Chapter 12
Aan de thee deelde ieder haar lotgevallen mee, en allen kwamen overeen, dat het een heerlijke, maar buitengewoon lange dag was geweest. Meta, die 's middags haar inkoopen was gaan doen en een "beelderig blauw neteldoekje" had gekocht, merkte, nadat ze de banen had afgeknipt, dat het niet gewasschen kon worden, welk ongeluk haar niet weinig uit haar humeur bracht; Jo had onder het roeien in de felle zon haar neus gevoelig gebrand en zware hoofdpijn opgedaan door te lang lezen. Bets werd gekweld door de wanorde van haar kast, en de onmogelijkheid om drie of vier stukjes tegelijk te leeren, en Amy betreurde diep de schade aan haar jurk, want den volgenden dag gaf Katy Brown een partijtje, en nu had zij, net als Flora Mc. Flimsy, "niets om aan te doen." Maar dat waren slechts kleinigheden, en ze verzekerden hun moeder, dat de proef uitstekend gelukte. Mevrouw March glimlachte, zei niets en deed met Hanna alles, wat de meisjes verzuimd hadden te doen, maakte "thuis" gezellig, en hield de huishoudelijke machine zachtjes aan den gang. Wonderlijk, hoe 'n vreemde en onaangename staat van zaken te voorschijn geroepen werd door dat leventje van "rust en genot." De dagen vielen steeds langer, het weer was buitengewoon veranderlijk en de humeuren dito. Een onrustig gevoel maakte zich meester van allen, en de duivel vond voor de ledige handen bezigheid in overvloed. Als toppunt van weelde en gemak, gaf Meta een gedeelte van het naaiwerk buitenshuis, maar vond den tijd toen zoo drukkend lang, dat ze haar kleeren ging veranderen en bederven, in haar pogen om ze te moderniseeren à la Moffat. Jo las, tot haar oogen haar begaven en ze genoeg had van boeken, werd zoo kribbig, dat zelfs de goedhartige Laurie met haar aan het kibbelen raakte en zoo droefgeestig, dat ze hartelijk wenschte, maar mee te zijn gegaan met tante March. Bets maakte het nogal goed, want ze vergat gedurig, dat ze _altijd kon spelen en niet hoefde te werken_, en verviel nu en dan weer in haar oude gewoonten, maar er scheen iets in de lucht, dat zelfs haar besmette, en meer dan eens werd haar rustig gemoed bewogen; zoo erg zelfs, dat ze bij een zekere gelegenheid de arme, lieve Johanna door elkaar schudde en haar uitmaakte voor "een vogelverschrikker". Amy kwam er het slechtst af, want zij had weinig om zich mee bezig te houden; en toen haar zusters haar aan haar lot overlieten en ze zich zelf moest amuseeren, vond ze haar begaafd, belangwekkend persoontje een grooten last. Van poppen hield ze niet; sprookjes vond ze kinderachtig en je kon niet altijd teekenen. Visites beteekenden niet veel, evenmin als picnics, tenzij ze heel plezierig waren ingericht. Als je een mooi huis had vol met aardige meisjes, of als je kon gaan reizen, zou de zomer heerlijk zijn; maar thuis te blijven met drie egoïstische zusters en een grooten jongen, was genoeg om "Job zijn geduld te doen verliezen," klaagde de kleine deftigheid, nadat ze zich verscheiden dagen verveeld had.
Geen van allen wilde toegeven, dat ze genoeg hadden van de proefneming, maar Vrijdagavond erkende ieder voor zichzelf, blij te zijn, dat de week bijna om was. In de hoop hun het lesje dieper in te prenten, besloot mevrouw March, die veel van een grap hield, een waardig slot te maken aan de zaak. Ze gaf Hanna een dag vrijaf om de meisjes eens ten volle de gevolgen van zoo'n speelsysteem te doen gevoelen.
Toen zij Zaterdagmorgen beneden kwamen, was er geen vuur aan in de keuken, geen ontbijt in de eetkamer, en Moeder nergens te zien.
"Lieve hemel! wat is er gebeurd?" riep Jo, verbaasd rondziende.
Meta liep naar boven en kwam al gauw weer terug, gerustgesteld, maar toch verwonderd en een beetje beschaamd.
"Moeder is niet ziek, alleen erg moe, en ze zegt, dat ze den heelen dag rustig op haar kamer blijft en ons alles maar eens zal laten doen, zoo goed en zoo kwaad het gaat. Wel iets vreemds voor haar, ze is heel anders dan gewoonlijk, maar ze zegt, dat het een moeilijke week voor haar geweest is, en we dus niet verdrietig moeten zijn, maar ons zelf redden."
"Dat is gemakkelijk genoeg, ik vind het wel aardig; ik snak er naar om eens iets te doen te hebben; dat is te zeggen, een nieuw pleziertje," voegde Jo er haastig bij.
En werkelijk, het _was_ een ware verlichting voor allen, dat ze iets te doen hadden, en ze begonnen vol goeden wil, maar ondervonden weldra de waarheid van Hanna's gezegde: "Huishouden doen is geen gekheid." Er was overvloed van eten in provisiekast en kelder, en terwijl Bets en Amy de tafel dekten, maakten Meta en Jo het ontbijt in orde, zich verwonderende, dat dienstboden ooit over zwaar werk klaagden.
"Ik zal maar wat aan Moeder brengen; ze zei anders, dat wij maar niet aan haar moesten denken, want dat ze wel voor zichzelf zou zorgen," zei Meta, die presideerde en zich heel gewichtig voelde achter den trekpot.
Er werd dus een blaadje in orde gemaakt, voordat de meisjes begonnen te eten, en naar boven gebracht, met de complimenten van de keukenmeid. De gekookte thee was heel bitter, de omelet verbrand en de geroosterde boterham smaakte naar den rook; maar mevrouw March nam haar ontbijt in dank aan, en lachte er hartelijk om, toen Jo weer naar beneden was gegaan.
"Arme stumperds; ik ben bang dat ze 't vandaag heel moeilijk zullen hebben; maar ze zullen er niet van bederven en het zal hun eene goede les wezen," zei mevrouw March, terwijl ze de meer eetbare dingen te voorschijn haalde, waarvan zij zich voorzien had, en het slechte ontbijt opruimde, om het gevoel der meisjes niet te kwetsen;--eene kleine, moederlijke list, waar ze haar dankbaar voor waren.
Menige klacht werd beneden gehoord, en groot was het verdriet der keukenprinses, dat alles zoo slecht was uitgevallen. "Wees maar stil, ik zal voor het middageten zorgen en de meid zijn; jij bent mevrouw, houd je handen schoon, ontvang bezoek en geef bevelen," zei Jo, die nog minder dan Meta ingewijd was in de geheimen der kookkunst.
Dit vriendelijk aanbod werd met vreugde aangenomen, en Meta ging naar de zitkamer, die ze haastig in orde bracht, door allen rommel onder de canapé te schuiven en de jalouzieën te sluiten, hetgeen de moeite van 't stof afnemen uithaalde.
Jo deed, met vast vertrouwen op eigen krachten en den vurigen wensch weer vrede te sluiten, een briefje in de bus voor Laurie, met een uitnoodiging om te komen eten.
"Je zou beter doen met eerst te zien, wat voor eten je hebt, voordat je aan inviteeren denkt," zei Meta, toen zij de gastvrije, maar wel wat ondoordachte daad vernam.
"O, er is biefstuk, en overvloed van aardappelen, en ik zal wat asperges en een kreeft zien te krijgen "voor een aardigheidje er bij," zooals Hanna zegt. We zullen kropsla koopen en kreeftensla maken; ik weet wel niet hoe, maar dat staat wel in het boek. En dan blanc-manger en aardbeien voor dessert en koffie toe, als je 't graag heel mooi wilt hebben."
"Probeer niet te veel, Jo, want je kunt niets eetbaars maken als kruidkoekjes en stroopwafeltjes. Ik trek mijn handen af van de partij, en nu jij op eigen gezag Laurie gevraagd hebt, moet jij ook maar voor hem zorgen."
"Je hoeft niets anders te doen dan aardig tegen hem te zijn, en mij aan de pudding te helpen. Je zult mij toch wel raad willen geven, als ik niet verder kan?" vroeg Jo eenigszins gegriefd.
"Ja, maar ik weet niet veel, behalve over brood en een paar kleinigheden. Je deed beter Moeder te vragen of zij het goed vindt, voor je iets bestelt," antwoordde Meta voorzichtig.
"Natuurlijk zal ik dat; ik ben ook niet dom," en Jo ging knorrig heen, omdat er aan haar kundigheden getwijfeld werd.
"Neem wat je wilt, en val mij niet lastig; ik moet van middag uit eten en heb geen tijd, om mij met de dingen te bemoeien," zei mevrouw March, toen Jo het haar vroeg. "Ik heb nooit veel van huishoudelijk werk gehouden, en neem vandaag eens een vacantiedag. 'k Ben van plan eens heerlijk te lezen, wat te schrijven, een paar visites te maken, en er eens een plezierigen dag van te nemen."
Het ongewoon schouwspel, dat haar bedrijvige moeder in een gemakkelijken stoel 's morgens vroeg zat te lezen, gaf Jo een gevoel, alsof er een of ander zeldzaam natuurverschijnsel had plaats gehad, want een zon-eclips, een aardbeving of een vulkanische uitbarsting zou haar niet meer hebben kunnen verbazen.
"Alles is van streek," zei ze bij zichzelf, toen ze weer naar beneden ging, "Bets zit te schreien--een zeker teeken, dat er iets niet in den haak is. Als Amy lastig wordt, schud ik haar door elkander."
Zelf mooi uit haar humeur, stormde Jo al naar de zitkamer, en vond Bets schreiend over Pietje, de kanarie, die dood in zijn kooi lag, met zijn klauwtjes uitgestrekt, alsof hij roerend smeekte om het voedsel, dat hem onthouden was en waardoor hij van gebrek had moeten omkomen.
"Het is allemaal mijn eigen schuld--ik heb hem heelemaal vergeten en er is geen zaadje of droppeltje water meer in de bakjes--o Piet! o Piet! hoe kon ik zoo wreed zijn?" riep Bets snikkend, nam het arme diertje in de hand en zocht het weer in 't leven terug te roepen.
Jo keek in zijn halfgesloten oogjes, voelde aan zijn hartje en toen ze merkte dat hij stijf en koud was, schudde zij het hoofd, en bood het doosje van haar dominospel aan, om tot kist te dienen.
"Leg hem eens in den oven, misschien zal hij dan warm en weer levend worden," zei Amy hoopvol.
"Hij is van honger gestorven, en hij zal niet gebakken worden, nu hij dood is. Ik zal hem een lijkkleedje maken en hem begraven, en ik wil nooit een ander vogeltje hebben; neen, lieve Piet, nooit weer! want ik ben er _veel_ te slecht voor," fluisterde Bets, haar lieveling tegen zich aandrukkend.
"De teraardebestelling zal van middag plaats hebben, en we zullen allen achter het lijk gaan. Huil maar niet, Bets, het is jammer, maar niets gaat goed deze week, en Piet is er het slechtst afgekomen. Maak het rouwkleed maar en leg hem in mijn kistje; en na het diner zullen wij een begrafenisje hebben," zei Jo, met een gevoel, alsof zij heel wat op zich genomen had.
Het verder aan de anderen overlatende om Bets te troosten, ging Jo naar de keuken, die in een staat van treurige verwarring bleek. Ze deed een grooten boezelaar voor, en toog aan het werk, zette alle borden en schotels vast klaar, en merkte toen, dat het vuur uit was.
"Een heerlijk vooruitzicht!" mopperde Jo, rukte het deurtje van het fornuis open, en begon zoo hard zij kon te poken. Toen ze het vuur wat opgerakeld had, dacht ze, dat het niet kwaad zou zijn, als ze naar de markt ging, terwijl het water heet werd. De wandeling verkwikte haar, en blij, dat ze zulke goede inkoopen gedaan had, keerde zij huiswaarts met een piepjonge kreeft, stokoude asperges en twee potjes niet al te rijpe aardbeien. Tegen dat ze alles in orde had gebracht, kwamen de artikelen voor het middagmaal, en was het fornuis gloeiend heet. Hanna had gezegd, dat het brood dien dag gebakken moest worden; Meta had het 's morgens vroeg gekneed en te rijzen gezet, maar er verder niet meer om gedacht. Ze zat juist heel genoeglijk met Sallie Gardiner te keuvelen, toen de deur openvloog en een verhit, verontwaardigd en bestoven gezicht om de deur kwam en uitdagend vroeg:
"Zeg, is het brood nog niet genoeg gerezen, als de pan overloopt?"
Sallie begon te lachen, maar Meta knikte en trok haar wenkbrauwen zoo hoog mogelijk op, waarna de verschijning verdween, om het ongelukkige brood zonder verder uitstel in den oven te zetten. Mevrouw March ging uit, na hier en daar eens rondgekeken te hebben hoe de zaken stonden, en na een woordje van troost tot Bets, die het lijkkleed zat te naaien, terwijl de geliefde doode in het dominospeldoosje lag. Een vreemd gevoel van hulpeloosheid maakte zich van de meisjes meester, toen de grijze hoed om den hoek der straat verdween, en wanhoop beving hen, toen een paar minuten later juffrouw Crocker verscheen en aankondigde, dat ze graag bleef eten. Juffrouw Crocker was een mager, taankleurig mensen, met een scherpen neus en onderzoekende oogen, die alles opmerkte en alles buitenaf bepraatte. De meisjes hielden niet van haar, maar hadden geleerd vriendelijk tegen haar te zijn, omdat zij arm en oud was en weinig vrienden had. Meta gaf haar dus den gemakkelijken stoel en deed haar best om haar aangenaam bezig te houden, terwijl de bezoekster naar alles vroeg, alles critiseerde, en allerlei dingen vertelde van menschen, die zij kende. Geen pen kan beschrijven hoeveel angst Jo dien morgen uitstond, hoeveel ondervinding ze opdeed, en hoe ze zich moest inspannen, terwijl het maal, dat ze opdischte, haar later altijd werd nagehouden. Daar zij geen verderen raad durfde vragen, tobde ze alleen voort en kwam tot de overtuiging, dat er om keukenmeid te zijn, meer noodig is dan lust en goeden wil. Ze kookte de asperges een uur lang op een heet vuur, en zag tot haar schrik, dat de kopjes er afkookten en de steelen hard en taai werden. Het brood verbrandde, want het klaarmaken der kreeftensla nam zoo haar aandacht in beslag, dat ze al het andere aan haar lot overliet tot ze zag, dat zij het gerecht toch niet eetbaar kon maken. De kreeft was een vuurrood mysterie voor de arme, geagiteerde Jo, maar zij hamerde en prikte er net zoolang op, tot de schaal losliet, en begroef toen den mageren inhoud onder de slablaadjes. De aardappelen moesten haastig gekookt worden, om de asperges niet te laten wachten, en bleken ten slotte toch niet gaar. De blanc-manger zat vol klontjes, en de aardbeien waren niet zoo rijp als ze eerst wel schenen, daar de mooiste zorgvuldig bovenop waren gelegd.
"Dan moeten ze in vrede maar biefstuk met brood en boter eten, als ze honger hebben, maar het is wel sneu, dat ik den heelen morgen bezig ben geweest voor niets," dacht Jo, toen ze de etensbel een half uur later dan gewoonlijk luidde, en verhit, vermoeid en ontstemd het maal overzag, dat ze Laurie moest opdisschen, die alles zoo mooi en goed gewend was, en aan juffrouw Crocker, wier nieuwsgierige oogen alle gebreken zouden opmerken en wier babbeltong alles heinde en ver zou verspreiden.
De arme Jo zou graag onder de tafel gekropen zijn, toen het eene gerecht voor, het andere na, geproefd en op zij geschoven werd; terwijl Amy giegelde, Meta verslagen keek, juffrouw Crocker veelbeteekenend haar lippen op elkaar klemde, en Laurie uit alle macht praatte en lachte, om het feestmaal op te vroolijken. Jo had al haar hoop gevestigd op de vruchten, want zij had ze goed gesuikerd en een kannetje heerlijken room besteld om er bij te gebruiken. Haar gloeiende wangen koelden wat af, en ze haalde diep adem, toen de mooie kristallen schoteltjes rondgingen, en ieder verheugd keek naar de kleine rose eilandjes, drijvend in een zee van room. Juffrouw Crocker proefde het eerst, trok een afschuwelijk gezicht, en dronk gauw wat water. Jo, die bedankt had, uit vrees dat er niet genoeg zou wezen, keek naar Laurie, maar hij at met mannenmoed door, hoewel hij zijn lippen met moeite in bedwang hield om niet uit te barsten in lachen, en hij strak op zijn bord staarde. Amy, verzot op lekkernijen, nam een flinken hap, stikte er bijna in, verborg haar gezicht in haar servet, en vloog de kamer uit.
"O, wat mankeert er aan?" vroeg Jo bevend.
"Zout in plaats van suiker, en de room is zuur," antwoordde Meta met een tragisch gebaar.
Jo kreunde en viel achterover in haar stoel, zich herinnerend, dat ze de aardbeien inderhaast nog eens goed bestrooid had uit een van de twee potjes, die op de keukentafel stonden, en dat zij verzuimd had den room in de ijskast te zetten. Met een hoofd als vuur op het punt in tranen uit te barsten, ontmoette ze Laurie's oogen, die spottend _wilden_ kijken, in weerwil van zijn heldhaftige pogingen; de grappige kant van 't geval trof haar eensklaps, en zij lachte, lachte, tot de tranen haar langs de wangen rolden. Allen volgden haar voorbeeld, zelfs juffrouw Crocker, en het ongelukkige maal liep vroolijk af met brood en boter, bananen en pret.
"Ik voel me nog niet in staat om nu den boel al te gaan opruimen; we moesten ons liever weer in een kalme stemming brengen door eerst de begrafenis bij te wonen," zei Jo, toen zij opstonden en juffrouw Crocker zich gereed maakte te vertrekken, om de dwaze historie aan andere vrienden te gaan vertellen.
Allen bedaarden ter wille van Bets; Laurie dolf een grafje tusschen de varens in het boschje; het kleine Pietje werd er onder heete tranen door zijn teerhartige meesteres ingelegd en met mos bedekt, terwijl ze een krans van viooltjes en witte muur om den steen hing, die het grafschrift droeg, door Jo vervaardigd, terwijl ze zich met het eten afsloofde:
Dit is 't graf van Pietje March, Die op zeven Juni stierf; Betreurd door 't gansche huisgezin, Daar hij aller gunst verwierf.
Na afloop der plechtigheid trok Bets zich in haar kamer terug, akelig van droefheid en van de kreeft, maar er was geen rust voor haar te vinden, want de bedden waren nog niet opgemaakt, en ze ondervond dat haar verdriet wel iets verminderde onder het opschudden van kussens en het in orde brengen der kamer. Meta hielp Jo de overblijfselen van het feest weg te ruimen, dat den halven namiddag in beslag nam, en haar zoo vermoeide, dat zij overeen kwamen zich tevreden te stellen met thee en geroosterd brood voor het avondeten. Laurie ging wat met Amy rijden, een ware weldaad, want de zure room scheen een slechten invloed uitgeoefend te hebben op haar humeur. Toen Mevrouw March thuis kwam vond ze de drie oudste meisjes nog hard aan het werk, en gaf een blik in de provisiekamer haar eenig begrip van het welslagen van een gedeelte der proefneming.
Voordat de huishoudsters konden gaan rusten, kwamen er verscheiden bezoekers, en hadden ze zich vreeselijk te haasten om klaar te komen, en ze te kunnen ontvangen; toen moest er thee gezet, en waren er een paar boodschappen te doen, daarna nog wat naaiwerk, dat volstrekt af moest, maar tot het laatste oogenblik uitgesteld was. Eindelijk, toen het begon te schemeren en het koel en rustig werd, konden ze in de waranda neervallen, waar de Junirozen zoo heerlijk in knop stonden, en allen zuchtten of steunden, vermoeid en ontstemd.
"Wat is dit een verschrikkelijke dag geweest!" begon Jo, die gewoonlijk het gesprek opende.
"Hij leek mij toch korter toe dan anders, maar wel erg ongezellig," zei Meta.
"Zoo héél anders dan we gewoon zijn," voegde Amy er bij.
"Dat wil ik wel gelooven, zonder Moeder en Pietje," zuchtte Bets, en staarde met betraande oogen naar het ledige kooitje boven haar hoofd.
"Hier is Moeder, kindlief, en je zult morgen een nieuw vogeltje hebben, als je 't graag wilt."
Zoo sprekend kwam mevrouw March naar buiten, zette zich bij de meisjes neer, met een gezicht, alsof haar vacantiedag niet veel prettiger was geweest dan die van haar kinderen.
"Wel, meisjes, zijn jullie tevreden over de proefneming, of verlang je nog zoo'n week?" vroeg ze, toen Bets zich tegen haar aan vleide en de anderen zich met opgeklaarde gezichtjes naar haar toekeerden, als bloemen naar de zon.
"Ik stellig niet!" riep Jo beslist.
"Ik ook niet," herhaalden de anderen.
"Jullie vindt dus, dat het beter is enkele plichten te hebben, en ook wat voor anderen te leven, is 't niet?"
"Luieren en pretmaken is niet het ware," merkte Jo hoofdschuddend op. "Ik heb er genoeg van, en ben van plan dadelijk aan 't werk te gaan met het een of ander."
"Als jullie eens eenvoudig eten leerde koken, 't is bepaald noodig dat iedere vrouw dat kan," zei mevrouw March, hardop lachend, bij de herinnering aan Jo's maaltijd, want ze had juffrouw Crocker ontmoet, die er haar een verslag van had gegeven.
"Moeder! is u uitgegaan en liet u alles aan zijn lot over, om eens te zien, hoe wij het er af zouden brengen!" riep Meta, die er den heelen dag een voorgevoel van had gehad.
"Ja, ik wou, dat jullie eens zouden ondervinden, hoe de rust en het geluk van allen noodig maken, dat ieder trouw zijn plicht doet. Terwijl Hanna en ik jullie werk deden, ging alles vrij goed, hoewel ik niet geloof dat jullie heel gelukkig of prettig gestemd waren; daarom dacht ik, dat het geen kwaad zou kunnen als ik je eens liet zien, wat er gebeurt wanneer ieder uitsluitend aan zichzelf denkt. Voel jullie niet, dat het plezieriger is elkaar te helpen, dagelijksche plichten te hebben, die den vrijen tijd zoo kostbaar en heerlijk maken, en elkander te verdragen, zoodat ons "thuis" gezellig en prettig kan zijn voor iedereen?"
"Ja, ja, Moeder, wij zien het nu wel in!" riepen de meisjes.
"Nu, dan geef ik jullie den raad je kleine pakken maar weer op te nemen; want al schijnen ze soms zwaar, ze zijn toch goed voor ons, en worden lichter, naarmate we ze leeren dragen. Werken is gezond, en er is genoeg te doen voor alle menschen; 't komt lichaam en geest ten goede, en geeft ons een gevoel van macht en onafhankelijkheid, dat beter is dan geld."
"Wij zullen werken als bijen en het prettig vinden ook; let u maar eens op, of het niet waar is!" zei Jo. "Ik stel mij in mijn vacantie tot taak de dagelijksche dingen te leeren koken, en mijn volgend diner zal uitstekend zijn."
"Ik zal de hemden voor Vader naaien, en het niet weer aan u overlaten, Moeder. Ik kan het best doen en 't zal beter zijn, dan te zitten knoeien aan mijn eigen kleeren, die eigenlijk goed genoeg zijn, zooals ze zijn," beloofde Meta.
"Ik zal elken dag mijn lessen leeren en niet zooveel tijd besteden aan mijn muziek en mijn poppen. Ik ben een dom kind en moest liever studeeren in plaats van te spelen," was Bets' besluit; terwijl Amy haar voorbeeld volgde, door met heldenmoed te verklaren:
"Ik zal knoopsgaten leeren maken en op mijn taalfouten letten."
"Heel goed, dan ben ik volmaakt tevreden met den uitslag der proef, en geloof niet, dat wij het nog eens zullen moeten herhalen; maar pas op, dat jullie niet in een ander uiterste vervalt en den heelen dag zwoegt," waarschuwde mevrouw March glimlachend.
"Vaste uren voor werk en spel maken iederen dag nuttig en prettig. Toont dat je de waarde van den tijd begrijpt door hem verstandig te gebruiken, dan zal jullie leven goed besteed zijn."
"Wij zullen het onthouden, Moeder!" en ze hielden woord.
HOOFDSTUK XII.
HET KAMP LAURANCE.
Bets was postdirecteur, daar ze bijna altijd thuis was, en er dus geregeld voor zorgen kon, en ze vond de taak van het deurtje open te maken en den inhoud te verdeelen alle dagen weer even heerlijk. Op zekeren Julidag kwam ze belast en beladen binnen en ging als een echte brievenbesteller het heele huis rond, om overal brieven en pakjes af te geven.
"Hier zijn uw bloemen, Moeder! die vergeet Laurie nooit," zei ze, terwijl ze het frissche bouquetje in de vaas zette, dat in "moedershoekje" stond en altijd door Laurie gevuld werd.
"Mejuffrouw Meta March! een brief en een handschoen," ging Bets voort, genoemde artikelen aan haar zuster overhandigende, die bij haar moeder manchetten zat te stikken.
"Hé, ik heb hiernaast een paar laten liggen, en dit is er maar een," zei Meta, den grijzen handschoen bekijkende. "Heb je den anderen ook in den tuin verloren?"
"Neen, ik weet zeker van niet, want er was er maar één in de brievenbus."
"Jammer, ik vind het zoo vervelend ongepaarde handschoenen te hebben. Nu, misschien komt de andere nog wel terecht. Mijn brief is alleen maar de vertaling van een Duitsch liedje, waarom ik gevraagd had; ik denk, dat mijnheer Brooke dit geschreven heeft, want het is Laurie's schrift niet.
Mevrouw March zag Meta eens aan, die er in haar katoenen japonnetje, met de kleine krulletjes boven haar voorhoofd allerliefst uitzag, en zoo echt vrouwelijk aan haar werktafeltje vol nette klosjes zat te naaien. Ze was volkomen onbewust van de gedachte, die bij haar moeder opkwam, en naaide en zong, haar vingers ijverig bezig, en haar geest vervuld met meisjesdroomen, zoo onschuldig en frisch als de viooltjes in haar ceintuur, zoodat mevrouw March glimlachte en tevreden was.