Onder Moeders Vleugels

Chapter 19

Chapter 194,024 wordsPublic domain

"Ha, ha, schep vreugd in 't leven! Een snuifje? Adieu! Adieu!" schreeuwde Polly, op zijn zitplaats rondspringend, en met zijn poot naar de muts van de oude dame slaande, toen Laurie hem achter haar rug kneep.

"Houd je bek, oneerbiedig, oud dier! en Jo, jij deed beter dadelijk naar huis te gaan, in plaats van nog zoo laat rond te loopen met zoo'n dolleman van een jongen als...."

"Houd je bek, oneerbiedig, oud dier!" riep Polly met een sprong van den stoel aftuimelend, om den "dolleman van een jongen" na te zitten, die bij dit laatste gezegde schudde van het lachen.

"Ik denk, dat ik het niet zal _kunnen_ uithouden, maar ik zal het probeeren," dacht Amy, toen zij alleen bij tante March achtergelaten werd.

"Ga weg, spook!" krijschte Polly, en bij dat onvriendelijk gezegde kon Amy een zacht gesnuf niet onderdrukken.

HOOFDSTUK XVIII.

DONKERE DAGEN.

Bets kreeg het roodvonk, en was veel zieker dan iemand, behalve Hanna en de dokter, vermoedde. De meisjes hadden volstrekt geen verstand van zieken, en mijnheer Laurence mocht niet bij haar komen; dus richtte Hanna alles naar haar zin in, en dokter Bangs die een drukke praktijk had, deed wel alles wat hij kon, maar moest veel op de uitmuntende verpleegster laten aankomen. Meta bleef thuis, uit vrees de besmetting bij de Kings over te brengen, deed het huishouden en had een onrustig en schuldig gevoel, wanneer zij brieven schreef, waarin van Bets' ziekte geen melding werd gemaakt. Ze kon het maar niet goed vinden, dat ze haar moeder moest misleiden, maar Moeder had haar aanbevolen naar Hanna te luisteren, en Hanna wilde er niet van hooren, "dat alles aan Mevrouw verteld zou worden, en dat men haar met zulk een kleinigheid zou lastig vallen." Jo wijdde zich dag en nacht aan Bets, en dit was geen zware taak, want Bets was uiterst geduldig en verdroeg haar leed zonder klagen, zoolang ze maar eenigszins kon. Maar er kwam een tijd, dat ze, bij verheffing van koorts, begon te spreken met een heesche en gebroken stem, en op de dekens te spelen, alsof het haar geliefde piano was, terwijl ze beproefde te zingen met een keel, zoo gezwollen, dat ze geen geluid kon uitbrengen; een tijd, waarop ze de welbekende gezichten rondom haar niet herkende, hen met verkeerde namen aansprak en dringend om Moeder riep. Toen werd Jo angstig en smeekte, dat Meta toch de waarheid schrijven mocht en zelfs Hanna zei "dat ze er eens over denken zou, hoewel er geen gevaar was." Een brief uit Washington vermeerderde nog de algemeene ongerustheid, want mijnheer March was weer ingestort en kon nog in geen weken vervoerd worden. Hoe somber schenen nu de dagen, hoe stil en treurig het huis, en hoe gedrukt werden de zusjes onder het werken en wachten, terwijl de angst voor Bets' toestand hen geen oogenblik losliet. Toen voelde Meta--als in de eenzaamheid de tranen op haar werk droppelden--hoe rijk ze geweest was in dingen, die met geen geld te betalen zijn: in liefde, bescherming, vrede en gezondheid, de grootste schatten van het leven. Toen leerde Jo in die donkere kamer, met dat geduldig lijdende gezichtje altijd voor oogen, en dat zwakke stemmetje in haar ooren, de schoonheid en beminnelijkheid van Bets' karakter pas ten volle begrijpen en gevoelen, welk een groote en dierbare plaats ze in aller harten besloeg, door haar onzelfzuchtig pogen, steeds voor anderen te leven en de omgeving thuis aangenaam te maken. En Amy snakte in haar ballingschap naar huis, om toch maar iets voor Bets te kunnen doen, overtuigd, dat geen enkele dienst haar nu moeilijk of vervelend zou toeschijnen, en zich met schaamte en berouw herinnerende, hoeveel verzuimd werk die gewillige handjes voor haar afgemaakt hadden. Laurie zwierf als een rustelooze geest door het huis, en de oude heer Laurence sloot de groote piano, daar hij niet kon verdragen, te worden herinnerd aan het kleine buurmeisje, dat zijn schemeruurtjes zoo aangenaam voor hem placht te maken. Iedereen miste Bets. De melkboer, de bakker, de kruidenier, de slager, allen vroegen naar haar; de arme vrouw Hummel kwam vergeving vragen voor haar onbedachtzaamheid en tegelijkertijd om een doodlaken voor haar Mina verzoeken; de buren zonden allerlei versnaperingen en goede wenschen, en zelfs zij, die haar het best kenden, stonden verwonderd over het groot aantal vrienden, dat hun beschroomde, kleine Bets zich verworven had.

En ondertusschen lag ze te bed met de oude Johanna naast haar, want zelfs in haar ijlen vergat zij haar ongelukkig protégeetje niet. Ze verlangde naar haar katjes, maar wilde niet, dat men ze bij haar zou brengen, uit vrees, dat ze ziek zouden worden, en in haar kalme oogenblikken was ze vol bezorgdheid voor Jo. Zij zond allerlei aardige boodschapjes aan Amy, en droeg de zusters op haar moeder te laten weten, dat ze gauw schrijven zou. Dikwijls vroeg zij om potlood en papier en probeerde een woordje te schrijven; Vader mocht niet denken dat zij hem vergat. Maar weldra kwamen er niet meer zulke heldere tusschenpoozen, en lag ze uren lang te woelen onder het uiten van onsamenhangende woorden, of viel ze in een zwaren slaap, die haar geen verkwikking bracht. Dr. Bangs kwam tweemaal op een dag. Hanna waakte 's nachts. Meta had altijd in haar schrijflessenaar een telegram klaar liggen, dat elk oogenblik verzonden zou kunnen worden, en Jo week niet van Bets' kamer.

De eerste December was een echte winterdag. Een gure wind loeide om het huis, de sneeuw viel met groote vlokken en het jaar scheen zich tot den dood voor te bereiden.

Toen dokter Bangs dien morgen kwam, beschouwde hij Bets aandachtig, hield haar gloeiend handje een oogenblik in de zijne, legde het toen zachtjes neer, en zei fluisterend tot Hanna:

"Als mevrouw March haar man verlaten kan, moet er om haar geschreven worden."

Hanna knikte zonder spreken, want haar lippen beefden; Meta viel in een stoel neer; alle kracht scheen haar bij 't hooren van die woorden te ontzinken en Jo, die een oogenblik met een bleek gezicht roerloos had gestaan, vloog naar beneden, greep het telegram, sloeg haar mantel om en holde naar buiten in den storm. In een ommezien terug, was ze nog bezig onhoorbaar haar mantel af te doen, toen Laurie binnenkwam met een brief, die de heugelijke tijding bevatte, dat mijnheer March weer vooruitging. Jo las hem met een dankbaar hart, maar dit verminderde geenszins haar angst en droefheid en haar gezicht stond zóó treurig, dat Laurie oogenblikkelijk vroeg:

"Wat is er, Jo? Is Bets erger?"

"Ik heb om Moeder getelegrafeerd," zei Jo, en begon met een wanhopig gebaar haar overschoenen uit te trekken.

"Mooi zoo, Jo! Heb je dat op je eigen verantwoording gedaan?" vroeg Laurie, terwijl hij haar zachtjes, ziende hoe haar handen beefden, op de bank in de gang neerdrukte en haar de weerspannige schoenen uittrok.

"Neen, de dokter zei, dat het moest."

"O, Jo, zoo erg is het toch niet?" riep Laurie verschrikt.

"Ja, dat is het wel; ze kent ons niet, en spreekt zelfs niet meer over de groene duifjes, zooals zij de wingerdbladen op het behang noemde; zij lijkt niets meer op mijn eigen Bets, en er is niemand om het ons te helpen dragen; Moeder en Vader beiden weg, en God schijnt ook zoo ver af, dat ik Hem niet vinden kan."

De tranen stroomden de arme Jo langs de wangen, terwijl ze haar hand hulpeloos uitstrekte, alsof zij in het donker rondtastte, maar Laurie greep die in de zijnen, en fluisterde zoo goed hij kon met een brok in zijn keel:

"Ik ben hier; steun maar op mij, Jo, beste Jo!"

Zij kon niet spreken, maar hield hem vast, en de warme druk van die vriendenhand vertroostte haar bedroefd hart. Laurie zou erg graag iets hartelijks en opbeurends gezegd hebben, maar hij kon geen woorden vinden; hij bleef dus maar zwijgend haar gebogen hoofd streelen, zooals hij haar moeder wel eens had zien doen.

En dit was nog beter dan woorden, want Jo voelde de onuitgesproken sympathie en ondervond in zijn zwijgen den zoeten troost, dien liefde in droefheid geeft. Na een poosje droogde ze de tranen af, die haar hadden verlicht en met een dankbaar gezicht naar hem opziende, zei ze:

"Dank je, Teddy, ik ben nu al wat beter; ik heb al niet meer zoo'n verlaten gevoel, en ik zal trachten het te dragen als het komt."

"Blijf maar hopen, dat zal je het best helpen, Jo. Je moeder komt nu gauw, en dan zal alles wel goed gaan."

"Ik ben zoo blij, dat Vader tenminste wat beter is; het zal haar nu niet zooveel kosten hem achter te laten. Och, och, het lijkt net of alle ellende op eens gekomen is, en ik het zwaarste deel op mijn schouders heb gekregen," zuchtte Jo, terwijl zij haar natten zakdoek over haar knieën uitspreidde om te drogen.

"Laat Meta het dan maar op jou aankomen?" vroeg Laurie verontwaardigd.

"O neen, dat zou zij nooit doen; maar zij heeft onze Bets niet zóó lief als ik; en zij zal haar niet zóó vreeselijk missen. Bets is mijn geweten, en ik kan niet buiten haar! O, ik kan niet, ik kan niet!" Jo's gezicht verdween weer achter den natten zakdoek en zij schreide wanhopig; want tot nu toe had ze zich altijd goed gehouden en geen traan gestort. Laurie streek met de hand over de oogen, maar hij kon niet spreken, eer hij het krampachtig gevoel in zijn keel en het beven van zijn lippen bedwongen had. Eindelijk, toen Jo's snikken wat bedaarde, zei hij op hoopvollen toon: "Ik denk niet dat Bets sterven zal; ze is zoo goed en we houden allemaal zoo ontzettend veel van haar; ik geloof nooit, dat God haar nu al van ons zal wegnemen."

"De beste en liefste menschen sterven juist altijd," snikte Jo; maar zij hield op met schreien; de woorden van haar vriend gaven haar toch moed, in spijt van haar eigen twijfel en vrees.

"Arme meid, je bent heelemaal van streek, 't Gebeurt niet licht dat je je zoo aan den grond voelt. Wacht maar eens, ik zal je in een ommezientje wat opkwikken."

Laurie vloog met twee treden tegelijk de trap op, en Jo legde haar vermoeid hoofd neer op Bets' bruine hoedje, dat niemand nog had weggenomen van de tafel, waar ze het zelf den laatsten keer had neergelegd. Het was of het tooverkracht bevatte, want de geduldige gemoedsstemming van de zachtaardige eigenares scheen in Jo over te gaan; en toen Laurie naar beneden kwam met een glas wijn, nam ze het met een glimlach aan, en zei moedig: "Ik drink op de beterschap van onze Bets! Je bent een goed dokter, Teddy, en een puik vriend! Hoe zal ik het je ooit kunnen vergelden?" voegde ze er bij, toen de wijn haar lichaam verkwikte, evenals de vriendelijke woorden haar ziel nieuw leven hadden geschonken.

"Wacht maar, den een of anderen tijd zal ik mijn rekening wel inzenden, en van avond zal ik je iets geven, wat alle vezels van je hart meer zal verwarmen dan ankers wijn," beloofde Laurie, terwijl hij haar aankeek met een gezicht, dat straalde van blijdschap over iets geheimzinnigs.

"Wat dan?" riep Jo, voor een oogenblik in haar verbazing haar verdriet vergetende.

"Ik heb gisteren aan je moeder getelegrafeerd, en Brooke antwoordde dat zij dadelijk komen zou; van avond kan ze al hier zijn, en dan zal alles wel goed gaan. Ben je niet blij, dat ik het maar gedaan heb?"

Laurie sprak haastig en met een kleur van opgewondenheid, want hij had zijn plannetje geheim gehouden, uit vrees dat de meisjes het niet zouden goedkeuren, of dat het nadeelig voor Bets kon zijn. Jo werd doodsbleek, vloog van de bank op en bracht Laurie, tot het toppunt van verbazing, door plotseling haar armen om zijn hals te slaan en met een blijden kreet uit te roepen: "O, Laurie, o, Moeder! wat _ben_ ik blij!" Zij begon niet weer te schreien, maar lachte zenuwachtig en beefde en klemde zich aan haar vriend vast, heelemaal in de war door dit plotselinge nieuws. Hoe verbaasd Laurie ook was, handelde hij toch met groote tegenwoordigheid van geest; hij klopte haar op den rug, en toen hij zag dat ze wat bijkwam, liet hij er een paar beschroomde kussen op volgen, die Jo op eens weer tot zichzelf brachten. Zich aan de trapleuning vasthoudend, duwde ze hem zachtjes weg, en zei buiten adem: "Och, doe dat niet! Het was mal van me, maar je bent zoo'n beste jongen, dat je het in spijt van Hanna toch gedaan hebt, dat ik niet laten kon om je hals te vliegen. Vertel me er nu alles van, en geef me alstjeblieft geen wijn meer, want daar kwam het van."

"Ik vond het niets erg!" plaagde Laurie, terwijl hij zijn das recht schoof. "Ja, zie je, ik werd ongerust en Grootpapa ook. Wij meenden, dat Hanna te veel de baas speelde en dat je moeder het behoorde te weten. Ze zou het ons nooit vergeven, als er eens iets gebeurde. Dus bracht ik er Grootpapa toe om te zeggen, dat het hoog tijd was, dat er iets gedaan werd, en zoo vloog ik gisteren naar het kantoor, want de dokter deed zoo ernstig en Hanna keek mij aan, alsof ze mijn hoofd wou afslaan, toen ik voorstelde een telegram te zenden. Nu _kan_ ik nooit verdragen op mijn kop gezeten te worden, dus dit besliste de zaak, en seinde het zoo gauw mogelijk. Je moeder is onderweg, dat weet ik, en de laatste trein komt van nacht om twee uur aan. Ik zal haar gaan halen; dus je hoeft nu alleen nog je verrukking te bedwingen, en Bets rustig te houden, tot de geëerde dame hier is."

"Laurie, je bent een engel! Hoe zal ik je er ooit voor danken?"

"Vlieg mij maar eens weer om mijn hals; ik vond het nog al aardig," zei Laurie, terwijl hij haar ondeugend aankeek--iets wat hij in geen veertien dagen gedaan had.

"Neen, dankje. Dat zal ik liever bij volmacht doen, als je grootvader komt. Plaag mij niet, maar ga onmiddellijk naar huis om te slapen, want je moet den halven nacht op zijn. Ontvang mijn zegen, Teddy!"

Jo was al sprekende achteruit geweken, en toen ze haar redevoering geëindigd had, verdween ze plotseling in de keuken, waar zij op de rechtbank neerviel en de vereenigde katten mededeelde, dat zij "gelukkig, dol, _dol_ gelukkig" was, terwijl Laurie vertrok, in de streelende overtuiging, dat hij dit zaakje nu eens netjes overlegd had.

"Dat is de bemoeiachtigste jongen, dien ik ooit gezien heb; maar ik vergeef het hem en hoop dat onze mevrouw maar dadelijk zal komen," zei Hanna, met een zucht van verlichting, toen Jo haar het goede nieuws vertelde.

Meta zat in stille verrukking den brief te herlezen, terwijl Jo de ziekenkamer in orde bracht, en Hanna "het een en ander ging klaar maken voor 't geval, dat er soms onverwachts eens iemand komen mocht."

Een ademtocht van nieuw leven scheen in het huis te zijn doorgedrongen, en iets beters dan zonneschijn verhelderde de stille kamers; alles scheen in de blijde verandering te deelen; Bets' vogel begon weer te tjilpen en Jo ontdekte een half ontloken roosje aan Amy's rozenstruikje op de vensterbank; 't was of het vuur buitengewoon vroolijk brandde, en elken keer, wanneer de meisjes elkaar tegenkwamen, vloog er een blijde glimlach over hun bleeke gezichten, terwijl ze elkander even beetpakten en bemoedigend toefluisterden: "Moeder komt! Goddank, Moeder komt!" Ieder was blij, behalve Bets; ze lag in een zware verdooving, onbewust van hoop en vreugde, angst en gevaar. Het was een droevig schouwspel--dat vroeger zoo lieve gezichtje, nu zoo veranderd en zonder uitdrukking--de eens zoo bezige handjes, zoo slap en vermagerd--die altijd vriendelijk glimlachende mond verstijfd--en het anders zoo mooie, zorgvuldig opgemaakte haar, zoo ruig en verward op het kussen. Den heelen dag lag ze zoo, behalve wanneer zij nu en dan even tot bewustzijn kwam en om "water!" riep, met zulke droge lippen, dat ze nauwelijks het woord konden uitspreken. Den heelen dag zweefden Jo en Meta om haar heen, wakend, wachtend en hopend, en op God en Moeder vertrouwend, en den heelen dag vielen de sneeuwvlokken, gierde de wind en kropen de uren langzaam om. Maar eindelijk viel de avond, en telkens wanneer de klok sloeg, zagen de zusters, die nog steeds aan weerskanten van het bed zaten, elkander met schitterende oogen aan, want ieder uur bracht hen nader tot de hulp, die komen zou. De dokter was er geweest, en had gezegd, dat er denkelijk tegen middernacht een verandering ten goede of ten kwade in zou treden, en dat hij dan zou terugkomen.

Hanna was, door uitputting overmand, op de canapé, die aan het voeteneinde van het bed stond, neergevallen en in diepen slaap gezonken; de oude heer Laurence liep in de huiskamer op en neer, met een gevoel, alsof hij liever voor een vijandelijke batterij zou komen te staan, dan voor het angstig gelaat van mevrouw March, wanneer ze tehuis kwam. Laurie lag op het haardkleedje en deed alsof hij sliep, maar staarde in het vuur met een peinzenden blik, die zijn zwarte oogen buitengewoon aantrekkelijk maakte.

Nooit vergaten de meisjes dien nacht, want geen slaap kwam in hun oogen, terwijl zij samen de wacht hielden, met dat ondragelijke gevoel van machteloosheid, dat ons in zulke uren overvalt.

"Wanneer God Bets spaart, zal ik nooit meer ontevreden zijn," fluisterde Meta ernstig.

"Wanneer God Bets spaart, zal ik mijn best doen Hem mijn heele leven lief te hebben en te dienen," zei Jo even vurig.

"Ik wou dat ik geen hart had, het doet zoo zeer," zuchtte Meta een poosje later.

"Wanneer het leven _dikwijls_ zoo moeilijk is als nu, weet ik niet hoe we er door moeten komen," voegde Jo er moedeloos bij.

Daar sloeg de klok twaalf; en beiden vergaten alles, om Bets gade te slaan, want ze meenden te zien, dat er een verandering kwam in haar vermagerde trekken. Het huis was als uitgestorven; niets dan het geluid van den wind verbrak de doodelijke stilte. De vermoeide Hanna sliep door, en slechts de beide meisjes zagen de bleeke schaduw, die op het bedje scheen te vallen. Een uur ging voorbij, waarin niets voorviel, behalve dat Laurie zoo zacht mogelijk het huis verliet om naar het station te gaan. Nog een uur--niemand kwam,--en allerlei angsten over oponthoud door den storm, ongelukken onderweg en vooral over een groote ramp te Washington, vervulden de harten der beide meisjes.

Het was over tweeën, toen Jo, die aan het venster stond en er over dacht, hoe treurig de aarde onder haar doodskleed van sneeuw er uitzag, een beweging bij het bed hoorde, en haastig omkijkende zag, hoe Meta voor Moeders leuningstoel neerknielde, het gezicht in de handen verborgen. Een kil angstgevoel liep de arme Jo als een rilling over den rug: "Bets is dood," dacht ze, "en Meta durft het mij niet te zeggen."

In een oogwenk was zij weer op haar post, en voor haar overspannen blik scheen er een groote verandering te zijn voorgevallen. De koortsgloed en de pijnlijke trek waren verdwenen, en het dierbare gezichtje zag er in die onbeweeglijke kalmte zoo vreedzaam en rustig uit, dat Jo geen behoefte aan tranen en klachten gevoelde. Zij boog zich diep over haar liefste zusje heen, kuste het klamme voorhoofd met de innige teederheid en fluisterde zacht: "Vaarwel, mijn lieve Bets, vaarwel!"

Opgeschrikt door die beweging, sprong Hanna overeind uit den slaap, keek, bij het bed gekomen, Bets aandachtig aan, betastte haar handen, luisterde aan haar mond, wierp toen haar boezelaar over het hoofd, viel op een stoel neer en riep, al heen en weer wiegend, op gesmoorden toon: "De koorts is af, ze ligt in een natuurlijken slaap, haar huid is vochtig, en ze haalt gemakkelijk adem. God zij gedankt. O, groote goedheid!"

Voordat de meisjes de heerlijke waarheid konden gelooven, kwam de dokter binnen en bevestigde haar. Hij was een eenvoudig man, maar zijn gelaat scheen allen toe als dat van een engel, toen hij glimlachte en met een vaderlijken blik tot hen zei: "Ja, lieve kinderen, ik denk, dat de kleine meid er dit keer door zal komen. Houdt het huis rustig; laat haar slapen en geef haar als ze wakker wordt...."

Wat ze geven moesten, hoorden ze geen van beiden, want zij slopen naar het donkere portaal, en daar zaten ze op de trap, met de armen om elkaar heen geslagen, de harten te vol van blijdschap om iets te zeggen. Toen ze terugkwamen om door de oude Hanna gekust en gepakt te worden, vonden ze Bets in gerusten slaap in haar gewone houding, met haar rechterwang op haar hand; de doodelijke bleekheid was verdwenen en haar adem ging rustig, alsof zij pas in slaap gevallen was.

"Als Moeder nu maar kwam!" zei Jo, toen de winterdageraad begon aan te breken.

"Kijk," zei Meta, terwijl ze met een half geopend wit roosje aankwam, "ik dacht dat dit misschien nog niet eens open zou zijn, om in Bets' hand te leggen, als ze--van ons weggegaan zou zijn. Maar het is van nacht uitgekomen, en nu zal ik het hier in mijn vaasje zetten; als onze lieveling dan wakker wordt, zal het eerste wat zij ziet dit roosje en Moeders gezicht zijn."

Nooit was de zon zoo schoon opgegaan, en nooit had de wereld er zoo heerlijk uitgezien, in de vermoeide oogen van Meta en Jo, als toen ze in den vroegen morgen naar buiten keken, en hun lange, treurige nachtwaak voorbij was.

"Het lijkt net een sprookjeswereld," zei Meta, terwijl ze bij zichzelf glimlachte en achter het gordijn staande den blik over het schitterende schouwspel liet gaan.

"Hoor!" riep Jo, opspringend.

Ja, daar klonk een geluid van paardenbellen beneden voor de deur, een kreet van Hanna en Laurie's stem, die op een vroolijken fluistertoon zei:

"Meisjes, ze is er! Ze _is_ er!"

HOOFDSTUK XIX.

AMY'S TESTAMENT.

Terwijl dit alles thuis voorviel, had Amy een moeilijken tijd bij Tante March. Haar ballingschap viel haar zwaar en voor 't eerst in haar leven besefte ze hoeveel liefde en toegevendheid thuis haar deel waren. Tante March gaf nooit iemand toe, daar was ze in principe tegen; maar ze meende het goed, want ze vond het kleine, welgemanierde meisje heel lief, en tante March had een teer plekje in haar oud hart voor de kinderen van haar neef, hoewel ze het niet raadzaam vond daarvoor uit te komen. Op haar manier deed ze haar best om Amy genoegen te doen, maar och, hoever sloeg ze de plank mis! Sommige oude menschen behouden een jong hart, ondanks hun rimpelige wangen en grijze haren; ze kunnen deelen in kinderlijke genoegens en verdrietelijkheden, hebben er slag van 't jonge volkje op zijn gemak te zetten, met hen te spelen en te praten op een echt vriendschappelijke manier. Maar Tante March bezat deze gave niet, en ze verveelde Amy doodelijk met haar regels en bevelen, haar stijve manieren en lange, droge redenaties. Daar ze dit kind volgzamer en zachtzinniger vond dan haar zuster, rekende de oude dame het zich ten plicht, zoovéél mogelijk een tegenwicht te geven tegen de vrijheid en toegevendheid, die Amy thuis genoot. Ze nam haar logéetje dus eens flink onderhanden, en behandelde haar, zooals zij zelf zestig jaar geleden behandeld was, een methode, die Amy diep ongelukkig maakte en haar een gevoel gaf, alsof ze een vliegje was in het web van een onmeedoogende spin. Elken morgen moest ze de kopjes omwasschen en de ouderwetsche theelepeltjes, den grooten zilveren trekpot en de glazen wrijven, tot ze glommen. Daarna moest ze stof afnemen, en wat een geduldsoefening was dat! Geen stofje ontsnapte aan het oog van Tante March, en al de meubelen hadden gedraaide pooten en allerlei snijwerk, dat nooit geheel naar haar zin behandeld werd. Dan moest Polly zijn eten hebben en de schoothond gekamd, en een dozijn boodschappen trap op trap af gedaan worden, om allerlei dingen te halen of bevelen over te brengen, want de oude dame was slecht ter been en kwam maar zelden uit haar stoel. Na deze vervelende werkjes moest Amy haar lessen opzeggen, wat nog de grootste beproeving van alles was.