Chapter 17
En geen wonder dat de arme mevrouw versufte door 't schrijven, denken en aanwijzingen geven. Meta smeekte haar een oogenblik stil in haar kamer te gaan zitten, en hen te laten werken. Allen vlogen uit elkander als bladeren voor den wind, en de rust van 't gezin was plotseling verstoord, alsof het telegram een boosaardige tooverroede geweest was.
De oude heer Laurence kwam onmiddellijk met Bets terug en bracht alle verkwikkingen voor den zieke mede, die hij kon verzinnen, en beloofde gedurende de afwezigheid der moeder voor de meisjes te zullen zorgen, hetgeen mevrouw March zeer gerust stelde. Er was niets wat hij niet aanbood, van zijn eigen kamerjapon tot zijn geleide toe. Maar dit laatste was onmogelijk. Mevrouw March wilde er niet van hooren, dat de oude heer die lange reis zou ondernemen, hoewel ze eerst zeer verlicht scheen, toen hij er van sprak, want wanneer men angstig is, is men niet heel geschikt voor verre reizen. Hij zag den blik, fronste de wenkbrauwen, wreef zijn handen en stond plotseling op, zeggende dat hij dadelijk zou terugkomen. Niemand had meer tijd om aan hem te denken, totdat Meta, die met een paar overschoenen in de eene, en een kopje thee in de andere hand de gang doorliep, plotseling op Brooke stuitte.
"Wat droevig nieuws, juffrouw March," zei hij op een hartelijken, kalmen toon, die haar in haar onrust weldadig toeklonk. "Ik kom om uw moeder mijn geleide aan te bieden. Mijnheer Laurence heeft iets voor me te doen in Washington, en het zal me een groote voldoening zijn, wanneer ik mevrouw March van dienst kan wezen."
De overschoenen vielen op den grond, en bijna volgde de thee hun voorbeeld, terwijl Meta hem de hand reikte, met een gezicht zoo blij en dankbaar, dat Brooke zich ruimschoots beloond zou achten voor een nog veel grooter opoffering, dan die van wat tijd en gemak.
"Wat is iedereen vriendelijk, Moeder zal het zeker aannemen; en het is zoo'n rust voor ons te weten, dat er iemand bij haar is die voor haar zorgen kan. Ik dank u heel, héél hartelijk."
Meta sprak ernstig en vergat zichzelf geheel, totdat een zeker iets in de bruine oogen haar deed bedenken, dat de thee koud kon worden, waarop ze Brooke binnen liet en zei, dat ze haar moeder roepen zou.
Alles was geregeld, toen Laurie terugkwam met een briefje van tante March, met de gevraagde som en een paar regels om te melden, dat zij altijd wel gezegd had, hoe bespottelijk het was voor March, zich bij het leger te voegen. Zij had altijd voorspeld, dat ze er spijt van zouden hebben, en ze hoopte, dat men een anderen keer naar haar raad luisteren zou. Mevrouw March wierp het briefje in het vuur, stak het geld in haar zak, en ging met vast opeengedrukte lippen voort met haar toebereidselen, op een manier, die Jo zou begrepen hebben, wanneer ze er bij was geweest.
De korte namiddag liep ten einde; al de boodschappen waren gedaan; Meta en haar moeder waren druk bezig met naaiwerk, dat nog noodig af moest, terwijl Bets en Amy voor de thee zorgden, en Hanna met vliegende vaart stond te strijken, maar nog kwam Jo niet thuis. Men begon ongerust te worden en Laurie ging uit om haar te zoeken, want niemand kon weten welken nieuwen inval Jo nu weer in het hoofd mocht gekregen hebben. Hij liep haar evenwel mis, en ze kwam weldra binnenstappen met een vreemde uitdrukking op haar gezicht, eene mengeling van spot en vrees, voldoening en spijt, die de familie evenzeer verbaasde als het rolletje banknoten, dat zij voor haar moeder neerlegde, terwijl ze op ontroerden toon zei: "Dit is mijn bijdrage om Vader al het noodige te geven en hem naar huis te brengen."
"Maar kind, waar heb je dat gekregen? vijf-en-twintig dollars! Jo, ik hoop, dat je niets overijlds gedaan hebt!"
"Neen, het is eerlijk van mij; ik heb het niet gebedeld, geleend of gestolen. Ik heb het verdiend en ik geloof niet, dat u mij beknorren zult, want ik heb verkocht wat mijn eigendom was."
Terwijl ze sprak, zette Jo haar hoed af, wat een algemeenen kreet uitlokte, want haar mooi, dik haar was afgeknipt.
"Je haar! je prachtige haar!" "O, Jo, hoe kon je dat doen! Je eenige schoonheid!" "Mijn lieve kind, dat was niet noodig geweest." "Ze lijkt niets meer op mijn ouwe Jo, maar ik heb er haar des te liever om.
Terwijl allen door elkander riepen en Bets den jongensbol teeder kuste, zette Jo een onverschillig gezicht, dat evenwel niemand misleidde, en zei, terwijl ze de korte lokken opstreek en haar best deed om te kijken, alsof ze 't plezierig vond: "Het heil der natie is er niet mee gemoeid; jammer dus maar niet, Meta. Het is goed voor mijn ijdelheid; ik werd te trotsch op mijn pruik en 't zal mijn hersens opfrisschen, dat er niet meer zoo'n vracht op drukt. Mijn hoofd voelt heerlijk licht en koel, en de kapper zei dat ik gauw een krullebol zou krijgen; dat zal dus heel netjes staan, en gemakkelijk zijn om in orde te houden. Ik ben er tevreden mee; neemt u dus als 't u belieft het geld en laat ons gaan eten."
"Vertel me er alles van, Jo; _ik_ ben er niet zoo tevreden mee, hoewel ik niet op je kan knorren, want ik weet hoe gewillig je je ijdelheid, zooals je het noemt, hebt opgeofferd aan je liefde. Maar, lieveling, het was niet noodig, en ik vrees, dat het je gauw berouwen zal," zei mevrouw March.
"Neen, dat zal het niet," zei Jo beslist, zich verlicht voelende, dat ze om haar buitensporigheid niet heelemaal werd veroordeeld.
"Hoe kwam je er toe?" vroeg Amy, die even lief haar hoofd als haar mooie krullen zou willen missen.
"Wel, ik brandde van verlangen, om iets voor Vader te doen," zei Jo, terwijl zij om de tafel gingen zitten, want gezonde, jonge menschen kunnen zelfs in de grootste droefheid eten. "Ik haat leenen, net als Moeder, en ik wist, dat Tante March zou zeuren; dat doet zij altijd, al vraag je haar maar om een cent. Meta had haar salaris van dit kwartaal heelemaal voor de huur gegeven, en ik had voor het mijne alleen kleeren voor mezelf gekocht. Ik voelde me dus heel egoïstisch en moest geld zien te krijgen, al zou ik er ook mijn neus voor hebben moeten verkoopen."
"Je hoefde je niet egoïstisch te voelen, mijn kind, want je hadt geen behoorlijke winterkleeren, en je hebt ze zoo eenvoudig mogelijk voor eigen, zuur verdiend geld gekocht," zei mevrouw March met een blik, die Jo's hart goeddeed.
"Ik had er in 't eerst volstrekt geen idee op om mijn haar te gaan verkoopen, maar ik liep al maar te denken, wat ik toch zou kunnen doen, en ik kreeg bijna lust om mij zelf maar eens goed uit een van die groote magazijnen te bedienen. Voor het raam van een kapper zag ik haarvlechten hangen met den prijs er aan, en een zwarte staart, die wel wat langer, maar niet zoo dik was als de mijne, kostte veertig dollar. Op eens viel het me in, dat ik toch _iets_ bezat, wat geld waard was, en zonder er verder over na te denken, stapte ik naar binnen en vroeg of ze haar kochten, en wat dan het mijne waard zou zijn."
"Ik weet niet, hoe je het durfde," zei Bets op een toon vol ontzag.
"O, het was een heel klein mannetje, dat er uitzag of hij van zijn leven niets anders deed dan zijn haar parfumeeren. Hij keek eerst heel verbaasd, en was zeker niet gewoon, dat meisjes zijn winkel binnenstormden om te vragen, of hij hun haar wou koopen. Hij zei, dat hij volstrekt niet op het mijne gesteld was; het was de modekleur niet, en hij betaalde nooit veel voor levend haar; het werd pas geld waard door de bewerking. 't Werd laat, en ik was bang, dat, als ik het niet dadelijk deed, er niets meer van komen zou, en jullie weet, wanneer ik eens iets begin, heb ik er een hekel aan het op te geven. Ik verzocht hem dus dringend het te koopen, en vertelde hem, waarom ik zoo'n haast had. 't Was gek misschien, maar het scheen hem te treffen, want ik werd nogal opgewonden en vertelde de zaak op mijn holderdebolder-manier, en zijn vrouw hoorde het en zei heel vriendelijk:
"Neem het maar, Thomas, om de jonge dame genoegen te doen; ik zou morgen aan den dag hetzelfde doen voor Jimmy, zoolang ik nog een spiertje haar over had."
"Wie was Jimmy?" vroeg Amy, die graag dadelijk van alles uitleg had.
"Haar zoon, zei ze, die ook in het leger is. Wat voel je je door zooiets eigen met vreemden, hè? Ze praatte al maar door, terwijl haar man knipte, en leidde daardoor mijn gedachten kostelijk af."
"Vondt je 't niet vreeselijk, toen de schaar er voor 't eerst ingezet werd?" vroeg Meta met een huivering.
"Ik sloeg nog een laatsten blik op mijn staart, terwijl de man zijn benoodigdheden kreeg, en dat was alles. Over zulke kleinigheden hoef ik nooit te schreien, maar ik moet toch zeggen, dat het me een wonderlijke gewaarwording gaf, toen ik mijn dierbare, oude pruik daar op de tafel zag liggen, en niets dan de korte vlokjes op mijn hoofd voelde. 't Was net of me een arm of een been was afgezet. De vrouw zag, dat ik er naar keek, en gaf me een lange lok om te bewaren. Die zal ik aan u geven, Moes, om u aan mijn vorige pracht te herinneren, want een kroeskop is zoo makkelijk, dat ik niet denk, ooit weer lange manen te laten groeien."
Mevrouw March wond de golvende, kastanjebruine lok in elkander, en sloot die met een andere, een korte grijze, weg in haar lessenaar. Ze zei niets meer dan: "Dankje, lieveling!" maar een zeker iets in haar blik deed de meisjes van onderwerp veranderen, en zoo opgeruimd mogelijk doorpraten over de vriendelijkheid van mijnheer Brooke, de waarschijnlijkheid, dat het den volgenden dag mooi weer zou zijn, en den heerlijken tijd dien ze zouden hebben, als Vader thuiskwam om opgepast te worden.
Niemand verlangde naar bed, toen mevrouw March om tien uur het laatste stuk verstelwerk neerlegde en zei: "Komt, meisjes." Bets ging naar de piano en speelde Vader's lievelingsgezang; allen begonnen vol moed, maar raakten een voor een van streek, zoodat ten laatste Bets alleen van ganscher harte bleef zingen, want voor haar was muziek altijd de beste troosteres.
"Gaat nu naar bed en praat niet meer, want we moeten vroeg op en hebben wel al den slaap noodig, dien we krijgen kunnen. Goeden nacht, mijn lieve kinderen," zei mevrouw March, toen het gezang ten einde was, want niemand verlangde een tweede in te zetten.
De meisjes kusten haar zwijgend en gingen zoo stil naar bed, alsof de dierbare zieke in de andere kamer lag. Bets en Amy vielen gauw in slaap, ondanks de groote droefheid, maar Meta lag wakker, vervuld van de ernstigste gedachten, die ze nog ooit in haar jong leven had overdacht. Jo verroerde zich niet, en Meta meende dat ze sliep, toen een gesmoorde snik en het voelen van een betraande wang haar deden uitroepen:
"Jolief, wat is er? Schrei je om je vader?"
"Neen, nu niet."
"Waarom dan?"
"Mijn--mijn haar," barstte de arme Jo uit, terwijl ze vergeefsche pogingen deed om haar aandoening in haar kussen te smoren.
Het klonk Meta volstrekt niet belachelijk toe, en ze kuste en liefkoosde de bedroefde heldin zoo teeder mogelijk.
"Het spijt me niet," riep Jo al snikkende. "Ik zou het morgen weer doen als ik kon. Het is alleen maar het zelfzuchtige, ijdele gedeelte van me, dat nu zoo moet schreien. Vertel het aan niemand, want het is nu al weer over. Ik dacht dat je sliep, en dat ik dus wel eens even in het geheim kermen mocht over mijn eenige schoonheid. Hoe kom jij zoo wakker te liggen?"
"Ik kan niet slapen, ik ben zoo ongerust," zei Meta.
"Denk dan aan iets plezierigs, dan zul je wel gauw onder zeil gaan."
"Dat heb ik al geprobeerd, maar ik blijf klaar wakker."
"Waar heb je dan aan gedacht?"
"Aan knappe gezichten, oogen vooral," zei Meta, stilletjes glimlachend in het donker.
"Van welke kleur van oogen houdt je het meest?"
"Van bruine--dat is te zeggen--blauwe zijn soms ook heel aantrekkelijk."
Jo lachte, waarop Meta haar op scherpen toon verbood langer te praten, haar toen weer heel hartelijk beloofde, dat ze haar haar zou friseeren en eindelijk in slaap viel om van haar luchtkasteel te droomen.
De klok sloeg middernacht, en het was doodstil in de kamers, toen een gedaante van bed tot bed gleed, hier een deken recht leggende, daar een kussen verschikkende, en terwijl ze lang en teeder de slapende gezichtjes beschouwde, op ieder een lichten kus drukte, het hart vol van die onuitgesproken, maar innige gebeden, die slechts een moeder kan opzenden. Toen ze het gordijn ophaalde en in den somberen nacht naar buiten staarde, brak de maan plotseling door en keek haar aan, als een trouw, vriendelijk gelaat, dat haar zachtkens toefluisterde: "Houd moed; er is altijd licht achter de wolken."
HOOFDSTUK XVI.
BRIEVEN.
In de koude morgenschemering staken de meisjes het licht aan en lazen hun hoofdstuk met een tot nog toe ongekenden ernst, want nu de schaduw van wezenlijke droefheid op hen gevallen was, beseften ze eerst recht, hoe rijk aan zonneschijn hun leven geweest was. De kleine boekjes stonden vol woorden van hulp en troost, en terwijl ze zich aankleedden, kwamen ze overeen, blijmoedig en hoopvol afscheid te nemen, en hun moeder de reis te laten aanvaarden, zonder haar door tranen of klachten te bedroeven. Alles leek zoo vreemd, toen ze naar beneden gingen; buiten alles zoo donker en stil, binnen overal licht en beweging. Op dit vroege uur zag het ontbijt er zoo wonderlijk uit, en zelfs Hanna's gezicht scheen onnatuurlijk, zooals ze door de keuken vloog met haar nachtmuts op.
De groote koffer stond klaar in de gang, Moeders hoed en shawl lagen op de canapé, en Moeder zelf zat daar en deed haar best om iets te eten, maar zag zoo bleek en afgemat door slapeloosheid en angst, dat het de meisjes veel moeite kostte zich dapper te houden. Meta's oogen stonden gedurig, voordat ze het wist, vol tranen; Jo moest meer dan eens haar gezicht in den keukenhanddoek verbergen, en in de oogen van "de kleintjes" lag een ernstige, verwonderde uitdrukking, alsof droefheid nog nieuw voor hen was. Niemand sprak veel, maar toen de tijd van scheiden naderde en ze op het rijtuig zaten te wachten, zei mevrouw March tot de meisjes, die allen om haar heen bezig waren, de een met het opvouwen van haar shawl, de andere met het strikken van haar keellinten, de derde met het aantrekken van haar overschoenen, en de vierde met het sluiten van haar reistasch:
"Kinderen, ik laat jullie achter aan Hanna's zorg en in de hoede van mijnheer Laurence; Hanna, onze oude getrouwe, zal jullie tot grooten steun zijn en onze goede buurman zal over jullie waken, alsof je zijn eigen dochters waart. Ik ga dus zonder zorg, wat dat betreft, maar ik wou zoo graag, dat jullie deze droefheid op de rechte manier beschouwden. Gaat, als ik weg ben, niet zitten treuren of klagen, en denkt niet, dat je getroost zult worden als je niets uitvoert. Zet als naar gewoonte je bezigheden voort, want arbeid is een groote troost. Blijft hopen en werken: en wat er ook gebeure, bedenkt dat je nooit geheel vaderloos kunt zijn."
"Ja, Moeder."
"Meta, lieve, wees voorzichtig, pas op de zusjes, raadpleeg Hanna, en wanneer je geen raad weet met het een of ander, ga dan naar mijnheer Laurence. Jo, wees geduldig, wordt niet moedeloos, en doe geen overijlde dingen; schrijf me dikwijls en wees mijn flinke dochter, altijd gereed ons allen te helpen en op te beuren. Bets, zoek je troost in de muziek, lieve kind, en wees getrouw in je huiselijke plichten, en jij, Amy, wees zooveel mogelijk behulpzaam en gehoorzaam en blijf tevreden en rustig thuis."
"We beloven 't u, Moeder," verzekerde het bedroefde viertal.
Het geratel van een naderend rijtuig deed allen opschrikken en luisteren. Nu kwam het moeilijkste oogenblik, maar de meisjes stonden het moedig door; niemand schreide, niemand liep weg, niemand klaagde, hoewel 't hun angstig te moede werd, bij het zenden van hartelijke groeten aan Vader, terwijl ze bedachten, dat het mogelijk reeds te laat was, om ze hem te kunnen overbrengen. Kalm kusten zij hun moeder vaarwel, innig omhelsden ze haar en toen ze wegreed trachtten ze haar vroolijk na te wuiven.
Laurie en zijn grootvader kwamen om haar te zien vertrekken, en de jonge Brooke zag er zoo ferm en verstandig en vriendelijk uit, dat de meisjes hem onmiddellijk "mijnheer Edelhart" [9] doopten.
"Vaarwel, lievelingen! God zegene en behoede ons allen!" fluisterde mevrouw March, terwijl ze het eene dierbare gezichtje na het andere kuste, en zoo spoedig mogelijk in het rijtuig stapte.
Terwijl ze wegreed, kwam de zon van achter de wolken te voorschijn, en toen zij nog eens omkeek, zag ze haar heldere stralen, als een goed voorteeken, rusten op het groepje bij het hek. De meisjes merkten het ook op en glimlachten en wuifden, en het laatste wat mevrouw March bij het omslaan van den hoek zag, waren de vier blijmoedige gezichtjes, en daarachter, als een soort van lijfwacht, de oude heer Laurence, de trouwe Hanna en de hartelijke Laurie.
"Wat is iedereen vriendelijk voor ons," zei ze, zich tot den jongen man wendend, op wiens gezicht ze een nieuw bewijs van haar woorden vond, door het innig medegevoel dat er uit sprak.
"Ik zou niet weten hoe iemand dat kon laten," antwoordde Brooke en lachte zoo aanstekelijk, dat mevrouw March een glimlach niet bedwingen kon; en zoo begon de reis onder de goede voorteekenen van zonneschijn en opwekkende woorden.
"Ik heb een gevoel of er een aardbeving geweest is," zei Jo, toen de buren naar huis waren gegaan om te ontbijten, en de meisjes wat gingen rusten en zich verfrisschen.
"Het is net of het huis uitgestorven is," voegde Meta er somber bij.
Bets opende den mond om ook iets te zeggen, maar kon slechts wijzen naar den stapel net gemaasde kousen, die op Moeders tafel lag, als een bewijs hoe ze nog in de laatste oogenblikken aan hen had gedacht en voor hen gewerkt had. Het was maar een kleinigheid, maar het trof de meisjes in het diepst van haar ziel, en in spijt van al hun moedige voornemens, barstten ze allen in snikken uit.
Hanna was zoo verstandig ze maar eerst te laten uitschreien; en toen de bui scheen op te klaren, kwam ze te hulp, gewapend met een koffiekan.
"Nu, lieve kinders, bedenkt nu eens wat uw ma gezeid heeft van niet te treuren; kom, laten we allemaal een kopje troost drinken en dan aan 't werk gaan, en een eer zijn voor de familie."
Koffie was een tractatie, en Hanna toonde veel tact, door ze dien morgen te zetten. Niemand kon haar aanmoedigende knikje of den welriekenden geur uit de tuit van de koffiekan weerstand bieden. Ze schoven aan tafel, verwisselden hun zakdoeken voor servetten, en waren binnen tien minuten allen weer op streek.
"Hopen en werken," dat is een mooi motto voor ons; laten w' eens zien, wie dat het best onthoudt. Ik zal als naar gewoonte naar Tante March gaan; maar o, wat zál ze zeuren!" zei Jo, die met vernieuwden moed van haar kopje zat te genieten.
"Ik zal naar mijn geliefde Kings trekken, hoewel ik veel liever thuis zou blijven, om hier allerlei kleinigheden te doen," zuchtte Meta, wenschende dat ze haar oogen niet zoo rood geschreid had.
"Dat is niet noodig; Bets en ik kunnen heel goed huishouden," zei Amy, met een gewichtig air.
"Hanna zal ons wel zeggen wat we doen moeten; en we zullen zorgen, dat alles netjes in orde is, tegen dat jullie thuis komt," voegde Bets er bij, terwijl ze zonder uitstel theedoek en afwaschbakje kreeg.
"Ik vind verdriet eigenlijk wel interessant," zei Amy, die met een peinzend gezicht een hapje suiker nam.
De meisjes _moesten_ lachen, of ze wilden of niet, en dat deed hun goed, hoewel Meta het hoofd schudde tegen de jonge dame, die troost kon vinden in den suikerpot.
Een blik op de puddingtrommeltjes maakte Jo weer ernstig, en toen het tweetal aan den dagelijkschen arbeid trok, keken zij treurig om naar het raam, waarvoor ze altijd gewoon waren Moeder te zien. Helaas, ze was verdwenen; maar Bets had gedacht aan de oude, gezellige gewoonte, en stond te knikken, te knikken--als een rooskleurig Mandarijntje.
"Net iets voor mijn Bets!" zei Jo, met een dankbaar gezicht haar hoed zwaaiende. "Adieu, Meet; ik hoop, dat de Kings vandaag niet zullen drenzen. Tob niet over Vader, beste," voegde ze er bij, terwijl ze scheidden.
"En ik hoop, dat Tante Mach niet zal preeken. Je haar staat je erg jongensachtig, maar wel netjes," zei Meta, die haar best moest doen niet te lachen om het krullebolletje, dat zoo grappig klein scheen op haar lange zuster.
"Dat is mijn eenige troost," zei Jo, aanslaande à la Laurie, met een gevoel, als een geschoren schaap op een winterdag.
De eerstvolgende tijding van den zieke luidde gelukkig geruststellend; want hoewel hij gevaarlijk ziek was, had de tegenwoordigheid van de beste en teederste verzorgster hem reeds veel goed gedaan. Mijnheer Brooke zond elken dag een bulletin, dat met den dag hoopvoller werd, en als hoofd des huisgezins stond Meta er op, de berichten te mogen voorlezen. In het eerst verlangden allen om het hardst te schrijven, en volgepropte enveloppes werden zorgvuldig in de bus gestoken door een van de zusjes, die zich zeer gewichtig voelden door die Washingtonsche correspondentie. De pakketten bevatten soms karakteristieke brieven van de heele familie; zoo schreef Meta:
Liefste Moeder.
Ik kan u onmogelijk zeggen, hoe blij we met uw laatsten brief waren, want het was zulk goed nieuws, dat we er om moesten lachen en schreien tegelijk. Wat is mijnheer Brooke vriendelijk, en wat een geluk, dat de zaken van mijnheer Laurence hem zoolang in Washington houden, daar hij u en Vader van zooveel dienst is. "De kleintjes" zijn erg lief. Jo helpt mij met naaien en staat er op, alle moeilijke dingen te doen. Ik zou bang zijn, dat ze zich overwerkte, als ik niet wist, dat haar "ijverige bui" wel niet lang zal duren. Bets is met al haar bezigheden zoo geregeld als de klok, en vergeet nooit wat u haar gezegd hebt. Ze treurt erg om Vader, en kijkt altijd ernstig, behalve wanneer ze voor haar piano zit. Amy is heel gehoorzaam, en ik zorg goed voor haar. Ze maakt zelf haar haar op, en ik leer haar knoopsgaten maken en kousen mazen. Zij doet aandoenlijk haar best, en ik denk, dat u blij zult zijn over haar vorderingen, wanneer u terugkomt. Mijnheer Laurence houdt de wacht over ons als een oude klokhen, zegt Jo, en Laurie is heel vriendelijk en behulpzaam. Hij en Jo houden ons vroolijk, want nu en dan zijn we erg triest en voelen we ons net weezen, nu u en Vader zoo ver weg zijt. Hanna is een ware heilige; ze bromt nooit en noemt mij "juffrouw Margaretha," heel gepast, vindt u niet? en ze behandelt me met grappigen eerbied. We zijn allen best in orde en druk aan 't werk, maar we verlangen dag en nacht naar uw terugkomst. Kus Vader zoo hartelijk mogelijk van
Uw eigen Meta.
Deze brief, netjes op geparfumeerd papier geschreven, vormde een groot contrast met den volgenden, die op een groot vel mailpapier was gekrabbeld, en versierd met vlekken en allerlei soort van krullen en langstaartige letters.
Mijn engelachtig Moedertje,