Onder De Wilde Stammen Op De Grenzen Van Afghanistan De Aarde E

Chapter 8

Chapter 81,314 wordsPublic domain

Ik antwoordde, dat, als het de wil van Allah was, dat wij zouden gaan naar den overkant, hij ons de vereischte middelen zou verschaffen, zoowel hier als in de stad. Ik had pas uitgesproken, of wij zagen een ambtenaar met een bediende, die in de richting van de brug reden. Toen hij bij ons was, herkenden wij een officier van de grens, die naar de Jhelum was uitgezonden met een speciale opdracht. Hij herkende mij en toonde zich verbaasd, mij in zulke eigenaardige omstandigheden aan te treffen. Toen hij vernam, wat de reden onzer aanhouding was, behoefde de tolgaarder natuurlijk niet lang op zijn geld te wachten, en ik kon mijn Hindoevrienden erop wijzen, dat God niet veel tijd had noodig gehad, om ons hulp te zenden zelfs van zoo grooten afstand als Pesjawar, en wij gingen verder met een verlicht hart. Het is maar waar, dat twee anna's in sommige gevallen meer waard kunnen zijn dan honderd roepijen in andere omstandigheden.

Wij reden langs den interessanten Grooten Weg, nu eens ten noorden, dan ten zuiden van den spoorweg. De frissche morgenlucht van een winter in Pendsjab heeft een opwekkenden invloed op den eetlust, en wij vormden alleen de uitzondering, dat we wel den trek hadden, maar niets in onzen knapzak, om dien te bevredigen. Om ons nog meer te tantalizeeren, was het de feestdag na de groote mohammedaansche vasten, en in alle dorpen waren de menschen aan het feestvieren en smullen. De kinderen waren op hun mooist en hadden pret op schommels, die aan de boomen om de dorpen hingen of met spelen op den weg. Mijn afghaansche reisgenoot, die het vasten had gehad zonder het feest, ging ten laatste naar een groep vroolijke menschen, en na ze begroet te hebben met het gewone "Salam aleikum", zei hij, dat hij honger had en heel graag een klein deel wou hebben van de Idkoeken. De toegesproken man zag ons uit de hoogte aan van het hoofd tot de voeten en zei: "O, gij noemt u fakirs, en ge rijdt op fietsen! En dan uw brood te bedelen! Foei!" en draaide ons den rug toe. Mijn metgezel wendde zich tot mij met een volstrekt niet sadoe-achtige uitdrukking op zijn gezicht en zei: "Wij, Afghanen, waren altijd gewoon te zeggen, dat Mohammedanen uit Pendsjab maar halve Mohammedanen zijn; maar nu zie ik, dat we het mis hadden; ze zijn niet eens kwart-geloovigen. In ons land noodigen we vreemdelingen binnen, en reizigers mogen aan onze maaltijden deelnemen."

Het was mijn gewoonte, in de meeste steden in de bazars te prediken, en gewoonlijk bood dan na de preek iemand uit het gehoor ons gastvrijheid aan. Toen we Pind Dadan Khan bereikten, was het daar echter te laat voor, daar het al donker was, en na den bazar te zijn rondgewandeld en met enkele menschen te hebben gesproken, van wie niemand ons gastvrijheid aanbood, gingen wij naar de openbare karavanserai, Victoria Ghar, waar reizigers kosteloos kunnen logeeren. Iemand had ons wat kleingeld geschonken, waar we suikerriet voor kochten, om ons maal mee te doen. Daar ik dorst had, vroeg ik een fatsoenlijken Mohammedaan, die aan het eten was, om een glas water. Hij gaf het; maar toen ik het glas aan de lippen bracht, zei hij: "Ik zou wel willen weten, wat uw godsdienst is." Ik antwoordde: "Ik ben een christen." Toen hij dat hoorde, nam de heer mij het glas af, zeggende: "Ik wil mijn glas niet door uw aanraking verontreinigd zien." Dit was een graad van bijgeloof, dien ik gelukkig zelden tegenkwam, en zoo iets wordt zeker niet door den Koran geleerd, die welwillendheid predikt tegenover christenen en joden en samenwoning met hen toelaat.

Na die weigering wilden wij niemand in de plaats weer om water vragen. Den volgenden dag reisden wij weer naar Khewra, en door den bazar gaande, zagen wij den gouvernementsdokter en een hindoeschen assistent van hem, die buiten hun hospitaal-patiënten ondervroegen. Hij kende ons en in plaats van water bracht hij ons melk en een ontbijt. Hoe welkom dat ook was, zijn vriendelijkheid en hartelijke begroeting deden ons nog het meeste goed.

De volgende rivier, waar wij over moesten, was de Beas en toen wij er uit de richting van Gurdaspur bij kwamen op een helderen wintermorgen trof ons de schoonheid van het landschap. Links van ons was een prachtig panorama van den Himalaya, met de rijen van achter elkaâr oprijzende bergen van glinsterende sneeuw, een vizioen van verblindende witheid. En daarvóór de verscheidenheid van groen en bruin van Pendsjabs vlakte met wouden en velden, waardoor de rivier Beas haar zilveren kronkels slingerde. Tusschen den Khaiberpas in 't noorden en de Koeramvallei in 't zuiden vindt men in de dalen der Afridi's met hun vriendelijke dorpen kleine molens, door de bergstroompjes gedreven. Bij Shinkiari bij voorbeeld in het Hazaradistrict ziet men ze te midden van de rijstvelden met hun groote molensteenen in de schaduw der moerbeiboomen. Bij 't bereiken van de rivier zagen we, dat de tolgaarder aan den anderen kant was, en dat men den stroom niet kon doorwaden. Den bootsman vragend, of wij zonder te betalen mochten worden overgebracht, daar wij dat niet konden doen, kregen we ten antwoord, dat de eenige manier was, het aan den overkant te vragen en dat één van ons dat mocht doen. Wij van onze zijde achtten het beter, als we beiden overgingen om te vragen, en daar de bootslieden er niet tegen hadden, heschen we onze machines aan boord van een der booten en werden overgezet met een aantal kameelen en ossen. Veilig aan den anderen kant gingen we naar het tolkantoor en deden, wat de oosterlingen altijd doen in een moeilijkheid, wachten, om te zien, hoe het afloopt. De ambtenaar nam onverschillig het geld voor de passage aan, voor twee- en viervoetigen gelijkelijk, keek ons streng aan, zonder te spreken, en begon zijn hoekah te rooken. Toen er wat tijd verloopen was, waren we nog allen in beschouwing verdiept, hij van de rookwolken uit zijn pijp en wij van het landschap. Zijn geduld raakte het eerst op, en hij verbrak de stilte met: "Nu, Sadoe, uw geld?"

"Ik heb werkelijk dat wereldsche ding niet."

"Welk recht hadt u dan de rivier over te steken in des Sarkars boot?"

"Het was ons plan, een gunst van u te vragen."

"Wat verlangt de Sadoe van mij?"

"Enkel dat u, daar wij een pelgrimstocht doen naar Indië, en geen geld hebben, ons toestaat geen tol te betalen. Daar u aan den overkant was en niemand onze boodschap wilde overbrengen, bleef er niets anders over, dan dat wij in persoon het verzoek deden."

"Zeer goed, Sadoe; ik sta uw verzoek toe. Wil mijner gedenken."

Van zijn broeders-zendelingen hoorde ik uiteenloopende meeningen over dat aantrekken der inlandsche kleeding. De meesten keurden het af of verwachtten er geen succes van, en één der broeders moest er lang over nadenken, of hij ons nog wel in zijn huis kon ontvangen. Hij meende, dat de afgrond tusschen Oost en West inderdaad niet te overbruggen was, en dat men er geen poging voor moest doen, want dat de verhouding van den zendeling tot de inlanders alleen patronizeerend, nooit familjaar moest zijn. Met een indischen broeder maaltijd en dak te deelen, leek hem dwaas, zelfs een hand te geven scheen hem onbehoorlijk, terwijl de Engelschman, die zich als een inlander kleedde, den britschen naam in Indië oneer aandeed, wat in zijn oogen haast gelijk stond met tornen aan het britsche bestuur. Ik had een gevestigde meening op dat punt al gauw, nadat ik in Indië was gekomen, en nooit hebben de omstandigheden daarin wijziging gebracht. De afgrond lijkt mij best te overbruggen, en hoe sneller dat gebeurt, des te beter zal het zijn voor het rijk van Christus op deze aarde.

AANTEEKENING

[1] Tekst en illustraties ontleend aan Dr. T. L. Pennell's "Among the wild tribes of the Afghan frontier". London, Seeley & Co.