Chapter 2
"We waren van avond in den "Poel der Moedeloosheid" tot Moeder kwam en er ons uittrok, zooals "Helper" in het boek deed. We moesten onze perkamenten rollen hebben met de aanwijzing, zooals Christiaan van Evangelist kreeg. Wat zullen wij daarvoor gebruiken?" vroeg Jo, verrukt over dien inval, die een kleurtje gaf aan de zoo drooge taak van haar plicht doen.
"Kijk op Kerstmorgen maar eens onder je kussen, daar zul je je gids vinden," zei mevrouw March.
Terwijl de oude Hanna de tafel opruimde, spraken ze over het nieuwe plan; toen werden de vier kleine werkdoosjes voor den dag gehaald, en de naalden vlogen door de lakens, die de meisjes voor tante March naaiden. Het was een vervelend werk, maar niemand was vanavond ontevreden. Ze volgden Jo's idee om de lange zoomen in vier deelen te verdeelen en ze Europa, Azië, Afrika en Amerika te noemen; zoo kwamen ze een heel eind vooruit, onder 't praten over de verschillende landen, die ze al zoomende moesten doortrekken.
Om negen uur werd het werk opgeborgen en zongen ze zooals altijd, eer ze naar bed gingen. Niemand, behalve Bets, kon nog muziek ontlokken aan de oude piano; 't was of zij de gele toetsen op een bijzondere manier aanraakte, en de eenvoudige liederen, die zij zongen, wist ze altijd even prettig te begeleiden. Meta had een stem als een lijster en zij en haar moeder leidden het kleine koor. Amy zong als een krekeltje, en Jo kwinkeleerde naar welgevallen, maar kwam altijd verkeerd uit met een triller of iets dergelijks, hetgeen elke droefgeestige melodie totaal bedierf. Dat hadden ze altoos gedaan van het oogenblik, waarop ze konden lispelen:
Weet gij hoeveel hejde terren, Aan den blauwen hemel taan.
en het was eene vaste gewoonte geworden, want Moeder March was eene geboren zangeres. 's Morgens was haar stem het eerste wat gehoord werd, als ze het huis doorliep, zingend als een leeuwerik, en het laatste geluid 's avonds was hetzelfde lieflijke lied, want de meisjes werden nooit te oud voor dat overbekende wijsje.
HOOFDSTUK II.
EEN VROOLIJK KERSTFEEST.
Jo werd het eerst wakker op den grauwen, schemerachtigen Kerstmorgen. Er hingen geen kousen bij den haard, en gedurende een paar minuten voelde ze zich even teleurgesteld, als toen, jaren geleden, haar kleine kous op den grond viel, omdat die zoo volgestopt was met lekkernijen. Toen herinnerde ze zich de belofte van haar moeder, stak haar hand onder het kussen en haalde er een rood gebonden boek onder uit. Ze kende het heel goed, want het was de mooie, oude geschiedenis van het beste leven, dat ooit geleefd is, en Jo voelde, dat het een trouwe gids was voor elken pelgrim, die de lange reis ging aanvaarden. Ze maakte Meta wakker met "een gelukkig Kerstfeest" en riep haar toe eens gauw te zien wat er onder haar kussen lag. Een groen boek kwam te voorschijn, met hetzelfde plaatje er in en een paar woorden door haar moeder geschreven, waardoor dit eenige kerstgeschenk heel kostbaar werd in de oogen der meisjes. Weldra werden Bets en Amy ook wakker, zochten en vonden hun boeken ook dadelijk--het eene grijs, het andere blauw; en alle vier zaten ze er naar te kijken en over te praten, terwijl het Oosten rood gekleurd werd door den aanbrekenden dag.
In weerwil van haar kleine ijdelheden was Meta een zacht, goedhartig meisje, dat onbewust een goeden invloed uitoefende op haar zusters, vooral op Jo, die innig veel van haar hield en dikwijls haar raad volgde, omdat Meta haar op zoo'n vriendelijke manier terecht wees.
"Kinderen," zei Meta ernstig, en keek van het verwarde hoofd naast haar, naar de twee krullebollen in de andere kamer. "Moeder hoopt, dat we de boeken zullen lezen, en er naar handelen, en we moeten er dadelijk mee beginnen. Wij deden het vroeger heel trouw, maar sedert Vader weg is en al de drukte van den oorlog ons uit ons gewone doen bracht, hebben wij 't schandelijk verwaarloosd. Jullie kunt doen, wat je wilt, maar _ik_ zal mijn boek hier op tafel laten liggen en er elken morgen, als ik wakker word, wat in lezen."
De daad bij het woord voegende, deed Meta dadelijk haar nieuwe boek open en begon. Jo sloeg een arm om haar heen en las ook, tegen Meta aangeleund, met een zeldzaam rustige uitdrukking op haar beweeglijk gezicht.
"Wat is Meta toch goed! Kom Amy, laten wij ook gaan lezen. Ik zal je wel helpen met de moeilijke woorden, en de anderen zullen het ons wel uitleggen, als we iets niet begrijpen," fluisterde Bets, die sterk onder den indruk was van de mooie boeken en het voorbeeld van haar oudste zuster.
"Ik ben blij, dat het mijne blauw is," zei Amy. Daarop werd het stil in de kamer, terwijl de bladzijden zachtjes omgeslagen werden, en het winterzonnetje naar binnen sloop om de frissche, ernstige gezichtjes een kerstgroet te brengen.
"Waar is Moeder" vroeg Meta, toen zij en Jo een half uur later naar beneden liepen om voor het cadeau te bedanken.
"De hemel mag 't weten! Het een of ander arm schepsel kwam bedelen en je Ma ging er dadelijk heen om te zien wat ze noodig had. Er is geen tweede mensch zoo op de heele wereld; om zoo maar eten en drinken en kleeren en brandstof weg te geven," zei Hanna, die in het gezin gewoond had, sedert Meta geboren was, en door allen meer als een vriendin dan als een dienstbode werd beschouwd.
"Ze zal wel gauw terugkomen, denk ik; maak dus maar alles klaar," zei Meta en zag de cadeaux nog eens na, die in een mandje bij elkaar lagen en onder de canapé verborgen waren, om op het rechte oogenblik voor den dag te komen. "Maar waar is Amy's fleschje eau de cologne?" voegde ze er bij.
"Ze heeft het een oogenblik geleden weggenomen en is er mee weggeloopen, om er een lint of zoo iets om te doen," antwoordde Jo, door de kamer springende, om de eerste stijfheid weg te dansen van de nieuwe pantoffels.
Wat zien mijn zakdoeken er netjes uit, niet? Hanna heeft ze voor me gewasschen en gestreken en ik heb ze alle geborduurd," zei Bets, met voldoening de min of meer onregelmatige letters bekijkende, die haar zooveel moeite gekost hadden.
"Och, goed schaap, daar heeft zij er "Moeder" op gezet in plaats van "M. March"; hoe kom j'er bij!" riep Jo en nam er een in de hand.
"Is het niet goed? ik dacht, dat het juist beter was zoo, omdat Meta's letters ook "M.M." zijn, en ik liever niet wou, dat iemand anders ze gebruikte dan Moeder," zei Bets verlegen.
"Het is heel goed zoo, Bets, en heel aardig bedacht; heel slim ook, want nu is er geen vergissing mogelijk. Moeder zal er erg blij mee zijn, dat weet ik," zei Meta met een afkeurend gebaar voor Jo en een glimlach voor Bets.
"Daar is Moeder, stop het mandje gauw weg," riep Jo, toen er een deur werd dicht gedaan en stappen in de gang weerklonken. Amy kwam haastig binnen en keek wel wat verlegen, toen ze zag, dat al de zusters op haar wachtten.
"Waar ben je geweest, en wat hou je daar achter je rug?" vroeg Meta, verbaasd dat luie Amy, naar haar mantel en hoed te oordeelen, al zoo vroeg was uit geweest.
"Lach mij niet uit, Jo; ik had gehoopt, dat niemand het van te voren zou gemerkt hebben. Ik ben alleen maar het kleine fleschje gaan verruilen voor een grooter, en ik heb er _al_ mijn geld voor gegeven, want ik wil _echt_ probeeren niet meer egoïstisch te zijn."
Al sprekende liet Amy de groote flesch zien, die in de plaats van de goedkoope was gekomen. Ze zag er zoo ernstig uit in haar streven naar zelfverloochening, dat Meta haar omhelsde en Jo haar de bovenste beste noemde, terwijl Bets naar het raam liep en haar mooiste roos plukte, om er de statige flesch mee te versieren.
"Zie je, ik schaamde me eigenlijk over mijn cadeau, na ons praten en lezen over goed zijn, en toen ben ik gauw uitgegaan om het te ruilen. Hè, ik ben er zóó blij om, want nu is mijn cadeau het mooiste."
Weer werd de voordeur toegedaan en vloog de mand onder de canapé. De meisjes stoven naar de tafel, vol verlangen uitziende naar het ontbijt.
"Een gelukkig Kerstfeest, Moeder! En nog vele jaren na dezen! Dank u wel voor uw boek; we hebben er al in gelezen en zijn van plan het elken dag te doen," riepen ze in koor.
"Een gelukkig Kerstfeest, mijn dochtertjes! Ik ben blij dat jullie dadelijk begonnen bent en hoop, dat je er mee voort zult gaan. Maar ik moet jullie eerst iets vertellen, voordat we gaan zitten. Niet ver van ons huis is een arme vrouw met een pas geboren kindje. Zes kinderen zijn bij elkander in één bed gekropen om niet te bevriezen, want zij hebben geen vuur. Er is niets om te eten; en het oudste jongetje kwam mij vertellen, dat ze honger en kou leden. Meisjes, willen jullie je ontbijt afstaan voor een Kerstgeschenk?"
Van 't lange wachten hadden alle vier ergen honger, en gedurende een oogenblik antwoordde niemand; maar ook slechts één oogenblik; toen riep Jo ontstuimig:
"Ik ben zoo blij, dat u kwam, voordat we begonnen waren."
"Mag ik meegaan en alles helpen dragen voor de arme kindertjes?" vroeg Bets.
"En ik den room en de krentenbroodjes brengen," verzocht Amy, manmoedig afstand doende van de dingen, waar ze het meest van hield.
Meta was al bezig de kadetjes en krentenbroodjes te smeren en stapelde ze op een groote schaal.
"Ik dacht wel dat jullie het zoudt doen," zei mevrouw March, tevreden glimlachend. "Je kunt allemaal meegaan om me te helpen dragen, en als we terugkomen, zullen wij met boterhammen en melk ontbijten en van middag onze scha inhalen."
Zoodra ze klaar waren, zette de optocht zich in beweging. Gelukkig was het nog vroeg, en gingen zij door achterstraatjes; weinig menschen zagen hen dus en niemand lachte om de grappige processie. Ze vonden een armoedige, leege, ellendige kamer, met gebroken ruiten, zonder vuur, eene zieke moeder, een schreiende baby, en een troepje bleeke, hongerige kinderen onder één oude gescheurde deken gestopt, in de hoop warm te blijven. Wat zetten zij groote oogen op, en hoe glimlachten de blauwe lippen, toen de meisjes binnenkwamen!
"Ach, lieber Gott! dat zijn goede engelen, die daar komen!" riep de arme vrouw en stortte tranen van vreugde.
"Grappige engelen, met hoeden en gebreide handschoenen," zei Jo en maakte ze aan het lachen. Binnen weinige minuten zag het er waarlijk uit alsof goede geesten aan het werk waren geweest. Hanna, die wat hout had gebracht, maakte een vuurtje aan en stopte de gebroken ruiten met oude kranten en haar eigen doek. Mevrouw March gaf de moeder wat thee en sago, en troostte haar door beloften van hulp, terwijl ze het kleine kindje zoo teeder aankleedde, alsof het haar eigen was geweest. De meisjes dekten intusschen de tafel, zetten de kinderen om het vuur, en voedden hen, alsof ze hongerige vogeltjes waren, lachten en praatten, en probeerden hun grappig gebroken taaltje te begrijpen.
"Das ist gut!" "Die Engel-kinder!" riepen de arme schapen, terwijl ze zaten te eten, en hun verkleumde handjes in den heerlijken gloed koesterden. De meisjes waren nooit te voren engelen-kinderen genoemd, en vonden het heel aardig, vooral Jo, die sinds haar geboorte als de clown van de familie beschouwd was. 't Was een heerlijk ontbijt, hoewel zij er niets van mee kregen; en toen ze naar huis gingen, zooveel geluk achterlatende, waren er geloof ik in de gansene stad geen vroolijker schepseltjes dan de vier hongerige meisjes, die hun ontbijt hadden weggegeven en zich op dien Kerstmorgen tevreden stelden met brood en melk.
"Dat is zijn naasten liever hebben dan zich zelf; ik vond het toch wel prettig," zei Meta, terwijl de meisjes hun cadeautjes uitstalden, en mevrouw March boven bezig was wat kleeren voor de arme hummels bij elkaar te zoeken.
Het was volstrekt geen prachtige vertooning, maar er was veel liefde in de kleine pakjes; en de groote vaas met roode rozen, witte chrysanthemums en afhangende wingerdranken, die in het midden stond, gaf bepaald een elegant aanzien aan de tafel.
"Daar komt ze! Vooruit, Bets! Doe de deur open, Amy. Drie hoera's voor Moeder!" riep Jo, heen en weer springende, terwijl Meta naar haar moeder liep om haar naar de eereplaats te geleiden.
Betsy speelde haar vroolijksten marsch, Amy rukte de deur open, en Meta leidde haar moeder met de grootste waardigheid op. Mevrouw March, te gelijk verbaasd en ontroerd, glimlachte met de oogen vol tranen, terwijl ze haar cadeaux bekeek en de briefjes las, die er bij lagen. De pantoffels werden dadelijk aangetrokken, een nieuwe zakdoek ging aanstonds in den zak, bevochtigd met Amy's eau-de-cologne, de roos prijkte al heel gauw in haar japon en de mooie handschoenen bleken keurig te passen.
Er werd heel wat gelachen, gekust en verteld, op de eenvoudige gezellige manier, die huiselijke feestjes op 't oogenblik zelf zoo prettig maken, en zoo'n heerlijke herinnering achterlaten, en toen gingen allen weer aan het werk.
De morgenbezigheden namen zooveel tijd in beslag, dat het overige van den dag gewijd werd aan toebereidselen voor de avondvermakelijkheden. Daar de meisjes nog te jong waren om dikwijls naar de komedie te gaan, en niet rijk genoeg om zich groote uitgaven te veroorloven voor de voorstellingen thuis, moesten zij hun verbeelding meestal te hulp roepen, en daar de noodzakelijkheid de moeder is der uitvinding, maakten ze zelf alles, wat ze noodig hadden. Sommige van hun voortbrengselen waren wezenlijk heel aardig; gitaars van bordpapier, antieke lampen van ouderwetsche sauskommetjes gemaakt en met zilverpapier beplakt, prachtige japonnen van oud katoen, schitterend van tinnen loovertjes, uit een fabriek van ingelegd zuur afkomstig en wapenrustingen met stukjes van dezelfde metalen edelgesteenten versierd: afval van de deksels van inmaakblikken. Het huisraad werd gewoonlijk onderste boven gehaald en de groote kamer was het tooneel van menig onschuldig feest.
Heeren werden niet toegelaten; dus kon Jo naar hartelust de mannenrollen op zich nemen, en ze was telkens weer verrukt over een paar bruinleeren laarzen, die ze van een vriendin gekregen had, die een dame kende, die weer een acteur kende. Deze laarzen, een oude floret en een oud fluweelen riddercostuum, dat eens door een schilder gebruikt was voor een schilderij, waren Jo's grootste schatten en kwamen bij elke gelegenheid op de proppen. Daar het gezelschap uit zoo weinig leden bestond, moesten de twee voornaamste acteurs noodzakelijk in verscheidene rollen optreden; en ze verdienden ongetwijfeld grooten lof voor de inspanning, die ze zich getroostten, drie of vier verschillende partijen van buiten te leeren, pakken te verwisselen en daarenboven de leiding en tooneelschikking op zich te nemen. Het was een uitmuntende oefening voor het geheugen, een onschuldig genoegen, en vulde menig uur, dat anders met luieren, vervelend zou zijn doorgebracht.
Op Kerstavond nam een dozijn meisjes plaats in het ledikant dat de loge voorstelde, en zat achter de blauwe en gele sitsen gordijnen in een staat van gespannen verwachting. Er was nogal geritsel en gefluister op het tooneel, het rook naar het stoomen van een lamp, en af en toe hoorde men het gesmoord gegichel van Amy, die zenuwachtig werd door de opwinding van het oogenblik. Weldra luidde de bel, de gordijnen werden weggetrokken, en de tragedie nam een aanvang.
"Een somber woud," volgens het eenige programma, werd voorgesteld door enkele heesters en potten, een stuk groen baai op den vloer en een hol op den achtergrond. In dit hol, dat een paardendek tot dak en kasten tot muren had, brandde een klein vuurtje in volle kracht; een zwart ijzeren potje hing er boven en een oude heks boog er zich over heen. Het tooneel was donker, en de gloed van het vuur maakte een fraai effekt, vooral wanneer er wezenlijk stoom kwam uit den ketel, toen de heks er het deksel aflichtte. De toeschouwers kregen een oogenblik om van de eerste verbazing te bekomen, toen trad Hugo, de ellendeling, op, met een rinkelend zwaard, een gedeukten hoed, zwarten baard, een geheimzinnigen mantel en de laarzen. Na een poosje zeer opgewonden heen en weer gestapt te hebben, sloeg hij zich tegen het voorhoofd, barstte los in een hartstochtelijk gezang waarin hij den haat uitte, dien hij Roderigo toedroeg, de liefde die hij voor Sara koesterde en zijn lieftallig besluit den een te dooden en de andere voor zich te winnen. De diepe toon van Hugo's stem, die nu en dan in een heesch geschreeuw oversloeg, wanneer zijn gevoel hem te sterk werd, maakte geweldigen indruk, en de toeschouwers juichten hem toe, zoodra hij maar even stil hield om adem te scheppen. Buigende, met het air van iemand aan bijval gewoon, ging hij naar de grot en gelastte Hagar er uit te komen, met een gebiedend: "Halo! oude heks, ik heb u noodig!"
Daar verscheen Meta, met een grijs paardenharen pruik, die haar over 't gezicht hing, een rood en zwart gewaad, een staf en allerlei kabalistische teekens op haar mantel. Hugo verlangde een drankje van haar om Sara's liefde te winnen, en een om Roderigo van kant te maken.
Hagar beloofde beide in een fraai dramatisch lied en slaagde er in den geest op te roepen, die den minnedrank moest brengen:
"Daal neder, gevleugelde geest, o, daal neer, Verlaat uwe woning bij 't geestenheir! Gij, dochter der rozen, weldadige fee, Ach, breng ons uw kostlijken liefdedrank mee. Maar maak hem heel geurig, heel zoet en heel sterk, Opdat hij zeer spoedig volbrenge zijn werk. Ja kom, goede geest, en voldoe aan den wensch Van dezen verliefden, wanhopigen mensch."
Plotseling klonk een zachte muziek, en toen kwam uit den achtergrond der grot een kleine, in wolken van gaas gehulde gedaante te voorschijn, met schitterende vleugels, gouden lokken, en een krans van rozen op het hoofd. Een staf zwaaiende zong deze geest:
"Hier daal ik neer Uit hooger sfeer. Ver boven lucht en maan, En bied den drank u aan. Hij werkt zeer snel Gebruik hem wel, Opdat de kracht niet moog' vergaan."
en liet een klein verguld fleschje vallen voor de voeten der heks, waarna ze verdween. Een tweede lied van Hagar riep een tweeden geest te voorschijn, geen liefelijken, want--bons, daar sprong een leelijke dwerg het tooneel op, stootte een antwoord uit en wierp Hugo een donker fleschje toe, waarna hij met een honend gelach verdween. Hugo kweelde zijn dankbetuigingen, stak de drankjes in zijn laarzen en ging somber heen. Daarop deelde Hagar het publiek mee, dat ze hem, omdat hij in vervlogen tijden eenige van haar vrienden had gedood, vervloekt heeft, en nu voornemens is zich op hem te wreken door de verijdeling van zijn plannen. Toen viel het gordijn en konden de toeschouwers uitrusten, en onder 't genot van bonbons, de verdiensten van het stuk bespreken.
Er moest heel wat getimmerd worden, eer het gordijn weer weggetrokken werd; maar toen het bleek welk een meesterstuk er tot stand was gebracht, klaagde niemand over het oponthoud. 't Was in één woord schitterend! Een toren reikte tot aan de zoldering; halfweg zag men een venster met een wit gordijn, waarachter een lamp stond te branden, en achter dit witte gordijn verscheen Sara, in een bekoorlijke blauwe japon met zilver versierd, in afwachting van Roderigo. Prachtig gekleed kwam hij aangestapt, met een gepluimde muts, een rooden mantel, kastanjebruine lokken, een gitaar, en de laarzen natuurlijk. Nederknielend aan den voet van den toren, bracht hij zijn aangebedene in smeltende tonen een serenade. Sara antwoordde en stemde er, na een gezongen gesprek, in toe, met hem te vluchten. Toen kwam het glanspunt van den avond; Roderigo haalde een touwladder te voorschijn, van vijf treden, wierp het eene eind omhoog en noodigde Sara uit er langs af te dalen. Angstig stapte ze uit het venster, legde haar hand op Roderigo's schouder, en maakte zich juist gereed om bevallig naar beneden te springen, toen ze, arme, arme Sara! haar sleep vergat, die in het raam bleef haken; de toren wankelde, helde over, viel met een slag om en bedolf de ongelukkige gelieven onder zijn bouwvallen!
Een algemeen gegil verhief zich, toen de bruine laarzen woest heen en weer schopten tusschen de ruïne, en een goudlokkig hoofdje te voorschijn kwam, dat verontwaardigd riep: "Ik heb 't je wel gezegd!" Met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest vloog Don Pedro, de wreede vader, toe en rukte er zijn dochter uit, met een gejaagd ter zijde: "Lach niet, net doen of alles in orde is!" Hij beval Roderigo op te staan, en verbande hem barsch en toornig uit zijn koninkrijk. Hoewel klaarblijkelijk verdoofd door den val, trotseerde Roderigo den ouden heer en weigerde zich van de plaats te verroeren. Dit onverschrokken voorbeeld vuurde Sara's moed aan; zij ook weerstond haar vader, totdat hij gebood beiden naar den donkersten kerker van zijn kasteel te sleepen. Daarop kwam er een dappere kleine lakei binnen, met ketenen beladen, en leidde hen weg, blijkbaar zoo verschrikt dat hij de heele speech vergat, die hij had behooren op te zeggen.
Het derde bedrijf speelde in de zaal van het kasteel. Hier kwam Hagar weer op de planken, om de gelieven te bevrijden en Hugo van kant te maken. Zij hoort hem komen en verbergt zich; ziet dat hij de drankjes in twee bekers wijn doet en hoe hij den bedeesden kleinen bediende gelast: "Breng dien wijn den gevangenen in hun cel en zeg hun, dat ik weldra kom." Terwijl de bediende Hugo even ter zijde roept om hem iets mee te deelen, verwisselt Hagar de twee bekers met twee andere, die geen kwaad bevatten.
Ferdinando, de bediende, brengt ze weg en Hagar zet den beker met het vergif, voor Roderigo bestemd, weer op tafel. Hugo, die na een roerende tirade dorstig begint te worden, drinkt hem leeg, raakt zijn bezinning kwijt, valt, na de noodige stuiptrekkingen, op den grond en sterft, terwijl Hagar hem in een krachtig, melodieus lied meedeelt wat ze gedaan heeft.
't Was heusch een treffend tooneel, al vonden sommigen ook, dat het plotseling te voorschijn komen van een massa lange lokken, het effect van den dood des ellendelings min of meer bedierf. Hij werd teruggeroepen en kwam heel zedig te voorschijn. Hagar bij de hand leidende, wier gezang mooier werd gevonden, dan al het andere bij elkaar.
Het vierde bedrijf stelde den wanhopigen Roderigo voor, op het punt zichzelf te doorsteken, omdat men hem gezegd heeft, dat Sara hem ontrouw geworden is. Reeds richt hij den dolk op zijn hart, als eensklaps een liefelijk lied onder zijn venster wordt aangeheven, waarin hem verteld wordt, dat Sara getrouw bleef, maar in gevaar verkeert, en dat hij haar, indien hij slechts wil, kan redden. Er wordt een sleutel naar binnen geworpen, om de gevangenisdeur te openen, en opgetogen van vreugde rukt hij zijn ketenen los, en snelt weg om zijn geliefde te vinden en te bevrijden.
Het vijfde bedrijf begon met een stormachtig gesprek tusschen Sara en Don Pedro. Hij wil, dat zijn dochter in een klooster zal gaan, maar zij wil er niet van hooren en is op het punt flauw te vallen, als Roderigo binnenvliegt en haar hand vraagt. Don Pedro weigert, omdat de minnaar niet rijk is. Onder luid getwist en een geweldig spektakel is Roderigo juist van plan de uitgeputte Sara weg te dragen, als de bedeesde lakei binnenkomt met een brief en een zak van Hagar, die op geheimzinnige wijze verdwenen is. In dezen brief deelt de heks het gezelschap mee, dat ze ongehoorde rijkdommen op het jonge paar doet nederdalen en Don Pedro met een vreeselijke vervloeking dreigt, als hij ze niet gelukkig maakt. De zak wordt geopend en een stroom tinnen geldstukjes valt op het tooneel, zoodat het schittert van al die pracht. Dit verzacht den strengen vader geheel en al; hij geeft zonder verdere tegenwerping zijn toestemming, allen heffen samen een vroolijk lied aan, en het gordijn valt, terwijl de gelieven, in de allerbevalligste houding, voor Don Pedro geknield liggen om zijn zegen te ontvangen.