Chapter 16
"Er steekt niets in, Jo; ik heb thuis wel een biljart, maar er is niets aan, wanneer je geen goede spelers hebt, en omdat ik het graag doe, kom ik er wel eens om een partij met Ned Moffat, of een van de anderen te spelen."
"Och heden, dat spijt mij, want je zult er al meer en meer van gaan houden, er je tijd en geld mee verspelen, en net als die akelige jongens worden. Ik had zoo'n hoop, dat jij degelijk zou blijven en je vrienden eer aan je zouden beleven," zei Jo, met moederlijke bezorgdheid haar hoofd schuddende.
"Kan een jongmensch zich niet eens een onschuldige uitspanning veroorloven, zonder zijn aanspraak op "degelijkheid" te verbeuren?" vroeg Laurie eenigszins geraakt.
"Dat hangt er van af, hoe en waar hij zich die veroorlooft. Ik houd niet van Ned en zijn club, en ik wou, dat jij je daar buiten hieldt. Moeder wil niet, dat hij bij ons aan huis komt, hoe graag hij ook wil, en als jij wordt als hij, zou ze niet meer toelaten, dat we zooveel pretjes met elkander hadden."
"Kom!" zei Laurie, maar hij was wel wat ongerust.
"Neen, ze kan dat soort van uitgaande heertjes niet uitstaan, en ze zou ons, geloof ik, nog liever alle vier in hoedendoozen pakken, dan ons met hen te laten omgaan."
"Nou, je moeder heeft vooreerst haar hoedendoozen nog niet voor den dag te halen, ik ben niet van dat slag, en ik verlang er niet toe te behooren, maar ik houd nu en dan wel eens van een onschuldig amusementje, en jij?"
"O, daar heeft natuurlijk niemand iets tegen; maak pret naar hartelust; als je maar niet "losbandig" wordt, want dan is er een eind aan al ons plezier."
"Ik beloof je, een driedubbele heilige te worden."
"Ik houd niet van heiligen, blijf maar een gewone, gezellige, nette jongen, dan zullen wij je nooit in den steek laten. Ik weet niet wat ik zou beginnen, als jij zooiets deed als de zoon van mijnheer King; hij had overvloed van geld, zoodat hij niet wist, wat hij er mee doen moest, en hij ging drinken en spelen en liep weg, en maakte valsche wissels op den naam van zijn vader, geloof ik, en was in ieder geval zoo slecht mogelijk."
"Je denkt dus, dat ik waarschijnlijk ook zoo doen zal? Zeer verplicht."
"Neen, dat denk ik niet, zeker niet! maar ik hoor oude menschen soms zeggen, dat veel geld hebben zoo verleidelijk is, en dan zou ik maar wenschen, dat je arm was; dan hoefde ik niet ongerust over je te zijn."
"Bèn je dan ongerust over me, Jo?"
"Ja, een beetje, als je zoo somber en ontevreden kijkt, zooals je soms doet; want je hebt zoo'n vasten wil, en wanneer je eenmaal den verkeerden weg opging, zou het moeilijk zijn je tegen te houden."
Laurie liep een paar minuten zwijgend voort, en Jo keek hem eens van ter zijde aan, wenschende dat ze haar mond gehouden had, want de uitdrukking van zijn oogen was alles behalve vriendelijk, hoewel hij nog glimlachte, alsof hij met haar waarschuwingen den spot dreef.
"Ben je van plan den heelen weg over te preeken?" vroeg hij opeens.
"Natuurlijk niet--waarom?"
"Omdat ik, als je 't van plan bent, in een omnibus stap; maar als j'er mee ophoudt, loop ik liever met je, om je iets belangrijks te vertellen."
"Ik zal niet meer preeken, en ik verlang vreeselijk het nieuws te hooren."
"Mooi, vooruit dan maar. 't Is een geheim, en als ik 't je vertel, moet je mij het jouwe ook vertellen."
"Ik heb er geen," begon Jo, maar hield plotseling op, zich herinnerende, dat ze er wel een had.
"Je weet wel beter; je kunt je toch niet goed houden! Voor den dag er dus mee, of ik vertel jou ook niets!" riep Laurie.
"Is het jouwe een aardig geheim?"
"Of het, en allemaal over menschen die je kent; zóó leuk! Je _moet_ het weten, en ik heb al lang van verlangen gebrand om het je te vertellen. Kom, jij moet beginnen."
"Zul je er thuis niet over spreken?"
"Geen woord."
"En er mij in 't geheim ook niet mee plagen?"
"Ik plaag nooit."
"Ja, dat doe je wel. Je kunt alles wat je weten wilt uit de menschen krijgen. Ik weet niet, hoe je het aanlegt, maar je bent een geboren flikflooier."
"Dank je. Kom er nou maar mee voor den dag."
"Nou, ik heb twee verhalen gebracht aan den uitgever van een courant, en hij zal mij de volgende week antwoord geven," fluisterde Jo in het oor van haar vertrouweling.
"Hoera, voor juffrouw March, de beroemde Amerikaansche schrijfster!" riep Laurie, zijn hoed in de lucht gooiend en hem weer opvangend, tot groot vermaak van twee ganzen, vier katten, vijf kippen en een half dozijn Iersche kinderen; want ze waren nu buiten de stad gekomen.
"Stil, er zal denkelijk niets van komen, maar ik had geen rust, voor ik het geprobeerd had, en ik heb er niets van gezegd, omdat ik niet wou dat iemand anders teleurgesteld zou worden."
"Ze nemen het natuurlijk aan! Wel Jo, jouw verhalen zijn Shakespeare waardig, vergeleken bij de prullen, die dagelijks verschijnen. Aardig ze in druk te zien! Wat zullen we trotsch zijn op onze schrijfster!"
Jo's oogen schitterden, gestreeld dat Laurie vertrouwen in haar stelde, want de lof van een vriend doet meer goed dan een half dozijn vleierijen in de courant.
"En nu jouw geheim? Eerlijk opbiechten, Teddy, of ik geloof je nooit meer," zei ze, terwijl ze haar best deed de blijde hoop te onderdrukken, die bij Laurie's woord van aanmoediging opvlamde.
"Ik werk er me misschien in wanneer ik het vertel, maar ik heb niet beloofd, dat ik het _niet_ vertellen zou, en dus zal ik het maar doen, want ik voel me altijd bezwaard, tot ik je elk kruimeltje nieuws dat ik te weten kom, verteld heb.--Ik weet waar Meta's handschoen is."
"Is dàt alles?" riep Jo teleurgesteld, toen Laurie met een geheimzinnig gezicht bleef knikken en knipoogen.
"Dat is meer dan voldoende voor 't oogenblik; en dat zul je met me eens zijn, zoo gauw je weet, waar hij is."
"Zeg het dan."
Laurie bukte en fluisterde Jo drie woorden in het oor, die eene komieke verandering teweegbrachten. Zij stond hem eenige oogenblikken verbaasd en verontwaardigd aan te staren en liep toen voort, terwijl zij op scherpen toon vroeg:
"Hoe weet je dat?"
"Gezien."
"Waar?"
"In zijn zak."
"Al dien tijd?"
"Ja; is 't niet romantisch?"
"Neen, 't is afschuwelijk!"
"Vindt je 't niet aardig?"
"Neen, _natuurlijk_ niet; 't is bespottelijk, het mag niet. Genade! Wat zal Meta er van zeggen?"
"Je mag het niemand vertellen, onthoud dat."
"'k Heb niks beloofd."
"Dat sprak vanzelf, en ik heb je vertrouwd."
"Goed, dan zal ik het ten minste vooreerst niet doen, maar ik vind het afschuwelijk, en ik wou dat je 't mij niet verteld hadt."
"Ik dacht dat je 't juist aardig zou vinden!"
"Aardig? Dat iemand Meta wil komen weghalen! Hoe bedenk je 't."
"Je zou het misschien aardiger vinden, als er iemand kwam om jou weg te halen," plaagde Laurie.
"Ik zou 't wel eens iemand willen zien probeeren!" riep Jo uitdagend.
"Ik ook," grinnikte Laurie.
"Ik ben niet voor geheimen geschikt, geloof ik; 't is of er een pak op mijn hart ligt, sedert je 't mij verteld hebt," zuchtte de ondankbare Jo.
"Loop dan maar eens hard den heuvel met me af, dan zul je wel weer in orde zijn," stelde Laurie voor.
Nergens was iemand te zien; de dalende weg zag er zoo uitlokkend uit, dat Jo, voor de verzoeking bezwijkend, als een pijl uit den boog vooruit vloog, hoed en kam verliezende, en overal haarspelden rondstrooiend. Laurie bereikte het eindpunt het eerst, volkomen tevreden over de uitwerking van zijn voorschrift, want daar kwam zijn Atalante aanvliegen met fladderende haren, schitterende oogen, blozende wangen en geen spoor van ontevredenheid meer op het gezicht.
"Ik wou dat ik een paard was; dan zou ik in deze heerlijke lucht uren lang kunnen voorthollen, zonder buiten adem te raken. Het was goddelijk, maar ik zie er nu ook uit als een vogelverschrikker. Toe, ga al mijn verloren schatten eens oprapen, engel, die je bent," hijgde Jo, neervallende onder een ahornboom, die het gras met zijn schitterend roode bladen bezaaide.
Laurie wandelde op zijn gemak terug om "de verloren schatten" te gaan zoeken, en Jo stak haar vlechten op, in de hoop, dat er niemand voorbij mocht komen, eer ze weer presentable was. Maar er _kwam_ iemand voorbij, en wel niemand anders dan Meta, die er bijzonder damesachtig uitzag in haar beste plunje, want ze had visites gemaakt.
"Kind, wat voer je uit!" riep zij, haar ontredderde zuster met verbazing bekijkende.
"Bladen zoeken," zei Jo, de handvol roode bladeren sorteerende, die zij gauw had opgeraapt.
"En haarspelden," zei Laurie, terwijl hij er een half dozijn op Jo's schoot gooide. "Die groeien hier langs den weg, Meta, net als kammen en bruine stroohoeden."
"Je bent weer aan 't draven geweest, Jo; hoe _kon_ je het doen? Wanneer zul je toch die jongensmanieren eens afschaffen," zei Meta berispend, terwijl ze haar dasje verschoof en haar haar gladstreek.
"Niet voordat ik oud en stijf ben en een kruk noodig heb. Doe maar niet je best om me voor den tijd oud te maken, Meta; het is al erg genoeg, dat jij zoo op eens veranderd bent; laat mij maar een kind blijven, zoolang ik kan."
Terwijl ze dit zei, boog Jo zich over haar bladen om het beven van haar lippen te verbergen; want in den laatsten tijd had ze wel gevoeld, dat Meta gauw een jonge dame zou zijn, en Laurie's geheim maakte haar bang voor de scheiding, die eenmaal komen moest en nu zoo nabij scheen. Hij zag haar ontroering en trachtte Meta's aandacht af te leiden door haar te vragen:
"Waar heb jij, zoo sierlijk uitgedost, visites gemaakt?"
"Bij de Gardiners; en Sallie heeft me alles van het huwelijk van Belle Moffat verteld. Het was prachtig geweest en ze zijn den winter in Parijs gaan doorbrengen; denk eens aan wat heerlijk!"
"Benijd je haar, Meta?" vroeg Laurie.
"Ik vrees van ja."
"Daar ben ik blij om," mompelde Jo, terwijl ze met een ruk haar hoed rechtzette.
"Waarom?" vroeg Meta verwonderd.
"Omdat je, als je op rijkdom gesteld bent, nooit hals over kop met een arm man zult trouwen," zei Jo, haar wenkbrauwen fronsend tegen Laurie, die haar zwijgend trachtte te waarschuwen, om toch niets ondoordachts te zeggen.
"Ik zal nooit _hals-over-kop_ met _iemand_ trouwen," zei Meta, zoo waardig mogelijk vooruitstappend, terwijl de anderen lachend, fluisterend en steentjes gooiend volgden, en zich "aanstelden als kinderen", zooals Meta bij zichzelf zei, hoewel ze zeker lust gehad zou hebben mee te doen, wanneer ze niet haar beste japon had aangehad.
Gedurende een paar weken gedroeg Jo zich zoo wonderlijk, dat haar zusters niet wisten, wat van haar te denken. Ze vloog naar de deur, als de postbode schelde, was opvallend onvriendelijk jegens mijnheer Brooke, wanneer ze hem ontmoette, kon soms een heele poos Meta weemoedig zitten aanstaren en dan plotseling opstaan, om haar door elkaar te schudden en haar dan op eens weer te omhelzen, alles op een even raadselachtige manier. Laurie en zij maakten altijd allerlei teekens en zinspelingen tegen elkander en praatten over "vliegende adelaars," tot de meisjes verklaarden, dat ze beiden hun verstand verloren hadden. Op den tweeden Zaterdag, nadat Jo het raam was uitgeklommen, keek Meta, die op de veranda zat te naaien, verontwaardigd, toen ze zag hoe Laurie Jo najoeg, den heelen tuin rond, en haar eindelijk in Amy's priëel gevangen nam. Wat daar voorviel, kon Meta niet zien, maar ze hoorde een luid gelach, gevolgd door een gemurmel van stemmen en een eindeloos geritsel met couranten.
"Wat zullen we toch met dat kind doen! Zij zal zich _nooit_ als een volwassen meisje leeren gedragen," zuchtte Meta, den wedren met een afkeurend gezicht volgend.
"Dat hoop ik ook niet; ze is juist zoo grappig en zoo lief, zooals ze is," zei Bets, die nooit liet blijken, dat ze een beetje gegriefd was door Jo's geheimen met een ander.
"Ja, 't is vervelend, maar we zullen haar nooit _comme la fo_ kunnen maken," voegde Amy er bij, die een paar nieuwe strikjes voor zich zelf zat te naaien, en haar krullen bijzonder netjes opgemaakt had--twee aangename dingen, die haar een gevoel gaven van buitengewone élegantie en groote-damesachtigheid.
Een paar minuten daarna stoof Jo naar binnen, viel op de canapé neer en deed alsof ze las.
"Heb je daar iets moois?" vroeg Meta neerbuigend.
"'t Is maar een verhaaltje, het beteekent niet veel, geloof ik," antwoordde Jo, terwijl ze zorgvuldig den naam van het nieuwsblad bedekt hield.
"Lees het liever hardop, dan hooren wij het meteen en heb je zelf iets te doen," zei Amy op haar deftigsten toon.
"Hoe heet het?" vroeg Bets, verwonderd dat Jo haar gezicht achter het blad verborgen hield.
"De Schilders-Wedstrijd."
"Dat kan wel aardig zijn; lees het maar," zei Meta.
Na een luid: "hm hm!" en een diepe ademhaling begon Jo zeer snel te lezen. De meisjes luisterden met belangstelling, want het verhaal was romantisch en eindigde heel aandoenlijk, daar de meeste personen tegen het slot stierven.
"Dat over dat prachtige schilderij is een mooi eindje," zei Amy, toen Jo ophield.
"Ik vind de liefdesgeschiedenis bizonder goed. Viola en Angelo zijn twee van onze geliefkoosde namen; toevallig hè?" zei Meta, haar oogen afvegende, want de liefdesgeschiedenis was héél tragisch.
"Wie heeft het geschreven?" vroeg Bets, die een oogenblik Jo's gezicht te zien had gekregen.
De lezeres kwam plotseling overeind, wierp het blad weg, waardoor een vuurrood hoofd voor den dag kwam en antwoordde, met een comische mengeling van plechtigheid en bedwongen pret:
"Je zuster!"
"Jij!" riep Meta en liet haar werk vallen.
"Het is héél goed," zei Amy critisch.
"Ik wist het wel! ik wist het wel! O, mijn lieve Jo, wat ben ik trotsch op je," en Bets vloog op haar zuster toe om haar te omhelzen, in haar innige vreugde over dit heerlijk succes.
Wat waren ze allemaal gelukkig! Meta kon het niet gelooven, voor ze den naam: "Josefine March" wezenlijk in de courant gedrukt zag; Amy critiseerde genadig de gedeelten, die over de schilderkunst handelden, en gaf aanwijzingen voor een vervolg, dat ongelukkig niet tot stand kon komen, daar de held en de heldin beiden dood waren; Bets was meer dan opgewonden en danste en zong van plezier; en toen Hanna binnenkwam riep ze: "Wel lieve ziel, heb ik ooit!" in groote verbazing over "dat gedoe van die Jo." Hoe trotsch mevrouw March was, toen ze het vernam, laat zich denken, en Jo stond met tranen in de oogen te lachen, en verklaarde, dat ze nog een pauw zou worden en dat het nu genoeg was, terwijl van "de Vliegende Adelaar" gezegd kon worden, dat hij zijn vleugelen triomfantelijk over den huize March uitspreidde, daar het aldus genoemde nieuwsblad haastig van hand tot hand ging.
"Vertel nu eens alles! Wanneer is het gekomen? Hoeveel heb j'er voor gekregen? Wat zal Vader zeggen! En wat zal Laurie lachen!" riep de familie in één adem, terwijl ze zich om Jo verdrongen, want de Marches maakten een jubilé van elke kleine huiselijke vreugde.
"Houd op met dat gekakel, kinderen dan zal ik jullie alles vertellen," zei Jo, die wel eens zou willen weten of bekende schrijfsters even trotsch waren geweest op hun eersteling als zij op haar "Schilders-wedstrijd." Nadat zij verteld had, hoe ze er met haar verhalen op uit was gegaan, vervolgde ze: "En toen ik het antwoord ging halen, zei de man, dat hij ze beide goed vond, maar dat hij eerst-beginnenden niet betaalde, en alleen maar de verhalen in zijn blad plaatste en recenseerde. Het was eene goede oefening, zei hij, en wanneer een auteur vooruitging, kon hij overal honorarium krijgen. Ik liet hem dus mijn twee verhalen houden, en vandaag werd mij dit blad toegezonden en Laurie ving mij juist op, toen ik het had, en hij wou het met alle geweld zien, en hij zei, dat het goed was, en nu ga ik meer schrijven en Laurie zal maken, dat ik voor het volgende betaald word; en o!--ik ben zóó blij, want mettertijd zal ik misschien in staat zijn om voor me zelf te zorgen en de zusjes te helpen."
Hier geraakte Jo buiten adem, en haar hoofd in de courant verbergend, besproeide ze haar verhaal met een paar gelukkige tranen; want onafhankelijk te zijn en den lof in te oogsten van hen, die ze liefhad, waren de wenschen van haar hart en dit scheen haar de eerste stap naar dat heerlijke einde.
HOOFDSTUK XV.
EEN TELEGRAM.
"November is de naarste maand van het heele jaar," zei Meta, terwijl ze op een somberen achtermiddag aan het raam stond en in den bevroren tuin keek.
"Daarom ben ik er zeker in geboren," liet Jo er peinzend op volgen, geheel onbewust van een inktvlek op haar neus.
"Wanneer er nu eens iets heel plezierigs gebeurde, zouden we het juist een heerlijke maand vinden," zei Bets, die aan alles, zelfs aan November, eene lichtzijde zag.
"Misschien, maar in deze familie gebeurt nooit eens iets plezierigs," vond Meta, die uit haar humeur was. "Wij sloven dag aan dag voort zonder eenige wisseling en maar zelden een pretje. We konden evengoed in een tredmolen loopen."
"Verschrikkelijk, wat zijn we somber!" riep Jo uit. "Het verbaast me niet, arme stakkerd, want je moet maar aanzien hoeveel plezier andere meisjes hebben, terwijl jij maar slooft, slooft, slooft, jaar in, jaar uit. O, ik wou, dat ik maar alles zoo netjes voor je regelen kon, als voor mijn heldinnen. Je bent al mooi en goed genoeg, dus zou ik je dadelijk van den een of anderen rijken bloedverwant een groote erfenis laten krijgen, en je voor den dag laten komen als een rijke, jonge dame, die ieder, die je beleedigd had, met den nek kon aanzien, buitenlands gaan en op een goeden dag terugkeeren als Barones die of die, in oogverblindende pracht en heerlijkheid."
"Op die manier krijgen de menschen tegenwoordig geen erfenissen meer; mannen moeten voor geld werken, en vrouwen moeten voor geld trouwen. Het is een gruwelijk onrechtvaardige wereld," zei Meta bitter.
"Jo en ik zullen voor ons allen fortuin maken; wacht maar eens tien jaar, en dan zul je zien, of het niet waar is," riep Amy, die in een hoek "modderpastijtjes" zat te maken, zooals Hanna haar modellen in klei, van vogels, vruchten en gezichten noemde.
"Ik kan niet zoolang wachten, en ik vrees, dat ik ook niet veel vertrouwen heb in inkt en modder, hoewel ik dankbaar ben voor je goede bedoelingen."
Meta zuchtte en keerde zich weer naar den doodschen tuin. Jo geeuwde en leunde in een verslagen houding met de beide ellebogen op tafel, maar Amy werkte vol vuur door, en Bets, die aan het andere raam zat, zei glimlachend: "Er zullen dadelijk twee prettige dingen gebeuren: Moedertje komt de straat af en Laurie holt door den tuin, alsof hij iets plezierigs te vertellen heeft."
Beiden kwamen binnen; mevrouw Maren met de gewone vraag: "Ook een brief van Vader, meisjes?" en Laurie om op zijn onweerstaanbare manier te vragen: "Hebben niet een paar van jullie lust in een ritje? Ik heb mathesis zitten blokken, tot mijn hoofd suf is, en ga mijn hersens eens opfrisschen door een flinken toer. Het is wel druilig, maar niet erg koud, en ik mag Brooke naar huis brengen, dus zal het van binnen vroolijk zijn, al is het dan ook van buiten somber. Kom Jo, jij en Bets gaan wel mee, is 't niet, of Meta en Amy?"
"Natuurlijk, graag!"
"Dank je, ik heb het te druk," en Meta haalde haar werkmandje voor den dag, want ze had haar Moeder moeten toestemmen, dat het 't verstandigste was, niet al te dikwijls met den jongen buurman uit rijden te gaan.
"Wij drieën zullen in een minuut klaar zijn," zei Amy, wegloopende om haar handen te wasschen.
"Kan ik ook iets voor u doen, _Madame Mère_?" vroeg Laurie, terwijl hij over den stoel van mevrouw March leunde met den hartelijken blik, waarmee hij haar altijd aankeek.
"Neen, dank je, behalve een boodschap naar het postkantoor, als je zoo vriendelijk wilt zijn, jongenlief. Het is onze gewone dag voor een brief, en de postbode is er niet geweest. Vader is zoo geregeld als de zon, maar misschien is er vertraging onderweg.
"Een luide bel deed zich hooren en een oogenblik daarna kwam Hanna binnen met een enveloppe."
"Het is zoo'n akelig ding, zoo'n telegram, mevrouw," zei ze, terwijl ze het couvert overhandigde, alsof ze bang was, dat het zou losbarsten en brand veroorzaken.
Bij het woord "telegram", greep mevrouw March het haar uit de hand, las de twee regels, die het bevatte en zonk achterover in haar stoel, zoo bleek alsof dat stukje papier haar een kogel door het hart had geschoten. Laurie vloog naar de keuken om water te halen, terwijl Meta en Hanna haar ondersteunden en Jo met bevende stem voorlas:
Mevrouw March.
Uw Echtgenoot ernstig ziek. Kom onmiddellijk.
_S. Hale._ Blank Hospitaal, Washington.
Hoe stil was het in de kamer, terwijl ze ademloos luisterden; hoe donker scheen het eensklaps buiten te worden, en hoe plotseling scheen de heele wereld te veranderen, terwijl de meisjes zich om hun moeder drongen, met een gevoel, alsof al het geluk en de veiligheid van haar leven op het punt waren haar ontrukt te worden.
Mevrouw March herstelde zich dadelijk weer; ze las de tijding over en strekte de armen naar haar dochters uit, terwijl ze op een toon, dien zij nimmer vergaten, zei: "Ik zal dadelijk gaan, maar het kan misschien al te laat zijn; o, kinderen, kinderen! helpt het mij dragen!"
Gedurende eenige minuten hoorde men niets in de kamer dan snikken, vermengd met afgebroken troostwoorden, teedere verzekeringen en hoopvol gefluister, dat in tranen wegstierf. De arme Hanna was de eerste, die tot bedaren kwam en zonder het zelf te weten de anderen een goed voorbeeld gaf; want voor haar was werken het onfeilbare middel tegen verdriet.
"God beware den goeden man! Ik wil geen tijd meer verdoen met huilen, maar dadelijk uw goed bij elkander halen, mevrouw," zei zij hartelijk, terwijl ze haar gezicht met haar boezelaar afdroogde, haar mevrouw met haar vereelte vingers een warmen handdruk gaf, en aan het werk ging met een ijver voor drie.
"Ze heeft gelijk, er is nu geen tijd voor tranen. Weest bedaard, meisjes, en laat me eens nadenken."
Het viertal trachtte bedaard te zijn, terwijl hun moeder bleek maar kalm opstond, en haar smart op zij zette om de noodige schikkingen te maken.
"Waar is Laurie?" vroeg ze, toen ze haar gedachten verzameld had en naging, wat het eerst gedaan moest worden.
"Hier, mevrouw; o, kan ik iets voor u doen?" riep Laurie, die haastig uit de andere kamer kwam, waar hij zich had teruggetrokken, gevoelende, dat die eerste droefheid te heilig was, dan dat zelfs zijn oogen die mochten zien.
"Zend een telegram, dat ik dadelijk zal komen. De eerstvolgende trein gaat morgen vroeg. Dien zal ik nemen."
"Hebt u nog iets? De paarden staan klaar; ik kan overal heengaan,--alles doen," en hij zag er uit, alsof hij gereed was naar het einde der wereld te vliegen.
"Een briefje brengen bij Tante March. Jo, geef me even pen en papier."
Jo scheurde den witten kant van een pas beschreven blad af en schoof de tafel voor haar moeders stoel, wel wetende dat het geld voor de lange, droevige reis geleend moest worden, en met een gevoel of ze alles zou willen doen, om iets toe te voegen aan de kleine som voor haar vader.
"Ga nu, beste jongen; maar krijg geen ongeluk door al te hard rijden; dat hoeft niet."
Deze waarschuwing had mevrouw March kunnen sparen, want vijf minuten later stoof Laurie op zijn eigen paard voorbij, rijdende alsof zijn leven er mee gemoeid was.
"Jo, ga naar de vergadering om Mevrouw King te zeggen, dat ik niet komen kan. Haal onderweg deze dingen. Ik zal ze opschrijven; ze zijn misschien noodig en ik moet alles zooveel mogelijk bij me hebben. De hospitalen zijn niet altijd goed voorzien. Bets, ga jij een paar flesschen ouden wijn vragen aan Mijnheer Laurence; ik ben niet te trotsch om iets voor Vader te vragen; hij moet van alles het beste hebben. Amy, zeg aan Hanna, dat ze den zwarten koffer van boven haalt en Meta, help jij me mijn goed krijgen, want ik ben half versuft."