Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg

Chapter 2

Chapter 24,110 wordsPublic domain

Nu werd het een blij gejoel door elkaar. Het stoeltje werd neergezet en voorzichtig ging het sluierende gordijn de hoogte in. Het was een dotje van een kind. "Wat een lief diertje" zeiden de boerinnen. De blauwe oogjes pinkelden schalks, maar het wicht verroerde zich niet. Haar kleedje was met bonte prentjes volgestoken. Een kransje van bloemen liep om 't blonde kopje heen en kransjes had ze als armbandjes om de polsen.

"Ach nee, hoe lief!...."

Een paar mannen-gezichten keken door 't venster eener herberg naar buiten. Toen schoten er eenige van de kinderen naar hen toe, om een cent te vragen. Het gordijntje was neergedaan.--

Ze hadden hun pinksterbruidje verder 't dorp ingedragen en het nu voor een groote boerenwoning neergezet.

Onder de hooge ronding der poort, tegen de groen geverfde vleugels leunend, zat op stoelen een groepje vrouwen. Jonge meisjes stonden er in een kleurig groepje naast. Een oud moedertje droeg nog de linten muts, hoog-op gewerkt, met bloemen en veeren er in, en 't bonte doekje om de schouders. Op een boomstam onder 't venster zat manvolk, pijpen rookend.

Kinderen liepen om het kringetje te hoop, in afwachting van 't gebeuren. Maar 't scheen niet gauw te zullen gaan. De meisjes stonden te trippelen van ongeduld. Zij begonnen een ander liedje:

Pinksterbruid, de wijn is uit: Nu wordt er bier geschonken. En wie de kruik niet tijdig sluit Die wordt er wel beschonken.-- Zeg je neen, of zeg je ja, Waar je vóór gaat, volgen we na.

Pinksterbruid, het bier is uit: Nu moogt gij water drinken. Water geeft uw stem geluid; Het doet uw oogen blinken.-- Zeg je ja, of zeg je nee, Waar je vóór gaat, gaan wij mee.

Pinksterbruid, de lente is uit: Nu gaan wij aren lezen. En wie niet weet wat dat beduidt, Die krijgt de deur gewezen.-- Zeg je neen of zeg je ja, Waar je vóór gaat, volgen we na.

"Laat ze mij eens kijken," zei Willem Stoffels tot Anneke.

Haar kameraadje van dien dag op de heide! Het was bijna een jaar dat ze hem niet meer gezien had.

"Je moet betalen," zegt ze en bloost.

"Kom, knipoogt hij; ik toch niet, wel? Even maar."

En Anneke liet het pinksterbruidje zien.

"Ben je gek, An!" vlogen de anderen op en sloegen haar op den arm, dat hare vingers den sluier lieten glippen.

"Zeg, sprong Willem op, tegen de eene die 't vinnigst was: laat jij dat meisje wel met rust, of 't gaat je niet goed."

Maar die: "Wat jij, bezembinder van Brunssum! Scheer je naar de hei, jij voddenraper...."

En Willem met gebalde vuist voor haar:

"Nog een woord, zeg! Jij, kakkerlak! en ik...."

Maar de groote lieden waren toe geschoten. "Is me dat een ruzie hier; schaamt je...."

De kinderen kregen geld, de jongens harde woorden. Dan gingen ze uit elkaar. Maar Willem keerde zich nog eens naar de meisjes om en riep woedend: "Wacht maar!"

Als een schuldige stond Anna blozend ter zijde. Maar toen ze opkeek, zag ze Willem vriendschappelijk en met een lachje wenken.

De jongens hoonden samen 't pinksterliedje na.

Maar de meisjes stieten elkander aan en ginnegapten:

"Die An' van Jansen!.... De pastoor moest 't maar eens weten!"....

IV.

"Was 't dan nog maar in Brabant ergens! Maar nu zóó hoog boven de Maas in Holland!...."

Onwillig legde Hary Gerards zijn benoeming ter zijde, streek door zijn krullend haar, en haalde werktuigelijk onder een stapel boeken zijn atlas te voorschijn. Dáár was 't, in Drente.

En toch was er ook vreugde in hem. Hij ging nu werken en iets worden.--Was 't maar niet zoo ver van huis geweest! En nu eerst wist hij, hoeveel hij eigenlijk hield van zijn geboortestreek.

Hij stond op, sloeg den atlas dicht, borg zijn boeken en ging de woning uit, naar buiten.

Hij ging links af, de straat langs waar de vele boomen den hemel onderscheppen met hun wemelend, zacht-zilverig groen. Hij zag de huizen met hunne puntgevels naar hem kijken. Hij zag de breede poorten overspannen met den ronden boog van baksteen: hij voelde ze als meewarig met hem begaan. Dáár stond een bloeiende fuchsia voor 't open raam, in de stilte van haar gemijmer, met den onbewegelijken regen harer losgebloeide tranen van rood en paars. Langs een enkelen ouden gevel klom een groene wingerd tusschen deur en venster op, en spreidde er de weligheid zijner lange ranken uit, die in de ijlte grepen naar een steun dien zij niet vonden, àl heen en weer bewogen door den wind. Hij zag er zijn eigen droomen, in 't verlangend en vergeefsche handenreiken van den wingerd.

Een mensch moet zijn begeerten binden en zijn ziel besnoeien, dacht hij.

Weer was er stille droefheid in hem; alleen de wind ruischte over zijn hoofd door het loover der breedgetakte Canadeesche populieren,--de wind die waait, als de wil van 't leven, over de kinderen dezer aard.

Hij ging de groote oude huizing voorbij die er "het Gasthuis" heet. De groene linden hingen vol van haar uitgestorven bloesems. Hij begon te mijmeren over dat oude huis, onder 't loome dak der roode pannen. Wie kwamen er rusten van langen tocht in de dagen van 't verleden, zoodat het altijd nog "het Gasthuis" bleef genaamd? De pelgrims die van Roermond naar Aken gingen, heet het bij de oude menschen. De Roomsche reis dier tijden! Hoe veranderde alles. Nu moest hij zelf immers heel naar Drente! Dat was iets anders. En toch zou 't heelemaal niets zijn, als hij daarom 't ouderlijke huis maar niet had te verlaten....

"Vaarwel, de vreugde mijner onbezorgdheid...."

Hij ging voort tusschen groen en koren in gestadige afwisseling, naar de helling waar 't bosch begon, dat ze er "het Ruischen" noemen.

Hij stond stil bij de beek en zag er de kleine vischjes verschieten in hun schuchterheid. Wild stonden er langs den oever de roode wilgenroosjes op, tusschen roomkleurige veeren van spirea. Boschvarens schoten overal omhoog en vormden kleine boschjes, met hun breedbegroeide stengels die elk een boompje leken. De braambezie joeg de vangarmen harer stekelige ranken er door heen; langs 't kreupelhout in de hoogte klimmend, hing de boschdruif er hare bloementrossen die nog eerst open gingen.

"Heb je daar ginds geen eendjes gezien?"

Hij schrok een weinig bij de stem eener vrouw, die naderde door de weide aan den overkant. Hij had haar niet bemerkt.

"Hier zijn jonge eendjes, bruinen", riep hij terug; "een stuk of zeven!"

"Maar dat zijn ze immers; och-arme, komt maar gauw, jullie kleine lieve diertjes.... Pile, pile, pilekens" lokte ze. "Ze waren verdoold! De eene helft van de familie kwam me vertellen dat er iets gebeurd was. Ze kwamen snaterend de keuken binnen. Toen ben ik gaan kijken, wat onraad er was. En daar zijn ze nu. Pile, pile, pilekens. Maar gauw terug nu...."

De eendjes waggelden haar door de weide achterna.

Hary Gerards glimlachte, met die uitdrukking van geluk op zijn gelaat zooals hij telkens glimlachte, wanneer iets schoons hem trof.

Voort ging hij, eerst nog eenige "Kampen" voorbij,--stukken velds die door groene struiken als met heggen zijn omgeven; dan worstelde hij door 't warrige struweel dat om den heuvel heen groeide tot een dicht bosch. Eerst nog de dennen en jonge berken voorbij, die tegen de zandige helling stonden, en dan rustte hij uit op den kam, die open en leeg daar lag te schijnen in de zon.

Veel uren van zijn jong leven had hij daar gezeten en gedroomd. Het was hem zijn beste genot, daar buiten alleen te zijn. Dan voelde hij zich altijd anders dan wanneer hij met menschen samen was. Dan blikte hij eerst recht in zich zelven, als werd iets weggeschoven van zijn binnenste. Wanneer hij eenzaam uit ging, was 't altijd voor hem alsof er iets van hem viel, schillen van zijn oogen, banden van zijn geest. En ook voelde hij zich telkens dan iets toegekomen alsof het vleugelen waren. Dan kon hij lachen van louter vreugde tot alles wat hij zag. Daar was alles schoonheid, daar ademde alles geluk. Het werd er hem zoo wél te moede. Het was met geen woorden uit te spreken.

In de gulden diepte onder de zon stond het gouden graan. De velden naderden van het glooiende land en liepen uit in het groen van 't boschje dat voor den heuvel stond. Daar omzoomden heggen en struweel het rijpend veld, als groene dijken die een water indammen. Het was alsof rivieren er hunne wateren spoelden, en gouden wateren er voerden door het groene land: de tarwe die er rijp en gulden-geel te deinen stond in 't winde-waaien. Daar lagen gouden meren tusschen het boomengroen.

Hier het rijke veld en dáár de peinzende heide, dacht hij, en hij stond op om verder heen te gaan, waar hij de heide overzien kon.

Hij waarde weer door groen en struiken naar de zijde waar de "Auverenberg" meteen zou opduiken.

"Wat?".... dacht hij half-luid.

Door de boomen heen zag hij eene groote vlag driekleurig golven. Die woei van de spits van den boortoren. Het kon niet anders. Ze hadden dus kool gevonden.

Er kwam een beweging van trots in hem over die vondst. Maar dan overstelpte hem het bewustzijn dat de heide nu verloren was. Dát was de schennis harer schoonheid.

"Voorbij, verloren" gonsde 't door zijn gedachten.

Hij klom tot den rand der hoogte vanwaar hij de heide zien kon, open als een ontsluierd geheim, dof en donker groen, met de kammen en kopjes harer heuvelketen, moegestrekt in dommelende golving.

"Verloren, voorbij." En de droefheid om hare bedreigde schoonheid verscherpte zijn eigen leedgevoel om 't naderend afscheid.

Die dag was de eerste mijlsteen in zijn leven, en 't was hem als lag nu achter hem de weg der jeugd, de weg van een schoon maar onbegrepen levensheil.

"Goe'dag, Anneke" riep een stem die zij herkende. "Warm vandaag, he? Wacht een beetje!...."

"Ben jij dat? Wat doe je hier?...."

"Aan 't werk," zei Willem Stoffels en kwam naar 't hek van den boomgaard toe, waar ze in 't langs-gaan stil stond.

"Ga je de koffie brengen?" vroeg hij.

Ze zag naar 't koperen kannetje en den korf dien ze droeg, en kleurde:

"Vader is mee gegaan. Ze doen de tarwe af."

"Ik zou er voor bedanken om hier langer te boeren, hoor. Een frank per dag en zweten als een os, van den morgen tot den avond. Nee, hoor!" En hij spuwde op den grond, zich 't voorhoofd wisschend met zijn hemdsmouw. "Dan hebben ze 't maar wat beter op de mijn!...."

"Je zoudt toch niet naar de mijn willen gaan?"

"Vijftig mark in de week...."

"Toch zoo dadelijk maar niet!"

"Maar later toch! En je hier alles moeten laten welgevallen van zoo'n boer, die je slecht eten geeft en geen enkel goed woord?"

"Dan moet je daar niet beter verwachten, bij al dat slecht volk dat daar is."

"Die zijn toch zoo kwaad niet als ze wel denken."

"En dan moest er toch maar eens een ongeluk gebeuren...."

"Als ik hier uit een boom val, breek ik mijn nek even goed!--Wil je een appel hebben! Ze zijn nog wel wat groen."

Hare oogen straalden: "Met plezier."

"Hier zoo, voor den dorst, en--omdat jij 't ben."

"Dus niet als 't een ander was?" lachte ze.

"Waarachtig niet. Zeg. Kom jij er 's Zondags nooit uit? Ik zie je nooit ergens. Je moet eens naar de boring komen kijken op de hei. Ze hebben er gevonden."

"Daar komt iemand," onderbrak ze hem. "Ik ga maar."

Willem rekte zich uit over 't hek toen ze heenging, om te zien wie dat was die er kwam. Sierlijk bewoog Anna's rank figuurtje zich over den landweg tusschen het graan en 't groen. 't Was een man die naderde. Hij ging Anna voorbij. Daar keerde hij zich naar haar om. Zij ook wendde zich. Nu praatten zij samen.

"Wel, heb je van je leven!" bromde Willem Stoffels, toen hij den wandelaar herkende: "Hary van den meester...."

Tusschen de boomen stond de boortoren nog even zichtbaar, met de vlag als in zijn gebalde vuist.

V.

"Stoffels--zei de pastoor van Brunssum--ik heb je bij me laten roepen.... Wat heb ik gehoord, mijn goede vriend?"

"Wat zal dat zijn, mijnheer pastoor?"

"Maar neem een stoel"--zei de grijze herder geruststellend tot den armen kerel die bedremmeld stond, en beurtelings naar den geestelijke zag en naar zijn zondagsche pet die hij in de handen hield.--"Zit neer zoo lang."

Ook de pastoor ging zitten.

"Ik heb gehoord dat je Willem naar de mijn wilde sturen, naar Amstenrade."

"Ja, mijnheer pastoor."

"Zoo, zoo. Is 't dan toch waar? Ik wilde 't eerst niet gelooven! Ik geloofde 't niet. Zou dan een Stoffels de eerste zijn uit de parochie, om dien weg op te gaan?"

"Hij begint er met drie mark, mijnheer pastoor."

"Stoffels, is het je om 't geld te doen?"

"Ik ben een arme man, die vijf kinderen heb groot te brengen. Drie mark daags was vroeger 't loon van een volwassene. Tegenwoordig kan een jongen van vijftien jaar en van twaalf jaar, er zooveel verdienen om te beginnen."

"Goed Stoffels, daar moet geld zijn om te leven. Maar moeten wij alleen leven voor 't geld? Een eerlijke verdienste is een goed ding. Maar de ziel, Stoffels, de ziel! Als wij rijk worden en schade lijden voor de eeuwigheid, wat is die rijkdom dan?"....

"Ik kan mijn jongen toch aan geen ketting leggen! Hij is door den loopstoel heengegroeid, mijnheer pastoor. Daar moet maar verdiend worden."

"En maar naar de mijn toe, alsof dat het eenige was!"....

"Waarom zou een mensch dan van den goeden weg moeten raken, omdat hij mijnwerker wordt? Mijnheer pastoor zal toch wel weten, dat een boer al evenmin een heilige is."

"Alle vleesch is zwak en wij zijn allen zondaars, Stoffels. Maar moet ik je er op wijzen, welke gevaren er zijn voor een jongen knaap in het mijnwerkersleven? Niet dat een mijnwerker noodzakerlijker wijze zou moeten ophouden een goed mensch te zijn! Doch de mijn zelve is het uitgezochte vereenigingspunt van allerlei slecht volk. De boosdoener zoekt de duisternis en wie in het gevaar gaat, zal er in vergaan."

"Ja maar, mijnheer pastoor, daar zullen wij wel op letten. Willem komt immers iederen namiddag thuis."

"Stoffels, dat doet er allemaal niet toe. Het kwaad is er in de omgeving en in de lucht. Wie ontkomt aan de besmetting, waar allen besmet zijn? De omgang met volwassenen en het vrije leven, die groote vrijheid van beweging, is eene ramp voor jonge kinderen. Het kind moet opgroeien onder het oog der ouders of onder 't oog van bezorgde lieden, die over zijn onschuld waken. Als gij een jongen naar den vreemde zendt om daar te arbeiden, onttrekt gij hem aan de hoede van zijn geestelijken herder."

"Mijnheer pastoor, onderbrak Stoffels, wanneer ik Willem op een pachthoeve plaats, is hij ook onder uw oogen uit. Doch ik vraag maar: kunt gij een jongen van vijftien jaar hier in Brunssum drie mark daags te verdienen geven?"

"En kun jij, zijn bloedeigen vader, den drankduivel van hem afweren, met de zeven duivels die dezen ten dienste staan? Ze gaan verloren in de mijn, als daalden ze er naar de levende hel af...."

Een korte stilte.

"Stoffels,--zei de pastoor met ontroering in zijn stem, die zachter klonk--'t is toch een heel ander leven voor een kind, zooals je zelf bent groot gebracht, buiten, op het land. Veldarbeid veredelt den mensch, die zijn hoofd vrij en fierer opricht, wanneer hij Gods schoone natuur rondom zich, en Gods lieve zonne over zich heen voelt schijnen."

"Dat is allemaal goed en wel, zooals de stadsmenschen dat bezien. Doch als de hagelslag je 't koren vernielt, kun je zien hoe je de pacht betaald krijgt."

"Behooren ongelukken op de mijn dan soms tot de zeldzaamheden?"

"We zijn overal in Gods hand, mijnheer pastoor!"

"Ja Stoffels, zoolang we ons niet begeven in de macht van den Satan."

"Maar, mijnheer pastoor, wat ik zeggen wilde: het leven van een boer is ook nog àlles niet! En 't jonge volkje van vandaag wil maar geen dienst meer nemen. Doe er eens wat aan? Acht uur arbeid, vast loon, hoog loon, en gerust zijn hoofd neerleggen als 't avond is.... Dan hebben ze nog wat van hun leven. En zoolang de ouders 't loon opstrijken, hebben ze er maar een goeden dag mee. De tijden zijn veranderd. Goddank."

Ongeduldig geworden stond de pastoor op. "Daar is niets te beginnen met je, Stoffels. Als je 't je maar niet te beklagen hebt later, dat je te laat zult wijs geworden zijn."

"De vrouw wil 't zoo," bracht Stoffels in 't midden, die de uitbarsting van een onweer vreesde; dat was zijn bliksemafleider.

"Het is te betreuren,--sprak de priester met nadruk,--dat een huisvader geen gezag meer heeft in den tegenwoordigen tijd. Als je inziet dat je vrouw het kwade voorheeft, moet jij, als hoofd van het huisgezin, haar de uitvoering daarvan beletten en haar het goede voorhouden."

"Mijnheer pastoor, ik kan het niet beteren; maar ik zie er het kwade niet van in, dat 'k voortaan drie mark dagelijks in huis gebracht krijg...."

"En een socialist, een dronkaard met bedorven hart.--Hoeveel maanden of hoeveel weken denk je, dat de jongen je zijn loon in de hand zal leggen. Zul je hem daartoe dwingen kunnen?...."

Stoffels schoof de deur uit.

"Ik zal eens met de vrouw komen praten" dreigde de pastoor.

"Dan moet je je haasten" dacht Stoffels, die over den drempel trad en zijn pet opzette.--"Maar, ziezoo, dat hebben we alweer achter den rug."

"Dag heer pastoor," groette hij van de straat terug.

"Harten van steen en staal." En de geestelijke wierp de deur in 't slot.

Met gemeten passen mat de oude priester de mossige paden van zijn tuintje.

"Oók armoede kan schoon zijn," zeide hij bij zich zelven. "Het getob van den landman,--laat zijn bestaan ook moeizaam wezen,--is toch niet neerdrukkend. Hard en soms ontmoedigend, ontmoedigend;--maar zijn arbeid verbittert hem niet. Want de aarde houdt nooit op vruchtbaar te zijn, en de wolken vergeten niet voor regen te zorgen, noch de zon voor de warmte die noodig is. De mensch is niet geschapen dan om te leven onder den blauwen hemel. Daar heeft God hem gesteld als in zijn levenselement. En met de ronde kimmen der wereld, spant God zelf zijne armen om de menschheid uit...."

Hij maakte onbewust een beweging van afkeer, telkens wanneer hij aan de mijn dacht. De nacht zonder sterren, zuchtte hij dan; de duisternis zonder licht. Hoe kan er tevredenheid wezen en opbeuring bij dien arbeid, waar de mensch als het dier, wroetend in den grond, als het dier zwoegt met gebogen hoofd. Die arbeid is immers zonder vrucht, dus zonder voldoening. De mijnwerker verwerkelijkt niets. Het is de ontginning van het levenlooze in den levenloozen nacht. Zijn inspanning verdient hem geen zelfvoldoening, maar geld alleen.

"Welk een kruis!" had hij zich uitgelaten in de sacristie; en de koster had gevraagd, of dat ook van God kwam? "Soms geeft God ook de duivelen macht" had hij geantwoord.

In de mijn zag hij de ruïne van den boerenstand en zij was hem de Tartarus zelf.

De pastoor van Brunssum was een boerenzoon. Hij hield van 't land dat hem getogen had en van den stand waaruit hij was gegroeid. Hij kende zoo goed de voldoening van den boer, die zijn koren stijgen zag en aren dragen, rijpend tot zuiver goud, het koren dat hij zaait op den akker zijner vaderen en maait met eigen hand, om 't voedsel te zijn van zijn gezin; zijn trots, zijn rijkdom wanneer de hooiwagen hoogbeladen de schuur te gemoet wankelt, gelijk een vol-gestapeld schip dat de haven binnendrijft....

De pastoor verliet zijn tuin. Hij ging uit en dwars door 't groene veld. Daarboven hing de hemel in de glorie der late namiddagstonde, met traag-drijvende wolken bezeild, wit met gouden randen tegen de westerkim. Westwaarts ging hij; want naar de andere zijde uit hadde hij den boortoren zien rijzen tusschen de boomen, en hij haatte, hij vluchtte dat gezicht,--de dreigende vuist boven zijn parochie, zijne kudde en de velden.

Twee kleine dreumessen gingen hem voorbij met bloemen in hunne knuistjes. Boven bij de stengels hielden zij de korenbloemen omkneld, bij den hals, als moesten zij ze wurgen.

Zij haalden de petjes van hunne kaalgehouden kopjes en lachten.

"Dag brave kinderen" groette de pastoor ze.

"Kinderen maken van alles een spelletje," dacht hij. "Hun is eene bloem veel méér dan alleen maar eene bloem. Een torretje kan voor hen iets wonderlijks zijn, als groote menschen niet bevatten kunnen. Hoe was niet elke dag op de ouderlijke hoeve rijk geweest aan nieuwe avonturen en zeldzame gebeurlijkheden, al was het maar om 't weer, in den eeuwigen wisselgang der seizoenen. Een broeihen op de mand was iets, dat de jeugdige nieuwsgierigheid drie weken lang kon gaande houden. Daar waren de bijen, de konijnen; het plotseling verschijnen van een jong kalf op de wei; de dartelingen van een nieuw veulen; de jonge lammetjes in den voorjaarstijd; de vreugde van een eigen tuintje dat ze zelf beplantten; de voldoening van een rit met de hondenkar; het koffie-dragen naar het veld; het gewichtige meedoen als de aardappelen gepoot werden; het binnenhalen van den oogst, het plukken van het fruit; het weiden van koeien, die midden in de klaver op 't veld gesteld werden, aan kleine paaltjes met koord en ketting vastgelegd. Dáár had hij naar de lucht leeren zien en op de wolken letten.

Dat leven was als 't spelen van een spelletje. Konden zij niet plassen in een goot en denken dat 't een rivier was, zich groote zeehelden wanen wanneer papieren scheepjes dreven op den eendenpoel? Zij waren Indianen binnen hunne kampementen van stokken en stroowisschen, en geloofden zich ruiters op vurige rossen wanneer zij in de schuur buitelden over 't zachte hooi.

Daar is geen eind aan spel en verbeelding, aan troost en opbeuring en blijheid in het goede leven, dat God bestemd heeft voor de kinderen der menschen. Dat goede leven ontneemt gij hun met hun veld...."

De priester stond stil en zag over de korenaren uit. Eén zag hij er die reeds omboog, ter rijpte hellend. Hij nam ze tusschen zijne oude vingers en voelde hare dikte aan. De haartjes waren nog zacht en week; het tengere arenlijf blonk rose en blauwachtig, als getint met de verschemerende kleuren die drijven in parelmoer. En na het mooie ding aandachtig beschouwd te hebben, liet hij de aar weer vrij, die op haar zwenkenden stengel terug week.

"Konden zij den boer niet in vrede en gerustheid laten?"

Toen hij zich omwendde om terug te keeren, zag hij den boortoren dreigend den plompen kop heffen.

"Doch zij zelven verstaan het niet. Zij weten niet hoe mooi hun leven is, als daar geloof leeft in hun hart en liefde kiemt in hun gemoed. Maar zij weten de natuur toch wel, als een brug tusschen schepsel en Schepper, tusschen het beperkt verstand en de wereld der onzichtbaarheden. In de natuur rondom is alles goed en schoon; zelfs de dieren leeren ons vreedzaam en vertrouwvol te zijn. Hoe goedig zien zij niet uit hunne rustige oogen. Welk een schoon bestaan, dat avondrood en morgengloed beschijnen en met hun kleuren aandoen, terwijl het rythmische bewegen van den kringloop der getijden den landman op zijn deining door het leven voert en heft; wat heeft hij veel te vreezen wanneer hij de laatste helling afdaalt, waar de eeuwige schaduw wijlt: hij wandelde immers, al zijn dagen door, aan Gods eigen hand?

Maar zij moeten het verstaan, het inzien...."

Er klonk een stem óp, die zong.

Het was een jongen die op de wijze van zijn lied kwam aanstappen. De pastoor hoorde de woorden verstaanbaar. Hij dook wat meer in elkaar, zoodat het koren hem beschutte, en luisterde oplettend:

«Alwaar ik varen zal en zeilen, De wijde, wijde wereld rond, Daar blijf ik in gedachte wijlen Bij Limburg mijn geboortegrond.

Schoon Limburg waar ik ben geboren. Schoon land der vredige oudrenwoon, U blijf ik, waar ik wijl, behooren, Verliefde van uw bloeiend schoon.»

De zanger stokte plotseling toen hij genaderd was. Maar de pastoor knikte, met ingenomenheid instemmend:

"Dat was een mooi wijsje. Waar heb je dat geleerd, Piet?"

"Van den meester in den volkszang, meneer pastoor."

"Goed-zoo, zeer goed," knikte de oude priester al maar door. "Maar nu moet je het verder afzingen!"

In stilte ging de jongen verder. De pastoor hoorde den leeuwerik boven in de lucht. Doch na een poosje, dáár! Uit het gezicht zijnde, zette de jongen een groote stem op en galmde 't uit: