Chapter 10
"Kom nu mee om je te vertoonen," zei Belle, en ging haar vooruit naar de kamer, waar de anderen zaten te wachten. Toen Meta ritselend volgde met haar langen sleep, haar rinkelende armbanden, gefriseerde haren en kloppend hart, had zij een gevoel, alsof de "pret" nu pas wezenlijk zou beginnen, want de spiegel had haar duidelijk gezegd, dat ze een kleine beauté _was_. Haar vrienden herhaalden die streelende uitdrukking met warmte, en gedurende verscheidene oogenblikken stond Meta, als de kraai in de fabel, te genieten van haar geleende veeren, terwijl de anderen als een troep eksters om haar heen kakelden.
"Nan, wil jij haar, terwijl ik mij kleed, eens een lesje geven, hoe ze haar sleep moet hanteeren, en oppassen met die Fransche hakken; anders kon ze zoo licht haar voet verstuiken. Steek dat zilveren kapelletje in de ruche van voren en haal dat krulletje aan den linkerkant van haar hoofd nog wat uit, Clara, en laat niemand uwer het bekoorlijke werk mijner handen verstoren," eindigde Belle plechtig, terwijl ze haastig de kamer uitvloog, zeer voldaan over den goeden uitslag van haar pogingen.
"Ik durf haast niet naar beneden, ik voel me zoo stijf en vreemd, en net of ik maar half ben aangekleed," zei Meta tegen Sallie, toen de bel luidde en mevrouw Moffat een boodschap zond of de jonge dames dadelijk wilden komen.
"Je lijkt niets op jezelf, maar je ziet er echt elegant uit. Ik ben niets, bij jou vergeleken, want Belle heeft ontzettend veel smaak, en jij bent precies een Françaisetje, heusch! Laat je bloemen gerust wat hangen, je moet er niet zoo bezorgd over zijn, en pas op, dat je niet zwikt," zei Sallie, die haar best deed niet jaloersch te zijn, dat Meta mooier was dan zij.
De waarschuwing getrouw ter harte nemende, kwam Meta goed en wel beneden en landde in de salon aan, waar de Moffats en enkele vroege gasten reeds verzameld waren. Dadelijk ontdekte ze dat er een soort van aantrekkingskracht in mooie kleeren steekt, ten minste voor een zeker soort van menschen. Verscheiden jonge dames, die den vorigen keer volstrekt niet op haar gelet hadden, werden plotseling zeer hartelijk; verscheiden jongeheeren, die haar bij de eerste partij alleen maar aangestaard hadden, lieten het nu niet bij staren, maar kwamen om aan haar voorgesteld te worden en zeiden haar allerlei dwaze, maar toch aangename dingen; en verscheiden oude dames, die op hun gemak de rest van 't gezelschap zaten te beoordeelen, vroegen met belangstelling, wie ze was. Eens hoorde ze mevrouw Moffat antwoorden:
"Meta March--de vader is kolonel in het leger--een van onze eerste families, maar ziet u, financieele klappen gehad; intieme vrienden van de Laurences; een allerliefst schepseltje, wezenlijk, mijn Ned dweept met haar!"
"Zoo!" zei de oude dame, haar lorgnet gebruikende om Meta nog eens goed op te nemen, die haar best deed er uit te zien, alsof ze niets gehoord had, maar zich ergerde over Mevrouw Moffat's leugentje.
Het "rare gevoel" ging niet over, maar ze verbeeldde zich maar, dat ze de rol van "uitgaand meisje" speelde, en dat ging haar nog al goed af, hoewel de nauwe japon haar een steek in de zij bezorgde, de sleep telkens onder haar voeten kwam, en ze in gestadige vrees was, dat haar "sieradiën" afvliegen, en verloren zouden raken. Juist speelde ze met haar waaier, lachend over de flauwe aardigheden van een jongmensch, dat geestig wilde zijn, toen ze eensklaps beschaamd met lachen ophield, want recht tegenover haar stond Laurie. Hij keek haar met ongeveinsde verbazing, en, zooals zij meende, afkeurend aan; want hoewel hij boog en tegen haar glimlachte, was er toch iets in zijn eerlijke oogen, dat haar deed blozen en wenschen, dat ze haar eigen japon aan had. Om haar verlegenheid nog grooter te maken, zag ze, dat Belle een wenk gaf aan Annie, waarop beiden van haar naar Laurie keken, die er tot haar blijdschap echt jongensachtig en verlegen uitzag.
"Malle wezens, om zulke gedachten in mijn hoofd te brengen! Ik ben niet van plan er me iets aan te storen, of er eenigszins anders om te zijn," dacht Meta, en ruischte de kamer door om haar vriend een hand te geven.
"Ik ben blij, dat je gekomen bent, want ik was bang, dat je niet zoudt kunnen," zei ze zoo damesachtig mogelijk.
"Jo wou graag dat ik ging, om haar te vertellen, hoe je er uitzag," zei Laurie zonder haar aan te zien, daar hij lachen moest om haar moederlijken toon.
"En wat zul je haar vertellen?" vroeg Meta, brandend nieuwsgierig zijn meening omtrent haar te hooren, en toch voor het eerst niet heelemaal met hem op haar gemak.
"Ik zal zeggen, dat ik je niet herkende, want je ziet er zoo deftig en ongewoon uit, dat ik haast bang voor je ben," zei hij, en frommelde aan het knoopje van zijn handschoen.
"Bespottelijk! de meisjes kleedden mij voor de aardigheid zoo mooi aan, en ik vind het wel prettig. Zou Jo niet vreemd opkijken, als ze me zag?" vroeg Meta, vast besloten van hem te hooren, of hij haar mooier vond dan anders of niet.
"Ja, dat zou ze zeker," antwoordde Laurie ernstig.
"Vind jij niet, dat ik er zoo aardig uitzie?" vroeg Meta.
"Neen," was het openhartig antwoord.
"Waarom niet?" klonk het op bezorgden toon.
Hij zag naar haar gekapt hoofd, bloote schouders en druk gegarneerde japon met een uitdrukking, die haar nog meer terneersloeg dan zijn antwoord, dat geen greintje van zijn gewone beleefdheid bevatte.
"Ik hou niet van al dat lawaai."
Dat was ál te erg van een jongen, jonger dan zij zelf, en Meta stapte weg, na hem op beleedigden toon toegevoegd te hebben:
"Je bent de onhebbelijkste jongen, dien ik ooit gezien heb."
Zeer ontstemd ging ze naar een rustig hoekje bij een open raam om haar wangen wat te verkoelen, want de nauwe japon bezorgde haar een lastig hoogen blos. Terwijl ze daar stond, ging majoor Lincoln voorbij, en hoorde ze hem een oogenblik later tegen zijn moeder zeggen:
"Ze maken een zottin van dat kleine meisje: ik had haar u zoo graag eens laten zien, maar ze hebben haar hier totaal bedorven; ze is van avond niets dan een pop."
"Och!" zuchtte Meta, "ik wou, dat ik maar verstandig was geweest en mijn eigen japon gedragen had; dan zouden andere menschen niet 't land aan me hebben gekregen en had ik mezelf niet zoo onplezierig en beschaamd gevoeld."
Met haar voorhoofd tegen het koele glas, stond ze half verborgen door de gordijnen, zonder er zich om te bekommeren, dat haar geliefkoosde wals een aanvang had genomen, toen iemand haar aanraakte. Zich omkeerende, zag ze Laurie staan; met een schuldig gezicht en zijn allerdiepste buiging zei hij, haar de hand toestekend:
"Vergeef me als'tjeblieft mijn onbeleefdheid en kom met mij dansen."
"Ik ben bang, dat het al te onplezierig voor je zal zijn," zei Meta, haar best doende beleedigd te kijken, wat haar echter volkomen mislukte.
"Volstrekt niet, ik _sterf_ van verlangen. Kom, ik zal braaf zijn, ik vind je japon akelig, maar je bent anders--prachtig;" en hij maakte een handbeweging, alsof woorden ontbraken om zijn bewondering lucht te geven.
Meta glimlachte, gaf toe en fluisterde, terwijl ze even wachtten om in de maat te komen:
"Pas op, dat mijn sleep niet onder je voeten komt, hij is de plaag van mijn leven; en ik was een eend, dat ik die japon ooit heb willen aandoen."
"Speld het ding om je hals, dan doet het nog nut," zie Laurie, naar de kleine, blauwe schoentjes kijkende, die hij klaarblijkelijk goedkeurde.
Weg vlogen ze, licht en bevallig; want daar ze zich thuis dikwijls geoefend hadden, kwamen zij goed bij elkander, en het vroolijke jonge paar, dat daar zoo opgewekt ronddraaide,--na hun kleinen twist vriendschappelijker dan ooit gestemd--maakte op ieder een prettigen indruk.
"Laurie, wil je me een plezier doen?" vroeg Meta, toen hij haar moest "bewaaien", omdat ze dien avond zoo bizonder gauw buiten adem was, hoewel zij het niet wilde erkennen.
"Zeker!" riep Laurie bereidwillig.
"Vertel ze dan als'tjeblieft thuis niets van deze japon. Ze zouden er de aardigheid niet van begrijpen, en het zou Moeder hinderen."
"Waarom deed je het dan?" vroegen Laurie's oogen zoo duidelijk, dat Meta er haastig bijvoegde:
"Ik zal het zelf wel vertellen en aan Moeder zeggen hoe dwaas ik geweest ben. Maar ik doe het liever zelf; dus jij houdt je mond, hè?"
"Ik geef je mijn woord, dat ik zwijgen zal, maar wat moet ik zeggen, als ze er mij naar vragen?"
"Zeg maar, dat ik er lief uitzag, en veel plezier had."
"Het eerste wil ik met alle genoegen zeggen, maar wat het andere betreft? Je ziet er niet uit, alsof je veel plezier hebt," en Laurie zag haar aan met een uitdrukking, die haar fluisterend deed antwoorden:
"Neen, vanavond niet. Vind me nu maar niet afschuwelijk, ik verlangde naar wat plezier, maar dit soort valt toch niet mee en ik heb er nu al genoeg van."
"Daar komt Ned Moffat, wat moet die?" vroeg Laurie, terwijl hij zijn zwarte wenkbrauwen samentrok, alsof hij zijn jongen gastheer geen aangename vermeerdering van het gezelschap vond.
"Hij heeft zich voor drie dansen ingeschreven, en ik vermoed, dat hij daarom komt; wat vervelend!" zuchtte Meta, met een gemaakt, kwijnend lachje, dat Laurie allervermakelijkst vond.
Hij sprak haar niet meer tot na het souper, toen hij haar champagne zag drinken met Ned en zijn vriend Fisher, die zich als een "paar gekken aanstelden," zooals Laurie bij zichzelf zei, want hij voelde een soort van broederlijk recht om over de Marches te waken en voor hen op te komen, zoodra ze een verdediger noodig hadden.
"Je zult morgen geduchte hoofdpijn hebben, als je daar veel van drinkt. Ik zou het niet doen, Meta, je moeder vindt het niet goed, dat weet je wel," fluisterde hij over haar stoel gebogen, toen Ned zich omdraaide om haar glas weer te vullen, en Fisher zich bukte om haar waaier op te rapen.
"Ik ben van avond "Meta" niet; ik ben "een pop", die allerlei dwaze dingen doet. Morgen doe ik al "dat lawaai" af en ben weer wanhopig braaf," antwoordde ze met een gemaakt lachje.
"Ik wou dan maar, dat het morgen was," mompelde Laurie, weinig gesticht over de verandering, die hij in haar opmerkte.
Meta danste en coquetteerde, babbelde en gichelde, precies als de andere meisjes. Na het souper deed ze mee aan een nieuwen dans, hoewel ze er niets van kende, liet haar heer bijna vallen over haar lange japon en gedroeg zich op een manier, waarover Laurie, die toekeek, zich schaamde, zoodat hij zich voornam haar de les eens te lezen. Maar hij zag geen kans het zoover te brengen, want Meta hield zich op een afstand, tot hij afscheid van haar kwam nemen.
"Denk er aan!" zei ze, met moeite glimlachend, want de zware hoofdpijn liet zich reeds voelen.
"Silence à la mort," antwoordde Laurie met een sierlijke buiging.
Dit apartje wekte Annie's nieuwsgierigheid op; maar Meta was te moe om napraatjes te houden en ging naar bed, met een gevoel, alsof zij op een maskerade was geweest en niet zooveel plezier had gehad, als ze zich had voorgesteld. Den volgenden dag was ze ziek en Zaterdags ging ze naar huis, door en door vermoeid van de prettige dagen, en overtuigd, dat ze lang genoeg "in den schoot der weelde" had geleefd.
"Heerlijk, hier weer eens rustig te zitten en niet den heelen tijd zoo opgeschroefd te moeten doen. Het is thuis toch wel _erg_ prettig, al is het er lang niet zoo prachtig als bij de Moffats," zei Meta, vroolijk rondziende, toen ze Zondagsavonds met haar moeder en Jo gezellig zat te praten.
"Ik ben blij, dat ik je dat hoor zeggen, mijn kind, want ik was bang, dat het je hier te saai en te eenvoudig zou toeschijnen, na al het moois, dat je daar gezien hebt," antwoordde haar moeder, die haar oudste dien dag menigmaal bezorgd had aangezien, want moederoogen zien dadelijk de minste verandering op het gezicht hunner kinderen.
Meta had haar wederwaardigheden vroolijk verteld, en meer dan eens gezegd, dat ze zoo'n heerlijken tijd had gehad, maar het scheen alsof haar nog iets op het hart lag, en toen de jongere meisjes naar bed waren, zat ze peinzend in 't vuur te staren, zei weinig en zag er verdrietig uit. Toen het negen uur sloeg en Jo al voorstelde ook naar boven te gaan, stond Meta plotseling van haar stoel op, nam Bets' bankje, steunde de ellebogen op haar moeders schoot en begon zoo kordaat mogelijk:
"Moeder, ik moet u wat vertellen."
"Dat dacht ik wel. Wat is het, lieveling?"
"Zal ik verdwijnen?" vroeg Jo bescheiden.
"Natuurlijk niet, ik vertelde immers altijd alles? Ik schaamde er mij over om het te vertellen, terwijl de kleintjes er nog waren, maar ik wou, dat u al de schandelijke dingen wist, die ik bij de Moffats gedaan heb."
"Wij luisteren," zei mevrouw March glimlachend, maar toch wel wat bezorgd.
"Ik heb u wel verteld, dat ze mij wat opsierden, maar niet, dat ze me blanketten en inregen en friseerden, en er mij deden uitzien als een modeplaatje. Laurie vond het niet netjes; ik weet, dat hij er zoo over dacht, hoewel hij het niet zei, en een van de heeren noemde me een "pop." Ik weet, dat het dwaas was, maar ze vleiden mij zoo en zeiden, dat ik een kleine beauté was en nog allerlei nonsens meer, en zoo liet ik met me spelen."
"Is dat alles?" vroeg Jo, toen mevrouw March zwijgend staarde op het verlegen gezicht van haar mooi dochtertje, en niet het hart had haar te bestraffen over haar kleine dwaasheden.
"Neen, ik dronk champagne, en was veel te druk en ik flirtte, en, en--'k was in één woord onuitstaanbaar," bekende Meta berouwvol.
"Er is nog iets meer, geloof ik," en mevrouw March liefkoosde de zachte wang, die plotseling bloosde, toen Meta langzaam zei:
"Ja, het is heel mal, maar ik wou het toch maar vertellen, omdat ik het zoo naar vind, dat de menschen zulke dingen over ons en Laurie zeggen en denken."
Toen deelde ze de praatjes mee, die ze bij de Moffats gehoord had, en onder het verhaal zag Jo, dat haar moeder de lippen op elkaar klemde, alsof het haar zeer onaangenaam aandeed, dat zulke gevoelens opgewekt waren in Meta's onschuldig gemoed.
"Stel je voor! De grootste onzin, dien ik ooit gehoord heb!" riep Jo verontwaardigd. "Waarom kwam je niet dadelijk te voorschijn en bracht het hun aan het verstand?"
"Ik kon niet; het was zoo moeilijk voor me. In het begin kon ik niet helpen, dat ik het hoorde, en daarna was ik te boos en te beschaamd, om er aan te denken, dat ik behoorde heen te gaan."
"Wacht maar, tot _ik_ die Annie Moffat eens zie, dan zal ik je eens toonen, hoe je zulke malle praatjes den kop moet indrukken. Verbeeld je, wij "plannen" hebben en vriendelijk zijn tegen Laurie, omdat hij rijk is, en mettertijd met een van ons zou kunnen trouwen! Wat zal hij lachen, als ik hem vertel, wat idiote dingen die malle menschen over ons gezegd hebben!" en Jo lachte hartelijk, alsof, bij nader inzien, de zaak haar een grap toescheen.
"Als je 't aan Laurie vertelt, vergeef ik 't je nooit! Ze mag het niet vertellen, wel Moeder?" zei Meta verschrikt.
"Neen, breng die dwaze praatjes niet verder en vergeet ze zoo gauw mogelijk," zei mevrouw March ernstig. "Het was niet verstandig van me je bij menschen te laten logeeren, die ik zoo weinig ken; ze zijn zeker heel vriendelijk, maar wereldsch, niet fijnbeschaafd en vol onkiesche gedachten over jonge menschen. Het spijt me meer dan ik je zeggen kan, Meta, want dit bezoek heeft je misschien veel kwaad gedaan."
"Trek er u maar niets van aan; ik zal zorgen, dat het mij geen kwaad doet; ik zal al het kwade vergeten, en alleen aan het goede denken, want ik heb er ook veel genoten en dank u wel, dat u mij hebt laten gaan. Ik zal niet sentimenteel of ontevreden zijn, Moeder; ik weet, dat ik dwaas gedaan heb en beter doe thuis te blijven, tot ik op mezelf kan passen. Maar het _is_ prettig geprezen en bewonderd te worden, en ik kan niet helpen, dat ik het vind," zei Meta, half beschaamd over haar bekentenis.
"Dat is heel natuurlijk en onschuldig; als dat "prettig vinden" maar geen hartstocht wordt en er je toe brengt dwaze of onvrouwelijke dingen te doen. Leer den lof kennen en op prijs stellen, die waard is verdiend te worden, en streef naar de bewondering van uitnemende menschen, door zoowel natuurlijk en bescheiden als lief te zijn, Meta."
Meta stond een oogenblik in gedachten, terwijl Jo haar, met de handen op den rug, belangstellend en verbaasd aankeek; want het was iets geheel nieuws Meta te zien blozen en praten over bewondering, aanbidders en dergelijke dingen, en Jo had een gevoel, alsof haar zuster gedurende die veertien dagen veel ouder was geworden en op het punt stond een wereld binnen te gaan, waar zij haar niet kon volgen.
"Moeder, _hebt_ u "plannen", zooals mevrouw Moffat zei," vroeg Meta verlegen.
"Ja, mijn kind, een heele boel; alle moeders maken ze; maar de mijne verschillen nogal veel van die van mevrouw Moffat, denk ik. Ik zal er je een paar van vertellen, want de tijd is gekomen, dat een enkel woord dit dwepend hoofdje en hartje op een zeer gewichtig punt tot rust kan brengen. Je bent wel jong, Meta, maar niet te jong om mij te begrijpen en Moeders zijn het meest geschikt om over zulke dingen met hun meisjes te spreken. Ja, jouw tijd zal misschien ook wel eens komen, luister dus ook naar mijn "plannen," en help me ze ten uitvoer brengen, als ze goed zijn."
Jo kwam op de armleuning van den stoel zitten, met een gezicht alsof ze dacht, dat het een zeer gewichtige gebeurtenis gold. Met de hand van haar dochters in de hare en de twee jeugdige gezichtjes met teederheid beschouwende, zei mevrouw March op haar ernstige, maar toch opgeruimde manier:
"Ik hoop, dat mijn dochters mooi, beschaafd en goed zullen worden; bewonderd, geliefd en geacht zullen zijn, eene onbezorgde jeugd zullen hebben, gelukkig en goed mogen trouwen, en een nuttig, aangenaam leven zullen kunnen leiden, door zoo weinig zorg en droefheid gekweld, als met Gods raad bestaanbaar is. Bemind en ten huwelijk gevraagd te worden door een goed man is het beste en liefelijkste lot, wat voor een vrouw weggelegd is, en ik hoop van harte, dat mijn meisjes die heerlijke ervaring zullen leeren kennen. Het is heel natuurlijk dat je er wel eens over denkt, Meta, volkomen geoorloofd het te hopen, en verstandig er je op voor te bereiden, zoodat je, wanneer die gelukkige tijd aanbreekt, gereed zult zijn voor de plichten, en het geluk waardig. Mijn lieve kinderen, ik stel mijn wenschen voor jullie heel hoog, maar begeer niet, dat je vooruit zoudt komen in de wereld door een rijk man te trouwen, alleen omdat hij rijk is, of een prachtig huis zoudt hebben, dat geen thuis is, omdat de liefde er ontbreekt. Geld is iets heel noodigs en begeerlijks in het leven en een zegen als het goed gebruikt wordt; maar ik zou niet willen, dat jullie het beschouwden, als den eersten of eenigen prijs, die te behalen is. Ik zou jullie liever gelukkig getrouwd zien met een arm man, dan als koningin op een troon, zonder vrede en achting voor je zelf."
"Arme meisjes hebben geen kans, zegt Belle, als ze zich niet een beetje op den voorgrond stellen," zuchtte Meta.
"Dan zullen wij oude vrijsters dienen te blijven," zei Jo opgewekt.
"Goed zoo, Jo; het is beter een gelukkige, oude vrijster te zijn, dan een ongelukkige echtgenoot of onvrouwelijk meisje, dat haar best doet om een man te vinden," zei mevrouw March.
"Maak je niet ongerust, Meta, armoede schrikt zelden een ernstig man af. Sommige der beste en meest geachte vrouwen onder mijn kennissen, waren arme meisjes, maar zoo beminnelijk, dat men ze geen gelegenheid liet oude vrijsters te worden. Laat die dingen maar over aan den tijd, maak dit thuis maar gelukkig, zoodat jullie geschikt zult zijn voor een eigen huis als het je aangeboden mocht worden, maar je hier ook tevreden gevoelen kunt, als dit niet het geval is. Onthoudt dit eene, mijn lieve kinderen, Moeder staat altijd klaar om je vertrouwde, Vader om je vriend te zijn; en wij beiden gelooven en hopen, dat onze dochters, getrouwd of ongetrouwd, de trots en vreugde van ons leven zullen uitmaken."
"Dat zullen we, Moeder, dat zullen we!" riepen beiden uit het diepst van hun hart, toen mevrouw March hen goeden nacht kuste.
HOOFDSTUK X.
DE P.C. EN P.P.
Toen de lente aanbrak, kwamen er verschillende, nieuwe vermakelijkheden aan de orde, en de lengende dagen brachten lange namiddagen voor werk en spel van allerlei aard. De tuin moest in orde gebracht worden, en ieder der meisjes had een klein lapje om mee te doen wat zij zelf wilde. Hanna zei altijd: "Ik zou je dadelijk kunnen vertellen, van wie de tuintjes waren, al zag ik ze ook in China," en ze had gelijk, want de smaak der meisjes verschilde evenveel als hun karakters. Meta had er rozen en heliotropen, een mirthe- en een oranjeboompje in. Dat van Jo was nooit tweemaal hetzelfde, want ze probeerde telkens weer iets anders; dit jaar was het een kweekerij van zonnebloemen; van die vroolijke, hoogop strevende planten had ze het zaad tot voedsel bestemd voor "tante Kloek" en haar familie kuikentjes. Bets had ouderwetsche bloemen in haar tuin: heerlijke balsemienen en reseda, riddersporen, anjelieren, viooltjes, akeleien, muur voor haar vogel, en kattekruid voor de poesjes. Amy had een prieeltje in haar tuintje, wel klein en vol oorwurmen, maar aardig voor het oog, heelemaal overdekt met kamperfoelie en morgenschoon, die hun veelkleurige hoorntjes en klokjes in sierlijke guirlandes lieten afhangen; voorts groote witte lelies, fijne varens en zooveel schitterende, decoratieve planten als wel de goedheid wilden hebben daar te bloeien.
Tuinarbeid, wandelingen, roeitochtjes op de rivier en het verzamelen van wilde bloemen namen de mooie dagen in; en voor de regenachtige hadden ze vermakelijkheden binnenshuis, sommige oud, sommige nieuw,--alle meer of minder oorspronkelijk. Een van deze was de "P.C", want daar geheime genootschappen in zwang waren, vonden de meisjes het noodig er ook een te hebben; en daar ze alle vier met Dickens dweepten, noemden ze zich "de Pickwick" Club. Een jaar lang hadden ze dit vrij geregeld volgehouden, en waren ze elken Zaterdagavond te zamen gekomen op den grooten zolder, welke vergaderingen met de volgende plechtigheden gepaard gingen: Drie stoelen werden op een rij achter een tafel gezet; op die tafel stond een lamp, en lagen vier witte kaartjes, de clubinsignes met een groote "P.C." er op in vier verschillende kleuren, en het weekblad, dat de "Pickwick Portefeuille" werd genoemd, en waaraan ieder haar bijdrage moest leveren. Jo, nooit gelukkiger, dan wanneer ze pen en inkt hanteerde, was redacteur. Om zeven uur trokken de vier leden naar de vergaderzaal, bonden zich de insignes om het hoofd, en namen met groote deftigheid plaats. Meta, als de oudste, stelde Samuel Pickwick voor; Jo, als de meest literarisch ontwikkelde, Augustus Stockwall; Bets, omdat zij een blozend tonnetje was, Tracy Tupman; en Amy, die altijd probeerde te doen, wat ze toch niet kon, Nathaniël Winkle. Pickwick, de president, las het blad voor, dat gevuld was met oorspronkelijke verhalen, dichtstukjes, plaatselijk nieuws, grappige advertenties, en wenken, waarmee ze elkander op een aardige manier opmerkzaam maakten op hun gebreken en tekortkomingen. Bij een dezer gelegenheden zette de heer Pickwick zijn bril op zonder glazen, tikte op de tafel, kuchte, en begon te lezen, na eerst den heer Stockwall ernstig te hebben aangestaard, die achterover in zijn stoel gevallen was van 't lachen, en zoo tot de orde moest geroepen worden.
"DE PICKWICK PORTEFEUILLE."
20 Mei 18--.
RUBRIEK DER GEDICHTEN.
OP EEN VERJAARDAG.
Welkom, lieve vrienden, welkom, Op dee'z heugelijken dag! Nu de Pickwick Club haar jaarfeest Aan de kim verrijzen zag.
Allen zijn we tegenwoordig; Allen zijn gezond en blij; Voelen ons volmaakt gelukkig, Van verdriet en zorgen vrij.
Onzen ijverigen Pickwick Brengen wij den eersten groet; Hem die 't welgevulde weekblad, Voorleest met zoo'n warmt' en gloed.
Schoon hij zware kou gevat heeft, Schor van keel is, heesch van stem, Wil hij toch het werk niet staken. Maar wie vreest dat ook van _hem_!