Chapter 3
Een luid applaus volgde, maar werd plotseling gesmoord; want het bed, waarop de loge gebouwd was, viel eensklaps in en verzwolg het opgewonden publiek. Roderigo en Don Pedro vlogen te hulp en allen werden ongedeerd weer opgehaald, hoewel de meesten sprakeloos waren van 't lachen. Nauwelijks was dit tumult tot bedaren gekomen, toen Hanna binnenkwam met "de complimenten van mevrouw, en of de dames beneden wilden komen om te soupeeren."
Dit was een verrassing, zelfs voor de spelers, en toen zij de tafel zagen, keken zij elkaar opgetogen en verbaasd aan. "Echt iets voor Moeder, ons eens te trakteeren!" Maar zooiets als dit was ongekend, sedert de vervlogen dagen van overvloed. Er was room-ijs, wezenlijk twee schaaltjes, rood en wit, en taart, en vruchten en heerlijke Fransche bonbons, en in het midden van de tafel stonden vier groote bouquetten kasbloemen! Met een kleur van blijdschap keken de meisjes eerst naar de tafel, en toen naar hun moeder, die er uitzag, alsof ze innig genoot.
"Zijn er goede feeën geweest?" vroeg Amy.
"Neen, Sinst Nicolaas," zei Bets.
"Moeder heeft het gedaan," en Meta lachte met haar vriendelijksten glimlach, in weerwil van haar grijzen baard en witte wenkbrauwen.
"Tante March had zeker een goede bui, en heeft al dat lekkers gestuurd," riep Jo, die een plotselinge ingeving kreeg.
"Allemaal mis; de oude heer Laurence zond het," antwoordde mevrouw March.
"De grootvader van dien jongen, hiernaast? Wat ter wereld bracht hem dat in 't hoofd? Wij kennen hem niet eens!" riep Meta.
"Hanna vertelde toevallig aan een van zijn dienstboden van jullie ontbijtpartij; hij is een zonderlinge oude heer, maar dat beviel hem. Hij kende mijn vader jaren geleden, en hij schreef me van middag een beleefd briefje, om me te vragen of hij zijn vriendelijke gevoelens jegens mijn kinderen eens mocht toonen, door wat lekkernijen te sturen tot viering van den dag. Ik kon niet weigeren, en zoo komt het, dat jullie van avond een feestje hebt om je schadeloos te stellen voor het ontbijt van vanmorgen."
"Dat heeft hem stellig die jongen in 't hoofd gebracht, ik weet het zeker! 't Is een aardige jongen, en ik wou maar, dat we kennis met hem konden maken. Hij ziet er net uit of hij 't heel prettig zou vinden om ons te kennen; maar hij is dood verlegen en Meta is zoo deftig, ze wil niet hebben, dat ik in het voorbijgaan een woordje tegen hem zeg," zei Jo, terwijl de schaaltjes rondgingen, en het ijs onder verrukte uitroepen van o! en hè! aanmerkelijk begon te verminderen.
"Bedoel je de menschen, die in dat groote huis hiernaast wonen?" vroeg een der meisjes. "Moeder kent mijnheer Laurence wel, maar zegt, dat hij heel trotsch is, en niet graag met zijn buren omgaat. Hij houdt zijn kleinzoon altijd in huis, behalve wanneer hij gaat rijden of wandelen met zijn gouverneur; en hij laat hem vreeselijk hard studeeren. Wij hebben hem op onze partij gevraagd, maar hij is niet gekomen. Moeder zegt, dat hij heel aardig is, maar nooit tegen meisjes spreekt."
"Toen laatst onze kat was weggeloopen, bracht hij die terug, en wij stonden juist even te praten over de schutting, over honkbal en zoo, toen hij Meta zag aankomen en wegliep. Jammer, we schoten best op, en ik ben ook vast van plan op een goeden dag verder kennis met hem te maken, want hij heeft wel een opvroolijking noodig, daar ben ik vast van overtuigd," zei Jo beslist.
"'t Lijkt me een aardige nette jongen, en ik heb er niets tegen, dat jullie kennis met hem maakt, als de gelegenheid zich voordoet. Hij bracht de bloemen zelf, en als ik gerust geweest was op hetgeen boven voorviel, zou ik hem gevraagd hebben om te blijven. Stakkerd, hij zag er zoo nieuwsgierig uit, toen hij al de pret hoorde en hij trok zoo sneu weg."
"'t Is een zegen, dat u het niet deedt, Moeder," lachte Jo, met een blik op haar laarzen. "Maar wij zullen later een andere voorstelling geven, die hij _wel_ mag zien. Misschien doet hij dan wel mee; zou dat niet heerlijk zijn?"
"Ik heb nog nooit een bouquet gekregen; wat is dit een mooie," en Meta bekeek haar bloemen met de grootste aandacht.
"Zij _zijn_ beelderig, maar Bets' rozen zijn mij nog liever," zei Mevrouw March aan het verlepte bouquetje in haar ceintuur ruikende.
Bets kroop dicht tegen haar aan en fluisterde zacht: "Ik wou dat ik mijn bloemen aan Vader kon sturen. Ik ben bang dat hij niet zoo'n vroolijke Kerstmis heeft als wij."
HOOFDSTUK III.
"DIE JONGEN VAN HIERNAAST."
"Jo! Jo! waar zit je?" riep Meta onder aan de zoldertrap.
"Hier," antwoordde een doffe stem van boven, en toen Meta de trappen opgeloopen was, vond zij haar zuster bezig appels te eten en te schreien over "De Erfgenaam van Redclyff," met een dikken doek om, op eene driepootige canapé bij het zonnige venster. Dit was Jo's geliefkoosde toevlucht, en hier sloot zij zich op met een half dozijn appelen en een mooi boek, genietende van de stilte en van het gezelschap van een lievelingsrat, die daar dichtbij huisde en zich niet aan haar stoorde. Toen Meta kwam, trok Knabbelaar zich in haar hol terug. Jo veegde haar tranen af en wachtte geduldig op het nieuws.
"Verbeeld je eens, hoe heerlijk, een invitatiekaart van mevrouw Gardiner voor morgenavond!" riep Meta, met het kostbaar document wuivend, en toen met jeugdige opgewondenheid voorlezend:
"Het zal mevrouw Gardiner veel genoegen doen de jonge dames Meta en Josephina March tegenwoordig te zien bij een danspartijtje, dat ze voornemens is op Nieuwjaarsavond te geven." Moeder vindt het goed, dat wij gaan; maar _wat_ zullen we aandoen?"
"Dat hoef je niet te vragen, je weet heel goed, dat wij niks anders kunnen aandoen dan onze zomerjurken, omdat wij niets anders hebben," antwoordde Jo met een vollen mond.
"Had ik maar een zijdje," zuchtte Meta. "Moeder zegt, dat ik er misschien een krijg, als ik achttien ben; maar twee jaar is een eeuwige tijd om te wachten."
"O kom, onze lichte japonnen zijn goed genoeg voor ons. De jouwe is zoo goed als nieuw, maar o jé, ik vergat heelemaal dat ik de mijne gescheurd en gebrand heb. Wat zal ik doen? Dat gezengde is erg te zien en ik kan er niets uitnemen."
"Je moet maar veel blijven zitten en je niet van achteren laten zien; van voren is alles in orde. Ik krijg een nieuw lint voor mijn haar, en Moeder zal me haar kleine juweelen broche leenen, en mijn nieuwe lage schoentjes zijn keurig en mijn handschoenen kunnen nog wel eens mee, al zijn ze niet zoo héél frisch meer."
"De mijne zitten vol limonadevlekken, en ik kan geen nieuwe koopen, dus zal ik zonder dienen te gaan," zei Jo, die zich nooit veel om haar toilet bekommerde.
"Je _moet_ handschoenen hebben, of ik ga niet!" riep Meta vast besloten. "Handschoenen zijn van nog meer belang dan iets anders; je kunt zonder handschoenen onmogelijk dansen, en als je ze niet aandoet, schaam ik me dood."
"Dan zal ik maar stil blijven zitten; ik geef niks om die deftige dansen en dat statige voortzeilen. 't Is veel prettiger rond te vliegen en eens een bokkesprong te maken."
"Je kunt Moeder niet om een paar nieuwen vragen, zij zijn zoo duur en je bent zoo wanhopig slordig. Moeder zei, toen je de andere bedorven hadt, dat je dezen winter geen nieuwe kreeg. Kun je 'r niets op bedenken?" vroeg Meta bezorgd.
"Ik zal ze in mijn hand moffelen, dan kan niemand zien, hoe smerig ze zijn; dat is al wat ik kan doen. Neen! ik weet wat, laat ons ieder één goeden aantrekken, en een slechten in onze hand houden, vind je dat geen schitterend idee?"
"Maar jou handen zijn grooter dan de mijne, en dan rek je mijn handschoen zoo vreeselijk uit," begon Meta, wier handschoenen een teere plek in haar hart besloegen.
"Dan zal ik maar zonder gaan. Ik geef er niet om wat de menschen zeggen!" riep Jo, haar boek weer opnemende.
"Och, neen, neem er dan maar liever een van mij, maar toe, wees er netjes op, en gedraag je ordentelijk; houd je handen niet op je rug, en sta niet te staren en zeg niet "verdraaid" en zoowat, toe, Jo?"
"Maak je maar niet ongerust, ik zal zoo deftig zijn als een boonestaak en geen dommigheden begaan, als ik het maar eenigszins laten kan. Ga jij nu het antwoord maar schrijven en laat mij alstjeblieft mijn boek uitlezen."
Meta ging dus naar beneden om "gaarne gebruik te maken van de vriendelijke invitatie," haar japon na te zien en een vroolijk deuntje te zingen, terwijl ze haar eenigen echt kanten kraag in orde maakte, terwijl Jo haar verhaal uitlas, haar appels opat en krijgertje speelde met Knabbelaar.
Op Nieuwjaarsavond was de zitkamer verlaten, want de twee jongere meisjes speelden voor kamenier en de twee oudsten gingen heelemaal op in die allergewichtigste bezigheid: zich kleeden voor de partij. Hoe eenvoudig de toiletjes ook waren, viel er toch heel wat heen en weer te loopen onder druk gelach en gepraat, en op een zeker oogenblik was er een erge brandlucht door het huis. Meta wou graag van voren een paar krullen hebben en Jo nam op zich de papillotten er met een gloeiende tang in te branden.
"Moeten ze zoo rooken?" vroeg Bets van haar zetel op het bed.
"Dat is het vocht dat verdampt," zei Jo.
"Wat een rare lucht! het ruikt net naar verbrande veeren," vond Amy en streek hare eigen mooie krullen met voldoening glad.
"Ziezoo, nu zal ik ze uit de papieren doen en dan zul je eens zien, wat allerliefste krulletjes het geworden zijn," zei Jo, de tang neerleggende.
Ze haalde de papillotten los, maar er kwamen geen krulletjes te voorschijn, want het haar kwam met de papiertjes mede, en de verschrikte kamenier legde een rijtje kleine, verschroeide hoopjes haar, op de tafel voor haar slachtoffer neer.
"O, o, Jo! wat _heb_ je gedaan? Nou is álles bedorven! Ik kan niet gaan! Mijn haar! o mijn haar!" jammerde Meta, terwijl ze wanhopig het ongelijke kroes op haar voorhoofd bekeek.
"Dat is alweer mijn ongeluk! je hadt het mij ook niet moeten vragen; ik bederf altijd alles. 't Spijt me allervreeselijkst, maar de tang was te heet, en zoo is het gekomen," kermde de arme Jo, en zag met tranen van berouw naar de zwarte pruikjes.
"Het is nog niet bedorven; kam het maar op en steek dan den strik er achter, dat lijkt nogal op de laatste mode. Ik heb er verscheiden meisjes mee gezien," troostte Amy.
"Dat komt omdat ik mij mooi wou maken. Ik wou, dat ik mijn haar maar met rust had gelaten," zei Meta wrevelig.
"Dat wou ik ook, het was zoo mooi. Maar het zal wel gauw weer aangroeien," zei Bets, en kuste en troostte het geschoren lam.
Na eenige kleinere tegenspoeden was Meta eindelijk gereed, en door de vereende krachten der familie kwam Jo's haar in orde en haar japon aan. Ze zagen er heel aardig uit in hun eenvoudige kleeding. Meta in een zilvergrijsje met een fluweelen lint in het haar, kanten kraag en mouwen en de juweelen broche; Jo in 't licht lila, met een open boordje en een paar witte chrysanten als eenig versiersel. Ieder trok één netten lichten handschoen aan, en ieder hield één bevlekten in de andere hand, en de heele familie verklaarde, dat het zoo heel best kon en heel vlug stond. Meta's hooggehakte schoentjes waren vreeselijk nauw en deden haar pijn, hoewel zij dat niet wilde erkennen; en Jo's negentien haarspelden schenen allemaal regelrecht in haar hoofd te steken, wat niet precies plezierig was; maar, lieve hemel! liever sterven, dan niet naar de mode zijn.
"Veel plezier, kinderen," zei mevrouw March, toen de zusters vroolijk wegtrippelden. "Eet maar niet te veel, en Hanna zal jullie om elf uur komen halen; dadelijk meegaan hoor!"
Toen het hek achter hen toeviel, riep een stem hen nog achterna:
"Meisjes! meisjes! _heb_ jullie wel allebei een net zakdoekje?"
"Ja, ja, keurig hoor, en Meta heeft eau-de-cologne op den hare!" riep Jo en voegde er lachend bij: "Ik geloof heusch, dat Moeder daar nog naar vragen zou, al vluchtten wij allemaal voor een aardbeving."
"Dat komt omdat Moeder op en top een dame is, want een echte dame kun je dadelijk herkennen aan nette laarzen, handschoenen en zakdoek," antwoordde Meta, die vond dat ze zelf nogal damesachtig was.
"Denk er nu aan om die leelijke plek uit het gezicht te houden, Jo. Zit mijn ceintuur recht; en is mijn haar _erg_ leelijk?" vroeg Meta, terwijl ze zich, na een ernstige beschouwing, afwendde van den spiegel in mevrouw Gardiner's kleedkamer.
"Ik weet wel haast zeker dat ik het vergeten zal. Als je me iets ziet doen, dat niet goed is, geef mij dan maar een wenk, wil je!" antwoordde Jo, trok eens aan haar jurk en streek haastig haar haar glad.
"Neen, wenken is niet netjes; ik zal mijn wenkbrauwen optrekken, als iets niet goed is, en knikken als alles in orde is. Nu, doe nu je schouders naar beneden en neem kleine stappen en steek niet dadelijk een hand uit als iemand aan je wordt voorgesteld, dat hoort niet."
"Hoe is het toch mogelijk al die dingen te onthouden? Ik zie er geen kans toe. Hè wat vroolijke muziek!"
Zoo gingen ze naar beneden, wel wat verlegen, want ze kwamen zelden op partijen, en hoe weinig deftig deze ook was, het bleef toch een gebeurtenis van gewicht voor de zusjes. Mevrouw Gardiner, een statige, oude dame, ontving hen vriendelijk en gaf hen over aan de zorg van de oudste harer zes dochters. Meta kende Sallie en was dadelijk op haar gemak; maar Jo, die niet veel gaf om meisjes of meisjespraatjes, stond met haar rug tegen den muur geleund en voelde zich even weinig op haar plaats als een veulen in een bloemtuin. In een anderen hoek der kamer stond een troepje jongens over schaatsenrijden te praten, en Jo verlangde niets liever dan zich bij hen te voegen, want schaatsenrijden was een der grootste genoegens van haar leven. Ze telegrafeerde haar wensch naar Meta, maar de wenkbrauwen werden zóó verschrikt opgetrokken, dat ze zich niet durfde bewegen. Niemand kwam haar aanspreken, en langzamerhand verliep het groepje in haar buurt, totdat de arme Jo geheel alleen overbleef. Vrij heen en weer loopen kon ze niet, want dan zou de verzengde plek in 't gezicht komen, zoodat zij min of meer ongelukkig naar de anderen stond te kijken, tot het dansen begon. Meta werd dadelijk gevraagd, en de nauwe schoentjes trippelden zoo vroolijk rond, dat niemand de pijn kon vermoeden die hun eigenares met een glimlach verdroeg. Toen zag Jo een grooten, roodharigen jongen haar hoekje naderen, vreezende, dat hij van plan mocht zijn haar te vragen, sloop zij gauw in een aangrenzend kamertje, dat door een gordijn was afgeschoten, in de hoop ongestoord te kunnen kijken en zich zoo amuseeren. Ongelukkig had een andere verlegen gast dezelfde schuilplaats gekozen; want toen het gordijn zich achter haar sloot, stond Jo van aangezicht tot aangezicht tegenover "die jongen van hiernaast."
"O, hemel! ik wist niet, dat hier iemand was," stamelde Jo, en maakte zich gereed even spoedig te verdwijnen als zij verschenen was.
Maar de jongen lachte en zei vriendelijk, hoewel hij wat verlegen keek:
"Stoor je niet aan mij maar blijf als je'r lust in hebt."
"Hinder ik je niet?"
"Volstrekt niet; ik kwam alleen hier omdat ik niet veel menschen ken, en mij in het eerst nogal vreemd voel."
"Ik ook. Ga als 't je blieft niet weg, of je moest liever willen."
De jongen ging weer zitten en keek naar zijn laarzen, totdat Jo, die beleefd en spraakzaam wilde zijn, begon:
"Ik geloof, dat ik het genoegen gehad heb je al eens vroeger te zien. Je woont naast ons, is 't niet?"
"Vlak naast jullie," en hij keek haar lachend aan, want Jo's deftigheid was nog al grappig na hun gesprek over het balspel, toen hij de kat terugbracht.
Dat bracht Jo op haar gemak, en ze lachte ook, terwijl ze op hartelijken toon zei:
"We hebben zoo'n prettigen avond gehad door jullie heerlijk cadeau op Kerstavond!"
"Grootpapa zond het!"
"Maar jij hebt hem zeker op de gedachte gebracht, hè?"
"Hoe gaat het met uw kat, juffrouw March?" vroeg de jongen plechtig, al zijn best doende om ernstig te kijken, terwijl zijn zwarte oogen glinsterden van pret.
"Heel goed, dank u, mijnheer Laurence, maar ik ben niet juffrouw March, ik ben alleen maar Jo," antwoordde de jonge dame.
"Ik ben niet mijnheer Laurence, ik ben alleen maar Laurie."
"Laurie Laurence? Wat een vreemde naam."
"Mijn voornaam is Theodoor, maar ik houd niet van dien naam, want de jongens noemden mij Dora, en toen heb ik me Laurie laten noemen."
"Ik heb ook een hekel aan mijn naam--zoo sentimenteel! Ik wou dat iedereen Jo zei, in plaats van Josephine. Hoe heb je er de jongens toe gekregen om niet langer Dora te zeggen?"
"Ik ranselde ze."
"Ik kan tante March moeilijk ranselen, dus zal ik het moeten verdragen," en Jo schikte zich met een zucht in haar lot.
"Houdt u niet van dansen, juffrouw Jo?" vroeg Laurie; haar aankijkend alsof hij vond, dat de naam goed bij haar paste.
"Ik houd er dol van, als er maar ruimte genoeg en iedereen jolig is. In zoo'n mooie kamer gooi ik zeker iets om, of trap op iemands toonen, of doe iets, dat onbehoorlijk is; daarom laat ik Meta er maar voor opkomen en blijf zelf buiten gevaar; dans jij niet?"
"Soms. Zie je, ik ben verscheiden jaar in Europa geweest, en nog niet lang genoeg hier om te weten, hoe alles hier toegaat."
"In Europa!" riep Jo. "O vertel er mij eens wat van! Ik hoor zoo dolgraag over reizen vertellen."
Laurie scheen geen begin te kunnen maken; maar Jo's vurige vragen brachten hem weldra op streek, en hij vertelde haar, hoe hij te Vevey op school was geweest, waar de jongens nooit hoeden droegen, en bootjes hadden op het meer, en in de vacantie met hun meesters voetreisjes door Zwitserland deden.
"Hè, wat wou ik graag, dat ik daar geweest was!" riep Jo. "Ben je ook in Parijs geweest?"
"We zijn er den vorigen winter geweest."
"Kun je goed Fransch spreken?"
"Wij mochten te Vevey niet anders praten."
"Zeg eens wat in 't Fransch. Ik kan het wel lezen, maar niet goed spreken."
"Quel nom a cette jeune fille en les pantoufles jolis?" zei Laurie goedhartig.
"Wat spreek je het mooi uit! Laat eens zien, je zei: Wie is die jonge dame met die mooie schoentjes, is 't niet?"
"Oui, mademoiselle."
"Dat is mijn zuster Margaretha, en dat wist je heel goed! Vind je haar mooi?"
"Ja, ze doet mij denken aan de Duitsche meisjes; ze ziet er zoo frisch en kalm uit en danst zoo netjes."
Jo glom van genoegen bij dezen jongensachtigen lof over haar zuster en onthield het goed om het aan Meta te vertellen. Beiden gluurden en critiseerden en keuvelden, tot zij een gevoel hadden, alsof ze oude kennissen waren. Laurie's verlegenheid ging heel gauw over, want Jo's jongensmanieren zetten hem op zijn gemak, en Jo was zoo vroolijk en natuurlijk als altijd, omdat zij niet meer aan haar japon dacht en niemand de wenkbrauwen tegen haar optrok. Ze vond "die jongen van hiernaast" erg aardig, en nam hem eens goed op, om hem aan de zusjes te kunnen beschrijven; want ze hadden geen broers, weinig neven, en jongens waren bijna onbekende wezens in hun kring.
Krullend zwart haar, bruinig vel, groote zwarte oogen, lange neus en mooie tanden, kleine handen en voeten, zoo lang als ik; heel beleefd voor een jongen, en over het geheel genomen aardig. Hoe oud zou hij zijn?
De vraag brandde haar op de tong: maar ze bedwong zich bijtijds, en zocht het, met ongewonen tact, langs omwegen te weten te komen.
"Je gaat zeker gauw naar de academie? Ik zie je zoo vaak over je boeken zitten blokken--ik bedoel hard studeeren," en Jo bloosde over het onbeleefde "blokken" dat haar ontsnapt was.
Laurie glimlachte, maar scheen niets geschokt en antwoordde schouderophalend:
"Nog in geen twee of drie jaar; ik ga in geen geval vóór ik zeventien ben."
"Ben je dan pas vijftien?" vroeg Jo, en zag den langen jongen aan, dien ze wel zeventien jaar gegeven had.
"De volgende maand word ik zestien."
"Ik wou, dat ik naar de academie kon gaan; jij schijnt het niet zoo heel prettig te vinden."
"Ik heb er een hekel aan; het is hard werken of fuiven; en ik vind dat ze hier in Amerika geen van beide op een leuke manier doen."
"Wat zou jij dan willen?"
"In Italië wonen en mij op mijn eigen manier amuseeren."
Jo zou erg graag gevraagd hebben, wat die eigen manier was, maar zijn zwarte wenkbrauwen zagen er nogal dreigend uit, als hij ze samentrok; dus veranderde zij het onderwerp van gesprek en zei, terwijl ze met haar voet de maat sloeg: "Dat is een heerlijke wals, waarom doe je niet eens mee?"
"Als jij 't ook doet," antwoordde hij met een spottend buiginkje.
"Ik kan niet, ik heb het Meta beloofd, omdat...." hier hield Jo op en wist niet, wat ze doen zou, het vertellen of lachen.
"Omdat?" herhaalde Laurie nieuwsgierig.
"Zul je het aan _niemand_ zeggen?"
"Nooit."
"Nou, ik heb de slechte gewoonte om vlak voor 't vuur te staan, en dan verbrand ik mijn jurken, en zoo is deze ook geschroeid, wel versteld, maar het valt toch erg op, en Meta zei, dat ik maar stil moest blijven zitten, dan zou niemand het zien. Je mag er gerust om lachen, als je wilt, ik weet heel goed, dat het gek is."
Maar Laurie lachte niet; hij keek een oogenblik naar den grond. Jo wist niet, wat van zijn gezicht te maken, totdat hij zeer vriendelijk zei:
"Stoor er je niet aan; maar zeg, ik weet wat: er is hier een lange gang, daar kunnen wij heerlijk in dansen, zonder dat iemand ons ziet. Kom als 't je belieft mee."
Jo bedankte hem hartelijk en ging vroolijk mee, hoewel de wensch naar een paar nette handschoenen bij haar opkwam, toen ze het nieuwe witte paar zag, dat haar cavalier aantrok.
De gang was leeg en ze dansten naar hartelust, want Laurie danste heel goed en leerde haar de Duitsche polka, die Jo verrukkelijk vond, omdat je er zoo heerlijk bij kon rondzwaaien. Toen de muziek zweeg, gingen ze even zitten om weer op adem te komen, en Laurie was juist midden in een verhaal van een studentenfeest te Heidelberg, toen Meta haar zuster kwam zoeken.
Ze wenkte, en Jo volgde haar met tegenzin in een zijkamer, waar Meta op een sofa zat, bleek en met een pijnlijken voet.
"Ik heb mijn enkel verstuikt. Die akelige hooge hak zwikte, en 't hindert mij afschuwelijk. Ik kan bijna niet meer staan, en ik weet niet, hoe ik thuis moet komen," zei ze, van pijn heen en weer wiegelend.
"Ik wist wel, dat je je voet met die malle dingen bezeeren zou. Het spijt me, maar ik weet ook niet wat je doen moet: een rijtuig nemen of hier den heelen nacht blijven," antwoordde Jo, den armen enkel zachtjes wrijvend.
"Een rijtuig is zoo duur; ik denk zelfs, dat ik er geen zal kunnen krijgen, want de meeste menschen komen in hun eigen, en de huurkoetsier woont zoover af en er is ook niemand, dien we er heen kunnen sturen."
"Ik zal wel gaan."
"Neen zeker niet; het is over tienen en pikdonker. Ik kan hier ook niet blijven, want het huis is vol; Sallie heeft al een paar meisjes te logeeren. Ik zal blijven zitten, totdat Hanna komt en dan zien, hoe het gaat."
"Laat ik het Laurie vragen; hij zal wel gaan!" zei Jo, en haar gezicht klaarde op bij die gedachte.
"O, toe, alsjeblieft niet; zeg het aan niemand. Krijg even mijn overschoenen en zet deze schoentjes bij ons goed. Ik kan toch niet meer dansen; maar zoodra het souper is afgeloopen, moet je op de wacht gaan staan voor Hanna en me dadelijk waarschuwen als ze komt."
"Ze gaan nu soupeeren. Ik zal bij je blijven, dat doe ik wel graag."
"Neen Jo, haal me veel liever een kop koffie. Ik ben zoo moe, dat ik me niet kan verroeren."
Meta zette zich op haar gemak en hield de overschoenen zorgvuldig verborgen, en Jo ging de eetkamer zoeken, die ze niet vond, dan nadat ze een provisiekamertje was binnengeloopen en de deur had opengedaan van een kamer, waar de oude heer Gardiner in alle stilte zich een weinig zat te "restaureeren". Zij vloog op de tafel toe en maakte zich meester van een kop koffie, waarvan ze in haar haast echter het grootste gedeelte op haar japon morste, zoodat de voorbaan er nu al even erg uitzag als de achterbaan.
"Och, wat ben ik toch een sukkel!" riep Jo, en bedierf Meta's handschoenen door er haar japon mee af te slaan.
"Kan ik soms helpen?" vroeg een vriendelijke stem, en daar stond Laurie met een vol kopje in de eene en een schoteltje in de andere hand.