Chapter 13
"Twee brieven voor Dr. Jo, een boek en een gekke, oude hoed, die boven op de brievenbus lag en hem heelemaal bedekte," zei Bets lachend, terwijl ze naar de studeerkamer ging, waar Jo zat te schrijven.
"Wat een slimme vogel is die Laurie toch. Ik zei gisteren dat ik wou dat er grooter hoeden in de mode kwamen, want dat mijn gezicht elken zonnigen dag verbrandt. Hij zei: "Stoor je niet aan de mode, zet een grooten hoed op, als je dat plezieriger vindt." "Dat zou ik ook wel, als ik er maar een had," beweerde ik, en nu heeft hij mij dezen gestuurd, om eens te zien of ik mijn woord zal houden; ik zal hem natuurlijk dragen voor de grap en hem bewijzen, dat ik _niet_ om de mode geef," en de breedgerande antiquiteit op een buste van Plato hangende, ging Jo haar brieven lezen.
De eene was van haar moeder en bracht haar een blos op de wangen en een paar tranen in de oogen.
"Lieveling, ik schrijf je een woordje, om je te zeggen, hoeveel genoegen het me doet te zien, dat je gedurig tracht je humeur te bedwingen. Je spreekt niet van je strijd, van je nederlagen en overwinningen, en je denkt misschien, dat niemand dat alles ziet, dan de Vriend, wiens hulp je dagelijks inroept, te oordeelen naar den versleten omslag van je boekje. Maar ook ik heb alles opgemerkt en stel vertrouwen in den ernst van je besluit. Ga maar geduldig en moedig voort, mijn lieve kind, en geloof altijd dat niemand je met teederder medegevoel gadeslaat dan je liefhebbende Moeder."
"Dat doet mij goed! dat is beter dan duizenden guldens en hoopen loftuitingen. O, Moedertje, ik _doe_ mijn best. En ik zal voortgaan mijn best te doen, en het niet opgeven, nu ik u heb om mij te helpen."
Jo legde het hoofd op de armen en bedauwde haar roman met een paar gelukkige tranen, want ze had inderdaad gedacht, dat niemand haar pogingen om goed te zijn had opgemerkt en begrepen; en nu was deze verzekering dubbel dierbaar en bemoedigend, daar ze zoo onverwacht kwam en van haar, wier goedkeuring ze het meest op prijs stelde. Zich nu sterker dan ooit voelende om haar gebrek te bestrijden, spelde ze het briefje vast aan den binnenkant van haar jurk, als een schild en een waarschuwing, bij een onverhoedschen aanval van den vijand, en ging toen over tot het openen van haar tweeden brief, gewapend op alles. Met een flinke, vaste hand schreef Laurie,--
"Lieve Jo, Hi ha ho!
"Morgen komen er een paar Engelsche jongens en meisjes bij me, en ik zou graag een prettigen dag met hen hebben. Als het mooi weer is, sla ik mijn tent op in Longmeadow en roei de heele bende daarheen om er te picknicken en te crocketten; we stoken er een vuurtje, om op zigeunermanier ons potje te koken, en al zulk soort van grappen. Het zijn aardige kennissen en ze houden van zulke dingen. Brooke gaat mee, om ons jongens, "in toom te houden," en Kate Vaughn komt, om de meisjes te chaperonneeren. Jullie moet allemaal komen, Bets ontspringt er ook niet aan; niemand zal haar plagen. Denk maar niet om de consumptie, daarvoor zorg ik natuurlijk en voor al de rest--als jullie maar komt, dan ben je de beste.
In vliegende hurrie Voor altijd, je Laurie."
"Dat belooft wat goeds!" riep Jo naar binnen vliegende om het nieuws aan Meta te vertellen.
"Natuurlijk mogen we gaan, hè Moeder, het zal zooveel gemakkelijker zijn voor Laurie, want ik kan roeien en Meta kan voor de koffie zorgen, en de kleintjes zullen op de een of andere manier ook wel een handje helpen."
"Ik hoop dat die Vaughns geen deftige, stijve menschen zijn. Weet je niets van hen, Jo?" vroeg Meta.
"Alleen, dat ze met hun vieren zijn. Kate is ouder dan jij; Fred en Frank zijn tweelingen en van mijn leeftijd, en dan is er nog een klein meisje, Grace, dat negen of tien jaar is. Laurie heeft ze op reis ontmoet en houdt veel van de jongens; maar ik geloof niet, dat hij Kate erg bewondert, te oordeelen naar het gezicht dat hij trok, toen hij van haar sprak."
"Ik ben zoo blij, dat mijn katoentje juist schoon is. Dat is er heel goed voor en het staat zoo frisch," zei Meta opgewekt. "Heb jij iets dragelijks om aan te doen, Jo?"
"Mijn grijs roeipak is prachtig voor mij; ik moet roeien en draven, en kan dus geen keurig, gesteven goed gebruiken. Bets, jij gaat toch ook mee?"
"Als jij oppast, dat geen van de jongens tegen mij spreekt."
"Geen levende ziel!"
"Ik wil graag Laurie plezier doen, en voor mijnheer Brooke ben ik niet bang, die is zoo vriendelijk; maar ik ben niet van plan te spelen of te zingen, of iets te zeggen. Ik zal doen wat ik kan en niemand lastig vallen, en als jij voor mij zorgen wilt, Jo, dan zal ik meegaan."
"Je bent een dot, Bets; je doet je best om je verlegenheid af te leeren, en dat is ferm van je; 't is niet makkelijk gebreken te bestrijden, dat weet ik bij ondervinding, en een bemoedigend woord geeft dan zoo'n soort van zetje."--"Dank u, Moeder," en Jo drukte een dankbaren kus op de bleeke wang, waarvan mevrouw March de bedoeling wel vatte.
"De post heeft mij een doosje chocolaadjes gebracht en een teekening, die ik graag wou copieeren," vertelde Amy, haar zending vertoonende.
"En ik kreeg een briefje van mijnheer Laurence, om mij te vragen of ik van avond, voordat de lamp opgestoken werd, een poosje voor hem kwam spelen. Ik zal het maar doen," zei Bets, wier vriendschap met den ouden heer steeds inniger werd.
"Kom, laten we dan nu gauw voortmaken en vandaag dubbel werk doen, zoodat we morgen met een gerust hart kunnen spelen," zei Jo, terwijl ze zich gereedmaakte de pen met een stofdoek te verwisselen.
Toen de zon den volgenden morgen in de kamer van de meisjes keek, om haar een mooien dag te beloven, zag zij een komisch schouwspel. Ieder van haar had voor het feest de toebereidselen gemaakt, die haar nuttig en noodig schenen. Meta prijkte met een extra rijtje papillotjes boven haar voorhoofd; Jo had haar pijnlijk verbrand gezicht met coldcream ingesmeerd, Bets bleek Johanna mee naar bed te hebben genomen, om haar voor de aanstaande scheiding schadeloos te stellen, en Amy had het nog 't mooist van allen gemaakt door een waschklampje op haar neus te zetten, hopende dat ongelukkige lichaamsdeel wat in 't fatsoen te knijpen. Dit grappig tooneel scheen de zon te vermaken, want zij brak op eens zoo helder door de wolken, dat Jo wakker werd, en al haar zusters wekte, door een hartelijk gelach om Amy's versiersel.
Zonneschijn en gelach zijn goede voorteekenen voor een buitenpartij, en spoedig heerschte in beide huizen een vroolijke drukte. Bets, die het eerst klaar was en voor het raam had post gevat, bracht trouw verslag uit van hetgeen er in het andere huis voorviel, en verlevendigde het toiletmaken van de anderen door steeds nieuwe mededeelingen, als:
"Daar gaat de man met de tent! Ik zie, dat Juffrouw Barker de eetwaren in een draagkorf en in een groote mand pakt! Nu staat mijnheer Laurence naar de lucht te kijken en naar den weerhaan; ik wou dat hij ook meeging! Daar is Laurie, hij ziet er uit als een matroos--leuke jongen toch! O, hemel, daar is een rijtuig vol menschen--een jonge dame, een klein meisje en twee verschrikkelijke jongens. De eene is lam, arme ziel, hij loopt op een kruk. Dat heeft Laurie ons niet verteld. Maakt voort, zeg, het is al laat. Hé, daar is Ned Moffat ook! Kijk, Meta, is dat niet die man, die laatst voor je boog, toen we boodschappen deden?"
"Ja, 't is waar, wat vreemd, dat hij ook gekomen is! Ik dacht, dat hij op reis was. Daar is Sallie, ik ben blij, dat ze bijtijds terug is. Ben ik netjes, Jo?" vroeg Meta geagiteerd.
"Op en top een madeliefje! Houd je japon op, en zet je hoed recht; het staat zoo sentimenteel als hij zoo scheef staat, en hij zou bij het eerste stootje afvliegen. Nu, vooruit dan maar!"
"O, och Jo! Je zult toch dat afschuwelijke ding niet opzetten, dat is heusch te gek. Je mag geen vogelverschrikker van jezelf maken," smeekte Meta, toen Jo met een vuurrood lint den breedgeranden, ouderwetschen hoed vastbond dien Laurie haar voor de grap gegeven had.
"Ik doe het toch; hij is juist goed; zoo practisch voor de zon, en zoo licht en groot. Ze zullen het allemaal grappig vinden, en ik geef er niet om of ik een vogelverschrikker ben, als mijn hoed maar gemakkelijk zit." Hiermee wandelde Jo vastbesloten weg, gevolgd door de anderen; een vroolijk troepje zusters, allen op haar netst, met vroolijke zomerpakjes en gelukkige gezichten.
Laurie liep hun te gemoet en stelde hun op zijn hartelijke manier aan zijn vrienden voor. Het grasperk was de receptiekamer, en gedurende eenige minuten ging het daar zeer levendig toe. Meta viel een pak van het hart, toen ze zag, dat Kate, hoewel al twintig jaar, gekleed was met een eenvoud, die Amerikaansche meisjes wél zouden doen na te volgen; en ze voelde zich zeer gevleid door de verzekering van Ned, dat hij expres gekomen was, om haar te zien. Jo begreep waarom Laurie "een gezicht getrokken had," toen hij van Kate sprak, want de jonge dame had een zeker raak-mij-niet-aan air, dat sterk afstak bij de gulle en onbevangen manieren der andere meisjes.
Bets nam de nieuwe jongens eens in oogenschouw en kwam tot de overtuiging, dat de kreupele niet "vreeselijk" was, maar zacht en zwak, en daarom besloot zij vriendelijk tegen hem te zijn. Amy vond Grace een welopgevoed, vroolijk persoontje, en nadat ze elkander een paar minuten zwijgend hadden aangestaard, werden ze plotseling dikke vriendinnen.
Daar de tent, de eetwaren en de benoodigdheden voor het crocket-spel vooruit waren gezonden, was het gezelschap spoedig ingescheept, en de beide booten staken tegelijk van wal, terwijl mijnheer Laurence alleen op den oever achterbleef, en hen met zijn hoed nawuifde. Laurie en Jo roeiden de eene boot, mijnheer Brooke en Ned de andere, terwijl Fred Vaughn, de rumoerige tweeling, zijn best deed beiden te doen omkantelen, door in een een-persoons giek als een dolle waterspin overal heen te schieten. Jo's wonderlijke hoed was een dankzegging waard, en bleek van onbetaalbaar nut; hij brak het ijs in het begin, door ieder te doen lachen; hij veroorzaakte een verfrisschend koeltje, door als ze roeide, op en neer te flappen en zou, volgens Jo's verklaring, een uitmuntende parapluie voor het heele gezelschap zijn, als er een regenbui kwam opzetten. Kate zat zich over Jo's gedragingen telkens te verbazen, vooral toen ze, bij 't verliezen van een riem, uitriep: "Christoffel Columbus!" en toen Laurie zei: "Och, ouwe jongen, doe ik je pijn?" toen hij haar bij het naar zijn plaats gaan op den voet stapte. Maar nadat zij haar lorgnet eenige keeren op "dat eigenaardige meisje" had gericht, besloot juffrouw Kate, dat ze wonderlijk, maar toch wel "grappig" was, en lachte haar uit de verte eens toe.
In het andere bootje had Meta eene kostelijke plaats, vlak tegenover de roeiers, die beiden hun uitzicht bewonderden en hun riemen met buitengewone kracht en behendigheid hanteerden.
Brooke was een ernstig, stil jongmensch, met aardige, bruine oogen en eene prettige stem. Meta was zeer ingenomen met zijn rustige manier van doen, en beschouwde hem als een wandelende encyclopedie. Hij sprak niet veel met haar, maar keek des te meer naar haar, en ze wist wel zeker, dat hij haar niet onaardig vond. Ned, pas op de hoogeschool, had natuurlijk alle studenten-manieren aangenomen; hij was niet bijzonder knap, maar goedhartig en vroolijk, en over 't geheel een bizonder geschikt element voor een buitenpartij; Sallie Gardiner bleek een en al zorg om haar wit piqué japon schoon te houden, en maakte verder allerlei grappen met den overal tegenwoordigen Fred, die Bets door zijn toeren in voortdurenden angst hield.
De tocht naar Longmeadow duurde niet lang, maar tegen dat zij aankwamen, was de tent al opgeslagen en stonden de boogjes. Het was een heerlijke, groene vlakte, met drie breedgetakte eiken in het midden en een gerold stuk grasveld om crocket op te spelen.
"Welkom in 't Kamp Laurence!" zei de jonge gastheer, toen ze met uitroepen van verrukking aan wal sprongen. "Brooke is opperbevelhebber, ik ben luitenant-generaal, de andere jongens zijn staf-officieren en de dames zijn gasten. De tent is voor hun bijzonder gebruik; die eik is het salon, deze is de eetkamer en de derde is de veldkeuken. Laten wij nu dadelijk een partij spelen, eer het te warm wordt, en dan zullen wij voor het eten gaan zorgen."
Frank, Bets, Amy en Grace gingen zitten om naar het spel te kijken, dat door de anderen gespeeld zou worden. Mijnheer Brooke koos Meta, Fred en Kate; Laurie nam Sallie, Jo en Ned. De Engelschen speelden goed, maar de Amerikanen speelden beter, en betwistten hun iederen duim gronds. Jo en Fred hadden verschillende schermutselingen en kregen eens bijna hooge woorden. Jo was door het laatste poortje gegaan, maar had het paaltje gemist, welke misslag haar reeds half uit haar humeur had gebracht. Fred kwam dicht achter haar, en was het eerst aan de beurt; hij deed een slag, zijn bal vloog tegen het poortje aan en bleef een duimbreed aan den verkeerden kant liggen. Niemand was er dicht bij, en toen hij er naar toe liep, gaf hij den bal een klein stootje met zijn voet, zoodat hij juist even aan den goeden kant kwam te liggen.
"Ik ben er door! Nu, juffrouw Jo, nou zal ik u vinden en u een flink stuk vooruitkomen," riep de jongeheer, zijn hamer voor een volgenden slag zwaaiende.
"Je hebt je bal voortgeschopt, ik heb het gezien; nu is 't mijn beurt," zei Jo scherp.
"Op mijn woord, ik heb hem niet aangeraakt! Hij rolde een eindje voort, maar dat mag; ga dus als 't je blieft uit den weg, en laat mij eens probeeren, of ik den paal kan raken."
"Hier in Amerika spelen we niet valsch; maar je kunt het doen, als je er lust in hebt," antwoordde Jo boos.
"Yankees zijn juist de grootste bedriegers, dat weet iedereen. Daar gaat-ie," riep Fred, haar bal ver wegslaande.
Jo deed haar mond reeds open om een boos antwoord te geven, maar ze hield zich bijtijds in, werd vuurrood en bleef een paar minuten uit alle macht een poortje vaster in den grond slaan, terwijl Fred den paal raakte en luidruchtig verklaarde, dat hij uitgespeeld was. Daarop ging Jo haar bal zoeken, en het duurde lang, voor ze hem vond tusschen de struiken, maar ze kwam bedaard en kalm terug en speelde door zonder iets te zeggen. Eer ze weer op haar vorige plaats was, moest ze verscheiden slagen doen, en toen ze er kwam, had de tegenpartij bijna gewonnen, want Kate's bal was op een na de laatste en lag bij den paal.
"Bij George, het is met ons gedaan! Goeien nacht, Kate! we hebben nog wat van juffrouw Jo te goed, dus het is uit met je," riep Fred opgewonden, terwijl ze allemaal naderbij kwamen om het einde te zien.
"Yankees zijn edelmoedig jegens hun vijanden," zei Jo met een blik, die den jongenheer deed blozen, "vooral wanneer ze hen verslaan," voegde ze er bij, terwijl ze Kate's bal onaangeroerd liet liggen en door een behendigen slag het spel won.
Laurie wierp zijn hoed in de hoogte, herinnerde zich toen, dat het niet beleefd was om te juichen over de nederlaag van zijn gasten, en hield midden in een hoera op, om zijn vriendin toe te fluisteren:
"Mooi zoo, Jo! Hij speelde valsch, ik zag het ook, maar wij kunnen 't hem niet zeggen. Hij zal 't niet weer probeeren, daar kun je op aan."
Meta trok haar ter zijde, onder voorwendsel van een losgeraakte vlecht vast te spelden, en zei goedkeurend:
"Het was tergend, maar je bent je drift de baas gebleven, en daar ben ik erg blij om, Jo."
"Prijs me niet, Meta; want ik zou hem op dit oogenblik nog wel een pak slaag willen geven. Als ik niet zoolang tusschen die netels was gebleven, zou ik zeker losgebarsten zijn. Het vuur smeult nu nog, dus ik hoop maar, dat hij uit mijn weg zal blijven," antwoordde Jo, terwijl ze zich op de lippen beet en van onder haar grooten hoed woedende blikken op Fred wierp.
"Tijd voor de lunch!" kondigde mijnheer Brooke aan, op zijn horloge ziende. "Luitenant-generaal, wilt u het vuur aanmaken en water halen, terwijl juffrouw March, juffrouw Sallie en ik de tafel dekken? Wie kan goede koffie zetten?"
"Dat kan Jo," zei Meta, blij haar zuster te kunnen prijzen. Dus nam Jo, in het gevoel, dat haar laatste lessen in de kookkunst haar nu te pas moesten komen, het toezicht over de koffiekan op zich, terwijl de kleine meisjes doode takken zochten en de jongens een vuur aanmaakten en water uit een naburig beekje haalden. Kate schetste, en Frank praatte met Bets, die kleine matjes van gevlochten biezen maakte, om voor borden te dienen.
De opperbevelhebber en zijn satellieten spreidden het tafellaken op den grond uit en bedekten het met een keur van uitlokkende gerechten, allen netjes met groene bladeren versierd. Jo kondigde aan, dat de koffie klaar was, en allen zetten zich tot een stevig maal, want ze hadden trek gekregen van al de beweging in de buitenlucht. En een luidruchtige maaltijd was het, want alles was zoo vroolijk en dwaas, dat een eerwaardig paard, dat in de nabijheid liep te grazen, gedurig opschrikte, door de herhaalde uitbarstingen van gelach. Er was een vermakelijke oneffenheid in de tafel, waardoor allerlei ongelukken met kopjes en borden ontstonden, eikels vielen in de melk, kleine zwarte mieren kwamen ongenood haar deel van de lekkernijen halen, en rupsen lieten zich uit den boom vallen, om te zien wat er toch aan de hand was. Drie vlasharige kinderen keken over de heg en een vervelende hond blafte hen van den overkant der rivier uit alle macht aan.
"Hier is zout, als j'er dat soms bij verlangt," zei Laurie, toen hij Jo een schoteltje aardbeien aangaf.
"Dank je, ik houd meer van spinnen," antwoordde ze, twee kleine onvoorzichtigen opvisschende, die hun dood in den room hadden gevonden. "Hoe durf je me aan die afschuwelijke partij te herinneren, nu de jouwe in alle opzichten zoo heerlijk is?" voegde ze er bij, terwijl ze beiden lachend van één bordje aten, daar de voorraad aardewerk niet groot was.
"Ik heb erg veel plezier gehad dien dag, en moet er nog telkens aan denken. En dat het vandaag zoo gezellig is, daar komt mij de eer niet van toe, dat weet je; ik doe niets, jij en Meta en Brooke maken dat alles zoo goed gaat, en ik ben jullie ontzettend dankbaar. Wat zullen wij doen, wanneer we niet meer kunnen eten?" vroeg Laurie, die voelde, dat zijn beste kaart met het koffiemaal was uitgespeeld.
"Spelletjes, totdat het wat koeler is. Ik heb het "auteurspel" meegebracht, en Kate weet zeker wel wat nieuws en aardigs. Ga het haar maar eens vragen; ze is een gast, en je moest meer bij haar blijven."
"Ben jij dan ook geen gast? Ik dacht, dat ze wel met Brooke zou opschieten, maar hij blijft aldoor met Meta praten, en Kate doet niets, dan hen door dat bespottelijke lorgnet aanstaren. Ik zal dadelijk naar haar toe gaan, dus je kunt je zedepreken voor je houden, die gaan je toch niet goed af, Jo."
Kate wist verscheiden spelletjes, en daar de meisjes niet meer wilden en de jongens niet meer konden eten, trokken allen naar het "salon" om deel te nemen aan het romanspel.
"Iemand begint een verhaal--het een of ander verzinsel--en vertelt, zoolang hij wil, maar houdt plotseling op een zeer interessant punt op, en dan moet een ander verder vertellen. Het is heel aardig als het goed gedaan wordt en geeft stof genoeg tot lachen over het wonderlijk samenraapsel van tragische en comische gedeelten. Wees zoo goed te beginnen, mijnheer Brooke," zei Kate op bevelenden toon, tot verbazing van Meta, die den gouverneur even beleefd behandelde als elk ander heer.
Brooke, die aan de voeten van de beide jonge dames in het gras lag, begon gehoorzaam zijn verhaal, terwijl zijn sprekende bruine oogen onafgewend op de zonnige rivier gevestigd bleven.
"Op zekeren tijd trok een ridder de wereld in, om zijn fortuin te zoeken, want hij bezat niets dan zijn zwaard en zijn schild. Hij reisde overal heen, wel achtentwintig jaar lang, totdat hij kwam aan het paleis van een goed, oud koning, die een prijs had uitgeloofd aan den man, die een prachtig maar ongetemd veulen, waarvan de grijsaard zeer veel hield, dresseeren kon. De ridder bood aan het te beproeven, en vorderde er langzaam maar zeker mee, want het veulen was een verstandig dier en begon spoedig van zijn nieuwen meester te houden, hoe wild en nukkig het ook was. Elken dag gaf de ridder les aan den lieveling des konings, en reed met hem door de stad, en onder het rijden keek hij overal uit naar een boven alles lieftallig gelaat, dat hij dikwijls in zijn droomen had gezien, maar nooit had kunnen vinden. Eens toen hij door een stille straat galoppeerde, ontdekte hij het voor een vervallen kasteel. De ridder was verrukt, onderzocht wie in dat oude kasteel woonde, en vernam dat verscheiden prinsessen daar door tooverij gevangen werden gehouden, dag en nacht spinnende om geld voor een losprijs te verdienen. De ridder wenschte vurig haar te bevrijden; maar hij was arm en al wat hij doen kon was dagelijks voorbij te gaan om te zien, of hij het lieve gezichtje nog eens aanschouwen mocht, terwijl hij hartstochtelijk verlangde het daarbuiten in den zonneschijn te zien. Eindelijk besloot hij het kasteel binnen te dringen en te vragen, hoe hij haar helpen kon. Hij ging er heen en klopte; de deur vloog open, en hij zag--"
"Een betooverend schoone jonkvrouw, die met een vreugdekreet uitriep: "Eindelijk, eindelijk," ging Kate voort, die fransche romans gelezen had, en den stijl daarvan bewonderde.
"Zij is het!" riep ridder Gustave, terwijl hij, overstelpt van vreugde, aan haar voeten zonk.
"O, sta op!" smeekte zij, hem een lelieblanke hand toestekend.
"Nimmer, wanneer gij mij niet meedeelt, hoe ik u kan verlossen!" zwoer de ridder, steeds knielende.
"Helaas, mijn wreed noodlot dwingt mij hier te blijven, totdat mijn dwingeland is gedood."
"Waar is de schurk?"
"In de purperen zaal; ga, moedige held, en red mij uit mijn vertwijfeling!"
"Ik ga op uw bevel, en keer òf zegevierend òf nimmer terug!" Met deze treffende woorden ijlde hij voort, wierp de deur van de purperen zaal open, en was op het punt binnen te treden, toen hij--"
"Een verdoovenden slag ontving met een Grieksch woordenboek, dat een gedaante in een zwarten mantel hem naar het hoofd gooide," vervolgde Ned. "De ridder, hoe-heet-hij-ook-weer, herstelde zich dadelijk, smeet den dwingeland uit het venster en keerde op zijn schreden terug, om overwinnend, hoewel met een buil op het hoofd, naar de jonkvrouw te snellen; hij vond de deur gesloten, rukte de gordijnen aan reepen, maakte er een touwladder van, klom die halverwege op; de ladder brak, en hij viel hals over kop in den vijver, die zestig voet daar beneden was. Gelukkig kon hij zwemmen als een eend; hij zwom dus om het kasteel heen, tot aan een klein deurtje, bewaakt door twee stevige kerels, en sloeg hun hoofden tegen elkander, zoodat ze kraakten als notendoppen; toen trapte hij met eene kleine inspanning van zijn verwonderlijke kracht de deur in, ging een trap op, bedekt met een voet dik stof, padden zoo groot als een vuist, en spinnen, waarvan u het op de zenuwen zou krijgen, juffrouw March. Boven aan die trap wachtte hem een schouwspel, dat hem den adem ontnam, en zijn bloed deed verstijven--"
"Namelijk een lange gedaante, geheel in het wit, met een sluier over het hoofd en een lamp in de vermagerde hand," ging Meta voort. "Ze wenkte, terwijl zij onhoorbaar voor hem uitzweefde door een gang, zoo donker en koud als een graf. Schimmige, gewapende beelden stonden aan beide zijden; er heerschte een diepe stilte, de lamp wierp een blauwachtig schijnsel, en nu en dan keek de spookachtige gedaante naar hem om, waarbij hij een paar vreeselijke oogen door den sluier heen zag flikkeren. Zij bereikten een bekleede deur, waarachter liefelijke muziek klonk. De ridder sprong vooruit om binnen te gaan, maar de geest sleurde hem terug, terwijl ze dreigend boven zijn hoofd zwaaide met een--"