Onder De Wilde Stammen Op De Grenzen Van Afghanistan De Aarde E

Chapter 5

Chapter 54,057 wordsPublic domain

De ware kracht van onze administratie aan de grens is het personeel van onze officieren, want het is altijd de man en niet het stelsel geweest, die het land regeert, en er zijn namen van nu al gestorven officieren, die nog een levende kracht zijn aan die grens, omdat ze mannen waren, die het volk door en door kenden en wier onverschrokken, sterke karakters de stammen kneedden naar hun wil en zulk een groote macht over die wilde Afghanen hadden, dat ze bereid waren, voor hun feringi-meesters door het vuur te gaan met onfeilbare trouw, ook als ze van een ander geloof waren.

Als een voorbeeld daarvan wordt verteld, dat op een zekere grensexpeditie de regimenten door een pas trokken over een hoogte, waarboven enkele vijanden zich in een hinderlaag hadden gelegd. De Afghanen waren soldaten geweest in het indische leger, en na hun afgeloopen dienst waren ze naar hun bergen teruggegaan en hadden, zooals dikwijls gebeurt, de bekwaamheid, verkregen in hun regimenten, tegen de Engelschen gekeerd. Ze zouden juist vuren, toen een van hen in den officier, die aan de spits van het regiment reed, zijn eigen kolonel herkende. Hij wenkte de anderen en zei: "Dat is onze eigen Karnal Sahib. Wij moeten niet op hem schieten of op zijn regiment." Dat regiment mocht vrij doorgaan; maar ze openden het vuur op het volgende.

In 1879 deed de volksstam der Waziri's, daartoe opgehitst door hun mullahs, een aanval met hun lashkar op het kleine grensdorpje Tank. Hier was een zendelingen-hospitaal, waar een Indische dokter Rev. John Williams, directeur was. Voor dat de autoriteiten hunne troepen hadden kunnen verzamelen, hadden de Waziri's het dorpje overrompeld en waren aan 't brandstichten en plunderen gegaan. Enkele jonge krijgers renden op het hospitaal af maar werden aanstonds terug geroepen door de ouderen van hun stam, die hen verboden zich te bemoeien met het bezit van, zooals zij zeiden, "onze eigen Doktor Sahib". Hoe dikwijls waren zij niet verpleegd geworden in zijn hospitaal, en hadden zij zijne gastvrijheid niet ondervonden? Hem mocht geen leed aangedaan worden, en onmiddellijk zetten zij eigen wachten uit om het hospitaal te bewaken, en om opgewonden Waziri's, met minder goede bedoelingen, tegen te houden. Hierdoor was ons ziekenhuis het eenige gebouw in 't plaatsje, dat onaangeroerd bleef. Eenige instrumenten waren al voor het post vatten der wacht, gestolen, maar toen dit bekend was, werd geheel Waziristan doorzocht en de vrienden van den dokter waren niet tevreden, voordat hem alles teruggegeven was.

De Afghanen zijn zeer wraakzuchtig. Zelfs in het geval dat de Afghaan iemand uit wraak doodt, zal hij, opdat de wraak nog zoeter zij, den slag of steek zoo toebrengen, en liefst op een donkeren nacht, dat het slachtoffer nog eenige minuten kan leven om te kunnen beseffen dat zijn vijand hem te vlug is af geweest en te hooren de woorden van voldoening, waarmede zijn vijand aan zijn haat uiting geeft.

Van één geval vernam ik, dat een moordenaar, nadat hij zijn slachtoffer bijna had geworgd, voor dat hij nog geheel dood was, hem een hevigen slag op zijn kaak gaf, waardoor hij de kaak verbrijzelde. Toen vroeg hij op smalenden toon: "Herinner jij je dien dag nog, toen ik je zeide, dat ik je tanden wel eens uit je mond zou slaan?"

In 't najaar van 1907 werd een flink gebouwde Waziri naar het Bannoe-hospitaal gebracht in een beklagenswaardigen toestand. Zijn beide oogen waren met een mes uitgestoken. Hij vertelde dat zijne vijanden hem onverwachts in zijn woning hadden overvallen, zijn vrouw bewusteloos hadden geslagen en hem aan 't bed hadden gebonden en toen met een mes zijn oogen hadden uitgestoken. Zijn vrouw was met hem meegekomen, zwaar gekneusd en met eenige gebroken ribben. Wij namen ze op en gaven hen een van onze "family-wards", zoo genoemd, omdat vader, moeder en kinderen, zoo die er zijn, daar samen kunnen blijven om verpleegd te worden. Het was pijnlijk om den man te zeggen, dat hij nooit meer zou kunnen zien, maar 't was nog pijnlijker hem te hooren zeggen: "Sahib, indien gij mij slechts zoolang mijn gezicht terug kunt geven totdat ik mijn vijand heb doodgeschoten, dan zal ik er in berusten mijn geheele leven blind te zijn." Maar dat mocht niet zijn en de arme kerel zal het lot van vele blinde bedelaars, die op de oostersche bazaars zoo talrijk zijn, wel moeten deelen, want wie zou zijn akker hebben beploegd of wie voor hem gesproken hebben in den dorpsraad? Uit medelijden hebben we hem nog eenige weken bij ons gehouden, opdat hij nog iets zou hooren van de bijbelsche verhalen van goedheid en vergevensgezindheid; maar dan schudde hij het hoofd en zeide met een zucht: "Neen, die leer is niet voor ons, wat ik noodig heb is wraak."

De onderlinge twisten vergeten deze stammen nooit, behalve als er sprake is van een gemeenschappelijken vijand van buitenaf. Dan kunnen ze voor een tijdje eensgezind zijn, vooral zoo de vijand geen Mohammedaan is; maar is het gevaar geweken, dan begint hun strijd opnieuw.

In de zalen van het hospitaal is dat echter alles anders, en hier kan men vertegenwoordigers vinden van al de grensstammen, die broederlijk samen praten, ofschoon ze hoogst waarschijnlijk uit een hinderlaag op elkaâr zouden loeren, als ze eenige mijlen verder de grens over waren. Ze schijnen algemeen te hebben aangenomen, dat alle veeten in het hospitaal moeten rusten, en zoo kan de dokter gehoor vinden bij een half dozijn verschillende stammen in één enkele zaal van het hospitaal, als hij 't gesprek brengt op den Vredevorst en als hij het evangelie der liefde stelt naast hun leer van schiet uw buurman dood, om zijn geweer te krijgen. Ze zeggen dan min of meer verontschuldigend: "Dat is waar; maar God heeft nu eenmaal besloten, dat er altijd oneenigheid onder de Afghanen zal zijn; wat kunnen wij er dus aan doen?" Soms zegt een patiënt: "Ik moet in een zaal liggen, waar geen vensters zijn, want ik ben bang, dat een van mijn vijanden zal komen 's avonds, als de lamp in de zaal brandt, en mij bij dat licht zal doodschieten."

Groot zijn de verschillen in de gezichten, de kleeding en de dialecten en nog grooter in de kwalen, waarvoor ze komen. Oogziekten vormen meer dan een vierde van het geheele aantal, en weinig ziekten kunnen den dokter zooveel voldoening geven als deze, waarin hij soms het gezicht terug kan schenken aan iemand, die jaren blind is geweest en den patiënt dankbaar en gelukkig naar huis kan laten gaan. Tering komt ook veel voor in de dichtbevolkte dorpen, en hier, deze Waziri, een jonge man uit de bergen, Mohammed Payo heet hij, lijdt aan chronische malaria. Hij is een oude kennis, want hij gaat altijd weer naar huis, als hij zich sterk genoeg voelt, en dan bij slecht voedsel en veel hard werk, want hij is een arme drommel, stort hij weer in en komt, wit als een laken, bij ons terug, om weer opgekalefaterd te worden. Hij is nu juist aan 't herstellen en gaat in de zaal rond, om kleine diensten te verrichten voor de andere patiënten. Hij vertelt hun, wat ze moeten doen en wat ze hebben te laten, alsof hijzelf jaren lang dokter is geweest. Arme jongen! Zijn ouders heeft hij verloren bij een dorpsgevecht, en hij zou zelf al lang dood zijn, als de deur van 't hospitaal niet voor hem open stond.

In een ander bed ligt een jongen met blond haar en blauwe oogen van twaalf jaar uit Khost, die lijdt aan een ziekte in de beenderen van zijn rechterbeen, dat hij in twee jaar al niet op den grond heeft kunnen zetten. Zijn thuis ligt tachtig mijlen ver, over de bergen, en er was niemand, om hem naar Bannoe te brengen, ofschoon hij aan een paar kooplui had gevraagd, of ze hem wilden laten zitten op een van hun pakkameelen. Maar niemand had er trek in, zich te belasten met de zorg voor zoo'n eenzamen knaap. Hij had zulke wonderbare geschiedenissen gehoord van de genezingen in het hospitaal van Bannoe van een man uit zijn dorp, die er zes weken was geweest voor een zweer op zijn been, dat hij besloot, erheen te gaan, hoe dan ook, en hij had de reis volbracht, voor 't grootste deel kruipend op handen en knieën, met nu en dan eens een eindje rijden met een vriendelijken ruiter of een goedigen koetsier. Zes weken was hij onderweg geweest, hier om wat eten bedelend, daar om een nachtkwartier in de dorpen, waar hij door kwam. Toen hij aankwam, was zijn toestand zóó, dat men zich dien beter verbeelden kan dan hem te beschrijven. Enkele vuile lompen bedekten hem en de beenwond was vreeselijk, terwijl er nu geen vroolijker en gelukkiger jongen in het hospitaal is met zijn witte hospitaal-pyama, zijn zacht vriendelijk gezicht en prettigen glimlach, zooals hij op zijn kruk langs de bedden gaat en met de andere patiënten praat.

En daar ligt een groote, donkere Afghaan met mooie krijgshaftige trekken, waaruit het lijden langzamerhand de harde oproerigheid verdrijft. Hij was met een vriend op een nacht gewapend naar een dorp gegaan, waar een militiewachtpost was. Hij houdt vol, dat ze maar waren gegaan, om een vriend op te zoeken en dat ze onderweg door den nacht waren overvallen. Maar 's nachts gewapend erop uit te gaan, is op zichzelf al genoeg, om tegen zoo'n Afghaan van de grens achterdocht te wekken. Toen de militiesoldaten hem aanriepen, verscholen hij en zijn vriend zich, in plaats van te antwoorden, zoodat de soldaat meende, met slecht volk te doen te hebben en schoot. De vriend ontsnapte, maar onze man kreeg een kogel in de linkerdij, die het been versplinterde. Hij werd niet dadelijk naar het zendingshospitaal gebracht, en toen wij hem kregen, was het dadelijk te zien, dat zijn dagen geteld waren, als er niet terstond werd geamputeerd. Hij had daar, als alle Afghanen veel tegen, maar stemde ten slotte toe, op voorwaarde, dat het afgezette been hem mee naar huis zou worden gegeven, om later met hem te worden begraven. Alleen op die manier leek het hem mogelijk, hiernamaals niet gebrekkig te zullen wezen.

Onder de Afghanen zijn vaak de naaste bloedverwanten iemands felste vijanden, en, zooals ik al vroeger opmerkte, het is heel gewoon te zeggen: "Hij haat dien man als een neef." Zoo gebeurde het eens, dat een gewonde Afghaan naar het hospitaal werd gebracht op een bed, gedragen door vier mannen, en bij onderzoek bleek hij er erg aan toe. Hij had een schot van dichtbij gekregen den vorigen avond, toen hij uit de moskee naar huis terugkeerde, De kogel had zijn linkerlong geheel doorboord, en de patiënt was bewusteloos door de hevige bloeding, die was gevolgd. Een compres van pluksel en eidooier was op de wond gelegd; maar de roode stroom kwam erdoor. De man had gezegd, dat hij geloofde, door zijn oom te zijn getroffen, met wien hij oneenigheid had om het bezit van een stuk land; maar hij had diens gezicht niet duidelijk gezien. Er werd een kamer voor hem ingericht; zijn met bloed bevlekte kleeding werd door hospitaalkleeding vervangen, en de wond werd gezuiverd en verbonden.

Lang zweefde hij tusschen leven en dood, steeds opgepast door twee broers, die, als ze even goed onderlegd als ijverig waren geweest, uitstekende verplegers zouden geweest zijn. De zieke won ten laatste aan in kracht, en de wond genas. Toen ik op een dag den patiënt bezocht, trof ik hem overeind in bed met een glimlach op zijn gelaat, en na de gewone begroetingen zei hij: "Als het u blieft, Sahib, kom dichtbij mij; ik heb u een verzoek te doen." Ik ging bij zijn bed zitten en vroeg, wat ik voor hem kon doen. Hij trok mij naar zich toe en zei op onderworpen toon: "Sahib, ik wou, dat u wat patronen voor mij kocht; hier zijn vier roepijen, die ik ervoor heb bestemd." "Wel, waarvoor hebt ge die noodig?" vroeg ik. "Kijk hier," zei hij, en wees op de plaats van de wond, "dit litteeken moet nog afbetaald. Ik ben nu sterker, en binnen een paar dagen kan ik naar huis en ik moet zoo gauw mogelijk wraak nemen."

Ik zei afkeurend tot hem: "Kun je niet van je wraak afzien na alle goede woorden, die je in het hospitaal hebt gehoord en den goeden raad, dien je hebt ontvangen? Wij hebben met veel moeite en zorg je opgeknapt, en nu zouden we na een paar dagen je oom hier krijgen en weer dezelfde zorgen aan hem moeten besteden." "Wees daar maar niet bang voor, Sahib", was het antwoord, "ik ben een beter schutter dan hij." Wij hebben den oom nooit in huis gekregen, al gaf ik de patronen niet; maar hij zal ze wel elders hebben gekregen.

De toewijding, die in sommige gevallen door bloedverwanten wordt aan den dag gelegd, als ze zieke of gewonde vrienden hebben gebracht, is vaak roerend, en vormt een aangename tegenstelling met de veel voorkomende vijandigheid. Een geval is in mijn herinnering gegrift van een man uit Kaboel, die jaren lang aan een fistel had geleden; zijn naaste bloedverwant was een neef, die talib of student was. Ze waren beiden arm; maar de man verkocht wat huisraad en huurde een kameeldrijver, om hem op zijn kameel te vervoeren. De reis naar Bannoe duurde veertien dagen, en de zieke leed veel door het stooten van het rijden. Er werd geopereerd; maar het duurde nog wel een paar maanden, eer de patiënt genezen was en ontslagen en al dien tijd werd hij door den talib verpleegd, die dag en nacht aan zijn bed zat, lettend op wat de zieke noodig had en hem voorlezend uit den Koran of uit den een of anderen perzischen dichter, enkel hem verlatend, om naar de moskee te gaan in Bannoe of in een naburig dorp, waar hij van weldadige Mohammedanen een maal kreeg.

Er was eens een mollah in Bannoe, die bijzonder heftig was in zijn openbare aanklachten tegen de zending en al, wat er mee in verband stond. Hij hield nog al eens toespraken, die afkeuring inhielden van al wat de Christenen, en in het bijzonder de zendelingen, deden, en hij vertelde de menschen, dat ze in het hospitaal zouden sterven en dan stellig naar de hel zouden gaan. En alle geneesmiddelen, die ze in het hospitaal innamen, zouden in lood worden veranderd, waardoor ze in den diepen afgrond zouden worden gesleurd, en meer van dien aard. We waren dus niet weinig verbaasd, toen op een goeden morgen vier in het wit gekleede talibs een bed in het hospitaal brachten, waarop een gestalte, met een wit laken bedekt, deze zelfde mollah bleek te wezen! We vroegen hem geen bijzonderheden, maar namen hem terstond op, en onze christelijke helpers waren vol zorg voor hem in zijn langdurige en ernstige ziekte en verpleegden hem met groote oplettendheid. Ze spraken nooit over zijn vroegere houding, maar trachtten, door geduld en medegevoel hem te laten zien, wat het Christendom wil. Toen hij het hospitaal verliet, bedankte hij ons in tegenwoordigheid van enkele van zijn volgelingen, bad om den zegen voor het hospitaal en is nu een van onze trouwste vrienden.

De dokter en zijn helpers zouden lang moeten reizen langs de grens, om een dorp te vinden, waar ze niet hartelijk zouden worden ontvangen door oud-patiënten.

De dagen zijn druk in het hospitaal. Laat ons er een beschrijven. Een oostersche dag begint vroeg. Als de eerste lichtstralen in het Oosten te zien zijn, wekt de muezzin de slapenden en roept ten gebede. "God is groot, God is groot. Ik getuig, dat er geen God is dan God! Kom ten gebede; gebed is beter dan slaap." En ieder vrome Mohammedaan staat op, doet de vereischte wasschingen en begint den dag met het loven van den Schepper. De Hindoes volgen; klokjes klinken in hun tempels, als hun priesters de sluimerende goden wekken, en ook wordt de kleine christengemeente door de kerkklokken geroepen voor den morgendienst, en ze vereenigen zich in lofzang en gebed, voordat ze ieder naar zijn of haar werk gaan. Als de zendeling een kalm morgenuurtje voor zich zelf begeert, moet hij vroeg opstaan, want na den morgendienst begint de lange reeks van plichten, die hem geen tijd laten, eer de avond valt.

Darya Khan, de hospitaalkok, wacht op het dagelijksch rantsoen en geeft vijftig zieken op voor het volle diëet, twintig voor het halve en vijftien voor melkdiëet. Zooveel zieken zijn ontslagen uit het hospitaal, zooveel zijn opgenomen, en er stierf één van nacht. Dus worden de voorraden voor den dag afgewogen en uitgegeven, en er worden bevelen gegeven voor de aanschaffing van wat er nieuw noodig is.

Dan komen de zalenopzichters met hun verhalen van bevuild beddegoed en schoone handdoeken en verbanden en kleedingstukken voor de patiënten, waarin moet worden voorzien.

Als dat gebeurd is, staat de tuinman klaar met het dagrantsoen aan groenten en bloemen en komt met een massa vragen, die alle ernstige overweging verdienen, zooals, of de moerbeien al moeten worden geplukt, en waar de jonge perenboompjes moeten worden geplant. En hij vertelt van gestolen oranjes, en of ik wil komen, om de voetstappen op te nemen.

De klok slaat acht uur, en dus is er juist een half uur, om in het hospitaal te zien, eer de buitenpatiënten komen. De operatiezaal moet bezocht; de huisdokter vertelt, dat de tuberculoselijder op die en die zaal een bloedspuwing heeft gehad in den nacht, en we zijn juist op weg naar hem toe, als Alam Gul komt aanloopen met het bericht, dat zijn broer dien morgen van het dak naar beneden wou gaan, en dat zijn voet uitgleed op de ladder, zoodat hij op zijn hoofd viel en nu bewusteloos is. Of ik gauw wou komen? Nadat de ernstige gevallen zijn nagegaan, en Alam Guls broeder is bezocht, vraagt de afdeeling buitenpatiënten al mijn aandacht. De veranda's zijn vol zieken, de mannen in de eene en de vrouwen en kinderen in de andere, en terwijl de catechiseermeester voor de eersten preekt, houdt een vrouw de anderen op dezelfde manier bezig. Er liggen een paar zieken op meegebrachte bedden en allerlei vervoermiddelen, draagstoelen, kameelen, ossen, ezels enz.

Na een enkel woord tot de zieken, die vaak zoo lang hebben gereisd, en tot de geleiders, gaat de dokter naar binnen, om de zieken één voor één te laten komen voor het onderzoek. Degenen, die hier behandeld moeten, worden naar de zalen gebracht, en de rest krijgt de noodige geneesmiddelen, of hun wonden worden verbonden en ze kunnen naar huis gaan. Een groot aantal van de buitenpatiënten zijn ooglijders, en soms komen er vier of vijf blinden, elkaar vasthoudend en geleid door iemand, die niet geheel blind is. Zij zitten daar en wachten met spanning op de uitspraak van den dokter, om te hooren, of ze een operatie moeten ondergaan, en of er hoop is, dat ze het gezicht terugkrijgen. Want de geschiedenissen, die ze hebben vernomen van de knapheid der westersche dokters, doen hen denken, dat, als de dokter hen niet geneest, dat komt, doordat hij het te druk heeft, of dat zij te arm zijn. Als dus, wat soms gebeurt, de dokter op het eerste gezicht ziet, dat een geval hopeloos is, en dat het gezicht voor altijd weg is, wordt het een moeilijke zaak, om den patiënt dat feit mee te deelen, en dikwijls verlengt de dokter het onderzoek van het oog zonder noodzaak, opdat de man toch maar niet zal denken, dat het gebrek aan belangstelling in zijn geval is, waardoor de dokter zegt, dat hij er niets aan kan doen. En dan dat smeekende: "Och, Sahib, maar een beetje licht! Zie, ik kan nog wel licht van donker onderscheiden; ik kan het licht van dat venster zien. Ik ben den heelen weg van Kaboel gekomen, omdat ze zeiden, dat de feringidokter alles kon genezen. Waarom maakt ge mij niet beter?"

Er was een man, die niet wou heengaan, voordat ik hem naar mijn moeder had meegenomen; die kon misschien nog wel helpen; ze moest meer kunnen dan ik, want ik had immers van haar geleerd? Een ander ging naar haar toe, om haar te vragen om haar tusschenkomst bij mij, omdat hij zeker was, dat, als ik maar wilde, ik hem wel beter kon maken. Als ze dan ten laatste overtuigd zijn, dat er niets aan te doen is, zeggen ze zoo ontroerend onderworpen, vaak terwijl tranen over hun wangen rollen: "Het is Gods wil. Ik zal geduldig wezen." En dan beginnen ze hun zware reis weer naar huis of blijven nog een paar dagen en trachten, in den bazar een kansje te krijgen, om met den een of ander een eind mee te rijden.

Daar komt een gewichtig hoofd met een groot gevolg, die een speciaal consult van den dokter verlangt en die met omslachtigen eerbied moet worden behandeld. Hij geeft een gift voor het hospitaal of zendt een paar ossen, beladen met zakken maïs, als een schenking voor onze magazijnen.

Er komen nog steeds patiënten, als er een schooljongen aan komt loopen met het bericht, dat het tijd is voor den dokter, om zijn schoollessen te beginnen. Niet ieder zendingsstation brengt het zoo ver, dat er voor de school een afzonderlijke zendeling is, en Bannoe is een van die posten, waar het toezicht van de school een der plichten van den zendeling-dokter is, die de oudste klassen ook onderricht in bijbellezen, Engelsch en natuurkunde. Zoo wordt de spreekkamer verwisseld voor het klasselokaal, en de zendeling ziet zich omringd door een klasse van twintig tot vijf-en-twintig leerlingen, intelligente knapen, die zich voorbereiden voor het toelatingsexamen tot de Pendsjab-universiteit en ingewijd worden in de geheimen van het zien, in scheikunde en mechanica of in het maken van engelsche opstellen. Ook laat hij ze vol ambitie luisteren naar de altijd weer boeiende verhalen uit het leven van Jezus, waarbij ze ondervraagd worden en vragen stellen en de schoone leer leeren verstaan.

Dan moet er nog een inspectiebezoek worden gebracht aan de andere klassen, waar het schoolpersoneel aan het werk is en soms wenken en lessen moet hebben, als alles goed zal gaan. Daarna gaan we zien, welken voortgang het bouwen van de nieuwe zaal in het hospitaal heeft gehad en of in de drukkerij alles naar wensch loopt, want de pers van de zending drukt niet enkel inlandsche geschriften en engelsch zendingswerk, maar er wordt ook gedrukt voor de verschillende kantoren en kooplieden in de stad. Rekeningen moeten worden opgemaakt, proeven gecorrigeerd en aanwijzingen gegeven voor het werk van den dag.

Nu is het tijd voor een bezoek aan de hospitaalzalen en voor de operaties. Gewoonlijk worden de patiënten geopereerd op denzelfden dag, dat ze worden opgenomen. Als dat niet gebeurde, zouden de operatiezalen niet alleen overvuld worden, maar in veel gevallen zou de moed van de lijders wegvloeien langs hun vingertoppen, en in plaats van hen bereid te vinden voor de behandeling, zou men worden begroet met de woorden: "Ik heb juist gehoord, dat mijn vader ernstig ziek is geworden. Als ik niet dadelijk naar huis ga, zal ik hem nooit terugzien." Een ander: "Ik vergat heelemaal, voêr voor mijn ezel gereed te maken; ik moet naar huis, om daarvoor te zorgen en kom binnen twee dagen terug." Men weet natuurlijk, dat die geschiedenissen pure verzinsels zijn; maar het zou nutteloos wezen, hun dat te zeggen of te gaan redeneeren. Men kan niet anders doen, dan hun hun eigen kleêren terug te geven en ze te laten gaan. Soms komen ze later weer en vertellen nog wat leugens omtrent hun vader of hun ezel, om zich te rechtvaardigen; maar vaak ook zien we hen niet terug.

Terwijl de operatiegevallen voorbereid worden door den huisarts, gaat de dokter de zalen rond, onderzoekt en schrijft voor en zegt een opmonterend woord aan ieder bed. Als dat is afgeloopen, is hij juist eraan toe, de operaties te beginnen, als er een man komt binnenstormen, zeggende, dat zijn broeder op de jacht was en dat zijn geweer is ontploft en zijn hand afsloeg. Zou de dokter dadelijk willen komen, dat hij niet dood bloedt, en achter den boodschapper komt de gewonde al aan, op een bed gedragen. De dokter onderzoekt hem en neemt de noodige maatregelen, dat het gevaar bezworen is, en de man even kan wachten tot na den afloop van de andere operaties.