Onder Moeders Vleugels

Chapter 21

Chapter 214,244 wordsPublic domain

"Ze zijn heel mooi, maar ik vind je nog wel wat jong voor zulke sieraden, Amy," zei mevrouw March, met een blik op het ronde handje, waaraan de blauwe steenen schitterden, vastgehouden door twee kleine gouden, in elkander gevatte handjes.

"Ik zal mijn best doen niet ijdel te zijn," beloofde Amy; "ik geloof ook niet, dat ik er blij mee ben _alleen_ omdat ik ze mooi vind, maar ik zou ze graag dragen, zooals het meisje in het verhaal haar armband, om mij aan iets te herinneren.

"Meen je aan tante March?" vroeg haar moeder lachende.

"Neen, om me te herinneren niet zelfzuchtig te zijn." Amy zag er bij die woorden zoo ernstig en oprecht uit, dat haar moeder ophield te lachen en aandachtig naar het plannetje luisterde.

"Ik heb in den laatsten tijd veel nagedacht over mijn "zondenpak" zooals Jo zegt en ik geloof, dat zelfzucht mijn ergste gebrek is, en nu ga ik mijn best doen om die af te leeren, als ik kan. Bets is niet zelfzuchtig, en daarom houdt iedereen van haar. 't Zou verschrikkelijk zijn als we haar verloren. De menschen zouden niet half zoo bedroefd om mij zijn, als ik ziek was, en dat verdien ik ook niet, maar ik wou toch ook wel graag door zooveel vrienden gemist worden, en daarom zal ik al mijn best doen om te worden zooals Bets. Ik vergeet zulke goeie dingen zoo licht, maar als ik altijd iets bij me had om er mij aan te herinneren, geloof ik, dat het misschien gaan zou. Mag ik het eens probeeren?"

"Ja, maar ik heb meer vertrouwen in het hoekje van de groote hangkast. Draag je ring, mijn kind, en doe je best, en ik geloof dat het je lukken zal, want de vaste wil om goed te zijn, is al de helft van 't werk. Nu moet ik weer naar Bets. Blijf maar goedsmoeds, mijn dochtertje, en we zullen je gauw weer naar huis halen."

Toen Meta dien avond bezig was aan haar vader te schrijven, om Moeders goede overkomst te berichten, sloop Jo naar boven, naar Bets' kamer en toen zij haar moeder op haar gewone plaatsje zag zitten, bleef ze een oogenblik staan, met een uitdrukking van twijfel en teleurstelling op haar gezicht, de hand door het haar strijkende.

"Wat is er, kindlief?" vroeg mevrouw March, terwijl ze haar de hand toestak met een glimlach, die tot vertrouwen uitlokte.

"Ik moet u iets vertellen, Moeder."

"Omtrent Meta?"

"Wat kunt u dat vlug raden! Ja, 't is over haar en hoewel het maar een kleinigheid is, hindert het mij toch."

"Bets slaapt; spreek zachtjes en vertel er mij alles van. Die Moffat is toch niet hier geweest?" vroeg mevrouw March op tamelijk scherpen toon.

"Neen, ik zou hem de deur voor den neus hebben toegegooid," zei Jo, terwijl zij bij haar moeder op den grond ging zitten.

"Verleden zomer liet Meta een paar handschoenen bij de Laurences liggen, en er kwam er maar één terug. Wij dachten daar natuurlijk niet meer om, totdat Teddy mij vertelde, dat Brooke hem had. Hij droeg hem in zijn vestjeszak, en eens viel hij er uit, en toen Teddy er hem mee plaagde, erkende Brooke dat hij erg veel van Meta hield, maar er niet over durfde spreken, omdat zij zoo jong en hij zoo arm was. Vindt u dat niet _verschrikkelijk_?"

"Denk je, dat Meta van hem houdt?" vroeg mevrouw March met een bezorgden blik.

"Genade! ik heb niets geen verstand van liefde en zulk gezeur!" riep Jo, met een grappig mengelmoes van belangstelling en verachting. "In romans toonen de meisjes het door te schrikken en te blozen, flauw te vallen, mager te worden en zich als gekkinnen aan te stellen. Maar Meta doet niets van dien aard; ze eet en drinkt en slaapt als een gewoon mensch; ze kijkt mij vlak in de oogen, wanneer ik over dien man spreek, en bloost alleen maar een klein beetje, als Teddy gekheid maakt over aanbidders. Ik verbied hem wel dat te doen, maar hij luistert niet zoo naar mij, als hij moest."

"Dus denk je dat Meta _niet_ van John houdt?"

"Van wien?" riep Jo verbaasd.

"Van Brooke; ik noem hem nu John; we kwamen daar zoo toe in het hospitaal, en hij heeft het graag."

"O zoo! dan weet ik al, dat u zijn partij zult nemen; hij is goed voor Vader geweest en nu zult u hem niet weg willen sturen, maar hem met Meta laten trouwen, als ze wil. Echt min! om Vader te gaan oppassen en u te flikflooien, om u te bewegen van hem te gaan houden," en Jo gaf een verontwaardigden ruk aan haar haar.

"Lieve kind, word er niet boos om, ik zal je vertellen hoe het gebeurd is. John ging met mij mee, op verzoek van mijnheer Laurence, en hij was zóo zorgzaam voor Vader, dat wij wel van hem moesten gaan houden. Hij was omtrent Meta volmaakt open en eerlijk, want hij zei ons dat hij haar liefhad, maar dat hij eerst een goed tehuis voor haar wilde verdienen, eer hij haar ten huwelijk vroeg, 't Is werkelijk een flink jongmensch, en we konden niet weigeren naar hem te luisteren; maar ik zal niet toestaan, dat Meta zich zoo jong engageert."

"Natuurlijk niet, het zou idiotenwerk zijn! Ik dacht wel, dat er iets kwaads broeide; ik voelde het, en nu is het nog erger dan ik dacht. O, ik wou maar, dat ik zelf met Meta trouwen kon en haar zoo veilig in de familie houden."

Mevrouw March glimlachte bij de gedachte aan zoo'n eigenaardige schikking, maar hernam ernstig: "Jo, ik vertrouw je, en verlang, dat je er vooreerst nog niet met Meta over spreken zult. Als John terugkomt en ik hen samen zie, kan ik beter over haar gevoelens voor hem oordeelen."

"Ze zal de zijne zeker in "die mooie oogen" lezen, waarover ze altijd praat, en dan is ze natuurlijk dadelijk verloren. Ze heeft zoo'n gevoelig hart, dat het stellig als boter in de zon zal smelten, wanneer iemand haar sentimenteel aankijkt. De korte berichten, die hij schreef, las ze veel vaker over dan uw brieven, en ze kneep mij in mijn arm, toen ik daar iets van zei, en zij houdt van bruine oogen, en ze vindt John geen leelijken naam, en ze zal wel heel gauw verliefd worden, en dan is er een eind aan vrede en plezier en aan ons gezellig samenzijn! Ik zie het al vooruit; ze zullen loopen vrijen door het huis, en wij kunnen ons afsloven. Meta zal afgetrokken zijn, en nergens meer voor deugen; Brooke zal op de een of andere manier een fortuin oploopen, haar meenemen en een bres in de familie maken; en _ik_ zal mij dood ongelukkig voelen; en ons heele leven zal afschuwelijk ongezellig worden. Och, och!! waarom zijn we maar niet allemaal jongens! dan zou er niets geen ellende zijn!"

Jo leunde in eene wanhopige houding met haar kin op haar knieën, en balde haar vuist tegen den schuldigen John, totdat mevrouw March zuchtte en ze eenigszins bemoedigend opkeek.

"Vindt u het ook niet prettig, Moeder? Daar ben ik blij om; laten we hem dan zijn afscheid geven, en er niets van aan Meta zeggen en even gezellig samen voortleven als we altijd gedaan hebben."

"Het was niet goed van me, dat ik zuchtte, Jo. Het is niet meer dan natuurlijk en billijk, dat jullie allen, in vervolg van tijd een eigen huis zult krijgen; maar ik houd mijn meisjes graag zoo lang mogelijk bij me; en het spijt me dat dit al zoo gauw gebeurd is, want Meta is pas zeventien, en het zal nog wel eenige jaren duren, eer John genoeg verdient. Vader en ik hebben besloten, dat zij zich in geen enkel opzicht moet binden, en in geen geval trouwen voor haar twintigste jaar. Wanneer zij en John elkaar liefhebben, kunnen ze wachten en hun liefde daardoor op de proef stellen. Meta heeft een ernstig karakter, en ik ben niet bang dat ze hem onvriendelijk behandelen zal. Onze lieve, teerhartige oudste! Ik hoop zoo innig, dat ze gelukkig mag worden!"

"Zoudt u niet liever willen, dat ze met een rijken man trouwde?" vroeg Jo, toen haar moeder de laatste woorden aangedaan uitsprak.

"Geld is een goed en nuttig ding, Jo; en ik hoop, dat mijn meisjes het gemis er van nooit al te zeer zullen gevoelen, evenmin als de verzoeking van te veel te hebben. Ik zou 't liefst zien dat John goed en wel gevestigd was in de een of andere zaak, die hem genoeg opbracht om buiten schulden te kunnen leven en Meta in haar stand te onderhouden. Ik verlang geen groot fortuin, geen hooge positie, of beroemden naam voor mijn meisjes. Wanneer rang en rijkdom gepaard gaan met liefde en een flink karakter, zou ik ze dankbaar aannemen en mij in jullie geluk verheugen, maar ik weet bij ondervinding, hoe gelukkig een mensch kan zijn in een klein, eenvoudig huisje, waar het dagelijksch brood verdiend moet worden en waar de ontberingen het genot van de genoegens verhoogen. Dat Meta eenvoudig beginnen moet, vind ik niets, want ik weet dat ze rijk zal zijn in het bezit van een besten man, en dat is meer waard dan een groot fortuin."

"Ik begrijp u, Moeder, en ben het met u eens, maar ik ben zoo teleurgesteld in Meta, want ik had zoo'n mooi plannetje gemaakt, dat zij later met Teddy zou trouwen en haar heele leven in rijkdom leven. Zou dat niet aardig zijn!" vroeg Jo met een verhelderd gezicht opkijkende.

"Hij is wat jonger dan zij, zooals je weet," begon mevrouw March, maar Jo viel haar in de rede:

"O, dàt komt er niet op aan! Hij is oud voor zijn jaren en lang; en u weet, dat hij in zijn manieren al precies een heer kan zijn. En hij is rijk en hartelijk en goed, en houdt van ons allemaal, en _ik_ zeg, dat het jammer is als mijn plan mislukt!"

"Ik ben bang, dat Laurie voor Meta nog niet menschelijk genoeg is, en op het oogenblik te veel een weerhaan, dan dat iemand zich op hem zou kunnen verlaten. Maak geen plannen, Jo, maar laat het aan den tijd en aan de eigen harten van je vrienden over, om elkander te vinden. Het is niet goed zich met zulke dingen te bemoeien, en beter geen "romantischen onzin," zooals jij het noemt, in je hoofd te halen, op gevaar af, dat het onze vriendschappelijke verhouding benadeelen zou."

"Goed, ik beloof u dat ik het niet doen zal; maar ik kan niet uitstaan, alle dingen kris kras door elkaar te zien gaan en in de war te zien komen, wanneer een rukje hier en een duwtje daar, alles in orde zou kunnen brengen. Ik wou, dat wij zware gewichten op ons hoofd konden dragen, om het groeien tegen te houden. Maar knoppen worden rozen en poesjes worden katten--jammer genoeg."

"Wat is dat over gewichten en katten?" vroeg Meta, die zachtjes de kamer binnenkwam met den geschreven brief in haar hand.

"O, niks! Een van mijn onzinnige redevoeringen. Ik ga naar bed; ga je mee?" zei Jo, terwijl ze met een geheimzinnig gezicht opstond.

"Heel goed en netjes geschreven. Zet er nog bij, dat ik mijn hartelijke groeten aan John zend," zei mevrouw March, die den brief had doorgekeken en hem teruggaf.

"Noemt u hem John?" vroeg Meta glimlachend, met haar onschuldige oogen haar moeder aanziende.

"Ja, hij is als een zoon voor ons geweest, en we houden heel veel van hem," zei mevrouw March met een onderzoekenden blik.

"Daar ben ik blij om; hij voelt zich zoo eenzaam. Nacht, Moes. Wat is het toch heerlijk u weer hier te hebben," was Meta's kalm antwoord. De kus, dien haar moeder haar gaf, was bijzonder teeder, en toen zij de kamer uit ging, zei mevrouw March bij zichzelf, met een wonderlijke mengeling van blijdschap en spijt: "Ze heeft hem nog niet lief, maar het zal er misschien wel toe komen."

HOOFDSTUK XXI.

LAURIE STICHT KWAAD, EN JO HERSTELT DEN VREDE.

Het was den volgenden dag de moeite waard Jo's gezicht te zien, want het geheim drukte haar en ze kon de verzoeking bijna niet weerstaan, zich geheimzinnig en gewichtig voor te doen. Meta bemerkte dit wel, maar nam de moeite niet haar te ondervragen, bij ondervinding wetende, dat ze Jo het eerst tot iets kreeg als ze er zich onverschillig voor toonde; ze rekende er dus vast op, dat ze alles hooren zou, wanneer ze maar niets vroeg. Het verwonderde haar dan ook geducht, dat het stilzwijgen niet werd opgeheven en Jo een beschermende houding tegenover haar aannam, iets wat Meta in de hoogste mate ergerde, zoodat zij op haar beurt zich in een wolk van waardige terughoudendheid hulde en zich geheel aan haar moeder wijdde. Daardoor was Jo aan zichzelf overgelaten, want mevrouw March had haar plaats als verpleegster ingenomen, en haar geraden, na de lange opsluiting in de ziekenkamer, eens goed uit te rusten, beweging buiten te nemen en zich te ontspannen. Nu Amy van huis was, bleef Laurie haar eenige toevlucht: maar hoe graag Jo ook met hem samen was, zou ze hem juist nu liever minder gezien hebben, want hij was een onverbeterlijke plaaggeest en ze vreesde, dat hij haar 't geheim nog zou ontfutselen.

En daar had ze gelijk in; want niet zoodra kreeg het jongemensch de lucht van een geheim, of hij zette er zich toe om het uit te visschen en liet Jo rust noch duur. Hij probeerde het op alle manieren: door vleien, omkoopen, bespotten, dreigen en opspelen; hij wendde onverschilligheid voor, om bij verrassing achter de waarheid te komen; verklaarde nu eens dat hij alles wist en dan weer dat hij er niets om gaf, en ontdekte ten laatste, als vrucht van zijne onverpoosde volharding, dat het Meta en Brooke betrof. Verontwaardigd, dat hij niet door zijn goeverneur in vertrouwen was genomen, spande hij nu al zijn vernuft in om een geschikte wraakoefening voor deze beleediging uit te denken.

Meta had intusschen schijnbaar alles vergeten, en was verdiept in de toebereidselen voor haar vaders thuiskomst; maar plotseling kwam er een volslagen verandering in haar, en gedurende een paar dagen was zij heel anders dan gewoonlijk. Ze schrikte als ze aangesproken werd, bloosde wanneer men haar aankeek, was bizonder stil, en zat met een bedeesd en ernstig gezicht te naaien. Op de bezorgde vragen van haar moeder antwoordde zij, dat ze volkomen wel was, en ze bracht Jo tot zwijgen, door het verzoek zich _alstjeblieft_ niet met haar te bemoeien.

"Ze voelt, dat het in de lucht zit--liefde, meen ik--en ze gaat al hard vooruit. De meeste kenteekenen zijn er al; ze is kribbig en knorrig, eet niet, ligt 's nachts wakker en zit in hoeken te peinzen. Ik betrap haar telkens op het neuriën van sentimenteele liedjes, en eens zei ze "John" net als u, en werd toen zoo rood als een biet. Wàt zullen we nou beginnen?" zei Jo, met een gezicht, alsof ze zelfs voor de meest krasse middelen niet zou terugdeinzen.

"Kalm afwachten! Laat haar met rust, wees vriendelijk en geduldig en als Vader thuis is, zal alles wel terecht komen," antwoordde mevrouw March.

"Hier is een brief voor je, Meta, met vijf lakken. Wat raar! Teddy verzegelt de mijne nooit," zei Jo den volgenden dag, toen ze den inhoud van de postbus verdeelde.

Mevrouw March en Jo waren beiden verdiept in hun eigen bezigheden, toen een kreet van Meta hen deed opzien, en daar stond ze met verschrikte oogen op haar briefje te staren.

"Kind, wat is er?" riep haar moeder naar haar toegaande, terwijl Jo het velletje, dat die uitwerking had gehad, trachtte te grijpen.

"Het was een vergissing--het wàs niet van hem--o Jo, hoe kon je _zooiets_ doen?" en Meta verborg haar gezicht in haar handen, en schreide alsof haar hart zou breken.

"Ik? Ik heb niets gedaan! Waar praat ze toch over?" riep Jo verbijsterd uit.

Meta's vriendelijke oogen schoten vuur, toen zij een verkreukeld briefje uit haar zak haalde, het Jo toewierp en op verwijtenden toon zei:

"Jij hebt dit geschreven, en die akelige jongen heeft je geholpen. Hoe konden jullie zoo ruw, zoo min en zoo wreed jegens ons beiden handelen?"

Jo hoorde nauwelijks wat ze zei, want ze was bezig met haar moeder het briefje te lezen, waarin, met een eigenaardige hand geschreven, stond:

Mijn liefste Meta.

Ik kan mijn gevoel niet langer bedwingen en moet de beslissing van mijn lot weten, voor ik terugkom. Ik durf nog niet met uw ouders spreken, maar ik geloof wel dat ze hun toestemming zullen geven, wanneer ze weten, dat wij elkander liefhebben. De oude heer Laurence zal mij wel aan een goede betrekking helpen en dan, mijn lief meisje, zul je mij gelukkig maken, is 't niet? Ik smeek je nog niets aan je familie te zeggen, maar door Laurie een enkel hoopgevend woord te zenden aan je

zoo innig liefhebbenden

John.

"O, die leelijke jongen! Op die manier dacht hij me dus te straffen, omdat ik mijn woord aan Moeder niet wou breken. Ik zal hem een stevige schrobbeering geven, en hem meebrengen om vergeving te vragen," riep Jo, van verlangen brandende, om snel recht te doen. Maar haar moeder riep haar terug, terwijl ze met een blik, die zelden op haar gelaat gezien werd, zei:

"Wacht, Jo, je moet eerst rekenschap geven van je gedrag. Je hebt zoo veel guitenstreken uitgevoerd, dat ik vrees, dat je ook hierin de hand gehad hebt."

"Neen, heusch niet, Moeder, op mijn woord van eer. Ik heb dat briefje nooit gezien, en ik weet er niets van, zoo waar ik leef!" betuigde Jo zóó ernstig, dat mevrouw March haar geloofde. "Als ik er de hand in gehad _had_, zou ik het beter gedaan en een verstandiger briefje geschreven hebben. Me dunkt, Meta, dat je wel had kunnen begrijpen, dat Brooke niet zulken onzin schrijven zou," voegde ze er bij, het papier verachtelijk op den grond gooiende.

"Het is precies zijn schrift," stamelde Meta, terwijl ze het vergeleek met het briefje, dat ze nog in de hand hield.

"O, Meta, je hebt er toch niet op geantwoord?" riep mevrouw March verschrikt uit.

"Ja, dat heb ik wel," en diep beschaamd verborg Meta haar gezicht weer.

"Dat is een gek geval! O, laat me toch dien ellendigen jongen hier halen, om alles uit te leggen en zijn portie te krijgen! Ik heb geen rust, voor ik hem hier heb," en Jo stapte weer naar de deur.

"Stil, ik zal de zaak behandelen, want het is erger, dan ik dacht. Meta, vertel mij de heele geschiedenis," beval mevrouw March, terwijl zij naast Meta ging zitten, maar Jo bij de hand hield, uit vrees, dat ze weg zou vliegen.

"Den eersten brief kreeg ik door Laurie, die er uitzag, alsof hij van niets wist," begon Meta, zonder op te zien.

"Eerst bezwaarde het mij en wou ik het u vertellen; toen bedacht ik, hoeveel u van Brooke houdt, en meende dus dat u er niets tegen zou hebben, dat ik mijn geheim nog een paar dagen bewaarde. Ik was zoo flauw het aardig te vinden, dat niemand er iets van wist; en terwijl ik er over dacht, welk antwoord ik geven zou, voelde ik mij net als de meisjes in boeken, die zulke dingen ondervinden. O, Moeder, ik ben er wel voor gestraft; ik durf hem nooit weer aan te zien."

"Wat heb je hem geantwoord?" vroeg mevrouw March.

"Ik heb alleen gezegd, dat ik nog te jong was om aan zulke dingen te denken; dat ik geen geheimen voor u wou hebben, en dat hij met Vader spreken moest. Dat ik hem heel dankbaar was voor zijn goede opinie, en dat ik graag zijn vriendin wou zijn, maar vooreerst niets meer."

Mevrouw March glimlachte tevreden en Jo klapte in de handen, terwijl ze lachend uitriep:

"Je bent bijna een Caroline Percy, dat beroemde model van voorzichtigheid! Verder Meta. Wat antwoordde hij daarop?"

"Hij schrijft nu op een totaal anderen toon; zegt dat hij mij nooit een brief geschreven heeft, en dat het hem zeer spijt, dat mijn ondeugende zuster Jo zich zulke vrijheden met onze namen veroorloofd heeft. De brief is heel vriendelijk en beleefd, maar o, denkt u eens _hoe_ verschrikkelijk het voor me is."

Meta leunde tegen haar moeder aan als een toonbeeld van wanhoop, en Jo liep de kamer op en neer, terwijl ze Laurie voor alles uitmaakte. Opeens stond ze stil, nam de beide briefjes op, en na ze nauwkeurig vergeleken te hebben, zei ze beslist: "Ik geloof niet dat Brooke ooit één van deze beide briefjes gezien heeft. Teddy heeft ze allebei geschreven, en het jouwe gehouden om over mij te triomfeeren, omdat ik hem mijn geheim niet wou vertellen."

"Heb maar liever geen geheimen, Jo; vertel alles aan Moeder en houd je buiten alle gezeur, zooals ik gedaan moest hebben," zei Meta waarschuwend.

"Hemel kind, Moeder heeft het mezelf verteld."

"Genoeg, Jo. Ik zal Meta zien te troosten, terwijl jij Laurie gaat halen. We zullen deze zaak tot den bodem toe onderzoeken, en aan zulke grappen voorgoed een einde maken."

Weg draafde Jo, en mevrouw March vertelde Meta voorzichtig den waren toestand van Brooke's gevoelens. "En nu mijn kind, hoe staat het met jezelf? Heb je hem lief genoeg, om te wachten, tot hij je een tehuis kan verschaffen, of verlang je nog geheel vrij te blijven?"

"Ik ben zoo kwaad en verdrietig, dat ik er vooreerst heelemaal niet meer aan denken wil, en misschien wel nooit meer," antwoordde Meta kregel. "Als John _wezenlijk_ niets van die zotte geschiedenis weet, vertel het hem dan niet, en laten Jo en Laurie hun mond houden. Ik wil niet bedrogen en geplaagd en voor den gek gehouden worden--'t is schande!"

Daar mevrouw March zag, dat de gewoonlijk zoo zachte Meta nu bepaald innig gegriefd was, en in haar trots gekwetst door de ongepaste grap, trachtte ze haar te kalmeeren met beloften van volslagen stilzwijgen en groote bescheidenheid voor het vervolg. Zoodra Laurie's stap in de gang gehoord werd, vluchtte Meta in de studeerkamer, en mevrouw March ontving den schuldige alleen. Jo had hem niet verteld waarom hij komen moest, uit vrees dat hij dan niet zou willen, maar hij wist het, zoodra hij het gezicht van mevrouw March zag, en stond zijn hoed rond te draaien met een beschaamd gezicht, dat duidelijk van zijn schuld getuigde. Jo werd weggezonden, maar bleef als een schildwacht in de gang op en neer stappen, uit vrees, dat de gevangene mocht willen vluchten. Gedurende een half uur hoorde ze het geluid van stemmen in de huiskamer, maar wat bij dat onderhoud voorviel, kwamen de meisjes nooit te weten.

Toen zij binnen werden geroepen, stond Laurie met zoo'n berouwvol gezicht bij hun moeder, dat Jo hem onmiddellijk vergaf, hoewel ze het niet raadzaam vond dit te laten blijken. Meta nam zijn nederige verontschuldigingen genadig aan, en voelde zich zeer gerustgesteld door de verzekering, dat Brooke niets van de grap wist.

"Ik zal het hem niet vertellen, nooit, al werd ik er ook voor op de pijnbank gelegd; vergeef 't me dus maar, Meta; ik zal alles doen om je te toonen, hoe ontzettend het mij spijt," voegde hij er beschaamd bij.

"Ik zal het probeeren, maar het was min van je, zooiets te doen. Ik dacht niet, dat je zoo geslepen en slecht kon zijn, Laurie," antwoordde Meta, die haar verlegenheid onder een ernstig verwijtende houding trachtte te verbergen.

"Ja, het was min, en ik verdien, dat je in een maand niet tot mij spreekt; maar dat zul je toch wel, hé?" en Laurie vouwde de handen met zulk een comisch smeekend gebaar, wendde de oogen zoo aandoenlijk ten hemel, en sprak op zoo'n onweerstaanbaar overredenden toon, dat het, ondanks zijn afkeurenswaardig gedrag, onmogelijk was hem langer kwaad aan te zien. Meta vergaf hem, en hoewel mevrouw March haar best deed ernstig te blijven, verloor haar gelaat toch iets van zijn strengheid, toen ze hem hoorde verklaren, dat hij bereid was zich alle mogelijke penitentiën voor zijn euveldaden te laten welgevallen, en dat hij zich als een worm in het stof voor de beleedigde jonkvrouw wilde vernederen.

Jo bleef intusschen zeer statig staan en trachtte haar hart tegen hem te verharden, maar het lukte haar alleen een heel verontwaardigd gezicht te zetten. Laurie zag haar een paar maal aan, maar toen ze geen blijk van toenadering gaf, voelde hij zich beleedigd en keerde haar den rug toe, tot de anderen hem genoeg gekapitteld hadden, waarna hij een diepe buiging voor haar maakte, en zonder verder een woord te spreken, verdween.

Zoodra hij weg was, wenschte ze dat zij meer vergevensgezind geweest was; en toen Meta en haar moeder naar boven gingen, voelde ze zich erg eenzaam en verlangde naar Teddy. Na een poos vruchteloos tegen dit verlangen gestreden te hebben, gaf ze er aan toe en ging naar het groote huis, gewapend met een boek, dat ze geleend had en nu terug kon brengen.

"Is mijnheer thuis?" vroeg Jo aan een der dienstboden, die juist de trap afkwam.

"Ja, juffrouw, maar ik geloof niet, dat hij op het oogenblik te spreken is."

"Waarom niet, is hij ziek?"

"O, heden neen, juffrouw; maar er schijnt wat voorgevallen tusschen hem en jongeheer Laurie, die zeker weer het een of ander uitgevoerd heeft. De oude heer was tenminste bar uit zijn humeur. Ik durf dus niet naar hem toegaan."

"Waar is Laurie?"