Chapter 14
"Snuifdoos," zei Jo op een graftoon, die het gezelschap in lachen deed uitbartsen. "Dank je," zei de ridder beleefd, terwijl hij een snuifje nam en zevenmaal zóó hard niesde, dat zijn hoofd afviel. "Ha, ha!" lachte de geest, en nadat ze door het sleutelgat had gezien, dat de prinses zat te spinnen, alsof haar leven er mee gemoeid was, nam ze haar slachtoffer op, en stopte hem in een groote tinnen doos, waarin nog elf andere ridders, ook zonder hoofd, als sardines naast elkaar lagen. Ze stonden alle twaalf op en begonnen--
"Een horlepijp te dansen," viel Fred in, toen Jo buiten adem ophield, "en terwijl ze dansten, veranderde het oude nest van een kasteel in een oorlogsschip in volle zee. "De kluiver op, reef de val van de marszeilen, stuur sterk lijwaarts en bezet de kanonnen," brulde de kapitein, toen er een Portugeesch zeerooverschip in het gezicht kwam, met een pikzwarte vlag in top. "Er op los, en moedig vooruit, jongens," riep de kapitein, en een hevig gevecht begon. Natuurlijk wonnen de Engelschen, dat doen ze altijd, en nadat zij den rooverkapitein gevangen hadden genomen, overzeilden zij den schoener, waarvan het dek opgestapeld met dooden lag, terwijl het bloed uit de spijgaten liep, want het bevel was geweest: "Hartsvangers, en geen genade!" "Bootsman, neem een bocht van het kluiverzeil en gooi den schelm over boord, wanneer hij niet één twee drie zijn zonden bekent," beval de Engelsche kapitein. De Portugees was stom als een visch en liet zich over boord gooien, terwijl de vroolijke pikbroeken juichten als bezetenen. Maar de slimme vos dook, kwam boven onder het oorlogsschip, wierp het omver, en naar den kelder ging het, met vliegende zeilen. Naar den bodem van de zee, zee, zee, waar--"
"O lieve tijd, wat zal ik zeggen?" riep Sallie uit, toen Fred ophield met zijn poespas, waarin hij allerlei scheepstermen en tooneelen uit zijn geliefkoosde boeken door elkander had gewerkt. "Wel, zij kwamen op den bodem, en een lief zeemeerminnetje heette hen welkom, maar zij was zeer bedroefd toen zij de doos met de ridders vond, en pakte ze voorzichtig in zeegras, hopende nog iets naders aangaande hun lot te vernemen, want natuurlijk, ze was een vrouw en dus nieuwsgierig. Na eenigen tijd kwam daar beneden eens een duiker, en de meermin zei: "Deze doos met paarlen is voor u, als gij hem boven kunt brengen," want zij verlangde de arme stakkerds weer te doen herleven, maar zij kon zelf die zware vracht niet omhoog krijgen. Dus haalde de duiker hen naar boven, en was zeer teleurgesteld, toen hij bij het openen geen paarlen vond. Hij liet de doos staan in een groot, eenzaam veld, waar hij gevonden werd door--"
"Een klein ganzenhoedstertje, dat honderd vette ganzen op dat veld liet weiden," fantaseerde Amy, toen Sallie's verbeelding te kort schoot. "Het meisje had erg veel medelijden met hen en vroeg aan een oude vrouw, wat ze zou kunnen doen, om hen te helpen. "Dat zullen je ganzen je wel vertellen," zei de oude vrouw, "die weten alles." Daarom vroeg zij hen, wat ze voor nieuwe hoofden gebruiken zou, omdat de andere weg waren, en de ganzen deden hun honderd snavels open en riepen--"
"Koolen," viel Laurie aanstonds in. "Dat is goed bedacht," zei het meisje en liep weg om twaalf mooie koolen uit haar tuin te halen. Ze zette ze op hun halzen; de ridders werden dadelijk levend, bedankten haar en gingen huns weegs, zonder iets van de verandering te merken, want er waren zooveel menschen met dergelijke hoofden, dat het niemand opviel. De ridder, dien ik ken, keerde terug, om het mooie gezichtje weer te vinden, en vernam, dat de prinsessen zich vrij hadden gesponnen en alle getrouwd waren op één na. Hij was zeer ontsteld over deze tijding, sprong op het veulen, dat naast hem stond, en rende door dik en dun naar het kasteel om te zien, wie er was overgebleven. Over de heg glurende zag hij de koningin zijns harten rozen plukken in haar tuin. "Wilt gij mij een roos geven?" verzocht hij. "Dan moet gij er een komen halen! ik kan niet naar u toegaan, dat is niet gepast," antwoordde zij, met een stemmetje zoo zoet als honing. Hij probeerde over de haag te klimmen, maar die scheen al hooger en hooger te worden; toen trachtte hij er door te kruipen, maar zij werd al dikker en dikker, en de ridder werd wanhopig. Toen begon hij geduldig het eene takje na het andere af te breken, tot hij eindelijk een klein gaatje gemaakt had. Hij keek er door en riep smeekend: "Laat mij binnen, och, laat me binnen!" Maar de schoone prinses scheen hem niet te hooren, want zij plukte rustig haar bloemen en liet het aan hem over om te zien, hoe hij er komen zou. Of het hem gelukte of niet, zal Frank wel vertellen."
"Dat kan ik niet, ik speel niet mee, dat doe ik nooit!" riep Frank, verschrikt over de onmogelijke positie, waaruit hij het sentimenteele paar moest redden. Bets kroop achter Jo weg, en Grace was in slaap gevallen.
"Moet de arme ridder dus maar in de haag blijven steken?" vroeg Brooke, die nog steeds naar de rivier staafde en met de wilde roos in zijn knoopsgat speelde.
"Ik denk, dat de prinses hem na een poos een bloem gaf en het hek opendeed," zei Laurie, terwijl hij spottend glimlachte, en zijn gouverneur met een paar eikels gooide.
"Wat een prachtige verzameling nonsens hebben we samen geflansd. Met oefening zouden we het nog ver kunnen brengen. Kennen jullie "Waarheid"," vroeg Sallie, nadat zij over het verhaal gelachen hadden.
"Ik hoop van wel," zei Meta met een ernstig gezicht.
"Het spel," meen ik.
"Hoe is dat?" vroeg Fred.
"Wel, je legt je handen op elkaar, kiest een getal en trekt bij beurten je hand weg, en hij, wiens beurt met het getal samenvalt, moet naar waarheid alle vragen beantwoorden die hem door de anderen gedaan worden. Het is heel grappig."
"Laten we 't eens probeeren," zei Jo, die veel van nieuwe proefnemingen hield.
Kate en mijnheer Brooke, Meta en Ned wilden liever niet meedoen, maar Fred, Sallie, Jo en Laurie legden hun handen op elkaar en trokken en het lot viel op Laurie.
"Wie zijn je lievelingshelden?" vroeg Jo.
"Grootvader en Napoleon."
"Welk meisje vindt je het mooist?" vroeg Sallie.
"Meta."
"En van welk houdt je het meest?" vroeg Fred.
"Van Jo natuurlijk."
"Wat doen jullie flauwe vragen!" en Jo trok verachtelijk de schouders op, terwijl de anderen lachten, omdat Laurie het zoo zei, alsof het vanzelf sprak.
"Laten we 't nog eens doen: Waarheid is geen kwaad spel," zei Fred.
"Het is een bijzonder goed spel voor jou," zei Jo zachtjes.
Nu kwam haar beurt.
"Wat is je grootste gebrek?" vroeg Fred, om eens te zien, of zij vaststond in de deugd, die hem ontbrak.
"Opvliegendheid."
"Wat zou je 't liefst willen hebben?" vroeg Laurie.
"Een paar schoenveters," zei Jo, die zijn doel giste en het wilde verijdelen.
"Geen waar antwoord. Je moet zeggen, wat je _werkelijk_ het liefst zou willen hebben."
"Genie; zou je niet graag willen, dat je me daar wat van geven kon, Laurie?" en ze lachte ondeugend om zijn teleurgesteld gezicht.
"Welke deugden bewonder je het meest in een man?" vroeg Sallie.
"Moed en oprechtheid."
"Nu is het mijn beurt," zei Fred, daar zijn hand er het laatst was uitgekomen.
"Hij moet er inloopen," fluisterde Laurie Jo toe, die knikte en onmiddellijk vroeg:
"Heb je niet valsch gespeeld met crocket?"
"Nu ja, een klein beetje."
"Goed! Heb je je verhaal niet genomen uit "De Zeeleeuw"?" vroeg Laurie.
"Zoowat."
"Verbeeld je je niet, dat de Engelsche natie in alle opzichten volmaakt is?" vroeg Sallie.
"Ik zou me schamen, als ik dat niet deed."
"Hij is een echte John Bull. Nu krijg jij een beurt Sallie, zonder dat je hoeft te trekken. Ik zal beginnen met je gevoelens te kwetsen, door je te vragen of je niet vindt dat je wel wat coquet bent?" vroeg Laurie, terwijl Jo Fred toeknikte, ten teeken dat de vrede gesloten was.
"Onbeschaamde jongen! Heelemaal niet," ontkende Sallie op een manier, die het tegendeel bewees.
"Waar heb je het meeste hekel aan?" vroeg Fred.
"Aan spinnen en rijstetaart."
"En waarvan houdt je het meest?" vroeg Jo.
"Van dansen en Fransche handschoenen."
"Nu, ik vind "Waarheid" een flauw spel; laten we nu eens als verstandige menschen het "auteurspel" gaan doen, om weer op te frisschen," stelde Jo voor.
Ned, Frank en de kleine meisjes voegden zich bij hen, en terwijl ze speelden, zaten de drie oudsten met elkaar te praten. Kate haalde haar schetsboek weer voor den dag en Meta zat naar haar te kijken, terwijl Brooke in het gras lag met een boek, waarin hij niet las.
"Wat doe je het mooi, ik wou dat ik teekenen kon," zei Meta op een toon, die bewondering en leedwezen te kennen gaf.
"Waarom leer je het dan niet? Ik zou wel denken dat je er smaak en talent voor hebt," zei Kate neerbuigend.
"Ik heb geen tijd."
"Je mama heeft misschien meer op met andere talenten? De mijne ook, maar ik nam stil een paar lessen om haar te bewijzen, dat ik er werkelijk aanleg voor had, en toen vond ze heel goed, dat ik er mee voortging. Kun jij dat ook niet doen bij je gouvernante?"
"Ik heb geen gouvernante."
"Dat is waar; ik vergat dat de jonge dames in Amerika meer naar school gaan dan bij ons. En de scholen zijn hier zoo goed, zegt Papa. Jij gaat zeker naar een bijzondere school?"
"Ik ga in het geheel niet; ik ben zelf gouvernante."
"O, zoo!" zei juffrouw Kate, maar ze had even goed kunnen zeggen. "Wat afschuwelijk!" want haar stem gaf dat te kennen en een zekere uitdrukking op haar gezicht deed Meta blozen, en wenschen, dat ze niet zoo openhartig was geweest.
Brooke keek op en zei snel: "De jonge meisjes in Amerika zijn evenzeer op hun vrijheid gesteld als hun voorouders, en worden bewonderd en geëerd, wanneer ze in staat zijn voor zichzelf te zorgen."
"O zeker, natuurlijk, het is heel goed en heel flink, dat ze het doen. Bij ons doen verscheiden beschaafde jonge vrouwen hetzelfde, en ze worden veel door den adel gebruikt, omdat ze, als dochters van nette families, meestal ontwikkeld zijn, en ook goede manieren hebben," zei Kate op een beschermenden toon, die Meta's trots wondde en maakte, dat ze haar werk niet alleen nog onaangenamer, maar ook onteerend ging vinden.
"Beviel u het Duitsche versje, juffrouw March?" vroeg Brooke, om een onaangename stilte af te breken.
"O ja, het is beeldig, en ik ben heel dankbaar aan dengene, die het voor mij vertaald heeft," zei Meta, terwijl haar bedrukt gezichtje ophelderde.
"Lees je Duitsch?" vroeg Kate met een verbaasden blik.
"Niet heel goed. Mijn vader, die bezig was het mij te leeren, is van huis, en alleen kan ik niet goed vooruit komen, want er is niemand om mij met de uitspraak te helpen."
"Probeer het nu eens; hier is Schiller's "Maria Stuart" en een leermeester die graag onderwijst," en Brooke legde met een uitlokkenden glimlach het boek op haar schoot.
"Het is zoo moeilijk, ik durf het niet goed te probeeren," zei Meta dankbaar, maar verlegen door de tegenwoordigheid van de talentvolle jonge dame naast haar.
"Ik zal wel eerst een eindje lezen om je moed te geven," en juffrouw Kate las een van de schoonste gedeelten op onberispelijke wijze, wat de uitspraak betrof, maar zonder de minste uitdrukking.
Brooke maakte geen aanmerking, toen ze het boek aan Meta teruggaf, die in haar eenvoud zei:
"Ik dacht dat het poëzie was!"
Een eigenaardige glimlach speelde om den mond van den gouverneur, terwijl hij het boek opende bij de klacht van de arme Maria.
Meta volgde gehoorzaam het lange grassprietje, dat haar onderwijzer gebruikte om bij te wijzen, en las langzaam en beschroomd voort, terwijl zij door de zachte intonatie van haar lieve stem onwillekeurig aan de moeilijke woorden een poëtische uitdrukking gaf. Steeds lager wees de groene gids, en langzamerhand vergat Meta haar toehoorders door de schoonheid van het treurige verhaal en las ze alsof zij alleen was, onwillekeurig iets tragisch leggend in de woorden der ongelukkige koningin. Als ze toen de bruine oogen had gezien, zou ze plotseling zijn opgehouden, maar ze keek in het geheel niet op, en de les werd dus niet voor haar bedorven.
"Lang niet slecht," zei Brooke, zonder eenige aanmerking op haar vele vergissingen en terwijl hij er uitzag alsof hij werkelijk "graag onderwees."
Kate zette haar lorgnet op, sloot haar schetsboek, na nog een blik over het lieflijk landschap en zei welwillend:
"Je hebt een goed accent en zult mettertijd best leeren lezen. Ik raad je aan deze studie voort te zetten; want de kennis van talen is eene groote aanbeveling voor onderwijzeressen. Kom, ik moet eens naar Grace gaan kijken; ze is veel te wild," en juffrouw Kate drentelde weg, schouderophalend bij zich zelf zeggende: "Ik ben niet gekomen om een gouvernante te chaperonneeren, hoe mooi en jong ze ook is. Wat zijn die Yankees toch wonderlijke menschen. Ik ben bang dat Laurie onder hen nog heelemaal bederven zal."
"Ik vergat, dat Engelschen eigenlijk hun neus voor gouvernantes optrekken en ze niet behandelen zooals wij," zei Meta, die de wegwandelende gedaante ontstemd nakeek.
"Gouverneurs hebben het in Engeland ook niet makkelijk, zooals ik bij ondervinding weet. Voor ons werkende menschen, is er geen beter land dan Amerika, juffrouw Meta," en Brooke keek zoo tevreden en vroolijk, dat Meta zich schaamde om over haar hard lot te klagen.
"Dan ben ik blij dat ik er woon. Ik houd niet van mijn werk, maar ik heb er toch wel voldoening van, daarom mag ik niet klagen. Ik wou alleen maar dat ik zooveel van onderwijs geven hield als u."
"Dat zou u zeker, denk ik, met een leerling als Laurie. Het zal mij veel moeite kosten hem 't volgend jaar te verliezen," zei Brooke, met aandacht gaatjes borend in het gras.
"Hij gaat zeker naar de academie?" vroegen Meta's lippen, maar haar oogen voegden er bij: "En wat wordt er dan van u?"
"Ja, het is hoog tijd, dat hij gaat, want hij is klaar, en zoodra hij weg is, word ik soldaat."
"Daar ben ik blij om!" riep Meta. "Me dunkt, iedere jonge man moet verlangen te gaan, hoewel het ellendig is voor de moeders en zusters, die thuis moeten blijven," voegde ze er treurig bij.
"Die heb ik niet, en ook heel weinig vrienden die er om zouden geven, of ik leef of dood ben," zei Brooke eenigszins bitter, terwijl hij verstrooid de roos in het gaatje stopte, dat hij gemaakt had, en dit toedekte met zand, alsof het een klein grafje was.
"Laurie en zijn grootvader zouden er toch om geven, en wij zouden 't allemaal heel naar vinden als u iets overkwam," zei Meta hartelijk.
"Dank u, dat klinkt aangenaam," begon Brooke, wat vroolijker kijkende; maar voor hij zijn zin kon voltooien, kwam Ned op het oude paard aandraven, om zijn rijkunst aan de dames te vertoonen, en verder was er dien dag geen rustig oogenblik meer.
"Hou jij niet veel van rijden?" vroeg Grace aan Amy, terwijl ze samen stonden te rusten, na een harddraverij over het veld met de anderen, onder aanvoering van Ned.
"Ik ben er dol op; Meta reed vroeger, toen Papa rijk was, maar nu houden wij geen paarden meer--behalve Hobbelaar," voegde Amy er lachend bij.
"Vertel eens van Hobbelaar. Is dat een ezel?" vroeg Grace nieuwsgierig.
"Och, zie je, Jo is net zoo dol op paarden als ik, maar we hebben alleen een oud dameszadel en geen paard. Nu is er in onzen tuin een appelboom met een heerlijken lagen tak; daar leg ik dan het zadel op, maak de leidsels aan den stam vast, en zoo draven we op Hobbelaar, wanneer wij maar willen."
"Wat grappig," lachte Grace. Ik heb thuis een hit, en ik rijd haast elken dag met Fred en Kate in het park; het is heel prettig, want al mijn vriendinnetjes gaan er ook heen en de "Row" is altijd vol dames en heeren."
"Hè, wat heerlijk! Ik hoop, dat ik den een of anderen tijd ook nog eens buitenslands ga, maar ik wou nog liever naar Rome, dan naar de "Row", zei Amy, die geen flauw idée had wat de "Row" [5] kon zijn, maar het voor niets ter wereld zou gevraagd hebben.
Frank, die vlak achter de meisjes zat, hoorde wat zij zeiden en schoof met een ongeduldig gebaar zijn kruk van zich af, toen hij zag, hoe de andere jongens allerlei gymnastische toeren verrichtten. Bets, bezig de verstrooide kaarten van het auteurspel op te rapen, keek op, en zei met haar beschroomde maar vriendelijke stem:
"Ik ben bang, dat je wat moe bent; kan ik soms iets voor je doen?"
"Praat wat met me, als 't je blieft; 't is zoo stom vervelend hier alleen te zitten," antwoordde Frank, blijkbaar gewend, dat er tehuis veel werk van hem gemaakt werd.
Wanneer hij de arme, verlegen Bets gevraagd had een latijnsche oratie uit te spreken, zou dit haar geen onmogelijker taak hebben toegeschenen; maar ze kon niet ontvluchten, er was geen Jo om zich achter te verbergen, en de arme jongen keek haar zoo droefgeestig aan, dat ze moedig besloot het te probeeren.
"Waar praat je graag over?" vroeg zij verlegen, de kaarten gelijkschuddende, terwijl ze bij het samenbinden de helft weer verloor.
"Och--ik hoor graag van cricketten en roeien en jagen," zei Frank, die nog niet geleerd had zijn vermaken naar zijn krachten in te richten.
"O, wat zal ik toch beginnen! daar weet ik niets van," dacht Bets, en in haar verlegenheid het gebrek van Frank vergetende, zei zij, in de hoop hem aan het spreken te krijgen: "Ik heb nooit zien jagen, maar jij hebt het zeker wel's gedaan?"
"Vroeger wel, maar ik kan 't nu natuurlijk nooit meer doen, want ik heb me bezeerd bij het springen over een hek. Voor mij bestaan er dus geen paarden en honden meer," zei Frank, met een zucht, die Bets haar onschuldige vergissing deed verwenschen.
"Jullie herten zijn veel mooier dan onze leelijke buffels," zei zij, bij de prairiën hulp zoekende, en innig verheugd, dat ze een van de jongensboeken gelezen had, die Jo zoo gretig verslond.
De buffels schenen verzachtend en bevredigend te werken, en in haar vurig verlangen om den armen Frank wat afleiding te geven, vergat Bets zich zelf, en bemerkte ze zelfs niets van de verbazing en blijdschap, waarmee Meta en Jo ontdekten, dat Bets druk zat te keuvelen met een der verschrikkelijke jongens, tegen wie ze haar bescherming had ingeroepen.
"Lief hartje! Ze heeft medelijden met hem en daarom is ze zoo vriendelijk tegen hem," zei Jo, die van het crocketveld af, verrukt naar haar keek.
"Ik heb altijd gezegd, dat zij een klein heiligje is," zei Meta, alsof de zaak nu aan geen twijfel meer onderhevig kon zijn.
"Ik heb Frank in langen tijd niet zóó hooren lachen," zei Grace tot Amy, die samen over hun poppen zaten te praten, en theeserviesjes van eikels maakten.
"Bets is een welgemaakt meisje, wanneer ze wil," zei Amy, trotsch over den lof, haar zuster toegezwaaid. Zij meende "welbespraakt", maar Grace merkte de vergissing niet op, zoodat Amy met haar "welgemaakt" den gewenschten indruk teweegbracht.
Een geïmproviseerd paardenspel, de "kat en de muis," en een vriendschappelijk partijtje crocket vulden den namiddag. Tegen zonsondergang moest de tent afgebroken, werden de manden gepakt, de poortjes uit den grond getrokken, de booten beladen, en het heele gezelschap dreef, luid zingende, stroomaf.
Ned werd sentimenteel en zong een serenade, met het weemoedig refrein:
"Alleen, alleen, ach gansch alleen!"
en bij de regels:
"Jong en vol liefde zijn wij beiden, Waarom blijft ons het noodlot scheiden!"
zag hij Meta met zoo'n jammerlijke uitdrukking aan, dat ze hardop begon te lachen en de uitwerking van zijn lied bedierf.
"Hoe kun je zoo wreed tegen me zijn," fluisterde hij, toen er een vroolijk, algemeen gezang volgde, "Je hebt den heelen dag aan dien uitgestreken Engelsche vastgeketend gezeten, en nu ben je zoo onaardig."
"Dat wou ik niet zijn, maar je keek zoo dwaas, dat ik het heusch niet helpen kon," antwoordde Meta, het eerste gedeelte van zijn verwijt onbeantwoord latende; want het was volkomen waar, dat ze hem vermeden had, gedachtig aan de Moffatspartij en de praatjes daarna.
Ned was beleedigd en ging zijn troost bij Sallie zoeken, die hij geraakt toefluisterde: "In die Meta zit nou geen zier coquetterie, vindt je wel?"
"O, neen, geen zweempje, maar ze is tóch aardig," zei Sallie, haar vriendin verdedigend, hoewel zij haar tekortkomingen moest erkennen.
Op het grasperk, waar het gezelschap bij elkaar was gekomen, scheidde men met hartelijke groeten en een vaarwel aan de Vaughn's, die naar Canada zouden vertrekken. Toen de vier zusters door den tuin naar huis gingen, keek Kate hen na en zei, nu niet op beschermenden toon: "Niettegenstaande hun vrijere manieren, zijn Amerikaansche meisjes, wanneer je ze eenmaal kent, toch héél aardig."
"Dat ben ik geheel met u eens," antwoordde Brooke.
HOOFDSTUK XIII.
LUCHTKASTEELEN.
Op zekeren warmen September-namiddag lag Laurie heerlijk in zijn hangmat heen en weer te schommelen; hij was nieuwsgierig om te weten wat zijn buren toch uitvoerden, maar te lui om het te gaan onderzoeken. Laurie was uit zijn humeur, want hij had zijn dag nutteloos en onbevredigend doorgebracht en wenschte, dat hij hem nog eens over kon leven. Het warme weder maakte hem lui; hij had de hand gelicht met zijn werk, het geduld van den gouverneur tot het uiterste op de proef gesteld, zijn grootvader ontstemd door den halven middag piano te spelen, de dienstboden angst aangejaagd door geheimzinnig te kennen te geven, dat een van zijn honden dol scheen geworden, en nadat hij hooge woorden had uitgelokt met den stalknecht, over het een of ander vermeend verzuim aan zijn paard, was hij in zijn hangmat gevallen om te brommen over de "onmogelijkheid" van de wereld in het algemeen, tot de rust van den liefelijken namiddag hem, ondanks zichzelf, tot kalmte gebracht had. Naar boven starend in het groene looverdak van een wilde kastanje, droomde hij allerlei droomen, en verbeeldde hij zich juist rond te zwalken op den oceaan bij een reis rondom de wereld, toen het geluid van stemmen hem in een oogwenk aan land bracht. Door de mazen van de hangmat glurend, zag hij de meisjes March uit het huis komen, alsof ze de een of andere expeditie gingen ondernemen. "Wat ter wereld beginnen de meisjes nou?" dacht Laurie, zijn slaperige oogen wijd opensperrend om eens goed te kijken, want er was iets vreemds aan zijn buurmeisjes. Ze hadden elk een grooten, overhangenden hoed op, een bruin linnen zak over den schouder en een langen stok in de hand. Meta droeg een kussen, Jo een boek, Bets een mandje en Amy een portefeuille. Zeer bedaard liepen ze den tuin door, het achterhekje uit, om den heuvel te beklimmen, die tusschen hun huis en de rivier lag.
"Dat is al héél leuk," zei Laurie bij zichzelf, "een buitenpartij te houden, en mij niet eens te vragen. Ze kunnen niet met de boot gaan, want ze hebben den sleutel niet. Misschien hebben ze hem vergeten; ik zal hem even gaan brengen en meteen eens zien, wat ze uitvoeren."
Hoewel hij een half dozijn hoeden in zijn bezit had, duurde het eenigen tijd, voor hij er een vinden kon, toen moest hij naar den sleutel zoeken, dien hij eindelijk in zijn zak vond, zoodat de meisjes al ver uit het gezicht waren eer hij de heining oversprong en hen achterna draafde. Hij nam den kortsten weg naar het schuitenhuisje en wachtte daar hun komst af, maar niemand verscheen, dus beklom hij den heuvel om het terrein eens te overzien. Deze was gedeeltelijk bedekt door een dennenboschje, en uit het dichtst van dit geboomte kwam een sterker geluid, dan het zachte ruischen der dennen en het slaperige gezang der krekels.
"Hier zit het wild," dacht Laurie, door de takken glurend, nu geheel wakker en in zijn humeur.