Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg

Chapter 3

Chapter 34,146 wordsPublic domain

«Gij Asschepoester in 't verleden, Gij donkere achterhoek des lands,-- Plots rijk aan schatten, niet te meten, En diamanten Limburg thans.»

Toen kwam er eene smartelijke uitdrukking in 't gelaat van den grijsaard.

Al die dagen praatten de boeren van niets anders. Ze hadden steenkool gevonden op de hei! Misschien was de pastoor de eenige die er een zwaar hoofd over had. Hij had gehoopt dat 't niet aldus zou uitvallen. Hij was teleurgesteld in die hoop.

De lucht was zwoel. Er was een donkere nacht over de heide, eene duisternis als een muur zoo dicht. Maar het was geen rustige nacht. Er was een onheilspellend gesuis wakker. Er ging een gonzen door die donkerte, als het geruisch van vele torren die op strak gespannen vlerken snorren. Het trilde met metaalgeluid als van springveeren die bewogen worden. Doch men zag geen hand voor oogen.

Toen viel een vaal, vaag licht over de verte uit. Daar rees de kegel van den Heksenberg. Hij rees en groeide, en stond er als een pyramide, die heel de landstreek beheerschte.

Het gedruis van staal en snorrende wieken was om zijn top. Een wild gefladder wemelde er door de lucht om, van spookachtige verschijningen op vleermuizenvlerken, die er warrelden door elkaar. Zij veranderden in het bewegen van gedaante, als wisselden zij van vorm. Dan waren zij als wilde katers in het schemerende maanlicht-donker, dan als uitgelaten, scheldende straatwijven, wilde rijdsters op den bezemsteel. Zij veegden in haar vleugelende vaart de kruin schoon van den heuveltop en joelden er voort in wielenden rondedans.

Uit de aarde stond in haar midden de Satan op. Zijn oogen priemden rooden gloed. Zijn horens kromden zich tegen het vale licht van de spookachtige nachtlucht. Zijn stem bulderde de heksen tegen, die stil hielden om hem heen:

"Wat hebt gij dan voor goeds gedaan vandaag, om zóó te feesten?"

Een groot gejuich van heesche stemmen rees, alsof een koor van raven kraste:

"Wij hebben ze kolen laten vinden, en ze zullen een mijn leggen hier, op de heide."

Toen lachte de Satan als een gelukkige. Hij danste in haar midden, waggelend op zijn bokspooten, en de dolle bezemstokken veegden, bij de vaart der dansrei, weer de kruin van den Heksenberg....

"Hé,"--schrok de oude priester uit zijn angstigen droom op, toen zijn bejaarde huishoudster de kamer binnenkwam.

"Uw lamp staat te stoomen, heer!"

"Ik was over mijn boek heen zoowaar in slaap gevallen. Hoe laat is het?"

"Alles vol roet" knorde ze half luid, voor ze antwoordde: "Bij tien uur, heer."

"Dan zullen we den rozenkrans bidden, Trina, en ter ruste gaan."

VI.

Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem reeds twee weken op de mijn werkte.

"Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel graag ook!"

"Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is."

"Ik zal 't hem zeggen" gaf ze ten antwoord.

"Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood," dacht de pastoor. "Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon....

Ja," dacht hij verder, "drie mark is veel voor arme menschen!

Maar er is toch méér, veel meer dan dat. Hun kredietbrieven op de eeuwigheid.

Arm volk, arm volk," schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd.

Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de vesper; maar Willem kwam niet.

Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn moeder gezegd had.

"Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek worden van 't gekwijl van zoo'n ouden zeeveraar."

Dien dag ging Willem voor 't eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijn makker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking namen; de oudere trakteerde hem.

De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende ramen. Hij moest moeite doen om 't sleuteltje in 't slot te brengen, waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven.

Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest.

Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld in verschillende gleuven, uit de hoogte van 't goor gebouw neerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal bezig met hetzelfde werk.

Willem praatte door 't geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij 't had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep, om hem aan 't verstand te brengen, dat er gewerkt moest worden en geen gekheid, of anders korte metten.

Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet.

Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren, en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten, lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem begon te wrokken.

In 't begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving, daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij doof van 't geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk ware neergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij 't eindigen daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de lucht en 't licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek.

"Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!"

Toen hij dien dag van 't werk kwam, zag hij juist zijn daagschen gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid.

"Hoe verging 't je vandaag?" vroeg hij Willem.

"Puik" antwoordde deze trotsch. "Ik ga meer mee."

"Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!"

Willem had geen geld.

De mijnwerker lachte schamper: "En je verdiende loon dan?"

Dat was 't, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen hij zelf verdient. "Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet je ook je loon zelf behouden."

En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:

"Ik heb mijn eigen geld zelf noodig."

Zij zette groote oogen op.

"Je kunt 't me wel afstelen wanneer ik naar huis kom" gaf hij toe. "Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?"....

Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.

Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord was onder hun dak te voren. Toen begon de onrust der moeder te groeien met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den voet niet meer over hun drempel gezet had.

"Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag dat je eens kwam."

"Daar heb ik niets verloren," gromde Willem terug, en ging zijn gang.

Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam er vuur in zijn oogen.

"Dat is een nagel aan mijn doodkist" jammerde zij.

"Vrouw," troostte Stoffels haar uit de verte, "je hebt het zelve gewild!"....

In 't begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen en de vuilnis die bij 't werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond kranig met een zwart gezicht te loopen. In 't dorp keken hem de kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij voor den duivel niet bang.

En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.

Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn armoedige plunje,--toen met twee volle emmers aan 't juk, dat ze over de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen van Merkelbeek ontmoette.

"Anneke" riep hij.

Zij stond stil.

"Anneke,--heb je water gehaald?"

"Wou je je gezicht soms wasschen?" vroeg ze bits.

Haar hart bonsde in haar.

"Liever drinken, als je me laat."

"Ga je gang,--als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf naar den put te gaan."

"Lief kindje," zei hij. "Vroeger ben je toch wel liever geweest. Weet je nog wel, toen ze je plaagden met mij?"

Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.

"Ga nog niet weg," fleemde hij.

"Ik heb geen tijd om naar je te luisteren."

"Hou je dan niet meer een klein beetje van me?"

"Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?"

"Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet je niet, omdat ik stapelgek ben naar je...."

Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.

Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die onder den poortboog lag.

Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in haar schoot terug. "Ik ben zoo moe," fluisterde ze en sloot de oogen.

"Rust een poosje," riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan de pijp, die zijn mond nooit verliet. "Het zal van de warmte zijn."

"'t Is ook zoo heet," sprak ze 't haar vader na. En zij leunde met het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.

"Anneke heeft 't te kwaad van de hitte vandaag," vertelde Jansen zijn vrouw in 't voorbijgaan.

"Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een mijnwerker staan praten."

"Met wie?" vroeg Jansen.

"Ik geloof dat het Stoffels-Willem was."

Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen woord verder.

Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer 't avond was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch toen zij 's avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld, of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide: "ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar je...." Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde, wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon niets uitbrengen. Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den wal der boomen, lag de heide....

VII.

Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum teruggekeerd. Hij had voor zijne akte's gewerkt, vertelde zijn vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij kwam voor heel de zomervakantie naar huis.

In een der laatste brieven had men hem geschreven, dat de aanbouw van de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!

Ondanks de vreugde over 't naderend weerzien, kwam hij toch met bekommerende gedachten naar huis gewandeld.

Het koren had, na 't stuiven van den bloesem, de zware halmen neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden hun gebaar verstild in 't neigen. Géén stond er meer overeind. Er was een gele gloed door 't groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er een gouden schemer dampte over 't heele veld in de hette. Daartusschen wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen waren veel dieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den vorm van vlammen.

"Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in bewondering: welk een gedicht."

Een man die naar stad ging, groette hem in 't voorbijgaan. Die eenvoudige groet voor den "goeden dag," het eerste welkom in 't eigen land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid, waar het een weelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen en te stralen in louter geluk.

Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links den hoek om, bij 't eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich uit gekeken, of een welbekende stem riep:

"Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!"

"Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd."

"Kom wat uitrusten. 't Is warm genoeg," meende Jansen.

"Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog warmer later op den dag...."

Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en Brunssum deint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem nader bracht. Hij ging door 't dorp en men groette hem. Hij groette terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte snelde op de straat vooruit.

Daar lag het stille huis in zijn landelijken vrede onder het groen. Hij zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne moeder op den drempel te gemoet.

Het was kermis te Merkelbeek. 's Middags trok de schutterij op. De fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij 't dorp binnentrekken. In "de Kroon" vergaderden blazers en schutters. Dan zette de stoet zich in beweging.

Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt, opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en bliezen hunne roode wangen bol.

Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om 't geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet, die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.

De schutters droegen voor 't meerendeel wit linnen broeken. De eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om 't middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.

Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig over zijn schouder heen droeg.

Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her bewaard. Op 't hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met een groen takje en een bloemenkrans.

De vrouwen lachten waar de schutters voorbij trokken. De kinderen liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.

Bij 't huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het vaan "geslagen." De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stok vervolgens op zijn schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen; hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormige bewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.

"Bravo" dankte de burgemeester toen 't vaan ten slotte andermaal salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid "hoera."

"Jongens," sprak de burgervader. "Ik zal een ton bier geven in 'de Kroon.' Maar gij weet wel,--fatsoenlijk en netjes! Dat het genoegen blijve en er geen schande neer kome over u en over ons dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!"

Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in 't gezicht. Zij wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met lachende voldoening. "Zul je van avond met mij dansen?"

"Dat weet ik nog niet," verstoutte zij zich.

"Je komt zeker wel," zeide hij bewust. "We zullen pret maken."

"Als me geen ander vraagt, misschien--maar misschien ook niet."

"Nee," zei hij, "ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit."

De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem was weg. Anna gevoelde dat ze 't hem niet zou kunnen weigeren. En toch, wat zou er van gepraat worden: "Anna van Jansen aan de kerk," zij die er goed bij zaten--"met Willem van den bezembinder...."

Het feest was "in de wei", en er was vogelschieten. Altijd werd dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift: "Welkom."

Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.

Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van 't bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel, in figuren rondom op den grond gestrooid.

In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden: "wijn verkrijgbaar."

De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel gegichel namen ook, de een na 't ander, de besluitelooze jonge meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument liep 't manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in 't gras, grappen makend en in 't honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen minnend paar bleef er ernstig. De oudjes genoten de jonge vreugde in hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om 't hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.

Al gauw was 't van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar bierflesschen rinkelend werden neergezet:

"Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!"

Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.

De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt raken. Er waren er een heel aantal reeds van 't dorp, die naar Heerlen en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag, daar 't kermis was en de fanfare er speelde.

Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in 't begin. Zij hérrieden het meest. Ook was er Willem Stoffels onder.

"Die kon ook wel beter doen," merkte een oude boer op.

"Hoe oud is die wel?" vroeg een ander.

"Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft...."

De oudjes schudden bedenkelijk 't hoofd.

Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt dat er iets aan 't handje was.

Toen werd er een signaal geblazen. De schutters gingen naar het stuk grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen, nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het vogelschieten begon.

De fanfare beklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten en groene twijgen omgeven, en gedekt door 't levend loover van een appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming levendig onderwijl.

"Zullen we samen wat door de wei gaan?"

Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was komen staan. Zij had geen woord te zeggen.

"Kom An'," zei Betje Bouts, "we gaan samen."

En zij liet Anna in 't midden gaan, met Willem dicht aan Anna's zijde.

Betje stuwde 't gesprek. Eerst wilde 't wel niet wielen. Maar zij wist het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. "Kom mee" wenkte ze nog even bij 't weggaan met hem. Maar Willem voerde Anna naar den anderen kant.

"Anna," zei hij, "ben je boos op mij?"

"Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?"

"Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me houden zou."

"Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!"

"Ik wilde dat je 't me zei. Het is geen onzin."

"Ben je al niet nuchter meer meer?"

"Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb 'k me soms gedragen als een slecht mensch,--het kan immers wel beteren. Als jij het hebben wil; als jij dat van me vraagt."

"Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt, hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?"

"Alleen om jou wil ik het doen, Anna."

"Loop heen," trachtte ze te schertsen.