Onder De Wilde Stammen Op De Grenzen Van Afghanistan De Aarde E

Chapter 4

Chapter 43,822 wordsPublic domain

Als men nu vraagt, hoe de verhouding van den zendeling is tot de bewoners van de verschillende gebieden, kan men zeggen, dat in Britsch Indië de zending wordt vrij gelaten, zoolang ze zich binnen de grenzen van de wet houdt. In Afghanistan mag de zendeling niet werken, en onder het tegenwoordige régime zal daar wel geen verandering in komen. Een bekeerling van het Mohammedanisme tot het Christendom wordt binnen het gebied van den emir beschouwd als iemand, die een groote zonde heeft begaan, en zoowel de wet als de publieke opinie zou het op zijn ondergang toeleggen. Maar in de landen tusschen die beide terreinen is er geen reden, waarom een voorzichtig zendeling, die de taal en de gewoonten van het volk kent, niet met succes zou kunnen werken. Een zendeling-dokter, die niet met onhandigen ijver hun godsdienst kwetste, zou ongetwijfeld door de meeste leden van den stam vriendelijk worden ontvangen, ofschoon de mollahs of priesters een onzeker element zouden vormen, dat in het begin zich vijandig zal toonen. De plaatselijke autoriteiten hebben het per slot van rekening in hun macht, te bepalen, hoe ver zich de werkzaamheid van de zending mag uitstrekken.

Onder de verschillende grensterreinen, die in den laatsten tijd onder den invloed van de beschaving zijn gekomen door de grenspolitiek van de engelsche regeering, is er geen, dat meer belooft dan het Boven-Koeramdal, aan welks benedeneind het hoofdkwartier van de Afghaansche Medische Zending te Bannoe is gelegen. De rivier de Koeram stroomt door een breed dal en gaat met uitzondering van een dertigtal mijlen juist boven Bannoe over britsch grondgebied, waar de bevolking steeds meer vreedzaam en beschaafd wordt. Oorspronkelijk woonden er in het benedendal tot in Waziristan de Bangasjen, een sunnietische stam van de Pathans, die zelf afkomstig waren uit de buurt van Kohat. De Toeries waren een sjiïetische stam, die sommige districten bewoonden op den oostelijken oever van de Indus bij Kalabagh, en daar ze ijverige kooplieden en nomaden waren, gewend raakten aan een bezoek van de koele streken in het Boven-Koeramdal, waar ze elken zomer kwamen, om het weidegebied te gebruiken, hun gezondheid te verbeteren en handel te drijven.

In een zomer, die ongeveer tweehonderd jaren achter ons ligt, ontstond er een twist tusschen hen en de Bangasjen uit een dorp, Boerka geheeten, waardoor een gevecht ontstond, dat de Toeries wonnen, die de inwoners van Boerka doodden of verdreven en van de plaats hun eerste vestiging in de streek maakten. Al gauw daarna maakten ze zich meester van twee der belangrijkste dorpen uit het dal, Peiwar en Milana, en tot op den huidigen dag bezit iedere Toerie, die op gewichtigheid aanspraak maakt, land in een van die drie dorpen, al is het maar een vijftigste deel van een veld, als bewijs van zijn oude afkomst.

Jaar op jaar maakten de Toeries hun positie sterker en verdreven de Bangasjen dieper het dal in, behalve in sommige gevallen, zooals met de bewoners van het groote en mooie dorp Schlozan, waar de Bangasjen allen Sjiïeten werden en met de Toeries zich vereenigden, zoodat ze hun land mochten behouden. Toen ze eindelijk hun stelling stevig hadden bezet en overtuigd waren geworden van de bekoorlijkheid van het dal, gingen de Toeries niet meer naar de vlakte terug en bleven het heele jaar door in het hooggelegen dal. Daardoor wonen nu nog de Toeries daar, terwijl lager de Toeries en Bangasjen gemengd voorkomen, zoodat de dorpen van beide stammen soms naast elkander liggen, en nog weer verderop de Bangasjen al het land in bezit hebben.

Sedert de menschen hebben ontdekt, dat het engelsche bestuur vrede en rust brengt en hun zwaarden tot sikkels hebben omgesmeed, hebben verscheiden van die bergstammen iedere gelegenheid aangegrepen, om zich voor goed in het dal te vestigen en daar land te krijgen, om van den rijken bodem te profiteeren. Dat waren o. a. de Mangals en Makbals en de Zaimoekts, die nieuwe elementen onder de stammen brachten. Maar er zijn ook andere stammen, die vasthouden aan de vrijheid in hun bergterreinen en soms aan de oude neiging toegeven, om hun buren te plunderen. Zoo zijn daar de Ningrahars, de Spinwars en Pari's in het Noorden en de Zazimaiden in het Zuiden. Om de optelling volledig te maken, zou men ook de Hindoes moeten noemen, die in groot aantal in het dal wonen, een groot deel van den handel in handen hebben en allerlei zakenwerk en geestelijken arbeid voor de Mohammedanen verrichten.

Toen er Hindoeradjahs in Kaboel regeerden, hadden ze in dit dal ook stellig de overhand, en wat er aan oudheden hier aanwezig is, blijkt van hindoeschen oorsprong. Afgezien van de verscheidenheid van stammen, die in dit dal dus dichtbij elkander voorkomen, is het ook bijzonder belangwekkend, omdat hier een van de twee groote wegen doorgaat van Kaboel naar Indië. De tweede weg is de Khaiberpas. Daardoor bezoeken veel nomaden uit Afghanistan herhaaldelijk het dal en wonen er vaak tijdelijk. Onder hen staan tegenwoordig op den voorgrond de Hazara's, van wie velen van hun eigen land verdreven zijn door den emir en hierheen zijn gegaan, om aan de wegen te werken. Ook de Khoroti's en Ghilzai's komen vaak in het Koeramdal, en dank zij dit eigenaardig centrale en kosmopolitische karakter, is het district zoo geschikt als een middelpunt voor zendingswerk en zendingsinvloed. Onder de Toeries kan men met succes optreden. Ze zijn, zooals ik al zei Sjiïeten, terwijl alle omringende stammen tot de orthodoxe Sunnieten behooren. Dus waren ze vóór de engelsche bezetting in 1891 voortdurend het mikpunt van de vervolgingen van den emir van Afghanistan en hadden vaak aanvallen te verdragen van hun sunnietische buren. Ze zien dus natuurlijk in de Christenen hun bevrijders en komen er uit den aard der zaak gemakkelijk toe, het Christendom met gunstige oogen aan te zien, omdat het hun zooveel vrede heeft gebracht en aan hun onderdrukking een einde heeft gemaakt. En daar er in woorden nog altijd strijd wordt gevoerd onder hun mollahs aan weerszijden, daar ieder meent, in het Christendom punten van gelijkenis te vinden met den eigen godsdienst, heeft een christelijke toespraak of een christelijk boek wel invloed op hen.

Daaruit is voortgevloeid een verwonderlijke, verwonderlijk ten minste voor een zendeling uit het bijgeloovige Bannoe, gewilligheid voor gesprekken over de christelijke geschriften en bereidvaardigheid, om christelijk onderwijs te ontvangen. Bij voorbeeld mag in Bannoe een welgeaarde mollah niet in den bijbel lezen, behalve in het geheim, terwijl ik in Koeram de mollahs dikwijls openlijk heb zien lezen in en verhandelingen heb hooren houden over de Heilige Schrift voor groote groepen khans en andere lieden.

In Bannoe kan door het noemen van de leer der zondeloosheid van Christus of het vaderschap van God het sein worden gegeven tot een oproer, terwijl diezelfde leerstellingen hier, zelfs als ze niet worden aanvaard, vrijelijk kunnen worden besproken met de zekerheid, dat men haast altijd kalm zal worden aangehoord.

Den eersten zomer, waarin ik eenigen tijd onder deze menschen doorbracht, werd ik zoo goed als overal gastvrij en hartelijk ontvangen. Dat was natuurlijk voor een deel toe te schrijven aan de medische adviezen en middelen, die ze kregen; maar het was toch een groot verschil met de ontvangst, die in Hindostan dikwijls te beurt valt aan den verkondiger van het Evangelie. Nergens was er eenige open oppositie van de zijde der mollahs, en de meesten van hen kwamen mij bezoeken en spraken lang met mij over den Bijbel. Ze vroegen om het boek en lazen er geregeld in, en de dorpelingen noodigden ons soms uit, langer van hun gastvrijheid gebruik te maken of het volgend jaar terug te komen, en, wat nog het allerbest zou zijn, een apotheek onder hen te vestigen.

In ieder dorp zijn een of meer matamkhana's, waar de Sjiïeten hun jaarlijksch rouwfeest vieren ter eere van de martelaren van Kerbela, Hassan en Hoessein, als de Moharramdagen weer zijn aangebroken. Onder het bestuur van Afghanistan werden die plechtigheden dikwijls verboden; maar nu mogen ze ongehinderd plaats hebben, zoodat de menschen gelukkig zijn met het engelsche bestuur. Zulke plaatsen van samenkomst zijn geschikt voor godsdienstige gesprekken, en veel van mijn disputen hebben daar plaats gehad. De menschen zijn wel geneigd, om de christelijke opvatting van de kruisiging en haar beteekenis te aanvaarden, waar de Sunnieten zulk een struikelblok in zien, omdat ze het martelaarschap van de beide broeders te Kerbela beschouwen als een redding voor wie trouw de rouwdiensten volgt, en omdat ze Ali beschouwen als hun verlosser.

Wanneer men in dit dorp een kijkje had kunnen nemen in de dagen, lang voordat er van het Christendom sprake was, toen de eerste arische trekkers uit Centraal Azië hierheen afzakten en naar Pendsjab, zouden we er hun kampen hebben kunnen aanschouwen en hen bezig hebben gevonden met hun eenvoudigen natuurdienst, in de Veda's beschreven, die dit stadium van de arische beschaving te boek hebben gesteld. Dit gebied was waarschijnlijk beter besproeid en vruchtbaarder toen dan nu. Niet enkel blijkt uit de geologische gesteldheid een grooter regenval en rijker plantengroei, maar daar die eerste immigratie meestal door herders geschiedde, mag men aannemen, dat ze voor hun kudden en families het toen veel beter hadden dan nu in de grensgebieden.

De boven beschreven Koeramvallei kan gelden als een goed model van een geadministreerd gebied, dat al groote vorderingen heeft gemaakt in den vooruitgang naar een rechtvaardig en rustig gevestigd bestuur. De onafhankelijke stammen daarentegen dalen al meer op de ladder der beschaving, tot ge komt bij sommige afdeelingen van de Waziri's en Afridi's, die echte barbaren zijn en nog onafscheidelijk van hun nomadenleven, waarin stelselmatige rooverij een rol speelt. Een politieke ambtenaar zat eens met een aantal hoofden van een paar dier onafhankelijke stammen op den top van een hunner ruwe bergen, van waar men neerziet op Afghanistan naar het westen en Indië in het Oosten. Ze hadden hem als geleide gediend op zijn tochten, en daar hij goed voor hun voeding had gezorgd en in hun eigen taal vertrouwelijk met hen kon praten, waren ze bereid, zonder voorbehoud hem zelfs hun stamgeheimen mee te deelen.

"Vertel mij nu eens;" zei de ambtenaar, "als er oorlog uitbrak, wat God verhoede, tusschen Rusland en Engeland, welken kant zoudt gij en zou uw volk dan kiezen?"

"Wilt gij, dat we u zullen zeggen, wat ge graag wilt hooren of wilt ge de waarheid weten?" was hun naïef antwoord.

"Ik bezweer u, dat ge mij meedeelt, wat de waarheid is."

"Dan", zei een oude grijze man, die uiting gaf aan de gevoelens van alle aanwezigen, "zeg ik u, dat we hier zouden zitten op onze bergtoppen en u beiden zouden zien vechten, tot we een van u beiden volkomen verslagen zagen; dan zouden we van onze hoogte afdalen en den verslagene alles ontrooven tot den laatsten muilezel! God is groot! Wat zou dat een goede tijd voor ons wezen!"

Zonder twijfel had hij gelijk; maar zoo groot is de tweedracht tusschen de afghaansche stammen, dat er nog geen buit zou zijn behaald, of ze zouden al onder elkander vechten over de verdeeling. Die afgunst tusschen de stammen en de kleine oorlogen zijn niet te vermijden en maken hen als vijanden veel minder geducht, dan ze anders zouden zijn. Als ge er hen naar vraagt, zullen ze de fout inzien en u vertellen, dat een van hun voorouders den Almachtige had vertoornd, die om hen te straffen, de zaden van tweedracht onder hen strooide, werkend tot in lengte van tijden. Vandaar het gezegde: "De Afghanen van de grens hebben nooit vrede, behalve als ze oorlog hebben!" Want als een vijand van buitenaf hun onafhankelijkheid bedreigt, dan zijn voor korten tijd hun onderlinge verschillen vergeten, en vechten ze schouder aan schouder, om de twisten weer op te vatten, als het gemeenschappelijk gevaar is afgewend. Zelfs als ze allen neiging voelen, om deel te nemen aan den een of anderen heiligen oorlog, blijven ze elkander wantrouwen en hebben lust, elkaar op kritieke oogenblikken af te vallen; of de eene stam zal wachten, om te zien, hoe het afloopt met een anderen, die al in den strijd is betrokken, voordat hun eigen zwaarden de scheeden verlaten. Zoo was het in den grensoorlog van 1897, en de moeite, om den opstand te dempen, zou oneindig veel grooter zijn geweest, als de stammen gelijktijdig en niet ieder afzonderlijk waren opgestaan, zoodat de opstand op de eene plaats onderdrukt kon worden, voordat hij op een andere plaats uitbrak.

Tweeëerlei politiek heeft op verschillende tijden de warme instemming gehad bij haar verschillende aanhangers. De eerste politiek, die door Lord Lawrence werd voorgestaan in de dagen van zijn onderkoningschap, was algemeen bekend als de politiek van bestuurswerkeloosheid. Later kreeg de politiek van krachtig optreden meer aanhangers en werd het krachtigst verdedigd door Sir Robert Sandeman. Diegenen, die de eerste manier van doen voorstaan, wijzen op de groote kosten, die het gevolg zijn van het optreden tegen de vrije stammen aan de grens, en zeggen, dat we dan vroeger of later in echte oorlogen met hen worden betrokken. Ze willen daarom liever, dat de britsche regeering zich onthoude van alle grenstusschenkomst en de stammen geheel aan zichzelf overlate, zoolang ze niet bepaald last veroorzaken aan onze zijde van de grens. De partij van tusschenkomst aan den anderen kant wijst op het gevaar, dat dit uitgestrekte gebied op het meest kwetsbare punt van ons Indisch Rijk oplevert, als het niet onder ons toezicht staat, en ze pleiten voor een stelsel van leiding van alle politieke aangelegenheden van de grensstammen, terwijl we de binnenlandsche politiek in handen moeten laten van hun eigen hoofden, die, ofschoon geleid door onze civiele ambtenaren, vrij zouden wezen, om de oude gebruiken van den stam te handhaven.

Sir Robert Sandeman is misschien het merkwaardigste voorbeeld van de macht, die een enkele officier in staat is geweest, over deze stammen uit te oefenen, en door zijn optreden is de breede strook van de grens tusschen Quettah en Deras onder onze civiele ambtenaren georganiseerd door arbeid van de stamhoofden zelf. Er worden subsidies uitgekeerd aan de stammen, als ze de veiligheid van de britsche posten langs de wegen waarborgen en zich verantwoordelijk stellen voor slechte gedragingen van de leden van den stam. Lichtingen van soldaten worden geoefend onder engelsche officieren van het britsche leger, die hun militaire tucht bijbrengen en schietvaardigheid. De betaling, welke deze manschappen ontvangen, komt den stam ten goede en is een sterke prikkel, om hun oude gewoonten op te geven ter wille van de Pax brittannica.

Toch werd het noodig geacht, geregelde troepen van het indisch leger op bepaalde, nog al gevaarlijke punten, gereed te houden. De grens wordt over een groote lengte gevormd door ontoegankelijke bergen, die een onoverkomelijk beletsel voor de troepen zijn; maar daar doorheen loopen de passen, waar van de best bekende de Khaiberpas en de Bolanpas zijn. Deze hebben sinds onheugelijke tijden als overgangen gediend, waardoor vijandige legers Indië zijn binnengevallen, en langs die wegen zou elke toekomstige vijand ook zijn legermacht trachten te voeren. Daarom is het voor de engelsche regeering noodzakelijk, dat die passen degelijk worden bewaakt en daarom vormt elk van die passen een door britsche officieren geadministreerd gebied, waar inboorlingentroepen of soldaten uit de onafhankelijke stammen de wacht houden.

Ook trekken door die passen de groote handelskaravanen uit Afghanistan en Midden-Azië Britsch Indië binnen. In vroeger tijden moesten de kooplieden aan de stammen geld geven, daar ze anders de passen zouden hebben afgesloten en de goederen hebben buitgemaakt, en gedeeltelijk dienen de subsidies van tegenwoordig als vergoeding voor die vroegere onrechtmatige inkomsten.

Dichtbij het punt, waar de beide passen uitkomen in het groote indische laagland aan de overzij van de Indus, ligt een stad, die een emporium is geworden voor de aangebrachte waren en een militair station voor de bescherming van den pas. Terwijl Peschawer voor dat doel dient aan den Khaiberpas, is Kohat een handelsplaats aan de Koeram, Bannoe aan de Tochi en Dera Ismaïl Khan aan de Goemal.

Toen lord Curzon onderkoning werd, waren de grensdistricten een deel van Pendsjab, en de luitenant-gouverneur van die provincie voerde er het administratieve bewind. Lord Curzon wenschte ze meer rechtstreeks onder zijn bewind te brengen, en in 1901 werd dan ook een nieuwe provincie ingesteld, bestaande uit vijf grensdistricten van Pendsjab, en genoemd de Noordwestelijke Grensprovincie. De vijf districten, die deze provincie vormen, zijn Hazara, Peshawer, Kohat, Bannoe, en Dera Ismaël Khan. Ze liggen alle aan de overzij van de Indus, behalve Hazara, dat ten oosten van de rivier ligt.

Een chief commissioner of gouverneur werd over de heele provincie gesteld in directe verantwoordelijkheid aan den onderkoning. Hij had zijn hoofdkwartier en zetel der regeering te Peschawer.

Lord Curzon's volgende stap was een uitbreiding van het spoorwegnet van Pendsjab langs de grensstreken zoodat de eindpunten kwamen te liggen bij den Khaiberpas en den Koerampas. Daar dit een snelle concentratie van troepen mogelijk maakte op ieder punt aan de grens, kon hij de regimenten van het indisch leger, die in de afgelegen districten in garnizoen lagen, intrekken en ze vervangen door soldaten, uit de grensstammen gerecruteerd.

Zonder twijfel wenscht de regeering geen verdere annexatie van dit kale, bergachtige en onherbergzame grensgebied; maar het is niet altijd even gemakkelijk, om dat te vermijden, en de geschiedenis leert voldoende, dat, als er een aantal slecht georganiseerde en slecht bestuurde eenheden wonen aan de grenzen van een groot land, ze vroeger of laten, maar onvermijdelijk, in dat laatste worden opgenomen. Er zijn echter geldelijke overwegingen, die de regeering nopen, niet over te gaan tot annexatie van een gebied, dat zoo weinig natuurlijke hulpbronnen heeft, geen of weinig belastingen kan opbrengen en veel kosten van bestuur zou vereischen.

Maar deze grensstammen leveren van het allerbeste vechtmateriaal, waaruit het indisch leger wordt gerecruteerd, en jaren van vreedzaam en geregeld bestuur zouden de militaire eigenschappen wel eens bij het volk kunnen bederven, zooals in Zuid-Indië het geval is geweest. Ook zijn de vele gelegenheden, waarbij het indisch leger een kans krijgt voor actieven dienst, en de oefening, die verkregen wordt op de kleine grensexpedities, misschien van te groote waarde, om door te tasten.

De gewone gang van zaken is de volgende. Eerst doen de lastigste onder de grensstammen een reeks van strooptochten in de grensdorpen van Indië, zooals ze sinds onheugelijke tijden hebben gedaan. Soms worden de misdadigers gevangen genomen en ondergaan hun noodlot; maar meestal ontkomen ze, en in overeenstemming met de stamverantwoordelijkheid wordt er een boete van hun stam geheven. Die boeten worden steeds hooger, en de stam staat in een soort van rekening-courant met de regeering voor de bedreven wandaden.

Zoo komen we tot het tweede stadium, als het geduld van de regeering uitgeput is. De hoofden der stammen worden opgeroepen, en hun wordt een ultimatum gepresenteerd. Ze moeten zoo en zooveel in boeten afdoen en de aangewezen misdadigers uitleveren of er zal een expeditie worden uitgerust. Veel tijd, vaak wel van maanden, verloopt met onderhandelingen, terwijl de stam steeds pogingen in het werk stelt, de voorwaarden gunstiger te doen worden.

Het derde stadium treedt in, als de stam niet ingaat op de voorwaarden der regeering, en een strafexpeditie zal worden ondernomen. De expeditionnaire troepen dringen het bergland binnen, verbranden enkele dorpen, leveren een paar gevechten, weten een grooter of kleiner deel van de boete binnen te krijgen, leggen beslag op een aantal geweren en vertrekken weer.

Dan is de stam vrij, om opnieuw te beginnen met een schoone lei en gaat weer stroopen en rooven en een nieuwe reeks boeten beloopen, en om dat te verhinderen en meer toezicht over hen te houden, ziet de regeering zich genoodzaakt, te treden in het vierde stadium, waarin enkele plaatsen worden bezet met militaire posten, die de grensstammen in toom moeten houden.

Op die wijze wordt vaak tegen den zin der regeering annexatie van grondgebied een noodzakelijkheid.

Ook moet men denken, dat er altijd een deel van den stam en soms een meerderheid is, die vóór aansluiting bij Engeland voelt, want de vreedzame en geregelde toestanden, die het engelsch bestuur brengt, hebben hun voordeelen. Terwijl ze vroeger hun velden bijna niet konden bewerken op eenigen afstand van het dorp en altijd gewapend moesten zijn, kunnen ze dan kalm en rustig op het land zijn, ook al ligt dat ver van hun huis, en grond, die vroeger waardeloos was, stijgt in beteekenis. Ze kunnen handel drijven en hun gewone werkzaamheden verrichten in vroeger ongekende veiligheid. Ze leeren de waarde kennen van het geld en beginnen te sparen.

Er zijn echter altijd twee partijen in een stam, die vuur en vlam blijven tegen het britsche bestuur, en daar ze veel meer macht hebben dan de vreedzamer aangelegde broederen, zijn ze veelal in staat, de vredelievende meerderheid te terrorizeeren tot een valsche instemming met hun oppositie. Die beide partijen zijn de desperado's, de buiten de wet gestelden, en de mollahs.

De eersten hebben geleefd van roof en plundering, vele geslachten lang, en hebben geen lust hun bedrijf op te geven voor een kalmer leven, dat minder opwekkend is en minder voordeelig.

Niet alleen hebben de mollahs een antipathie tegen de kafirs, de ongeloovigen, maar zij weten, dat bij de veranderde levensomstandigheden hun invloed en rijkdom achteruit zullen gaan.

Bovendien zijn er twee dingen in ons bestuur, waar allen evenzeer tegen gekant zijn; het eene is de bescherming, die wij den woekeraar verleenen, en het andere de langzame werking van onze rechtspraak. Woeker strijdt met de wet bij de Mohammedanen, maar daar zij onbedachtzaam en royaal zijn, kunnen de Hindoes onder hen geld verdienen, door hun in tijden van nood geld te leenen. Vroeger werd het den Hindoe onmogelijk gemaakt, te veel interest te vorderen of een te lange rekening in te leveren, doordien zijn mohammedaansche meesters, die de baas waren, op een goeden nacht konden komen en zijn huis boven zijn hoofd in brand steken, zoodat hij van voren af aan moest beginnen. Onder britsch bestuur wordt nu de woekeraar beschermd. Hij kan zijn geld innen van den Mohammedaan, die weinig bezit, door een civiele actie en kan den schuldenaar in de gevangenis brengen, als hij niet betaalt, terwijl de Mohammedaan, die zijn boeken zou willen verbranden, kennis maakt met de engelsche gevangenis.

Het recht, waar de Mohammedaan van de grens eerbied voor heeft, is snel en eerlijk recht, zooals de officieren toepasten in den tijd van Nicholson, toen de misdadiger beschuldigd, gevangen genomen, veroordeeld en een bepaalde straf, passend bij de misdaad, kreeg, alles in den loop van enkele dagen. Nu kan hij, als hij rijk genoeg is, een advocaat erbij roepen en zooveel valsche getuigen krijgen, als hij wil. Zijn zaak wordt gerekt door den magistraat door verschillende hoogere beroepen of door het een of ander technisch punt van de wet, en als er misschien na verloop van maanden een vonnis volgt, kan de verliezende partij in de zaak zich beroepen op den zittenden rechter, en daarna kan ze weer in hooger beroep komen bij het Hooggerechtshof te Lahore, waar zooveel zaken op den rooster staan, dat zijn zaak mogelijk eerst over twee of drie jaar aan de orde komt.