Onder Moeders Vleugels

Chapter 23

Chapter 234,218 wordsPublic domain

_Nooit_ was er zoo'n vroolijke maaltijd op Kerstmis als dien dag. De vette kalkoen was een lust om te zien, toen Hanna hem opgevuld, heerlijk bruin gebraden en versierd binnen bracht. De plumpudding smolt in den mond, evenals de vla en de gelei, waarvan Amy genoot als een vlieg in een stroopkan. Alles viel goed uit; hetgeen volgens Hanna een gelukkig toeval was, "want ik was zoo veraltereerd, mevrouw, dat het een wonder is, dat ik de podding niet heb gebraden, en den kalkoen met rozijnen heb opgevuld, of hem in een doek gekookt."

Mijnheer Laurence en zijn kleinzoon dineerden bij hen, evenals Brooke, die, tot Laurie's groot vermaak, voortdurend vijandig door Jo werd aangestaard. Twee gemakkelijke stoelen stonden naast elkander aan het boveneinde van de tafel, waarin Bets en haar vader zaten, die zich vergenoegden met een kipje en wat vruchten. Zij dronken, toastten, deden verhalen, zongen, "haalden op uit den ouden tijd," zooals oude menschen zeggen en vierden allerheerlijkst feest. Er had een plan bestaan op een sleetochtje, maar de meisjes wilden hun vader niet verlaten; dus vertrokken de gasten vroeg, en toen de schemer inviel vereenigde zich de gelukkige familie om het vuur.

"Juist een jaar geleden zaten we te brommen over den treurigen Kerstdag, dien wij verwachtten. Weet jullie 't nog wel?" vroeg Jo, een korte stilte afbrekende, die op een gesprek over allerlei onderwerpen gevolgd was.

"Het werd over 't geheel tóch een goed jaar," zei Meta, die glimlachend in het vuur staarde, en zich gelukwenschte, dat ze Brooke met waardigheid had behandeld.

"_Ik_ vind, dat het een moeilijk jaar is geweest," merkte Amy op, terwijl ze met peinzenden blik naar het flikkeren van het licht op haar ring keek.

"Ik ben blij, dat het om is, omdat wij u weer terug hebben," fluisterde Bets, die op Vaders knie zat.

"Het was wel een oneffen weg voor jullie, mijn kleine pelgrims, vooral het laatste gedeelte. Maar je bent moedig voortgegaan, en ik geloof, dat de pakken mooi op weg zijn af te vallen," zei mijnheer March, terwijl hij met vaderlijk welgevallen de vier jonge gezichtjes aankeek.

"Hoe weet u dat? Heeft Moeder u daarvan verteld?" vroeg Jo.

"Niet veel, maar aan den weerhaan ziet men, uit welken hoek de wind waait, en ik heb vandaag verscheiden ontdekkingen gedaan."

"O, vertel dan eens gauw wát!" riep Meta uit, die naast hem zat.

"Hier is er een!" en haar hand vattende, die op den arm van zijn stoel rustte, wees hij op den ruwen wijsvinger, een blaartje op den rug en een paar harde plekjes in de palm. "Ik herinner mij een tijd, toen dat handje wit en zacht was, en toen het je voornaamste zorg scheen, het zoo te houden. Het was toen heel mooi, maar in mijn oog is het nu mooier, want in die schijnbare ontsieringen lees ik een heele geschiedenis. De ijdelheid is opgeofferd; dit vereelte handje heeft nog iets beters dan blaren opgedaan, en ik geloof zeker, dat het naaiwerk door deze beprikte vingertjes verricht, lang zal duren, daar de steken met zooveel goeden wil gemaakt werden. Metalief, ik schat de vrouwelijke bekwaamheden, die een thuis aangenaam maken, hooger dan witte handen of fraaie talenten, ik ben er trotsch op, dat ik dit flinke, ijverige handje drukken mag, en ik hoop, dat men ons niet gauw vragen zal, het weg te geven."

Wanneer Meta een belooning verlangd had voor uren van geduldigen arbeid, ontving ze die nu in den handdruk en den goedkeurenden glimlach van haar vader.

"Wat hebt u van Jo te zeggen? Toe, zeg iets goeds, want ze heeft zoo haar best gedaan, en ze is zoo heel, heel lief voor mij geweest," fluisterde Bets haar vader in het oor.

Mijnheer March glimlachte en keek naar het lange meisje tegenover hem, met die ongewoon zachte uitdrukking op haar bruin gelaat.

"Ondanks den krullebol zie ik niet meer den "zoon Jo," dien ik een paar jaar geleden achterliet," zei mijnheer March. "Ik zie eene jonge dame, die haar kraagjes recht speldt, haar laarzen netjes toerijgt, en niet meer fluit, ruwe woorden gebruikt of languit op het haardkleed ligt, zooals vroeger. Op het oogenblik is zij vrij bleek en mager door zorg en waken; maar ik zie haar graag aan, want haar gezicht is vriendelijker en haar stem is zachter geworden; ze stampt niet meer, maar beweegt zich licht, en draagt voor zeker klein persoontje zorg op een moederlijke wijze, die ik met blijdschap opmerk. Ik mis mijn wilde meid wel min of meer, maar als ik daarvoor een sterke, behulpzame, teerhartige vrouw in de plaats krijg, zal ik meer dan voldaan zijn. Ik weet niet of ons zwart schaap door het scheren zoo bedaard is geworden, maar wel weet ik, dat ik in heel Washington niets kon vinden, mooi of goed genoeg, om er de vijfentwintig dollars voor uit te geven, die mijn dochter mij gezonden heeft."

Jo's heldere oogen werden een oogenblik dof, en bij het licht van het vuur zag Bets, dat haar bleeke wangen door een blos overtogen werden bij den lof van haar vader, dien zij wist, voor een deel althans, verdiend te hebben.

"Nu Bets," zei Amy, die verlangde dat haar beurt kwam, maar bereid was te wachten.

"Er is zoo weinig van haar over, dat ik niet veel durf zeggen, uit vrees, dat zij heelemaal zal verdwijnen, hoewel ze niet meer zoo verlegen is als vroeger," schertste haar vader vroolijk; maar bij de herinnering hoe zij hem bijna ontvallen was, sloot hij haar vast in zijn armen, legde zijn wang tegen de hare en eindigde teeder: "Hier heb ik je veilig en wel, mijn kind, en hoop je zoo te behouden, als God wil."

Na een oogenblikje stilzwijgen keek hij naar Amy, die op een voetenbankje voor hem zat en begon, terwijl hij haar glanzend haar liefkoosde:

"Ik zag, dat Amy aan tafel de minst lekkere kluifjes nam, dat ze den heelen middag voor Moeder heen en weer liep, van avond Meta haar plaats afstond, en iedereen geduldig en vriendelijk bediend heeft. Ik merkte ook op, dat zij niet pruilde of in den spiegel keek, en dat ze geen woord gesproken heeft over het mooie ringetje, dat ze draagt; daaruit besluit ik, dat ze meer aan anderen en minder aan zichzelf heeft leeren denken en haar best gedaan om evengoed haar karakter te vormen, als haar figuurtjes van klei. Daar ben ik blij om, want, hoewel ik heel trotsch zou zijn op een mooi, door haar geboetseerd beeld, zal ik nog oneindig trotscher zijn op een lieve dochter, die de gave bezit, het leven voor anderen en voor zichzelf gelukkig te maken."

"Waar denk je aan, Bets?" vroeg Jo, toen Amy haar vader had bedankt, en de geschiedenis van haar ring verteld had.

"Ik las vandaag in "de Pelgrimstocht", hoe, na veel moeiten en gevaren, Christiana en Groothart aan een mooie, groene weide kwamen, waar de lelies het heele jaar door bloeiden, en dat ze daar heerlijk bleven uitrusten, zooals wij nu doen, voordat ze de reis verder voortzetten," antwoordde Bets, en voegde er bij, terwijl ze zich langzaam losmaakte uit de armen van haar vader en naar de piano ging: "Het is tijd om te zingen, en ik verlang mijn oude plaats weer in te nemen. Ik zal probeeren het liedje van den herdersjongen te zingen, dat de Pelgrims hoorden. Ik heb de wijs voor Vader gemaakt, omdat hij zooveel van de woorden houdt."

Bets ging voor haar piano zitten, raakte zacht de toetsen aan, en het lieve stemmetje, dat ze gevreesd hadden nimmer weer te zullen hooren, zong met eigen begeleiding het oude lied, dat zoo bijzonder op haar toepasselijk was:

Die laag staat, vreeze voor geen val, De needrige geen trots; Die klein van kracht is, bouwe vrij Op God, als op een rots.

Ik ben tevreê met wat ik heb, Of 't veel of weinig zij: Tevreden wíl ik zijn, o Heer: Dezulken toch mint Gij.

Voor hen is overvloed tot last, Wier weg naar boven leidt. Hier weinig en hiernamaals veel Is 't best voor d' eeuwigheid.

HOOFDSTUK XXIII.

TANTE MARCH BRENGT DE ZAAK TOT EEN BESLISSING.

Net als de bijen achter hun koningin aanzwermen, zweefden moeder en dochters den volgenden dag rondom mijnheer March, en verzuimden alles om den pas aangekomen herstellende te zien, te hooren en te bedienen, zoodat hij gevaar liep door overmaat van verzorging weer ziek te worden. Zooals hij daar, omringd van kussens in den grooten stoel naast Bets' canapé zat, met de andere drie dicht om hem heen, terwijl Hanna nu en dan het hoofd eens om de deur stak, "om eens even den lieven man te zien," scheen het alsof er niets meer aan hun geluk ontbrak. En toch ontbrak er _iets_, en de ouders voelden het, hoewel niemand er over sprak. Mijnheer en mevrouw March zagen elkaar onrustig aan en volgden Meta met de oogen. Jo had plotselinge aanvallen van somberheid, en werd er op betrapt, dat zij nu en dan met haar vuist Brooke's parapluie dreigde, die in de gang was blijven staan. Meta was afgetrokken, verlegen en stil. Ze schrikte wanneer er gebeld werd, en bloosde als iemand John's naam noemde. Amy zei: "'t Is net of iedereen op iets wacht en niemand tot rust kan komen, en dat is toch vreemd, nu Vader weer goed en wel thuis is." En Bets verwonderde er zich in haar onschuld over, waarom de buren niet als naar gewoonte kwamen overloopen.

's Middags ging Laurie voorbij en scheen, toen hij Meta aan het venster zag staan, plotseling door een theatrale bui overvallen te worden, want hij viel op één knie neer in de sneeuw, sloeg zich op de borst, trok zich aan het haar, en hief zijn handen smeekend op, alsof hij om de een of andere gunst bad. En toen Meta hem zei, dat hij zich niet zoo gek moest aanstellen en doorloopen, wrong hij denkbeeldige tranen uit zijn zakdoek en wankelde den hoek om, alsof hij "der wanhoop ten prooi was."

"Idioot! Wat zou hij daarmee meenen?" vroeg Meta lachende, en deed haar best, om er uit te zien, alsof ze er niets van begreep.

"Hij deed maar eens voor, hoe jouw John zich zal aanstellen. Roerend, hè?" antwoordde Jo verachtelijk.

"Zeg alstjeblieft niet _mijn John_, want dat is onzin en niet waar," maar Meta sprak de woorden langzaam uit, alsof ze haar bijzonder lief toeklonken. "Toe, plaag me niet, Jo; ik heb je immers gezegd, dat ik niet _veel_ om hem geef, en hij heeft immers van niets gesproken; dus moeten wij allemaal maar gewoon vriendschappelijk zijn en net doen als vroeger."

"Dat kunnen we niet, want er _is_ iets gezegd en Laurie's onhebbelijkheid heeft je voor mij bedorven. Ik zie het best en Moeder ook. Je bent heel anders dan vroeger; ik weet niet hoever je wel van me af lijkt. Ik ben niet van plan je te plagen, en ik zal het dragen als een man, maar ik wou dat alles nu maar bepaald was. 'k Heb een hekel aan dat wachten. Als je het dus ooit denkt te doen, haast je dan wat, dan is het gauw voorbij," zei Jo knorrig.

"_Ik_ kan toch niets zeggen of doen, eer hij er van spreekt, en dat zal hij niet, omdat Vader gezegd heeft dat ik te jong was," begon Meta, terwijl ze zich met een ongeloovig glimlachje over haar werk heenboog, alsof ze het op dit punt niet geheel met haar vader eens was.

"Als hij begon, zou je niet eens weten te antwoorden; je zou maar schreien en blozen en hem zijn zin geven, in plaats van beslist neen te zeggen."

"Ik ben niet zoo kinderachtig en zwak, als je denkt. Ik weet precies, wat ik zeggen zal, want ik heb er een uitvoerig plan voor gemaakt, om niet onverwachts te worden verrast; je kunt nooit weten wat er gebeuren zal, en ik wil op alles bedacht zijn."

Jo moest lachen om het gewichtig air, dat Meta onbewust had aangenomen, en dat haar heel goed stond, even als het aardig blosje, dat telkens haar wangen kleurde.

"Zou je me niet eens willen vertellen, wat je zou zeggen?" vroeg Jo meer eerbiedig.

"Met plezier. Je bent nu zestien, oud genoeg om mijn vertrouweling te zijn, en mijn ondervinding kan jou misschien mettertijd te pas komen in een dergelijke aangelegenheid."

"Ik ben niet van plan die ooit te hebben. Ik vind het ontzettend grappig andere menschen het hof te zien maken, maar ik zou me bespottelijk voelen, als het mezelf overkwam," zei Jo, verschrikt bij de gedachte.

"Dat geloof ik niet, als je veel van iemand hield en hij van jou." Meta zei het als tot zichzelf, en tuurde naar de laan, waar ze zoo dikwijls geëngageerde paartjes in de schemering had zien wandelen.

"Ik dacht, dat je me je redevoering zou gaan opzeggen," zei Jo, de droomerij van haar zuster onbarmhartig verstorend.

"O, ik zou alleen heel kalm en beslist zeggen: dank u, mijnheer Brooke, u is wel vriendelijk, maar ik ben het ééns met mijn vader, dat ik te jong ben om me al te engageeren; wees dus zoo goed er niet meer over te spreken, maar laat ons vrienden blijven als vroeger."

"Hm, stijf en koel genoeg. Ik geloof niet, dat je dat ooit zult zeggen, en ik weet dat hij er niet mee tevreden zal zijn. Als hij aanhoudt, zooals gelukkige minnaars in boeken, zul je hem aannemen, liever dan hem te kwetsen."

"Neen, dat zal ik niet! Ik zal hem zeggen, dat ik vast besloten ben, en dan de kamer met waardigheid verlaten."

Meta stond op, toen zij dit zei, en was juist van plan haar indrukwekkenden uittocht voor te stellen, toen een stap in de gang haar naar haar stoel terug deed stuiven en op haar naaiwerk aanvallen, alsof haar leven er mee gemoeid was, zoo de zoom niet in een bepaalden tijd af kwam. Jo bedwong een lach bij de plotselinge verandering, en toen iemand bescheiden aan de deur tikte, opende zij die alles behalve gastvrij met een barsch gezicht.

"Dag juffrouw March, ik kwam om mijn parapluie te halen--eigenlijk ook om te zien, hoe uw vader zich vandaag voelt," begon Brooke een beetje verlegen, terwijl zijn oog van het eene veelzeggende gezicht naar het andere vloog.

"Best, hij is heel wel; de parapluie staat in den stander; ik zal hem even krijgen en zeggen dat u er is," zei Jo, en wipte de kamer uit om Meta de gelegenheid te geven haar redevoering in alle waardigheid af te steken. Maar zoodra ze weg was, begon Meta naar de deur te schuiven:

"Moeder zal zeker blij zijn u te zien; ga zitten, ik zal haar roepen."

"Ga niet weg; ben je bang voor me, Meta?" en Brooke keek zoo gegriefd, dat Meta vreesde iets heel ruws gedaan te hebben. Ze bloosde tot onder haar krulletjes, want hij had haar nog nooit bij haar naam genoemd, en ze was verbaasd, dat het zoo natuurlijk en prettig uit zijn mond klonk. Om vriendelijk en kalm te schijnen, stak ze haar hand vertrouwelijk uit en zei op dankbaren toon:

"Hoe zou ik bang voor u kunnen zijn, terwijl u zoo goed voor Vader geweest is? Ik wou maar, dat we er u voor konden bedanken."

"Zal ik je zeggen, hoe je dat kunt?" vroeg Brooke, die Meta's hand in zijn twee groote handen vastgreep, en haar aanzag met zooveel liefde in zijn bruine oogen, dat haar hart begon te bonzen en ze wel had willen wegloopen, maar toch ook graag wou blijven om het verdere te hooren.

"Och neen, als 't u belieft niet--liever maar niet," zei ze, terwijl ze trachtte haar hand weg te trekken, en er heel schuw en verschrikt uitzag, al had ze beweerd niet bang voor hem te zijn.

"Ik zal je niet plagen; ik wou alleen weten of je een beetje van me houdt; ik heb je al zoolang liefgehad, Meta," voegde Brooke er teeder bij.

Dit was het oogenblik voor de kalme, gepaste redevoering, maar Meta sprak die niet uit; zij was alles vergeten, keek op den grond en antwoordde: "Ik weet het niet," zoo zachtjes, dat John zich bukken moest, om het kleine, dwaze antwoord te verstaan.

Het scheen hem toch nogal te voldoen, want hij glimlachte met een stralend gezicht, drukte Meta's handje en vroeg op zijn meest overredenden toon: "Zou je willen probeeren, om het te weten te komen? Ik zou het zoo graag van je hooren, en kan niet met lust aan 't werk gaan, eer ik weet, of ik in 't eind mijn belooning zal krijgen of niet."

"Ik ben nog te jong," stamelde Meta, verbaasd dat ze zoo overstuur raakte en dat ze het toch eigenlijk niets naar vond.

"Ik zal wachten; en intusschen kun je misschien leeren van mij te houden. Zou 't een erg moeilijke les wezen, Meta?"

"Niet, als ik hem graag wou leeren, maar--"

"Toe, wil het maar, Meta. Ik houd van onderwijs geven, en dit is veel gemakkelijker dan Duitsch," riep John, haar andere hand grijpende, zoodat zij haar gezicht niet kon verbergen, toen hij zich bukte om haar in de oogen te zien.

Zijn toon was "gepast smeekend," maar Meta keek hem eens van ter zijde schichtig aan en zag dat zijn oogen niet alleen teeder, maar ook vroolijk stonden en dat hij tevreden glimlachte, als iemand, die niet twijfelt aan zijn succes. Dit prikkelde haar; ze herinnerde zich Annie Moffat's dwaze lessen in coquetterie, en de zucht naar macht, die in 't hart, ook van de beste jonge meisjes sluimert, ontwaakte plotseling in haar en maakte zich van haar meester. Ze voelde zich zenuwachtig en vreemd, en niet wetende wat anders te doen, volgde ze een opkomende gril, trok haar handen los, en zei heftig: "Ik _wil_ niet; ga als 't je blieft weg en laat mij alleen."

De arme Brooke keek alsof zijn dierbaar luchtkasteel op hem neertuimelde, want hij had Meta nooit in zoo'n stemming gezien, en hij raakte er door in de war.

"Meen je dat werkelijk?" vroeg hij dringend, haar met zijn blik volgend, terwijl ze de kamer uitliep.

"Ja, ik meen het. Ik wil niet met die dingen geplaagd worden. Vader zegt, dat het niet hoeft; het is te vroeg en ik wil niet."

"Maar mag ik niet hopen, dat je langzamerhand van plan veranderen zult? Ik wil wachten en niets zeggen, totdat je tijd hebt gehad. Speel niet met me, Meta. Dat had ik niet van je gedacht."

"Denk maar in het geheel niet meer aan me. Ik wou liever, dat je 't niet deed," zei Meta, die in een ondeugende opwelling het geduld van haar minnaar en haar eigen macht eens op de proef wilde stellen.

John was heel ernstig en bleek geworden en leek nu ongetwijfeld veel op de romanhelden, die ze tot nu toe bewonderd had; maar hij sloeg zich toch niet voor het voorhoofd en stampvoette niet op den grond, zooals zij deden; hij stond maar stil naar haar te kijken, zóó verlangend, zóó teeder, dat ze bijna berouw kreeg. Het is moeilijk na te gaan, wat er gebeurd zou zijn, als op dit hoogst belangwekkend oogenblik Tante March niet binnengestrompeld was.

De oude dame kon het verlangen haar neef te zien, niet bedwingen, want ze had Laurie ontmoet op haar wandeling, en de terugkomst van mijnheer March vernemende, reed ze terstond uit om hem te bezoeken.

De heele familie was juist achter in het huis en ze was stilletjes binnengekomen om hem te verrassen. Ze verraste twee anderen zóó, dat Meta schrikte alsof ze een geest zag en John Brooke in de studeerkamer ontsnapte.

"Zeg! wat beteekent dit alles?" riep de oude dame, met een slag van haar wandelstok, terwijl ze van den bleeken jongeman naar de vuurroode jonge dame keek.

"Een vriend van Vader. Ik ben zoo verrast u te zien," stamelde Meta, overtuigd dat haar thans de les zou worden gelezen.

"Dat is duidelijk," antwoordde Tante March, en ging zitten. "Maar wat zei die vriend van je vader, dat je zoo purperrood gemaakt heeft? Er is iets niet in den haak hier, en ik eisch dat je me vertelt, wat er gebeurd is!"

"We waren maar wat aan 't praten. Mijnheer Brooke kwam om zijn parapluie te halen," begon Meta, die mijnheer Brooke en zijn parapluie veilig de deur uitwenschte.

"Brooke? De gouverneur van dien jongen? Aha, nu begrijp ik het! Ik weet er alles van. Jo versprak zich, toen ze mij een boodschap wou voorlezen uit een der brieven van je vader, en ik heb haar laten opbiechten. Je hebt hem toch niet geaccepteerd, kind?" riep Tante March verontwaardigd.

"Stil toch! hij zal u hooren! Laat ik Moeder gaan roepen," zei Meta, hevig ontsteld.

"Nog niet. Ik heb je iets te zeggen en zal dat eerst doen. Vertel m' eens, ben je van plan dien Brooke te trouwen? Als je dat doet, krijg je geen cent van me. Denk daar maar aan, en wees een verstandig meisje," sprak de oude dame dreigend.

Nu bezat Tante March in hooge mate de kunst, zelfs in de zachtste menschen een geest van verzet op te wekken en ze had er plezier in dat te doen. De besten onder ons hebben iets van koppigheid in zich, vooral wanneer zij jong en verliefd zijn. Als Tante March Meta verzocht had John Brooke aan te nemen, zou ze waarschijnlijk beslist hebben geweigerd; maar nu haar bevolen werd _niet_ van hem te houden, besloot zij terstond het wél te doen. Genegenheid, zoowel als koppigheid maakte dit besluit gemakkelijk, en in haar opgewonden toestand verzette Meta zich tegen de oude dame met ongewoon vuur.

"Ik zal trouwen met wien ik wil, Tante, en u kunt uw geld geven aan wie u wilt," zei ze met een vastberaden knikje.

"Wel, nu nog mooier! Is dat de manier, waarop je mijn raad volgt, meisje. 't Zal je gauw genoeg berouwen, als je de liefde in een hutje hebt leeren kennen en je die is tegengevallen."

"In een hut is dikwijls veel meer liefde dan in sommige groote huizen," antwoordde Meta.

Tante March zette haar bril op en staarde haar nichtje aan--ze herkende haar niet in deze stemming. Meta begreep zichzelf nauwelijks; ze voelde zich zoo dapper en onafhankelijk, zoo blij dat ze John kon verdedigen en haar recht kon handhaven om hem lief te hebben als zij dat verkoos. Tante March zag in, dat ze de zaak verkeerd had aangepakt; na een poosje deed ze dus een nieuwen aanval en begon zoo zachtzinnig als haar mogelijk was:

"Meta, lieve, wees nu eens verstandig en volg mijn raad. Ik meen het goed, en zou je niet graag je heele leven zien bederven door één misstap aan 't begin. Je behoort goed te trouwen en je familie te steunen. Het is je plicht een rijk huwelijk te doen en dat behoorde je ingeprent te zijn."

"Vader en Moeder denken er anders over. Zij houden van John, al is hij arm."

"Je vader en moeder, kindlief, hebben niet meer wereldwijsheid dan een paar zuigelingen."

"Dat doet me pleizier!" riep Meta brutaal.

Tante March deed alsof ze 't niet hoorde, maar ging voort met haar les. "Die Brooke is arm en heeft geen enkel rijk familielid, wel?"

"Neen, maar heel veel hartelijke vrienden."

"Daar kun je niet van leven; probeer het maar eens en zie hoe gauw die hartelijkheid bekoelt. Heeft hij een betrekking?"

"Nog niet; mijnheer Laurence zal hem helpen."

"Dat zal niet van langen duur zijn. James Laurence is een lastig oud man, op wien men niet kan rekenen. Dus je bent van plan iemand te trouwen zonder geld, zonder positie of betrekking, en harder te gaan werken dan je nu gewoon bent, terwijl je een gelukkig leven tegemoet kon gaan, door mijn raad te volgen en een beter huwelijk te doen. Ik dacht dat je verstandiger was, Meta."

"Ik zou geen beter huwelijk _kunnen_ doen, al wachtte ik levenslang. John is goed en flink en knap; hij is begaafd en verstandig, hij wil werken en zal stellig vooruitkomen. Hij is sterk en goedhartig; iedereen houdt van hem en acht hem, en ik ben er trotsch op dat hij om mij geeft, ofschoon ik zoo arm en jong en dom ben," zei Meta, die er in haar ernst liever uitzag dan ooit.

"Hij weet dat je rijke verwanten hebt, kind; dat is, vermoed ik, het geheim van zijn liefde."

"Hoe _durft_ u zooiets zeggen, Tante? John is boven zooiets verheven. Ik wil geen seconde langer naar u luisteren, als u zoo praat!" riep Meta, in haar verontwaardiging alles vergetende, behalve de onrechtvaardigheid van die verdenking. "John zou evenmin om geld trouwen als ik. Wij zijn bereid te werken, en willen wachten. Ik ben niet bang voor armoede, want ik ben gelukkig geweest tot nu toe, en ik weet dat ik het met hem ook zal zijn, omdat hij van me houdt, en ik--"

Hier zweeg Meta, zich plotseling herinnerend, dat ze nog geen besluit genomen had, dat ze John had gezegd heen te gaan, en dat hij misschien haar veranderde verklaringen hoorde.

Tante March was heel boos, want ze had het er op gezet, dat haar mooi nichtje een goede partij zou doen, en een zekere uitdrukking in 't bezielde, jonge gezichtje wekte een treurig en bitter gevoel op in de eenzame, oude vrouw.