Onder Moeders Vleugels

Chapter 22

Chapter 224,165 wordsPublic domain

"Die heeft zich in zijn kamer opgesloten, en wou niet antwoorden toen ik klopte. Ik weet niet wat er van het eten moet worden, want het staat klaar en niemand komt beneden."

"Ik zal eens gaan kijken wat er aan scheelt. Ik ben voor geen van beiden bang."

Jo wipte naar boven, en klopte luid op de deur van Laurie's zitkamertje.

"Schei uit, of ik zal open doen, en 't je afleeren!" riep het jongemensch op dreigenden toon.

Aanstonds ging Jo weer aan het bonzen; de deur vloog open, en zij was binnen, eer Laurie van zijn verbazing bekomen kon. Toen Jo, die wel wist hoe ze met hem om moest springen, zag dat hij wezenlijk kwaad was, nam ze een boetvaardige houding aan, en plechtstatig voor hem op de knieën neerzinkende, zei ze zachtzinnig: "Vergeef me, dat ik zoo geweest ben. Ik kwam hier om het weer goed te maken en ik ga niet weg, voor het in orde is."

"Mooi! maar sta nu maar op, en wees geen eend, Jo," was het ridderlijke antwoord op haar smeekbede.

"Dank je, 'k zal zoo vrij zijn. Zou ik mogen vragen wat er aan scheelt? Je ziet er niet bepaald opgeruimd uit."

"Ik ben door elkander geschud, en dat verdráág ik niet," snauwde Laurie verontwaardigd.

"Door wien?" vroeg Jo.

"Door Grootvader; als iemand anders het geprobeerd had, zou ik hem--" en de beleedigde jonge held eindigde den volzin met een sprekende beweging van den rechterarm.

"Wat zou het? ik schud je zoo dikwijls door elkaar en daar geef je niets om," zei Jo om hem te bedaren.

"Och wat, jij bent een meisje, en dan is het voor de grap; maar ik sta geen man toe _mij_ door elkaar te schudden."

"Ik denk, dat niemand er lust in zou hebben, wanneer je er uitziet als een donderwolk, zooals nu. Waarom was het?"

"Alleen omdat ik niet zeggen wou, waarom je moeder mij liet roepen. Ik had beloofd, dat ik het niet vertellen zou, en wou dus natuurlijk mijn woord niet breken."

"Kon je je grootvader niet op een andere manier tevreden stellen?"

"Neen, hij eischte de volle waarheid; ik zou hem mijn aandeel in de zaak wel verteld hebben, als ik het had kunnen doen, zonder Meta er bij te pas te brengen. Nu dit niet kon, hield ik mijn mond, en verdroeg het standje tot de ouwe heer me bij den kraag pakte. Toen werd ik driftig en liep naar mijn kamer, want ik was bang, dat ik mij zelf vergeten zou."

"Ja, aardig was 't niet, maar het spijt hem nu stellig al, dat weet ik; ga dus naar beneden en maak het uit de wereld."

"Ik mag gehangen worden, als ik het doe! Ik bedank er voor, om door iedereen bepreekt en geslagen te worden, alleen om een grap. Het speet mij _werkelijk_ om Meta; daarom heb ik haar als een man vergeving gevraagd, maar dat verdraai ik, als ik geen ongelijk heb."

"Maar dat wist je grootpapa niet."

"Hij moest mij vertrouwen, en niet doen, of ik een klein kind was. Het geeft niets, Jo; hij moet leeren, dat ik voor mezelf kan zorgen, en niet altijd aan iemands leiband verlang te loopen."

"Jullie zijn een paar echte vaatjes buskruit," zuchtte Jo. "Hoe denk je de zaak nu weer in orde te brengen?"

"Wel, hij moet mij om vergeving vragen, en mij gelooven, als ik zeg, dat ik niet vertellen kan wat er aan de hand was."

"Genade! dat zal hij nooit doen!"

"Ik ga niet naar beneden, voor hij 't doet."

"Kom, Teddy, wees verstandig, laat dit nu maar passeeren, en ik zal hem zooveel mogelijk alles ophelderen. Je kunt hier toch niet altijd blijven; dus wat helpt het je, of je nu al theatraal doet."

"Ik denk hier ook niet lang te blijven. Ik ga er stil vandoor, maak een reisje hier of daar naar toe, en als de ouwe heer me mist, zal hij gauw genoeg bijdraaien."

"Misschien wel, maar je mag hem dat verdriet niet aandoen."

"Preek als 't je belieft niet. Ik zal eens naar Washington gaan en Brooke opzoeken; het is daar vroolijk, en ik wil na al dat gezanik eens wat pret maken."

"Dat zou heerlijk voor je zijn! Ik wou dat ik ook weg kon loopen!" zei Jo, die haar rol van Mentor vergat, bij de gedachte aan het interessante krijgsleven in de hoofdstad.

"Ga mee! Waarom niet? Jij gaat je vader verrassen en ik ga Brooke eens opfrisschen. Het zou echt leuk zijn; toe laten we 't doen, Jo! Wij zullen een brief achterlaten, om te zeggen dat alles goed in orde is en dadelijk opmarcheeren. Ik heb geld genoeg; het zal jou goed doen, en er is geen kwaad bij, omdat je naar je vader gaat."

Eén oogenblik keek Jo alsof ze zou toegeven; want juist omdat het zoo'n ongewoon plan was, beviel het haar. Ze had genoeg van de zorg en van 't in huis zitten, verlangde naar een verandering, en de gedachte aan haar vader vermengde zich op verleidelijke wijze met de onbekende bekoorlijkheden van legerplaatsen en hospitalen, vrijheid en pret. Haar oogen glinsterden, terwijl ze verlangend uit het venster keek, maar toen haar blik op het huis tegenover haar viel, schudde ze het hoofd met treurige beslistheid.

"Als ik een jongen was, konden we samen wegloopen en plezier maken; maar daar ik het ongeluk heb een meisje te zijn, moet ik me kalm en behoorlijk gedragen en thuis blijven. Breng me niet in verzoeking, Teddy, het is een onwijs plan."

"Dat is er juist het aardige van!" begon Laurie, die in een opgewonden bui was en volstrekt op de een of andere manier uit den band wilde springen.

"Houd je mond!" riep Jo, haar ooren toestoppende. "Tobben en zwoegen is mijn noodlot, en daar moet ik me maar eens voor al aan onderwerpen. Ik kwam hier om zedelessen uit te deelen, maar niet om over dingen te praten, die mij uit mijn vel doen springen, als ik er van hoor."

"Ik wist wel, dat Meta dadelijk den domper op zoo'n plan zou zetten, maar ik dacht dat jij meer durf in je had," begon Laurie overredend.

"Wees stil, akelige jongen! Ga liever over je eigen zonden zitten nadenken, en haal mij niet over om de mijne nog te vermeerderen. Als ik je grootvader er toe breng, zich te verontschuldigen over dat door elkander schudden, zul je dan je idee om weg te loopen opgeven?" vroeg Jo ernstig.

"Ja, maar je krijgt het niet gedaan," antwoordde Laurie, die verlangde de zaak uit te maken, maar zijn beleedigde waardigheid eerst bevredigd wilde zien.

"Als ik 't met den jongen kan klaarspelen, kan ik het ook wel met den ouden," mompelde Jo, die al wegliep, Laurie achterlatende, gebogen over een spoorwegkaart en met de beide handen onder het hoofd.

"Binnen!" en de barsche stem van den heer Laurence klonk barscher dan ooit, toen Jo aan zijn deur klopte.

"Ik ben het maar, mijnheer, ik kom u een boek terugbrengen," zei Jo bedaard, terwijl ze binnentrad.

"Wil je een ander hebben?" vroeg de oude heer, die er knorrig en ontstemd uitzag, maar zijn best deed het niet te toonen.

"Ja, als 't u belieft, ik houd zooveel van den ouden Sam Johnson, dat ik het tweede deel ook wel eens wil inzien," antwoordde Jo, in de hoop hem zachter te stemmen door het aannemen van een tweede dosis "Boswell's Johnson," daar hij haar dit onderhoudend werk had aangeraden.

De zware wenkbrauwen ontspanden zich even, toen hij het trapje naar de kast rolde, waar de Johnsonboeken stonden. Jo klom er op, en op de bovenste trede gezeten deed ze, alsof ze naar het boek zocht, maar zat eigenlijk na te denken, hoe ze het gevaarlijk doel van haar bezoek zou ter sprake brengen. Mijnheer Laurence scheen te gissen, dat ze iets in haar schild voerde, want nadat hij eenige malen driftig de kamer op en neer had gestapt, stond hij eensklaps bij haar stil, en sprak haar zoo onverwacht aan, dat Jo "Rasselas" van schrik open op den grond liet vallen.

"Wat heeft de rakker uitgevoerd? Tracht hem nu niet te verontschuldigen! Ik weet, dat hij iets kwaads gedaan heeft, door de manier waarop hij thuis kwam. Ik kan geen woord uit hem krijgen, en toen ik hem dreigde, dat ik de waarheid wel uit hem schudden zou, vloog hij weg en sloot zich in zijn kamer op."

"Hij had iets verkeerds gedaan; maar we hebben het hem vergeven, en allen beloofd, dat we er tegen niemand een woord van spreken zouden," begon Jo langzaam.

"Dat gaat niet; hij mag zich niet verschuilen achter een belofte van een paar teerhartige meisjes. Als hij iets verkeerds gedaan heeft, moet hij het erkennen, vergeving vragen en gestraft worden. Voor den dag er mee, Jo! ik wil niet in onwetendheid gehouden worden."

Mijnheer Laurence zag er zoo grimmig uit en sprak zoo heftig, dat Jo graag weggeloopen zou zijn, als ze maar gekund had, maar ze zat daar boven op het trapje, en hij stond er voor als een leeuw op haar pad. Ze moest dus wel blijven en zich er door heen slaan.

"Heusch, mijnheer, ik kan het u niet vertellen; Moeder heeft het verboden. Laurie heeft al schuld bekend en vergiffenis gevraagd, en hij is al genoeg gestraft. We zwijgen niet om hem, maar om iemand anders, en de zaak zou veel erger worden, wanneer u er u mee inliet. Doe het als 't u belieft niet; het was gedeeltelijk mijn schuld, maar nu is alles in orde; laten we 't dus maar vergeten en wat over boeken praten of over iets anders prettigs."

"'k Heb mijn gedachten niet bij boeken; kom eens naar beneden, meisje, en verzeker mij op je woord, dat die schavuit van een jongen niets ondankbaars of onhebbelijks heeft uitgevoerd. _Als_ hij dat gedaan heeft, na al de vriendelijkheid, die jullie hem bewezen hebt, zal ik hem met mijn eigen handen afranselen."

Die bedreiging klonk verschrikkelijk, maar verontrustte Jo niet in 't minst, want zij wist, dat de driftige oude man nooit een vinger tegen zijn kleinzoon zou opheffen, wat hij ook beweren mocht. Ze daalde gehoorzaam af, en stelde het gebeurde zoo licht mogelijk voor, zonder Meta te verraden of de waarheid te kort te doen.

"Hm, ja! Nu, als de jongen zijn mond gehouden heeft, omdat hij het beloofd had en niet uit koppigheid, vergeef ik hem. Hij heeft een lastig karakter en is moeilijk te regeeren," zei mijnheer Laurence, zijn haar opstrijkend, tot hij er uitzag of hij in een orkaan uit wandelen was geweest, en daarna met een zucht van verlichting de rimpels op zijn voorhoofd gladwrijvende.

"Dat ben ik ook, maar met een beetje vriendelijkheid kan men meer van mij gedaan krijgen, dan met een vijandig leger," zei Jo, om een woordje voor haar vriend in het midden te brengen, die van de eene moeilijkheid in de andere scheen te vervallen.

"Je meent zeker, dat ik niet vriendelijk tegen hem ben, hè?" was het scherpe antwoord.

"O neen, mijnheer; u is soms àl te vriendelijk en dan weer een klein beetje te driftig, als hij uw geduld op de proef stelt. Vindt u zelf niet?"

Jo was vast besloten om nu maar alles te zeggen, en trachtte heel kalm te kijken, hoewel ze beefde toen ze de woorden had uitgesproken. Tot haar groote geruststelling en verwondering wierp de oude heer zijn bril rammelend op de tafel en riep openhartig uit:

"Je hebt gelijk, beste meid, dat ben ik. Ik heb den jongen lief, maar soms stelt hij mijn geduld op een zware proef, en ik weet niet hoe het moet afloopen, als we zoo voortgaan."

"Dat kan ik u wel zeggen--hij zal wegloopen." Zoodra Jo dit gezegd had, had zij er spijt van; ze had hem alleen maar willen waarschuwen, dat Laurie niet veel dwang dulden kon, en hoopte dat zijn grootvader verdraagzamer omtrent hem zou worden.

Het gelaat van mijnheer Laurence veranderde plotseling en op een stoel neervallend keek hij ontsteld naar het portret van een knap man, dat boven zijn schrijftafel hing. Het was de vader van Laurie, die in zijn jeugd weggeloopen en getrouwd was tegen den heerschzuchtigen wil van den ouden heer. Jo meende, dat hij aan 't verleden dacht en dit betreurde, en ze wenschte, dat ze maar gezwegen had.

"Hij zal het niet doen, als hij niet erg geplaagd wordt; hij praat er nu en dan maar eens over als het studeeren hem verveelt. Soms bekruipt mij de lust ook wel eens, vooral nadat mijn haar afgeknipt is; wanneer u ons dus ooit mist, moet u maar voor twee jongens adverteeren en ons op een Oostindie-vaarder zoeken."

Jo lachte, terwijl ze sprak, en de oude heer keek weer vroolijk op en beschouwde alles klaarblijkelijk als een grap.

"Ondeugd, hoe durf je zoo tegen me spreken? Waar is je eerbied voor mij en de vrucht van je goede opvoeding? Die jongens en meisjes! ze zijn de plaag van ons leven; en toch kunnen we niet buiten hen," voegde hij er bij, met een vriendelijk kneepje in haar wang.

"Ga den jongen maar halen om te komen eten; zeg hem dat alles weer in orde is, en dat hij niet weer zoo'n houding tegenover zijn grootvader mag aannemen; dat verdraag ik niet."

"Hij wil niet komen, mijnheer; hij is zoo gegriefd, omdat u hem niet gelooven wou, toen hij zei, dat hij het niet vertellen kon. Ik geloof, dat het door elkander schudden zijn trots erg gekwetst heeft."

Jo trachtte hoogst ernstig te kijken, maar het scheen haar niet al te best te gelukken, want mijnheer Laurence begon te lachen, en toen wist ze dat ze haar spel gewonnen had.

"Dat spijt me, en ik moet hem zeker nog dankbaar zijn, dat hij _mij_ niet door elkaar geschud heeft, veronderstel ik. Wat duivel verwacht die jongen van me?" en de oude heer keek wat beschaamd over zijn oploopendheid.

"Als ik u was, zou ik hem een plechtig briefje met excuses schrijven, mijnheer. Hij zegt, dat hij anders niet beneden komt; hij wil naar Washington en is erg op zijn paardje. Een formeele verontschuldiging zal hem doen zien, hoe dwaas hij is, en ik wed, dat hij daarna heel beminnelijk en handelbaar zal wezen. Probeer het eens; hij houdt van een grap en 't is veel beter dan er lang over te praten. Ik zal het naar boven brengen en hem wel eens op zijn plaats zetten."

Mijnheer Laurence zag haar uitvorschend aan, en zette zijn bril op, terwijl hij langzaam zei: "Jij bent een slim katje! maar ik zal er me maar in schikken, dat jij en Bets den baas over me spelen. Hier, geef mij een velletje papier en laat ons een einde aan die malligheid maken."

Het briefje werd geschreven in bewoordingen, die de eene heer tegenover den anderen gebruiken zou, na eene zware beleediging. Jo drukte een kus op Grootvaders kale kruin, en liep naar boven om het episteltje onder Laurie's deur te steken, terwijl ze hem door het sleutelgat aanraadde, onderworpen, beleefd, en nog een paar andere onmogelijkheden meer te zijn. Daar de deur weer op slot was, liet ze de verdere uitwerking maar aan het briefje over en ging langzaam naar beneden, toen op eens de jongeheer haar op de leuning voorbijgleed, haar onder aan de trap opwachtte, en met zijn deugdzaamste gezicht zei: "Wat ben jij toch een beste kerel, Jo! Heb je er erg van langs gehad?"

"Neen, over het geheel was hij nog al geschikt."

"Ba, wat had ik het land, toen jij me ook afviel. Ik was waarachtig klaar om naar den duivel te loopen," begon Laurie verontschuldigend.

"Onzin; sla een blaadje om, en begin opnieuw, Teddy, mijn zoon!"

"Ik sla al maar nieuwe blaadjes om en beklad ze telkens weer, net als vroeger mijn schriften, en ik begin zoo dikwijls van voren af aan, dat er wel nooit een eind aan komen zal," zei Laurie somber.

"Kom, ga maar eten; daarna zul je je wel beter voelen. Mannen brommen altijd, als ze honger hebben," en hiermee wipte ze de voordeur uit.

"Dat noem ik met "étain" van mijn "sectie" spreken," zei Laurie, in navolging van Amy, terwijl hij naar binnen ging om ootmoedig met zijn grootvader aan tafel te gaan, die in een buitengewoon rooskleurig humeur was, en hem het overige van den dag met de grootste beleefdheid behandelde.

Iedereen dacht, dat de zaak nu uit en de kleine wolk voorbijgedreven was; maar het onheil was gesticht, want _wie_ de zaak vergeten mocht, Meta niet. Ze sprak nooit over een zeker persoon, maar dacht des te meer aan hem en droomde meer dan ooit, en eens vond Jo, die in den schrijflessenaar van haar zuster naar postzegels snuffelde, een stukje papier, geheel bekrabbeld met de woorden: "Mevrouw John Brooke," waarop ze met een jammerkreet het stukje in het vuur wierp, vast overtuigd dat Laurie's dwaasheid het kwaad verhaast had.

HOOFDSTUK XXII.

LIEFELIJKE WEIDEN.

De weken, die nu volgden, waren als zonneschijn na den storm. De zieken namen voortdurend in beterschap toe, en mijnheer March begon er van te spreken, om in het begin van het nieuwe jaar naar huis terug te keeren. Bets was spoedig weer in staat den heelen dag op de rustbank te liggen, in het eerst spelend met de geliefde katjes, en daarna bezig met naaiwerk voor haar poppen, waarmee ze droevig ten achteren was gekomen. Haar eens zoo vlugge leden waren zoo stijf en zwak geworden, dat Jo haar dagelijks in haar sterke armen door het huis droeg, om een luchtje te scheppen. Meta verbrandde en bevuilde bereidwillig haar blanke handjes met het klaarmaken van lekkernijen voor "de lieve schat", terwijl Amy, onder den invloed van haar ring, bij haar thuiskomst aan de zusters zooveel van haar bezittingen uitdeelde, als ze maar wilden aannemen.

Toen Kerstmis naderde, begon de gewone geheimzinnigheid in huis te heerschen, en Jo bracht gedurig de heele familie buiten zichzelf, door het opperen van volstrekt onmogelijke en onuitvoerbare, maar prachtige en origineele feestelijkheden, waardoor dit zoo buitengewoon vroolijk Kerstfeest luister moest bijgezet worden. Laurie was even onpractisch, en zou, als hij zijn zin had gehad, vreugdevuren, vuurpijlen en eerepoorten op het programma hebben gezet. Na veel schermutselingen en tegenstand, meende men de begeerten van het eerzuchtig paar genoeg gefnuikt te hebben; ze liepen dan ook met jammerlijke gezichten rond, die evenwel niet best gerijmd konden worden met de uitbarstingen van gelach, wanneer zij bij elkaar waren.

Verscheiden buitengewoon zachte dagen gingen een prachtigen Kerstdag vooraf. Hanna "voelde het in haar botten, dat het een bijzonder feestelijke dag zou zijn," en ze bleek een goede profetes te wezen, want alles en iedereen scheen het er op gezet te hebben mee te werken tot een heerlijk geheel. Om te beginnen: mijnheer March schreef dat hij spoedig bij hen zou zijn; dan voelde Bets zich dien morgen bijzonder wel, en werd ze, gewikkeld in de gift van haar moeder, een lekkere, roode shawl, in triomf naar het raam gedragen om het present van Jo en Laurie te aanschouwen. De "onafscheidelijken" hadden zich niet uit het veld laten slaan; als kabouters hadden ze bij nacht hun werk verricht en een grappige verrassing tot stand gebracht. Buiten in den tuin stond een prachtige sneeuwjonkvrouw, met een krans van hulst om het hoofd, in de eene hand een mandje met vruchten en bloemen, in de andere eene groote rol nieuwe muziek, en op de kille schouders een voetenzak met alle kleuren van den regenboog, terwijl op een rose strook papier, het volgende Kerstlied uit haar mond vloeide:

DE JONKVROUW TOT BETS.

God zeegne u, lieve, kleine Bets Op dezen Kerstfeestdag; Dat heil, gezondheid, vrede en vreugd U voortaan tegenlach'.

Zie bloemen hier en lekker fruit Voor onze nijvre bij; Een rol muziek, een voetenzak, En óók wat snoeperij.

Joanna's beeld, een meesterstuk Van onzen Rafaël, Die 't maalde met de meeste zorg-- Mij dunkt, het lijkt ook wel.

Ontvang hierbij een helrood lint Voor uw beminde kat. Van Meta wat vanille-ijs: Een gletscher in een vat.

Mijn makers legden in mijn borst Van sneeuw hun warme min Ik kom van Laurie en van Jo-- Zoo 'k hoop, u naar den zin.

Wat moest Bets lachen toen ze 't allemaal zag?

Wat liep Laurie heen en weer om de presenten aan te brengen, en wat grappige toespraken hield Jo bij het overhandigen.

"Ik ben zoo boordevol geluk, dat er, als Vader er nu nog was, geen enkel droppeltje meer bij zou kunnen," zei Bets, met een zucht van tevredenheid, toen Jo haar naar de studeerkamer droeg, om na al die drukte wat uit te rusten, en zich te verkwikken met een gedeelte van de heerlijke druiven, die de "Sneeuwjonkvrouw" haar gebracht had.

"Het gaat mij net zoo," riep Jo, terwijl zij eens op den band van het zoo lang gewenschte "Undine en Sintram" klopte.

"En mij," juichte Amy, die zat te genieten van een gravure, voorstellende de Madonna en het kind, die haar moeder haar in een mooi lijstje gegeven had.

"Mij natuurlijk ook," riep Meta, de zilverachtige plooien van haar eerste zijden japon gladstrijkende, want mijnheer Laurence had er op gestaan haar die te geven.

"Kinderen, wat een gelukkige dag!" zei mevrouw March dankbaar, en haar oogen dwaalden van den brief van haar man naar het glimlachend gezichtje van Bets, terwijl haar hand de broche met grijs, goudblond, kastanje- en donkerbruin haar liefkoosde, die de meisjes haar juist hadden voorgespeld.

Nu en dan gaat het wel eens in de wezenlijke wereld op de echte boekenmanier, en wat is dat dan heerlijk! Een half uur, nadat zij allen verklaard hadden zóó gelukkig te zijn, dat ze geen enkelen droppel meer in zich op konden nemen, kwam de droppel. Laurie opende de deur van de zitkamer en stak langzaam, bedaard het hoofd naar binnen, maar hij kon evengoed een luchtsprong gemaakt of een Indiaanschen strijdkreet aangeheven hebben, want zijn oogen verrieden zoo veel ingehouden opgewondenheid, en zijn stem was zoo verraderlijk vroolijk, dat iedereen opvloog, hoewel hij slechts op vreemden, gejaagden toon zei: "Hier is nóg een present voor de familie March."

Eer de woorden goed en wel uit zijn mond waren, verdween hij, en in zijn plaats verscheen een lange, mannelijke gestalte tot aan de oogen ingepakt en geleund op den arm van eene andere lange, mannelijke gestalte, die iets trachtte te zeggen, maar er niet uit kon komen. Natuurlijk volgde er een algemeene agitatie; in de eerstvolgende oogenblikken scheen ieder zijn verstand verloren te hebben, want de vreemdste dingen werden gedaan, en niemand sprak een geregeld woord. Mijnheer March werd onzichtbaar in de omhelzing van vier paar liefhebbende armen; Jo beleefde de schande van bijna flauw te vallen en werd door Laurie in de gang gecureerd; Brooke kuste Meta heelemaal bij vergissing, zooals hij eenigszins onsamenhangend verklaarde, en Amy, de welgemanierde, struikelde over een voetenbankje, en omhelsde, zonder te wachten tot ze weer stond, de laarzen van haar vader en bedauwde ze met tranen op een alleraandoenlijkste manier. Mevrouw March herstelde zich het eerst en hield haar hand op met een waarschuwend: "Stil, denk aan Bets!"

Maar het was al te laat; de deur van de studeerkamer ging open--de kleine, roode shawl verscheen op den drempel--vreugd verleende kracht aan de zwakke beenen, en Bets vloog regelrecht in haar vaders armen. Vraag maar niet wat er toen gebeurde, want de overkropte harten vloeiden over, zoodat al de bitterheid van het verleden werd uitgewischt en niets dan het blijde heden overbleef.

Het was wel niet romantisch, maar een hartelijk gelach bracht ieder weer tot zichzelf--want achter de deur stond Hanna, snikkende over den vetten kalkoen, dien zij in de haast vergeten had neer te leggen, toen zij de keuken uitstormde. Zoodra het gelach ophield, begon mevrouw March Brooke te danken voor de trouwe zorg, die hij voor haar echtgenoot gedragen had, waarop Brooke zich plotseling herinnerde, dat mijnheer March rust noodig had, en Laurie bij de hand nemende, zoo haastig mogelijk verdween. Toen werd den twee invaliden bevolen rust te nemen, hetgeen ze ook deden, door samen in één grooten stoel te zitten en zoo druk mogelijk te praten.

Mijnheer March vertelde, hoe hij verlangd had hen te verrassen, en hoe de dokter hem toegestaan had van het zachte weder gebruik te maken; hoe onschatbaar Brooke geweest was, en hoe hij in alle opzichten een hoogst achtenswaardig en ferm jongmensch was. Waarom mijnheer March juist toen een oogenblik ophield en, na een blik op Meta geworpen te hebben die hevig in het vuur stond te poken, zijn vrouw met vragend opgetrokken wenkbrauwen aanzag, laat ik aan uw verbeelding over, als ook, waarom mevrouw March zacht met het hoofd knikte en hem eenigszins plotseling vroeg, of hij niet wat te eten wilde hebben. Jo zag en begreep den blik, wandelde verontwaardigd weg om wijn en bouillon te halen en sloeg de deur vrij hard achter zich toe, bij zichzelf mompelend: "Ik háát achtenswaardige, ferme jongelui met bruine oogen!"