van een blauwen hoed moest opzetten, bij jurken die haar niet kleurden, en akelig mooie boezelaars, die haar niet pasten. Alles was goed, netjes gemaakt en weinig versleten, maar Amy's kunstenaarsoog werd pijnlijk aangedaan, vooral dezen winter, nu haar schoolpak bestond uit een donker paarse jurk met gele moesjes en zonder eenig garneersel.
"Mijn eenige troost is, dat Moeder tenminste geen opnaaisels in mijn jurken doet, telkens als ik ondeugend ben, zooals de moeder van Mary Park," zei ze met tranen in de oogen tegen Meta. "O, dat is wezenlijk iets verschrikkelijks; want Mary is soms zoo brutaal geweest, dat haar jurk tot boven haar knieën komt en ze niet naar school durft. Als ik aan zoo'n _deggeradatie_ denk, heb ik nog liever mijn platten neus en mijn paarse jurk met gele stippen."
Meta was Amy's vertrouwde en raadsvrouw, en door de wonderlijke aantrekkingskracht die er dikwijls tusschen twee tegenovergestelde naturen bestaat, was Jo die van de zachte, vriendelijke Bets. Alleen aan Jo vertelde het schuwe kind haar gedachten, en zonder het te weten oefende ze op haar groote, wilde zuster meer invloed uit, dan eenig ander lid van het gezin. De twee oudste meisjes waren veel voor elkander, maar beide namen een van de jongere onder hun bescherming en zorgden er voor op hun manier; "bemoederden" ze, zooals ze het noemden, en gaven de zusjes de plaats der onttroonde poppen, met het moederlijk instinct van aankomende meisjes.
"Heeft niemand iets te vertellen? 't Is zóó'n saaie dag geweest, dat ik naar een opvroolijking verlang," zei Meta, toen ze 's avonds bij elkaar zaten te naaien.