Onder De Wilde Stammen Op De Grenzen Van Afghanistan De Aarde E
Chapter 6
Vandaag zijn de operatiegevallen zoowat als op een gemiddelden dag in den drukken tijd van het jaar. Ze beginnen met vijf oude mannen en drie vrouwen, die aan cataract lijden; dan twee gevallen van verstuiking, een amputatie, de wegneming van een gezwel en twee gevallen van een ziekte der beenderen. Als dat gedaan is, komt de man met de beschadigde hand aan de beurt, wordt gechloroformiseerd en de wond wordt genaaid, terwijl twee vingers zoo beschadigd zijn, dat ze moeten worden weggenomen.
De schooljongens zijn nu op het veld aan het voetballen, en de dokter, die zich verkwikt heeft met een kop thee, is van oordeel, dat niets hem beter zou aanstaan dan een uurtje met hen te oefenen. Maar pas heeft hij zijn spullen aan, of een bediende komt zeggen, dat een malik of hoofd een bezoek is komen brengen. Men zou hem met een beleefde verontschuldiging willen verzoeken, een anderen keer terug te komen; maar deze malik schonk ons gastvrijheid, toen we in zijn buurt reisden een halfjaar geleden, en het zou een slechte dank zijn, als we hem nu niet ontvingen. Dus wordt hij binnengelaten met vier of vijf lieden van zijn gevolg, en er worden eenige minuten besteed aan een nietszeggend gesprek. En juist, als men op het punt is, te zinspelen op werk, dat men heeft te doen, zoodat het gesprek zou kunnen eindigen, komt de bezoeker voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij is gewikkeld in een rechtsgeding bij een der naburige hoven tegen een anderen malik. Zijn zaak is strikt rechtvaardig; maar daar de andere partij in betrekking staat tot den secretaris van den hoofdrechter, vreest hij, geen recht te zullen krijgen, tenzij... tenzij... Zou ik de goedheid willen hebben, een paar regeltjes te schrijven aan den rechter en hem willen vragen, om aan deze zaak zijn volle aandacht te schenken? Het zou voor mij zoo weinig moeite wezen, en ik zou hem een dienst bewijzen, dien bij tot zijn dood zich zou herinneren. Er volgt een uitlegging, die vermoeiend is, omdat men die zoo vaak in dergelijke zaken moet geven, dat de rechter heel boos zou zijn, als ik het waagde, die tusschenkomst te verleenen; dat, als zijn zaak rechtvaardig is, zoo'n maatregel niet noodig is, dat hij op de eerlijkheid van de getuigen moet vertrouwen, en zoo voort. Neen, hij kan en wil niet vertrouwen, dat gij werkelijk vriendschap voor hem voelt, als ge hem dien kleinen dienst van het schrijven van een briefje weigert. Als de bezoeker is heengegaan, is er nauwelijks een half uur over voor het voetbalspel, en er wacht al een man, die u mee wil hebben naar een geval van longontsteking aan den anderen kant van den bazar, en twee andere boodschappen zijn er geweest voor ziektegevallen in de stad.
Het is nu avond en opnieuw roept de kerkklok de kleine Christengemeente samen voor het avondgezang van lof en aanbidding, en de herder zegt eenige woorden van leering en bemoediging. Ten slotte zijn dan al die bemoeiingen afgeloopen, en dan kan de dokter gaan zitten aan zijn krant en zijn brieven. Maar lang blijft hij niet ongestoord. De eerste, die komt, is de directeur van het kosthuis, die vertelt, dat een paar Hindoes hun eten hebben gekookt in de pan van de school, en nu weigeren de vegetariërs voedsel te gebruiken, dat gekookt is in die pan, die onrein is geworden. De wederzijdsche argumenten worden gehoord, en er wordt een beslissing genomen; de vleeschpartij moet zelf een pan aanschaffen. Daarna komt de huisdokter met zijn avondrapport over de zalen en deelt mee, hoe de toestand is van de geopereerden en van de andere ernstige gevallen, om daarna instructies voor den nacht te krijgen. Hij wordt gevolgd door een catechisant, die iederen avond een kwartier les krijgt, en door drie van de oudste kostgangers, die vragen komen doen over het engelsche opstel voor den volgenden dag, en het allerlaatst komt de nachtwacht om te melden, dat, daar er roovers buiten zijn, er bijzondere maatregelen moeten worden genomen voor de bewaking; doch hij denkt, dat, als ik hem een nieuw pistool en wat patronen geef, alles wel veilig zal zijn.
Een dag, als ik hier heb beschreven, is een gemiddelde in de drukke maanden van het jaar, en de dokter moet zich gelukkig rekenen, als de vastheid van zijn slaap niet gestoord wordt door een nachtelijke oproeping.
Er is een verschil tusschen den dokter-zendeling en den prediker, die niet meer dan dat is, namelijk dat, terwijl de laatste zijn volkje zelf moet opzoeken, de eerste door de gemeente wordt gezocht, en dat de geloovigen soms in zoo grooten getale komen, dat hij haast geen tijd heeft, om te eten. Maar zelfs een dokter, die zijn tijd in zijn hoofdkwartier geheel kan vullen, zou een groote flater begaan, als hij nooit op reis ging. Want in de kampen en de dorpen leert de zendeling het volk begrijpen en door van dorp tot dorp te reizen en als hun gast onder hen te leven, wordt hij bekend met hun waar innerlijk leven, zooals hij dat anders nooit zou worden, en voor een zendeling is dat een onontbeerlijk iets.
Er zijn twee manieren van reizen. Aan den eenen kant kan men tenten meenemen en een kampuitrusting en bij het een of andere groote dorp zijn kamp opslaan of midden tusschen kleine plaatsen in en daar de patiënten ontvangen en het dagelijksche werk doen, terwijl men de dorpen bezoekt, als het werk is afgeloopen. Op die manier is de zendeling-dokter onafhankelijk en werkt, als hij wil, gaande en komende naar zijn verkiezing. Maar aan den anderen kant kan hij de gast worden van een der voornaamste hoofden of dorpelingen, die zijn logeerhuis te zijner beschikking stelt en hem gastvrijheid verleent. Dan komt hij in veel nauwer aanraking met de menschen en krijgt meer van hen te zien; maar hij geeft zijn vrijheid op, zal den gastheer over zijn plannen moeten raadplegen en moet erop zijn voorbereid, zichzelf en zijn tijd ter beschikking van den gastheer te moeten stellen en van de dorpelingen, zoowel overdag als des nachts.
Beide methoden hebben hun lichtzijden. Voor een nieuw district en waar de menschen achterdochtig zijn, is de laatste manier zeker te verkiezen; als de zendeling bekend is geworden en veel te doen heeft, is de eerste wijze van doen verkieselijk.
De reiziger, die een winter heeft besteed aan een tocht door Indië, maar die enkel de groote steden heeft bezocht en de plaatsen, waar iets wordt vertoond, en nooit in een indisch dorp heeft gewoond, blijft totaal een vreemdeling in het diepere innerlijke leven van den Indiër. Het ware Indië wordt niet gezien in de verwestelijkte bazars van de groote steden, maar in de tallooze dorpen, waar meer dan tachtig procent van de bevolking van Indië woont. Bovendien krijgt men een veel aantrekkelijker en beteren kant van het indische leven te zien in de dorpen dan in de steden, en onder die eenvoudiger menschen brengt de zendeling zijn gelukkigste uren door. Maar hij ontmoet er ook den strijdlustigen mollah, die den redetwist zoekt en met wien het moeilijk redeneeren is om zijn gebrek aan logica, dat zoo dikwijls aan den dag komt.
Gebeurt het echter, dat zoo'n mollah of een vriend van hem medischen of chirurgischen raad noodig heeft, dan wordt de houding dadelijk anders, en ge kunt dan veel gemakkelijker ook tot het volk doordringen. Eens toen ik op reis was naar het Noorden, kwamen een paar Pathans mij zeggen, dat ik mij de moeite wel kon besparen, daarheen te gaan, want een zekere mollah, die veel invloed had in die buurt, was ons voorgeweest en had de menschen gewaarschuwd, onze behandeling niet te vragen, onze prediking niet te gaan hooren en zelfs ons te vermijden. Ik antwoordde met de opmerking, die bijna altijd op een mohammedaansch gemoed indruk maakt onder alle omstandigheden: "Wat Gods wil heeft besloten, zal geschieden," en vertelde hem, dat we bij ons oorspronkelijk plan zouden blijven.
De eerste dagen leken de menschen inderdaad achterdochtig en terughoudend, zoodat zeer weinigen tot ons kwamen. Toen we den derden dag op marsch waren en niet ver van een dorp voort trokken, kwam een man, die ons blijkbaar vanuit het dorp had waargenomen, dat op een hoogte boven den weg lag, hard naar ons toeloopen en zei na de gewone begroetingen: "Er is hier een vroegere patiënt van u, die u zoo graag eens spreken wou; zou u willen meegaan naar haar huis?" Toen we er kwamen, zagen we, dat het een vrouw was, die een jaar te voren in het hospitaal te Bannoe had vertoefd voor een kwade zweer op het been, dat had moeten worden afgezet. Voordat ze het hospitaal verliet, hadden we haar een houten been verschaft, waarop ze nu naar ons toe strompelde. Ze was heel blij, zoo onverwacht ons te ontmoeten en had blijkbaar aan haar dorpsgenooten veel verteld van alle wonderen, die in het hospitaal gebeurden, en van de groote liefde en goedheid, die haar daar waren betoond, want velen van haar buren kwamen toeloopen naar haar kleine binnenplaats, en onder hen was, zonder dat wij het wisten, de mollah, die een kruistocht tegen ons had gepreekt.
Hij was stil binnengekomen, om zelf te oordeelen, wat wij en ons werk beteekenden en werd diep getroffen door de hartelijkheid, waarmee we door oud-patiënten werden begroet, want toen de vrouw ons verzocht, bij haar te blijven, terwijl ze een maal voor ons bereidde, trad hij naar voren en maakte zich bekend met de woorden: "Neen, mijn huis is dichter bij in het naburige dorp, en het is mij een eer, den Padre Sahib te ontvangen en te onthalen. Hij moet mee naar mijn huis gaan." Zoo geschiedde, en van dorp tot dorp verspreidde zich het bericht, dat de westersche dokter de gast was geweest van den mollah zelf en diens brood had gegeten.
Een interessante stad, waar we nog al eens hebben stil gehouden op onze reizen, is Kalabagh. Ze ligt op den rechteroever van de rivier, de Indus, waar deze door de rotsachtige kloof is gebroken, die den loop heeft samengeperst, en nu de grenzenlooze, alluviale vlakte van Pendsjab betreedt. In enkele rivierbochten tusschen Attock en Kalabagh loopt de rivier in heftige stroomversnellingen voort, zoodat de bootslieden hun zware rivierbooten er met de grootste moeite doorheen sturen, opdat ze niet ten ondergaan zullen in een draaikolk of tegen de steile rotsen aan den kant zullen worden verpletterd. Op andere plaatsen zijn er diepe, stille einden, waar de grond tweehonderd voet onder de oppervlakte van het water ligt. In den warmen tijd, als het water hoog is in het begin, is het een opwindende geschiedenis, om over het snelstroomende water te worden overgezet.
Te Kalabagh heeft men groote zoutwerken van rose en paarse tinten en van groote zuiverheid, die vrij wat inkomsten opleveren voor de regeering. De stad zelve is tegen den berg aangebouwd van datzelfde zoutgesteente, zoodat de eigenaar van een huis maar een stukje van zijn eigen muren heeft af te slaan, om zijn middagmaal te zouten. Het is een voortdurende grief bij de bewoners, dat hun eigen muren regeeringscontrabande zijn, en dat ze boete moeten betalen, als ze een steen van hun woning verkoopen, zonder er rechten van te betalen. De straten zijn nauw en bochtig, en daar vele ervan overdekt zijn, is het er zeer donker en gloeiend heet in den zomer, terwijl het er in alle jaargetijden slecht ruikt en ongezond is.
De menschen zijn bleek en bloedeloos, en ze lijden bijna allen aan een kropgezwel in meer of minder ernstigen vorm. Ze vormen een sterke tegenstelling met de stoere bergbewoners van den Bangi Khel Khattakstam in hun buurt. Dat zijn de ware recruten voor de regimenten van de Pathans aan de grens, terwijl uit Kalabagh zelf moeilijk een twintig man zouden zijn te halen, die door den recruteeringsofficier zouden worden toegelaten. In het zwoele zomerweêr brengen de menschen den dag veelal door onder een grooten indischen vijgenboom, waarvan er vele verspreid langs den oever der rivier staan. Daar houden de civiele ambtenaren ook hun vergaderingen, en ik had mijn kamp onder een grooten boom. De wijd uitgespreide takken beschutten niet enkel mij en mijn talrijke zieken en bezoekers, maar buitendien ook den ambtenaar en zijn hof met allerlei cliënten en smeekelingen en den districtsrechter met getuigen en pleiters en beschuldigden, en dat zonder dat we eenigen last van elkander hadden.
Het land verder van de rivier staat te gloeien in de zomerzon, en de stad zelf is als een oven; maar er waait bijna altijd een frisch koeltje langs den oever en als men verhit en stoffig is van het dagwerk, gooit men zijn kleêren af en dompelt zich in de rivier, om zwemmend zich te verkwikken daar, waar de jongelui uit de plaats al hun vrijen tijd doorbrengen. Ze gebruiken de opgeblazen huid van een geit of een koe en liggen daarop, zoodat ze kunnen rusten, gesteund door het koele water, zoolang als ze het zonder moe te worden, kunnen uithouden. De stroom is te snel, dan dat ze stroomop kunnen gaan; maar als ze stroomaf wat te doen hebben, maken ze doodeenvoudig hun kleêren in een bundeltje op hun hoofd vast, gaan op de opgeblazen huid liggen en drijven kalm naar beneden met den stroom met een snelheid van zoowat vier mijlen in het uur en zoo ver, als ze willen. Op den terugweg laten ze de lucht uit de huid los en slaan het vel over hun schouders.
Wij hadden hier gewoonlijk zeer veel zieken van den morgen tot den avond, en ik heb er wel driehonderd op één dag gehad, met een aantal operaties erbij. Eens op een dag bezocht een aanzienlijke sjeik de plaats. Hij was een Mohammedaan, die van het Hindoeïsme tot dien godsdienst was overgegaan en trok nu door het land, om den Islam te prediken, en het Christendom zoowel als de leer van Boeddha afbreuk te doen. Hij zond ons een uitnoodiging of uitdaging, om met hem in het openbaar te redetwisten over de respectieve verdiensten van het Kruis en de Halve Maan. Ik had er niet veel trek in, daar zulke discussies zelden oprecht en eerlijk in hun werk gaan; maar daar mijn tegenzin verkeerd zou worden uitgelegd, stemde ik toe, en op een avond hielden we onze redevoeringen, terwijl een mohammedaansche heer uit de stad voorzitter was. Het was afgesproken, dat we ieder op onze beurt een vraag mochten stellen, die de ander moest beantwoorden.
Hij mocht het eerst een vraag doen, en vroeg, hoe het kwam, dat wij geen wondermacht hadden, daar toch de Bijbel zei, dat diegenen, die in Christus geloofden, vergif zouden kunnen nemen of door slangen konden worden gebeten, zonder dat hun eenig leed zou weervaren. De jonge catecheet, die bij mij was, gaf zulk een helder en categorisch antwoord, dat de mohammedaansche voorzitter en de debater beiden van toon veranderden en zeiden, dat het laat was geworden, en dat het beter zou wezen, dat ik mijn vraag tot een anderen tijd uitstelde.
Onnoodig te zeggen, dat de beter geschikte tijd nooit kwam, en wij werden niet weer uitgedaagd tot een twistgesprek in Kalabagh, terwijl de sjeik een paar dagen later op nieuwe weiden ging grazen.
Aan voetbal en andere sport wordt ook in deze grensgebieden veel gedaan. De lezer stelle zich een groot open veld voor van een harde, grijze grondsoort, die in Pendsjab "pat" wordt genoemd. Het is een zouthoudende grond, waar geen gras of onkruid groeit, en zoo'n terrein is zeer geschikt, om door de dorpelingen te worden gebruikt voor spelen en markten en door de Engelschen voor de evoluties van hun troepen. Er om heen liggen de Bannoedorpen, en op een feestdag ziet men er iedereen. Alle mannen, die een paard bezitten of er een kunnen huren, zijn te paard, en van de jongens zitten er soms twee of drie op één rijdier, om toch maar goed te kunnen zien naar de spelers. Na de spelen wordt er des avonds vuurwerk afgestoken. Vroeger bestonden de spelen uitsluitend in wedrennen en spelen te paard; maar de engelsche invloed heeft de sport van het volk gewijzigd. Nu kan men groote grasvelden zien tusschen de stad Bannoe en de kantonnementen, en er zijn weer duizenden toeschouwers; maar de vlaggen en voetbalpalen wijzen op andere spelen. Het is de dag van de provinciale wedstrijden tusschen alle scholen uit de provincie, en elftallen uit de verschillende grensscholen uit Peschawer, Kohat, Dera Ismaël Khan, naast die uit Bannoe, zijn hier bijeengekomen, om hun behendigheid met elkander te meten in spel en athletiek. De scheidsrechter heeft het sein gegeven. Hij is een engelsch officier, en de jeugdige kampioenen komen naar voren onder het gejuich van hun aanhangers. De ploeg uit Bannoe is wat kleiner van stuk en draagt de uniform in de schoolkleuren, paars buis en lichtblauwe broek. De ploeg uit Peschawer is zwaarder gebouwd en heeft een blauw en zwarte uniform. De scheidsrechter fluit weer, en aan beide kanten spant men zich tot het uiterste in, om de goal van de tegenpartij te bereiken.
Terwijl de bal heen en weer vliegt, en de kansen mooi staan voor de een of de andere partij, worden de toejuichingen luider, en als er punten worden gemaakt en pogingen worden gedaan, die goed of slecht afloopen, is de geestdrift vooral niet minder groot dan in Engeland. De kapitein van de Bannoe-ploeg is een inlandsche Christen, wiens vader een bekeerde Mohammedaan is; maar de andere Mohammedanen en Hindoes in zijn elftal zijn hem trouw tot het uiterste en volvoeren zijn bevelen met een mooi esprit de corps, dat treffend is. Als het fluitje voor rust klinkt, kunnen de Bannoejongens, die toekeken, het veld binnenhollen en hun zegevierende kameraden toejuichen en op de schouders dragen onder algemeen handgeklap en gejuich.
Met het idee, om dien esprit de corps bij hen te ontwikkelen en tevens aan hun lust in reizen te voldoen onder het zien van enkele voorname steden van Indië, maakte ik in den zomer van 1906 een tocht met het voetbalelftal van de zendingshoogeschool in Bannoe door een deel van Noord-Indië. Een aantal colleges en scholen van Calcutta tot Karatsji namen niet alleen onze uitdaging aan voor voetbalwedstrijden, maar boden ons gastvrijheid aan, zoolang we in hun stad zouden blijven. Ons elftal vertegenwoordigde alle klassen, Mohammedanen, Hindoes, inlandsche Christenen en Sikhs. De aanvoerder was een Afghaan van den stam der Khattaks, shah Jehan Khah, terwijl op hem in rang volgde een inlandsch Christen, James Benjamin. Er deden zich wel moeilijkheden voor; maar alle werden ten slotte overwonnen. Schoolplichten noodzaakten ons, de reis te doen in Juli, Augustus en September, den warmsten tijd in de meeste plaatsen, die we aandeden, en er werden matches gespeeld in temperaturen van bij de honderd graden Fahrenheit, terwijl de toeschouwers onder punkahs zaten.
In dien tijd van het jaar is de Indus hoog en levert een eigenaardig schouwspel op, als de rivier bij Kalabagh uit den rotspas komt. In den winter ziet men dan één, twee of drie kanalen, ieder van één- tot vierhonderd ellen breed; maar in den voorzomer, als de sneeuw op den Himalaya is gesmolten, overstroomt de rivier haar oevers en vormt een enkele wijde oppervlakte water, tien mijlen breed van oever tot oever. In dien tijd zijn de dorpen, die op de hoogste plekken van de omgeving zijn gebouwd, tot eilandjes geworden, die alleen met booten te bereiken zijn. De tonga of wagen moet dan wel eens over mijlen van ondergeloopen wegen worden geduwd, eer ze de plek bereikt, waar de veerboot de passagiers en de bagage over de rivier kan brengen, en veel verwisselingen van boot voor wagen en omgekeerd zijn er noodig, eer de reiziger eindelijk het spoorwegstation heeft gehaald, waar de trein hem kan brengen naar Karatsji of in de richting van Lahore.
Wij hadden, nadat de veerboot ons naar den overkant had gebracht, onze bagage in twee wagens gepakt en, onze overtollige kleeding afleggend, gingen we loopen door het overstroomde land naar het station Darya Khan. Soms troffen we eens een kwartmijl van velden, die niet waren overstroomd; maar dan weer kwam het water ons tot aan de heupen, en ook wel kwam het voor, dat de veerboot voor de bagage werd gebruikt en dat wij over zwommen. Twee uit het elftal, die minder goede zwemmers waren, zouden op een keer gefopt zijn geworden door de kracht van den stroom, als er niet gelukkig een zandbank hun nog weer vasten grond had doen krijgen. De tocht over de gezwollen rivier had van negen in den morgen tot vier uur in den namiddag geduurd; maar wij hadden ook wel eens geluierd, om te genieten van het zwemmen op de diepere plaatsen.
Wij bemerkten, dat het voetbalseizoen in de verschillende steden ver uiteenloopt. Terwijl Calcutta voetbal speelt in Juli en Augustus, speelt Karatsji van December tot Maart en Bombay in het voorjaar. Maar ook die clubs, die niet in hun speelseizoen waren, stemden er met sportieve bereidheid in toe, zich tijdens ons bezoek met ons te meten. Nergens vonden wij meer enthousiasme op de colleges en in de scholen en guller gastvrijheid dan in Haiderabad, de hoofdstad van het rijk Nizam, en hier juist leed onze club haar eerste nederlaag op dezen tocht.
Wij hadden dertig uren gereisd van Ahmadnagar in het Noorden, en de stations langs de lijn waren zoo slecht voorzien, dat we niets hadden kunnen krijgen dan wat biscuits en wat zoetigheden, en toen we in Haiderabad aankwamen, hoorden we, dat de wedstrijd op vier uur in den namiddag bepaald was, zoodat het elftal slechts haastig een zelfbereid maal kon nuttigen, vóór het in den strijd ging. Het Nizamcollege stelde een sterke ploeg tegenover ons, en voor het eerst op onze reis werden de Bannoejongens beslist geslagen. Het was echter aardig, op te merken, hoe beide ploegen hun goede gezindheid aan den dag legden, en hoe ze met de grootste bonhommie vóór, zoowel als na de wedstrijden, zich verbroederden en vriendschapsbanden aanknoopten, die in stand bleven tot lang na onzen terugkeer naar Bannoe.
Zulke reizen, als wij toen deden, hebben ongetwijfeld bijgedragen tot het wekken van die gevoelens van vriendschap tusschen de rassen uit verschillende streken van Indië, die zoo gunstig werken en waarvan altijd zoo weinig naar buiten blijkt. Er zit ook een strekking in, om breeder sympathieën te wekken en godsdienstige vooroordeelen tegen te gaan. Niet alleen bewezen de leden van ons gezelschap, dat er vriendschap kon bestaan bij verschil van godsdienst; maar ook onze gastheeren waren van allerlei rang en ras en geloof. Zoo waren we in Haiderabad de gasten van een christelijken zendeling, reverend Canon Goldsmith; een huis werd ons afgestaan door een rijken Parsi, en we werden ten eten genoodigd door Mohammedanen uit de plaats.
Op één uitzondering na hadden onze Afghanen nooit de zee gezien en ze verlangden allen naar de kennismaking. Dus regelde ik het zóó, dat we van Karatsji naar Bombay gebruik maakten van een der britsch-indische stoombooten, die tusschen de beide havens varen. De Juli-moesson was op zijn krachtigst, en ze hadden niet gerealizeerd, wat hun verzoek inhield. Er woei een hevige wind al den tijd, dat onze reis duurde, heel die veertig uren lang, en de kleine stoomboot _Kassara_ rolde steeds door, terwijl de golven soms over het voordek sloegen.
Allen op drie na leden aan zeeziekte in den ergsten vorm en wenschten vurig, dat ze nooit de woede van den oceaan hadden durven tarten. Wij kwamen in een stortregen in Bombay aan, een treurig, ontmoedigd en strompelend troepje. Het was pikdonker, en slechts met eenige moeite vonden wij den weg naar de school van de Zendingsmaatschappij, waar we opgenomen zouden worden. Het regende bijna den heelen tijd van ons verblijf in Bombay, maar we speelden toch een match met de Stedelijke Club, en de _Bombay Gazette_ gaf er nauwkeurig verslag van. Iedere partij had drie goals gemaakt.