Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg

Chapter 4

Chapter 44,074 wordsPublic domain

"Nee," zei hij met diepere stem. "Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna...."

"Laat me los, riep ze. Ik wil terug."

"Luister, drong hij, Anna, hoor!"

"Laat me gerust," smeekte ze.

"Jij kunt voor me doen, wat geen pastoor meer kan."

Beiden zwegen plotseling.

"Is je dat gemeend?" bracht zij uit in hare ontroering.

"Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg...."

"Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!"

"Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik dan ook zooveel niet mee."

"Ik wist niet dat je spaarde," wierp ze er verwonderd tusschen. "Sinds wanneer?"

"Ik zal nooit een ander dan jou trouwen," verzekerde hij hartstochtelijk.

"Laat me los. Ik wil.--Hoeveel anderen heb je dat al verteld?"

"Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna...."

"We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is 't genoeg geweest!"

Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon 't haar niet langer beletten. Hij volgde.

"Mag 'k hier blijven zitten?" vroeg hij, zich naast Anna neerzettend. "Ik trakteer" zeide hij in haar oor.

De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten weldra toegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.

Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.

VIII.

"De kinderen zijn naar de feestwei," zei vader Jansen tot Hary Gerards, de eenige die er dien middag in de herberg kwam. "Zij zijn met de meisjes van de straat hier meegegaan."

"Anna denkt nog niet aan trouwen?" vroeg hij.

"Trouwen!" had Jansen gezegd met verwondering. "Mijn vrouw was dertig jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!"

Er was een onverklaarbare weemoed over Hary heen geweest, geheel dien dag. Hij stapte op en ging 't veld in. De muziek drong tot zijn ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd.

"Vreemd toch, de mensch...." dacht hij bij zich zelven.

De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in 't gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het zingend vogeltje onzichtbaar tegen 't schelle uitspansel in 't licht, dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als 't borrelen eener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen bobbelden de klanken op en dreven door de stilte.

"Waarom kan 'k mij niet blij gevoelen?" vroeg hij zich af.

Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,--een zwarte stip langs het blauw,--als een verschietende ster.

Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist het niet. Maar hij wandelde verder.

Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij rondom zag. Hoe schoon was 't veld dien dag. Daar midden in, tusschen de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen eiland in de zee van 't drijvend koren. Een merel begon er te fluiten.

Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge gras. Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef:

O Limburg mijn geliefde land, Met zooveel bloeiend schoon beplant Van bloemen en van boomen, Van velden die, vol gelend graan Als golven gouds aan 't wiegen slaan, Wanneer de winden komen,

Ik min uw schoon, wanneer verblijd De leeuwerk met zijn jeugd-jolijt En liedren, streeft ter zonne; De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt, Verlangend aldoor nederstrijkt En geeft zich u gewonnen;--

Wanneer ter blijde middagstond De merel, die in 't wit verzwond Van bloesemzware twijgen, Der lente serenade zingt En 't al tot stil gemijmer dwingt, Waarbij de vogels zwijgen;--

Ik min u, als de nachtegaal Van minneweelde zoet verhaal In klanken zet en zangen, En de avond met een wâ van dauw En droom en donker zilvergrauw De landen houdt omvangen....

O Limburg, mijn geboortegrond, Voor alles op dit wijde rond Van schoone wereldrijken, Blijft mij uw lieve schoonheid waard, Mijn onbesnoeide, groene gaard; Waar vind ik uws gelijke?

O Limburg, want geen enkle vreugd, --Wat vreugden ook mijn harte heugt-- Kan immer vreemd u heeten, Schoon land waar ik geboren ben, Voor mij, die uw bekoren ken En nimmer zal vergeten.

Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen.

Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij 't naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw kwam de neerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor gelukkige paren?

Dan verdween hij in de dorpsstraat.

Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de planken tafel, en tegen iedereen onder 't bereik zijner stem. Hij schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed.

Luisterde Anna naar wat hij zeide?

Zij hoorde 't als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch duidelijk, als 't geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond maar half.

"Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek."

Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was, dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag hem liggen in 't kruid; zij zag zich zelve--klein Anneke van toen--met den blonden knaap door 't heidegewas stappen. "Allemaal van ons" had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest, die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven?

Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de vastberadenheid die als een stempel stond op zijn gelaat.

En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding was hij er de kleine gebieder van geworden....

Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een schaduw over den zonnigen droom. Zóó was 't geluk van dien mooien dag aan scherven gevlogen....

Willem schaterde 't uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd.

Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar is immers ook geen sprake van....

Toen die Pinksterdag, de gillende meisjes, het gegichel en "dat de pastoor het maar eens weten moest!" Zij had dat nooit vergeten. En zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen.

"Drink eens, Anna," noodde Willem. "Het zal je geen kwaad doen."

Weer verviel ze in gedachten.

Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar hij dien appel voor haar geplukt had--"omdat jij het bent"..... Dan was Hary van den meester hen er komen storen.

Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond te zien.

"Waar zoek je naar?" vroeg Willem.

"Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?" vroeg ze Betje.

"Wat zou dat?" zei Willem geërgerd.

"Nou" sarde ze een beetje en trok hare lip op--"wat dat zou?"....

Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het leeg en begon opnieuw te praten in 't gezelschap.

Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis gebleven, dacht ze.

Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie was het?

Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in haar oor: "ik hou van je, An." Zij voelde zijn wang over haar schouder strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige hitte in haar hoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was.

De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de strooien hoeden, de petten op 't hoofd, zwijgend met de meisjes die zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij zweetten in de hitte van 't vertrek onder de lampen, waarbij hunne roode gezichten glommen.

Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds dronken en dronk nog altijd meer.

"Schei uit," zei ze, "je hebt reeds meer dan genoeg."

"Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!"

"Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar huis. Morgen praat het heele dorp van me."

Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan zijn biddend gezanik "dat ze toch nog niet zou....."

Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld.

"Dan zal ik met je mee gaan."

"Doch niet tot bij ons aan huis!"

"Even maar de straat over, hier."

Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: "Anna, mijn liefste Anneke...."

"Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen," antwoordde ze bits.

"Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me...."

"Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis."

Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen.

"Tot afscheid" vroeg hij deemoedig.

Maar zij sprong vlak voor hem weg.

Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug dringen met geweld. "Ik wil een zoen van je."

"Hulp" gilde zij in haar schrik.

"Wat is er gaande?", klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht.

"Laat me los" steunde Anna voort.

De man in 't donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten hem de herberg binnen.

En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis.

IX.

Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude donkere tuya's naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere diepte vol van 't purper donker van het heidekruid naar den anderen kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar een tweeden heuvel op te gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen.

Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge "ovens" opgestapeld en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen waren reeds voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen, als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel midden in.

Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne onverzadigbare vraatzucht.

"Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw wonden,--dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschende signalen der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften zijn, onder den rook der mijn?"

Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen weg. In haar bloeiend purper deinde de heide.

"Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo bescheiden; zoo schoon in haar droom...."

Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij kende hare smart werkelijk.

"Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij. Zij weet haar doem ten ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,--met de rijke schoonheid van ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk, geluk genoeg."

Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd was verre.

"Mijn arme, trouwe heide."

Verder ging hij, door 't bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak.

Het stroomt er om het "Sterrebosch" heenkronkelend.

Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide.

"Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd. Mijn God, dat mooie, reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is in ons gewest en geen bron meer zuiver...."

En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken; zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde.

"De aarde met haar wasdom heeft God gegeven aan den mensch dat hij van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden."

Het schokte in zijn keel op:

"Gij vernielt mijn prachtig land!"

Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken "bok" op het mijndak. Toen klaagde het in hem: "waarom kan onze rijke grond niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?"

De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde een wulp in breede cirkelvlucht en krijschte luid zijn tragische kreten.

De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper van het gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,--de bezembinders.

Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het kermisavondtooneel stond voor zijn geest. "Anna" fluisterde hij zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien.

Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden.

Voor hem trad een jonge kerel op het pad.

"Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet het liegen als je durft?"

Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken.

"Maar nu afgerekend," brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend met een vloek,--en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in 't gelaat. Het duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary lag bewusteloos.

"Ziezoo," zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed op 't aangezicht "dat heeft hij al vast." Hij borg het zakmes op, waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het lemmet niet geschuwd.

En hij ging het boschje in, zonder om te zien.

Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde, dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader Jansen vloog op, of iets hem gestoken had.

"Wat zeg je?" riep hij in ontzetting. "Dat verhoede God!"

Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend.

Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér.

Doch een tweede kwam.

"Ze hebben hem geslagen," vertelde deze: "doch hij leeft nog. Het is gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder...."

De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder.

"Niet dood?" kwam 't bevend van Anna's bleeke lippen.

"Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht was opgezwollen en 't haar stond stijf van 't bloed."

Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen.

"Het is mijn schuld" kreunde zij.

Toen Jansen van een gang door 't dorp 's avonds thuis kwam verzekerde hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel.

X.

Het was een poos later. 't Was een heete dag geweest en vóór de avond viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage rommelen van 't onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende luiken dicht en openstaande ramen. Bloempotten woeien om. De menschen op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en weer gezwiept in 't gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog een jonge boer aanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.

Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijde kaars, die op een luchter geplaatst werd en ontstoken.

"Kinderen," zei ze, "haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het wordt een zwaar weer."

Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.

De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun vurig verschieten om strijd.

"Ik zal hem halen" zei Jansen en ging.

Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.

De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.

"Heb je hem?" riep moeder bij de trap.

"Ja," antwoordde hij, "ik kom."

"Goddank," dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.

"Wij zijn in Gods hand" zeide zij altijd.

"Over het veld is heel de lucht één vuur," zei Jansen, binnenkomend met heel den bos. 't Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij 't kruid van den dorren tuil likten.

De bliksemstralen liepen rondom 't huis, alsof zij er door heen voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers mokerden de donderslagen.

Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer even onderbroken, wanneer één dier geweldige slagen viel, die het heele huis aan 't dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks hoorbaar antwoordden de meisjes het: "Heilige Maria, Moeder Gods...."

Dan zeide vrouw Jansen weer: "och-arme, die arme menschen die daar nu in zijn!" De regen gudste nu.

"Het wordt nog altijd erger," zei de man bezorgd.

Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was ingestort. "God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den schoorsteenmantel, dat we Sint Jan's Evangelie bidden...."

"Vader," zei Lize, "ik hoor kloppen aan de deur."

Een nieuwe geweldige slag loeide los, over het dorp heen daverend.

Vrouw Jansen hoorde het ook: "Er is iemand aan de deur."

Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.

Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den weg waar geen huis is.

"Zwaar weertje" zeiden ze. "Is me dat iets?"

Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en met de meisjes verdween de moeder in de keuken.

"Geef ons een borrel," vroeg Willem.

Het noodweer liet geen oogwenk af.