Onder Moeders Vleugels

Chapter 18

Chapter 184,207 wordsPublic domain

Driemaal hoera voor dien goeden, ouden Vader. Brooke is een juweel, ons zoo dadelijk te telegrafeeren en ons de eerste minuut de beste dat hij beter werd, dit te laten weten. Ik vloog naar den zolder toen de brief kwam en trachtte God te danken, dat Hij zoo goed voor ons was; maar ik kon alleen maar schreien en zeggen: "Wat ben ik blij! Wat ben ik blij!" 't Was evengoed als een gebed, is 't niet, want er waren er wel honderd in mijn hart. Wij hebben zoo'n grappig leventje: iedereen is even wanhopig goed; 't is of we in een nest van tortelduiven leven. U zoudt lachen als u Meta aan 't hoofd van de tafel zag zitten en haar best doen om moederlijk te zijn. Ze wordt met den dag mooier, en soms ben ik een beetje verliefd op haar. De "kleintjes" zijn ware aartsengelen, en ik--ik ben Jo, en zal wel nooit iets anders zijn. O, ik moet u nog vertellen, dat ik bijna ruzie met Laurie gehad heb. Ik zei hem mijn opinie over een kleinigheid, en hij was beleedigd. _Ik_ had gelijk, maar ik pakte het niet goed aan en hij ging naar huis en zei, dat hij niet terugkwam, voor ik hem vergeving gevraagd had. Nu, daar bedankte ik voor en ik was woedend. Het duurde den heelen dag; ik voelde mij doodongelukkig en verlangde erg naar u. Laurie en ik zijn beiden zoo trotsch, en vergeving vragen is zoo moeielijk; maar ik dacht dat hij wel komen zou, want ik _had_ gelijk. Maar hij kwam niet, en juist 's avonds herinnerde ik mij wat u gezegd had, toen Amy in 't water viel. Ik las in mijn boekje, bedaarde, besloot "de zon niet over mijn toorn te doen ondergaan," en ging naar Laurie om hem te zeggen, dat het mij speet. Bij het hek kwam ik hem tegen; hij kwam met hetzelfde doel. U begrijpt hoe wij lachten, we vroegen elkaar excuus en nu is het zaakje weer gezond.

Gisteren maakte ik een "vèrs," terwijl ik met Hanna de wasch deed; en daar Vader nogal van mijn krabbelarijen houdt, sluit ik het in om hem te amuseeren. Geef hem de hartelijkst mogelijke omhelzing, en kus uzelf twaalf maal voor uw

Robbedoes Jo.

ZEEPSOP-LIED.

O, zeepzop! te midden van 't spattende schuim, Steeg' vroolijk mijn lied naar omhoog. Ik waschte met ijver, ik klopte en ik wrong, Schoon 't nat ook om d' ooren mij vloog, Nu hang ik de kleeren gauw op in den wind, Die maakt, met de zon, ze weer droog.

Och, zeepsop! konden w'ons hart, zoo bevlekt, Ook duchtig eens doen in de wasch, Dat water en licht met hun toovrende macht Zoo zuiver ons maakten als glas, Dan had hier op aarde voorzeker steeds plaats Het heerlijkste schoonmaakgeplas.

Langs 't pad van een flink en een nuttig bestaan Bloeit vrede toch immers altijd, Een ijverig mensch heeft wel anders te doen Dan denken aan smart of aan spijt. En zorgen worden gemakkelijk verjaagd Door hem, die schrobt op zijn tijd.

'k Ben blij, dat iederen volgenden dag Een taak voor mij weg is gelegd; Ze maakt me gezond en moedig en sterk; Zoodat mijn geweten mij zegt: "O hoofd, mijner vrij, o hart gevoel voort, Maar, hand, breng gij alles terecht!"

Lieve Moeder,

Er is voor mij alleen nog maar een plaats om u even goeien dag te zeggen en u een paar gedroogde viooltjes te sturen, van het plantje, dat ik zoo zorgvuldig in huis heb gehouden, om ze aan Vader te laten zien. Ik lees elken morgen, doe den heelen dag mijn best om goed te zijn, en zing mezelf in slaap met Vaders lied. Ik kan nu niet zingen: "Heerlijk land," want dan moet ik schreien. Iedereen is heel vriendelijk, en we zijn zoo gelukkig als we zonder u kunnen zijn. Amy moet de rest van het blaadje hebben, dus eindig ik. Ik heb niet vergeten de ornamenten toe te dekken en elken dag wind ik de klok op en lucht ik uw kamers.

Kus Vader op de wang, die hij de mijne noemt. O, kom toch gauw terug bij

Uw liefhebbende kleine Bets.

"Lieve Mama,

"Wij zijn allemaal gezond, ik leer altijd mijn les en streef nooit de meisjes tegen, Meta zegt, dat ik bedoel, spreek tegen, daarom zet ik nu maar de beide woorden, dan kunt u het geschiktste kiezen. Meta is heel lief voor me, ze geeft mij altijd jelei bij de thee, het is zoo goed voor me, zegt Jo, omdat het mij zoo zoet maakt. Laurie is niet zoo beleefd voor me als hij moest, nu ik bijna dertien ben, hij noemt mij kuiken en kwetst mijn gevoel, door heel gauw Fransch tegen me te gaan praten wanneer ik net als Hattie King merci of bonjour zeg. De mouwen van mijn blauwe jurk waren heelemaal versleten, en Meta heeft er nieuwe ingezet, maar de ruimte zit niet op de goeie plaats en zij zijn blauwer dan de jurk. Het speet me erg, maar ik heb niet gepruttelt; ik doe mijn best mijn moeilijkheden goed te dragen, maar ik wou wel graag dat Hanna meer stijfsel in mijn boezelaars deed en elke dag kadetjes van de bakker nam. Mag dat niet? Heb ik dat vraagteeken niet netjes gezet? Meta zegt dat mijn spelling en mijn punktuaatsie schandelijk zijn en dat spijt me erg, maar, ik heb ook zoo vreeselijk veel te doen dat ik daar niet op letten kan.

Adieu, ik zend een heeleboel kussen aan Papa.

Uw liefhebbende dochter, Amy Curtis March.

"Lieve mevrouw March!"

Ik neem de pen op om u te zeggen alsdat wij allen gezont zijn. De Meisjes passe goed op en vliege heel ijverig door het huis. Juffrouw Meta zal een beste huishoudster wordt, ze hout van dat soort werk en heef van de dinge erg gou de slag weg. Jo doet van allemaal nog het meest haar best, maar ze denkt nooit van te vore en je ken nooit wete, waarmee ze voor den dag zal komme. Maandag heb ze een tobbe met goed gewasse, maar ze stijfde het Goed voordat het gevronge was, en haalde een rozee katoene Kleedje zoo blauw door dat ik dach alsdat ik een stuip kreeg van 't lache. Bets is een lief schepseltje en een groot gemak voor me omdat ze zoo handig en vertrouwt is. Zij perbeert alles te leere en komt beter voor den Dag dan men van der jare verwachte zouw; alsook in het opschrijve van alles dat ze met mijn hulp verwonderlijk goed doet. We zijn tot noch toe heel zuinig gewees, ik geef de meisjes geen koffie als eens in de week, zooals u graag heef en kook eenvoudig gezond eeten. Amy pruttelt noch al niet ook niet om lekkers en om der beste Kleeren an te hebbe. Jongeneer Laurie is zoo vol grappen als altoos en zet gedurig het huis op stelte, maar hij geeft de meisjes een verzetje en daarom laat ik hun der gang maar gaan. De ouwe heer stuurt van alles en is wel wat bemoeierig maar hij meent het goed en het past mij niet er ies van te zegge. Men brood moet in den oven dus moet ik afbreke. Mijn onderdanige groetenis aan Meheer en alsdat ik hoop dat hij geen las meer van zen Longe zal hebbe. Zoo noem ik mij

U onderdanige Hanna Mullet.

Aan de Hoofdverpleegster van Zaal II.

Alles wel op de Rappahannock: de troepen in den besten welstand, buitenlandsche posterij geregeld, de Hoofdwacht, onder aanvoering van Kolonel Teddy, altijd onder de wapenen; de Opperbevelhebber, Generaal Laurence, houdt dagelijks inspectie, de kwartiermeester Mullet zorgt voor de victualiën en Majoor Lion houdt des nachts de wacht. Een salvo van vierentwintig kanonnen begroette het goede nieuws uit Washington en in het hoofdkwartier werd groot-tenue-parade gehouden. De Opperbevelhebber wenscht u alles goeds, evenals

Kolonel Teddy.

Hooggeachte Mevrouw,

De meisjes zijn allen wel; dagelijks krijg ik berichten van hen door Bets en mijn jongen; Hanna is eene voorbeeldige dienstbode en bewaakt de lieve Meta als een Cerberus. Het verheugt mij, dat het gunstige weer aanhoudt; laat Brooke u zooveel mogelijk van dienst zijn en trek gerust een wissel op mij, wanneer de kosten uwe berekening mochten overtreffen. Laat het uw echtgenoot aan niets ontbreken; Goddank, dat hij beter wordt.

Uw oprechte vriend en dienaar, James Laurence.

HOOFDSTUK XVII.

KLEINE GETROUWEN.

Een heele week lang was iedereen zoo deugdzaam in het oude huis, dat men de geheele buurt tot voorbeeld zou hebben kunnen strekken. 't Was werkelijk bijzonder, want iedereen verkeerde in een bovenaardsch goede stemming, en zelfverloochening was aan de orde van den dag.

Toen de meisjes evenwel ontheven waren van de eerste ongerustheid, verslapten ze merkbaar in hun lofwaardige pogingen en begonnen ze weer in hun oude gewoonten te vervallen. Ze vergaten hun motto wel niet, maar 't hopen en werken scheen gemakkelijker opgenomen te kunnen worden; en na de geweldige inspanning vonden ze dat "IJver" wel een vacantiedag verdiend had en gaven ze er hem meer dan een.

Jo vatte zware kou, doordat ze vergat haar geschoren hoofd te bedekken, en kreeg bevel thuis te blijven, tot zij beter was, want tante March hield er niet van voorgelezen te worden door menschen met verkoudheden in 't hoofd. Dit was zeer naar Jo's zin, en na een nauwkeurige doorsnuffeling van zolder en kelder, bepaalde ze zich tot de canapé, waar zij haar kwaal met boeken en arsenicum trachtte te genezen. Amy kwam tot de ontdekking, dat huiselijke arbeid en kunst niet te vereenigen waren, en keerde tot haar modderpasteitjes terug. Meta ging dagelijks naar haar Kings, en naaide thuis, of meende althans, dat ze dit deed; maar veel tijd werd doorgebracht met lange brieven aan haar moeder te schrijven en de bulletins uit Washington te lezen en te herlezen. Bets bleef standvastig en verviel slechts zelden, en dan maar voor korten tijd, tot niets doen en treuren. Elken dag werden de kleine plichten trouw volbracht, behalve nog allerlei dingen, die de zusters hadden moeten doen, maar ze waren vergeetachtig, en het huis leek veel op een klok, waaruit de slinger is weggenomen. Wanneer haar hartje bezwaard was door verlangen naar Moeder, of bezorgdheid omtrent Vader, ging Bets naar een zekere kast, verborg haar gezicht in zekere dierbare, oude japon, uitte daar in stilte haar klacht en bad haar gebedje. Niemand wist waardoor zij na een treurige bui weer opgevroolijkt werd, maar ieder gevoelde hoe lief en hulpvaardig Bets was, en onwillekeurig gingen allen tot haar om troost of raad in hun kleine aangelegenheden.

Geen der zusjes dacht er aan, dat deze periode een toetssteen voor hun karakter zou zijn, en toen de eerste spanning voorbij was, meenden ze allemaal, dat ze zich flink gehouden en lof verdiend hadden. Dien verdienden ze ook zoo; maar hun fout was, dat ze niet voortgingen met hun best te doen, 't geen ze tot hun schade en berouw ondervonden.

"Meta, ik wou, dat je eens naar de Hummels ging; Moeder heeft gezegd, dat wij ze niet moesten vergeten," zei Bets, tien dagen na het vertrek van mevrouw March.

"Ik ben te moe om vandaag te gaan," zei Meta, die gemakkelijk in een schommelstoel zat te naaien.

"Kun jij het dan niet doen, Jo?" vroeg Bets.

"Het is te winderig voor mij, met mijn verkoudheid."

"Ik dacht, dat die zoo goed als beter was?"

"In zoover wel dat ik met Laurie kan uitgaan, maar niet genoeg om naar de Hummels te gaan," zei Jo lachend, maar toch wat beschaamd over haar inconsequentie.

"Waarom ga je zelf niet?" vroeg Meta.

"Ik ben er al elken dag heen geweest, maar het kleinste kindje is ziek, en ik weet niet, wat ik er doen moet. Vrouw Hummel gaat uit werken en Lotje moet er op passen; maar het wordt al erger en erger, en ik vind, dat jullie of Hanna eens moesten gaan."

Bets sprak ernstig en Meta beloofde, dat zij den volgenden dag gaan zou.

"Vraag Hanna om iets lekkers en breng het even, Bets; de lucht zal je goed doen," zei Jo, terwijl ze er verontschuldigend bijvoegde: "Ik zou wel gaan, maar ik wou zoo graag mijn verhaal afmaken."

"Ik heb zoo'n hoofdpijn, en ben zoo moe; daarom vroeg ik of een van jullie wilde gaan," zei Bets.

"Amy zal wel dadelijk thuiskomen en er even voor ons heenloopen," zei Meta.

"Nu, dan zal ik een poosje gaan rusten en op haar wachten."

Bets ging op de canapé liggen, de anderen hervatten hun werk en de Hummels werden vergeten. Een uur verliep, Amy kwam niet; Meta ging naar haar kamer om een nieuwe japon te passen, Jo was verdiept in haar verhaal en Hanna zat gerust voor het keukenvuur te dutten, toen Bets stil haar hoed opzette, een mandje met allerlei overblijfseltjes vulde voor de kinderen en met een pijnlijk hoofd en een droevige uitdrukking in haar geduldige oogen in de vinnige kou uitging. Het was reeds laat toen zij terugkwam, en niemand zag haar naar boven sluipen en in de kamer van haar moeder verdwijnen. Een half uur later ging Jo naar boven om 't een of ander uit "moeders kast" te halen, en daar vond ze Bets, gezeten op de medicijnkist met een heel ernstig gezicht, beschreide oogen en een fleschje met kamfer in de hand.

"Wat is er te doen?" riep Jo, toen Bets een hand uitstak, als wilde ze haar afweren, en gejaagd vroeg:

"Jij hebt het roodvonk gehad, is 't niet?"

"Jaren geleden, toen Meta het had. Waarom?"

"Dan zal ik het vertellen--o, Jo, het kindje is dood!"

"Welk kindje?"

"Van vrouw Hummel; het stierf op mijn schoot, voordat ze thuiskwam," snikte Bets.

"Mijn arm kind, wat vreeselijk voor je! Was _ik_ maar gegaan," zei Jo met een berouwvol gezicht, terwijl ze Bets op haar schoot trok in den grooten stoel van haar moeder.

"Het was niet vreeselijk, Jo, alleen maar zoo treurig. Ik zag dadelijk dat het erger was, maar Lotje zei dat haar moeder den dokter was gaan halen, dus nam ik het kind, om Lotje wat te laten rusten. 't Leek net of het sliep, maar op eens gaf het een schreeuw, en beefde, en bleef toen heel stil liggen. Ik deed mijn best de kleine, koude voetjes te warmen, en Lotje gaf het wat melk, maar het bewoog zich niet, en toen zag ik dat het dood was."

"Schrei niet zoo, lieveling; wat heb je toen verder gedaan?"

"Ik bleef maar stil zitten en hield het voorzichtig vast, tot vrouw Hummel thuis kwam met den dokter. Hij zei, dat het dood was en keek naar Heinrich en Mina, die keelpijn hadden."

"Roodvonk, vrouwtje; je hadt me eerder moeten roepen," zei hij knorrig. Vrouw Hummel vertelde hem toen, dat ze arm was en dat ze daarom zelf haar best gedaan had om het kindje te genezen; maar nu was het te laat, en ze kon hem slechts smeeken voor de anderen te zorgen, en hoopte, dat liefdadige menschen haar in staat zouden stellen hem te betalen. Toen glimlachte hij en werd wat vriendelijker, maar het was zoo treurig, en ik schreide met hen mee, tot de dokter zich op eens omkeerde en zei, dat ik dadelijk naar huis moest gaan en belladonna innemen, want dat ik anders ook het roodvonk zou krijgen."

"O, neen, dat zul je niet!" riep Jo, haar met een verschrikt gezicht vast in de armen sluitende. "O, Bets, als jij ziek wordt, kan ik het me zelf nooit vergeven! Wat zullen we doen?"

"Wees maar niet zoo angstig, ik denk, dat ik het niet erg zal hebben; ik keek eens in Moeders boek en daar stond, dat het begint met hoofdpijn, keelpijn en zoo'n wonderlijk gevoel als ik heb; dus toen heb ik wat belladonna genomen, en nu voel ik me al wat beter," zei Bets, terwijl zij haar ijskoude handen tegen haar brandend voorhoofd drukte en haar best deed om er gewoon uit te zien.

"Was Moeder maar thuis!" riep Jo uit, terwijl ze naar het boek greep en gevoelde, dat Washington ontzettend ver weg was. Ze las een bladzijde, keek Bets eens aan, voelde haar hoofd, tuurde in haar keel en zei toen ernstig: "Je bent meer dan een week lang elken dag bij het kind geweest en bij de anderen, die op het punt staan het ook te krijgen; ik ben dus wel bang, dat jij ook besmet zult zijn, Bets. Ik zal Hanna roepen; die weet alles van ziekte af."

"Laat Amy vooral niet hier komen, ze heeft het nooit gehad en ik zou niet willen, dat ze het van mij kreeg. Kunnen jij en Meta het niet nóg eens krijgen?" vroeg Bets angstig.

"Ik denk het niet en ik geef er ook niets om; 't zou juist zijn wat ik verdiende, zelfzuchtig schepsel dat ik ben, met jou te laten gaan en zelf thuis te blijven om nonsens te schrijven," mompelde Jo, terwijl ze Hanna ging raadplegen.

Die goede ziel was in een oogenblik klaar wakker en dadelijk gereed tot hulp en goeden raad; ze verzekerde Jo, dat er geen reden tot ongerustheid was; iedereen kreeg het roodvonk, en als het maar goed behandeld werd, stierf niemand er aan; hetgeen Jo alles als een evangelie aannam, zoodat ze, aanmerkelijk gerustgesteld, Meta ging roepen.

"Nu zal ik u eens zeggen wat we zullen doen," zei Hanna, nadat ze Bets had bekeken en ondervraagd: "we zullen dokter Bangs laten halen, om eens even naar je te zien, liefje, en om te zorgen, dat we het niet verkeerd aanleggen; dan zullen wij Amy voor een poosje naar tante March sturen, om haar buiten de besmetting te houden, en moet een van de groote meisjes een paar dagen thuis blijven om Bets gezelschap te houden."

"_Ik_ zal natuurlijk thuis blijven, ik ben de oudste," begon Meta, met een bezorgd en berouwvol gezicht.

"Neen, _ik_, want het is mijn schuld, dat ze ziek is, ik zei tegen Moeder, dat ik de boodschappen zou doen, en ik heb het niet gedaan," zei Jo beslist.

"Wie wil je hebben, Bets? er is er maar één noodig," vroeg Hanna.

"Liefst Jo," en Bets leunde haar hoofd tegen haar zuster aan met zulk een tevreden blik, dat dit punt op eens beslist was.

"Ik zal het Amy gaan vertellen," zei Meta, wel wat gegriefd, maar over 't geheel verlicht, want zij hield niet van ziekenoppassen en Jo wel.

Amy kwam in openlijken opstand en verklaarde hartstochtelijk, dat ze liever het roodvonk wou krijgen, dan naar tante March gaan. Meta redeneerde, smeekte en beval; alles vergeefs, Amy hield vol, dat ze _niet_ ging en Meta verliet haar in wanhoop om met Hanna te beraadslagen wat er gedaan moest worden. Voor zij terugkwam, trad Laurie de kamer binnen en vond Amy snikkende, met het hoofd in de canapékussens verborgen. In de hoop, troost te vinden, vertelde ze de reden van haar droefheid, maar Laurie stak de handen in den zak en wandelde met gefronste wenkbrauwen en zacht fluitend de kamer op en neer. Eindelijk kwam hij naast haar zitten en begon op zijn meest overredenden toon: "Kom, wees nu verstandig en doe wat ze zeggen. Neen, schrei niet, maar hoor eens wat een mooi plannetje ik gemaakt heb. Jij gaat naar tante March, en ik kom je elken dag halen om te wandelen of te rijden, en we zullen een hoop plezier samen hebben. Is dat niet beter, dan hier te zitten pruilen?"

"Ik wil niet weggestuurd worden, alsof ik in den weg loop," snikte Amy op beleedigden toon.

"Maar mijn lieve kind, het is om je gezond te houden. Je verlangt toch niet ziek te worden, is 't wel?"

"Neen, natuurlijk niet; maar ik zal het tóch wel worden, want ik ben den heelen tijd bij Bets geweest."

"Dat is juist de reden, waarom je dadelijk weg moet, dan blijf je misschien nog vrij. Verandering van lucht en voorzichtigheid zullen je, denk ik, wel vrijwaren, of in alle gevallen je het roodvonk in minderen graad doen krijgen. Ik raad je, maar zoo gauw mogelijk heen te gaan, want roodvonk is geen gekheid, juffertje."

"Maar het is zoo vervelend bij tante March; ze is zoo knorrig," zei Amy wel wat verschrikt.

"Het zal niet zoo vervelend zijn, als ik elken dag eens in kom loopen om je te vertellen, hoe het met Bets is en om je te komen halen, om met mij uit te gaan. Ik sta nogal in een goed blaadje bij de oude dame, en ik zal zoo beleefd mogelijk tegen haar zijn; dan zullen we haar wel verteederen."

"Zul je me met het hittenwagentje en Puck komen halen?"

"Op mijn woord van eer."

"Vast elken dag?"

"Dat zul je eens zien."

"En mij dadelijk terug halen, als Bets beter is?"

"Op de minuut af."

"En met mij naar de comedie gaan?"

"Naar twaalf comedies, als we maar mogen."

"Nou--dan--denk ik--dat ik maar gaan zal," zei Amy langzaam.

"Mooi zoo! Ga nu Meta maar eens opsnorren en haar vertellen, dat je je hoofd gebogen hebt," zei Laurie, met een goedkeurend tikje, wat Amy nog meer ergerde, dan dat "het hoofd buigen."

Meta en Jo kwamen naar beneden loopen om het wonder, dat had plaats gegrepen, te aanschouwen, en Amy, die zichzelf nu heel interessant en zelfopofferend begon te vinden, beloofde te zullen gaan, wanneer de dokter dacht, dat Bets ziek zou worden.

"Hoe is 't met onze Bets?" vroeg Laurie, want Betsy was zijn bijzondere lieveling, en hij was veel ongeruster over haar dan hij wilde toonen.

"Ze ligt nu een poosje op Moeders bed en voelt zich wat beter. De dood van dat kindje heeft haar erg getroffen, maar verder geloof ik dat het gevatte kou is. Hanna _zegt_ ook dat zij het denkt, maar ze kijkt ongerust, en dat maakt me zenuwachtig," antwoordde Meta.

"Wat is de wereld toch een jammerdal," zuchtte Jo, met een wanhopig gebaar haar kuif opstrijkend. "Pas zijn we de eene zorg te boven, of er is weer een andere in aantocht! En nu moeder weg is, is er zoo niets om je aan vast te houden; ik ben ten minste ten einde raad."

"Nou, maak maar geen stekelvarken van je zelf, dat staat je niks. Strijk je lokken glad, Jo, en vertel m'eens, of ik ook aan je moeder zal telegrafeeren of iets anders doen?" vroeg Laurie, die zich nog niet had kunnen verzoenen met het verlies van de "eenige schoonheid" zijner vriendin.

"Dat is het juist wat me zenuwachtig maakt," zei Meta. "Ik vind dat we het moeder moeten berichten, wanneer Bets wezenlijk ziek is, maar Hanna zegt, dat we het niet moeten doen, omdat Moeder Vader niet alleen kan laten en het haar maar ongerust zou maken. Bets zal wel niet lang ziek zijn en Hanna weet precies wat ze doen moet, en Moeder zei, dat we naar haar moesten luisteren; dus moeten we ons, dunkt mij, aan Hanna houden, hoewel ik het toch niet heel goed vind."

"Hm, ja, ik weet het niet; vraag het eens aan Grootvader, als de dokter er geweest is."

"Ja, dat is goed; Jo, ga jij dadelijk Bangs halen, want we kunnen over niets beslissen, voordat hij er geweest is," commandeerde Meta.

"Blijf waar je bent, Jo; ik ben de boodschaplooper van deze inrichting," zei Laurie zijn pet grijpende.

"Heb je 't niet te druk?" begon Meta.

"Neen, ik heb mijn werk voor vandaag af."

"Werk je in de vacantie?" vroeg Jo.

"Ik volg het goede voorbeeld van mijn buren," was Laurie's antwoord, toen hij de kamer uitstapte.

"Ik heb de beste verwachtingen van mijn jongen," zei Jo, hem met een goedkeurenden glimlach naziende, terwijl hij over de heining sprong.

"O, ja, hij is nog al geschikt--voor een jongen," was Meta's eenigszins onvriendelijk antwoord, want het onderwerp interesseerde haar niet.

Dokter Bangs kwam en verklaarde dat Bets kenteekenen van roodvonk vertoonde, maar hij hoopte dat ze het in lichten graad zou hebben, hoewel hij zeer ernstig keek bij het vernemen van de Hummel-geschiedenis. Amy werd dadelijk weggezonden met een dosis voorbehoedmiddelen; ze vertrok in alle statie, met Jo en Laurie tot geleide.

Tante March ontving hen met haar gewone gastvrijheid.

"Wat moet je nu hebben?" vroeg zij, grimmig over haar bril heenkijkende, terwijl de papegaai, die op de leuning van haar stoel zat, krijschte:

"Ga weg; geen jongens hier!"

Laurie ging voor het raam staan en Jo deed haar verhaal.

"Juist wat te verwachten was, wanneer je moeder jullie toestaat bij allerlei arme menschen in en uit te loopen. Amy kan blijven en zich hier nuttig maken, als ze niet ziek wordt; maar dat zal wel--zij ziet er nu al naar uit. Schrei niet, kind, ik word zenuwachtig, als ik menschen zoo hoor snuffen."

Amy _was_ op het punt te gaan schreien, maar Laurie trok tersluiks den papegaai bij zijn staart, wat dit dier een verschrikten schreeuw ontlokte en hem op zoo'n dwazen toon "Genadige hemel!" deed roepen, dat ze in plaats daarvan begon te lachen.

"Welke tijding heb je van je moeder?" vroeg de oude dame snibbig.

"Vader is veel beter," antwoordde Jo, terwijl ze haar best deed een ernstig gezicht te zetten.

"Zoo, waarlijk? Nu, dat zal niet lang duren, denk ik. March had nooit een sterk gestel," was het opbeurend antwoord.