Onder De Wilde Stammen Op De Grenzen Van Afghanistan De Aarde E

Chapter 2

Chapter 23,964 wordsPublic domain

Geen beschrijving van het leven der Afghanen zou volledig wezen, als men niet sprak over de openbare danspartijen. Ze hebben plaats ter viering van een stamovereenkomst of van het ophouden van vijandelijkheden tusschen twee stammen of afdeelingen. Men kan ze alleen in optima forma zien over de grens, want in Britsch Indië zijn die danspartijen door de meer vreedzame vermaken van het volk en het ontbreken van de benoodigde vuurwapens in onbruik geraakt. Aan de andere zijde van de grens wordt een vlak terrein uitgekozen, en in het midden wordt een post geplaatst. De mannen gaan in al wijder kringen rondom dit middelpunt staan en draaien er omheen, steeds het middelpunt aan hun linkerhand houdend, en zwaaiend met hun zwaarden. De oudste en minst vlugge van de krijgers vormen de middenkringen; meer naar buiten ziet men de jongelui, die met verbazende vlugheid ronddansen, vaak met een geweer in de eene en een zwaard in de andere hand, of ook wel een zwaard in iedere hand, welke wapens ze beurtelings boven hun hoofd zwaaien. Meer aan den buitenkant bevinden zich de kringen van de ruiters, die tegelijk hun vlugheid te paard en hun behendigheid met zwaard of geweer aan den dag leggen. Aan den eenen kant staan de dorpsmusici, die door trommen en fluiten voor de begeleiding zorgen. Ze beginnen langzaam, en men ziet alle kringen zich bewegen met afgemeten tred; daarna wordt de muziek al vlugger, de dansers worden meer en meer opgewonden, en wie toekijkt krijgt den indruk van een warrelende massa sabels en geweren. De geweren zijn vaak geladen en worden nu en dan afgeschoten, waarna de wendingen van de ruiters drukker worden, zoodat men zich verwondert, dat er geen hoofden en armen worden afgeslagen door de overal flikkerende sabels. Plotseling zwijgt de muziek, en allen houden stil, om weer op adem te komen, maar beginnen dadelijk weer, tot ze uitgeput zijn. De opwinding en de ingewikkelde figuren worden vaak precies gelijk aan den werkelijken oorlog, en de geschiedenis eindigt dan ook soms met bloedvergieten. Bij een zekere gelegenheid viel een man neer, en onder het vallen liet hij zijn geweer afgaan met het noodlottige gevolg, dat een andere danser getroffen werd. De moordenaar zonder opzet zou op hetzelfde oogenblik en op de plaats gedood zijn, als zijn vrienden hem niet haastig naar huis hadden gebracht, al vechtende onder het vluchten. Op die manier wordt er soms aanleiding gegeven tot het ontstaan van een bloedveete, die een dorp in twee partijen verdeelt, en die niet eindigt eer enkele van de dapperste bewoners gevallen zijn als slachtoffers.

Bij een andere gelegenheid zat ik met eenige Afghanen in een huis in het dorp Peiwar in het Koeramdal. De meeste huizen stonden aan weerszijde van een lange straat, die in de lengte door het dorp liep, en ik merkte op, dat er tusschen de huizen aan elke zijde van de straat kleine deurtjes waren gemaakt. Toen ik naar het doel daarvan onderzoek deed, werd mij verteld, dat er eenigen tijd geleden een groote strijd in het dorp was gevoerd. De eene kant van de straat stond aan den eenen en de andere zijde aan den anderen kant van de strijdende partijen, en nu lagen ze voortdurend op de loer, om op elkander te schieten over de straat. De eenige manier, om naar de rivier te gaan, was van het eene huis door het andere te loopen naar het benedeneind van de straat, en om dat te kunnen doen zonder te worden opgemerkt, had men deuren gemaakt, terwijl buitendien bij afspraak bepaald was, dat er niet geschoten zou worden, als men naar beneden naar de rivier ging. Mijn gastheer kon mij verscheiden gaten laten zien in zijn deur en de houten kozijnen van de vensters, die gemaakt waren door de kogels van zijn buren aan den anderen kant van de straat, en zei: "Achter dit gat in de deur werd mijn oom doodgeschoten; die opening in het raam werd gemaakt door den kogel, die mijn broeder trof."

Wijzend op een anderen Afghaan, die in de kamer was gekomen en op het bed was gaan zitten, zei hij: "Dat is de man, die mijn broer doodschoot." Toen ik een opmerking maakte over de vriendelijkheid en eensgezindheid, die er tusschen hen scheen te heerschen op dat oogenblik, zei hij: "Ja, wij zijn nu goede vrienden, omdat de schuld aan beide zijden gewroken is. Ik heb hetzelfde aantal leden van zijn familie gedood." Na een strijd van dezen aard worden de noodlottige gevallen aan weerszijden opgeteld, en als ze even groot zijn, voelt men aan weerskanten, dat men vrede kan sluiten zonder de izzat of eer op te offeren, en de vriendschappelijke verhouding wordt hersteld, terwijl het onnoodig wordt geacht, een onderzoek in te stellen naar de opruiers of de moordenaars. Indien echter de eene partij zich nog gegriefd acht of nog niet het volle aantal slachtoffers heeft gemaakt, dat de wet der wrake eischt, kan de strijd tot in het oneindige worden voortgezet, tot geheele families bijna uitgeroeid zijn. De wreker zal blijven uitzien naar een gelegenheid maanden en jaren lang; maar vergeten zal hij niet, en evenmin zal een ander den gejaagden blik, de schuwe uitdrukking in de oogen en het zenuwachtig hanteeren van de revolver vergeten, waardoor zich de man onderscheidt, die weet dat één of meer zulke wrekers op hem loeren.

Een civiel bestuurder in het Koeramdal bezocht eens een hoofd in het dorp Shlozan, iemand die, als alle hoofden, een hoogen toren bezat, waar hij voor zijn vijanden zich veilig kon voelen. Zijn gastheer nam hem mee naar den toren, na nauwkeurig te hebben onderzocht, of het venster van de bovenverdieping gesloten was. De ambtenaar, die meende, dat de man naar het landschap buiten wou kijken, ging heen om het venster te openen, maar werd haastig en dringend teruggeduwd door het hoofd, die hem vertelde, dat zijn neef dat raam maanden lang had bespied in de hoop op een gelegenheid, om hem daar dood te schieten. De ambtenaar deed geen verdere pogingen, maar eenige maanden later hoorde hij, dat zijn vriend, het dorpshoofd, de onvoorzichtigheid had gehad, naar het open venster te gaan, en dat hij er door zijn neef was doodgeschoten.

De vijandigheid tusschen neven is zoo groot in Afghanistan, dat er een spreekwijze is ontstaan, waarin wordt gezegd, dat iemand "een even erge vijand is als een neef". Dat is een gevolg van het feit, dat de oorzaken van zulke veeten juist dikwijls ontstaan tusschen menschen, die in familiebetrekking tot elkander staan. Want de aanleidingen van negentig percent van die twisten worden door de Afghanen gebracht onder drie rubrieken: zan, zar, en zamin, dat zijn de drie perzische woorden voor vrouwen, geld en land. Op al die punten zullen neven eerder met elkander in botsing komen dan vreemdelingen.

Wat de afkomst der Afghanen betreft, wordt er nog al eens gestreden over de vraag, of ze eigenlijk Joden zijn of niet. Er zijn twee groepen, de een neemt het als een vaststaand historisch feit aan, dat ze afstammen van de verloren tien stammen van Israël, en de andere verwerpt alle israëlietische afstamming, maar neemt wel aan, dat de Afghanen met het Mohammedanisme ook enkele joodsche eigenaardigheden hebben overgenomen. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de gelaatstrekken van de Afghanen iets sterk Joodsch hebben, en als wij zoo kijken naar de bezoekers van onze ziekenafdeeling, zien we vaak een of anderen ouden grijsaard van zuiver afghaansche afkomst, die iemand onwillekeurig zou doen uitroepen: "Die man zou uitstekend kunnen doorgaan voor een van de oude patriarchen van de Israëlieten, uit de bijbelsche geschiedenis tot ons gekomen!"

Alle mohammedaansche volken moeten naar de herkomst van hun godsdienst veel gebruiken en plichten hebben, die joodsch zijn, want Mohammed zelf nam die aan van de Joden om hem heen; maar er zijn er minstens twee, onder Afghanen algemeen en niet bij mohammedaansche volken in de buurt, die sterk herinneren aan een joodschen oorsprong. Het eerste hier bedoelde gebruik, dat heel algemeen is, is het offeren van een dier, meestal een schaap of een geit, in geval van ziekte, waarbij het bloed van het dier tegen de deurposten wordt gesprenkeld van den patiënt, zoodat de engel des doods wordt afgeschrikt.

Het andere gebruik, dat niet zoo algemeen is en schijnt te verdwijnen, is het beladen van een bok met de zonden van het volk en het uitdrijven van het dier in de woestijn. Bovendien hebben de Afghanen meer dan ieder ander volk een liefhebberij voor joodsche namen, namelijk bijbelsche, en David, Salomo, Abraham, Job, Jacob en veel andere patriarchen komen dagelijks voor op de lijsten van onze hospitaal-patiënten. Namen uit het Nieuwe Testament, zooals Mihtar Esa, dat is koning Jezus, en Simon komen ook wel voor.

Maar een sterk bewijs tegen de joodsche afkomst is het zoo goed als afwezig zijn van hebreeuwsche woorden in hun taalschat, wat echter ook voor een deel verklaard kan worden door de vermenging eerst met chaldeeuwsche en later met arabische elementen. De Waziri's hebben een overlevering omtrent hun afkomst, die, al mag de gelijkenis met den bijbel toevallig wezen, wel interessant is, nu men ze aantreft bij zulk een wild en barbaarsch volk.

Die overlevering is, dat een zekere voorvader twee zoons had, Issa en Missa, waarschijnlijk Jezus en Mozes, van wie de laatste een herder was, die eens, toen hij zijn kudden hoedde op de heuvels, een lam had verloren, dat afgedwaald was en niet kon worden teruggevonden. Missa liet zijn andere schapen in den steek en ging het verloren schaap zoeken. Drie dagen en nachten zwierf hij rond in de jungle, zonder het dier te kunnen vinden. Op den morgen van den vierden dag trof hij het aan in een afgelegen dal, en in plaats van er boos op te zijn, nam hij het in zijn armen, kuste het en bracht het veilig bij de kudde terug. Om die daad van liefde zegende God hem en liet hem stamvader worden van den stam der Waziri's. Ofschoon het ons waarschijnlijker in de ooren zou klinken, als de daad aan Issa was toegeschreven dan aan Missa, toch heeft deze overlevering mij vaak den tekst geleverd voor de uitlegging van het bijbelverhaal, als ik de menschen van dit primitieve volk toesprak.

Ofschoon de Afghanen vol ijver zijn in het belijden van hun godsdienst, zijn er toch velen onder hen, zoo onwetend op het punt van de leer, dat de meer beschaafde Mohammedanen er bezwaar tegen hebben, hun een plaats toe te kennen in de rijen der geloovigen. De Waziri's bij voorbeeld, die altijd bereid zouden zijn, deel te nemen aan een godsdienstoorlog, weten niet alleen heel weinig van de grondwaarheden van het Mohammedanisme, maar hebben eigenlijk van den godsdienst niets anders overgenomen dan de vereering voor heiligen en graven. De Afridi's zijn in dat opzicht al niet veel verder, en er wordt verteld, dat een afdeeling van dien stam, toen een andere stam hun verwijten deed, omdat ze geen graf van een heilige hadden, ertoe overging, een Seyed, die beroemd en hoog in aanzien was en die hun land bezocht, om het leven te brengen, hem te begraven en tot op den dag van heden er een eer in te stellen, op zijn graf te bidden.

De bergen aan de grens zijn vaak kaal en hebben geen velden en woningen te vertoonen, maar men kan niet ver gaan, of men komt bij een ziarat of heiligengraf, waar de vromen bidden en geloften afleggen. Zoo'n heiligdom ligt dikwijls op een ontoegankelijke plaats op een bergtop of op een klip. Rondom het graf zijn afgeknotte boomen, en aan de takken daarvan hangen een massa lappen en lapjes gekleurd katoen, want ieder pelgrim, die een gelofte aflegt en met een smeekbede komt, moet een lap bij, de andere voegen, als uiterlijk teeken van zijn gelofte. Wij geven de afbeelding van een beroemd heiligdom op het Soeleimangebergte. Ondanks de ontoegankelijkheid bezoeken jaarlijks honderden bedevaartgangers de plek, en zieken worden in hun bedden omhoog gedragen in de hoop, dat de zegen van den heilige hen moge genezen. Zulke patiënten worden soms met hun bed op kameelen gebonden of worden op de schouders van hun vrienden meer dan honderd mijlen ver naar de een of andere ziarat gedragen. In sommige gevallen kan het best zijn, dat de verandering van lucht en de verwisseling van de muffe ziekenkamer, die donker en ongeventileerd is, voor de open lucht, tegelijk met den prikkel van verandering van klimaat en omgeving, hun aandeel hebben in de genezing, die nu en dan ontwijfelbaar volgt.

Een andere eigenaardigheid van die heiligengraven is, dat hun heiligheid en onaantastbaarheid zoo algemeen worden erkend, dat voorwerpen van persoonlijk bezit er gerust door de eigenaars langen tijd onbewaakt kunnen worden achtergelaten in het volste vertrouwen, dat ze de voorwerpen bij hun terugkomst onbeschadigd terug zullen zien. Dit is te meer opmerkelijk, als men bedenkt, dat deze stammen dieven van professie zijn en volstrekt geen misdaad zien in rooverij. De inwoners van een bergdorp kunnen naar de vlakte trekken in de wintermaanden en hun bedden, potten en pannen en ander huisraad onder de boomen van een naburig heiligengraf achterlaten, en bijna zeker vinden ze alles bij hun terugkomst eenige maanden later precies in orde weer op dezelfde plaats. Een bepaald voordeel van die heilige plaatsen is nog, dat het een zonde is, hout te kappen van een van de hen omringende boomen. Zoo zijn vaak die graven de eenige groene plekjes tusschen de heuvels en bergen, waar het onverschillige vandalisme van de stammen alle boomen en struikgewas al lang heeft uitgeroeid.

Graven hebben altijd een bijzondere heiligheid in de oogen der Afghanen, grooter nog dan bij andere mohammedaansche volken, en veelal zult ge een Afghaan, die voorbij een kerkhof rijdt, zien afstijgen en, gaande naar het een of ander in het oog vallend graf, dat het stoffelijk overblijfsel van een heilig man moet bevatten, houdt hij zijn handen omhoog in de houding van den biddenden Mohammedaan en roept den zegen van den heilige in voor zijn reis, om dan over zijn baard te strijken, zooals de Mohammedanen gewoonlijk doen als besluit van hun gebeden. Er zijn weinig kerkhoven, die niet een of ander heilig man herbergen of een fakir. Heel dikwijls is zelfs de aanwezigheid van zulk een heilige eenvoudig de reden, waardoor op een afgelegen plaats een kerkhof is ontstaan, omdat allen in den omtrek hun graf willen hebben dichtbij het zijne, in het geloof, dat op den dag der opstanding zijn heiligheid hun zonden en tekortkomingen zal goedmaken en hun stellig en zeker tot de zaligheid zal doen ingaan.

De graven liggen altijd in noord-zuidelijke richting, en als men een gat heeft gegraven, meer of minder diep in overeenstemming met den aard van den grond, wordt er aan eenen kant een nis uitgehold, gewoonlijk aan de westzijde, en het lijk wordt gelegd in de nis, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Er worden dan steenen om den rand van de nis gelegd, zoodat als de aarde in de opening wordt geworpen, er niets op het lijk komt, dat enkel is gewikkeld in een laken, daar doodkisten nooit worden gebruikt.

Er worden allerlei wonderen verteld van de graven van heiligen, en wel het algemeenst is het geloof, dat ze in lengte kunnen toenemen, en dat die toeneming een bewijs is voor de aanneming van de gebeden van den gestorvene door den Almachtige. Naast het zendingshuis in Peshawer was zulk een graf, dat ieder jaar een voet langer werd. Toen het zeven-en-twintig voet lang was geworden, was het vooruitgedrongen tot aan den openbaren weg, en eerst nadat er een officiëele order was uitgevaardigd door de districtsautoriteiten, dat de verdere groei van den heiligen man moest ophouden, hield het graf met groeien op. Dat graf is in den omtrek nog bekend als het Negenellengraf en wordt door een groot aantal geloovigen ieder jaar bezocht in de hoop, dat het hun voordeel zal aanbrengen.

Het gebruik van toovermiddel en of amuletten is algemeen. De kinderen van de rijken kan men zien met colliers van amuletten, geborgen in kleine zilveren doosjes, om den hals, terwijl zelfs de armste arbeider een amulet heeft, gewikkeld in een stukje leêr en gedragen om den hals of om den arm gebonden. Die amuletten zijn meestal verzen uit den Koran, overgeschreven door den een of anderen beroemden mollah en door hem gezegend; andere zijn kabbalistische zinnen of woorden, terwijl weer andere gewone lapjes zijn of stukjes papier, die door een heilig man gezegend zijn.

Bij meer dan één gelegenheid heb ik mijn recepten tot amuletten verheven gezien, omdat de zieke meende, dat dit meer zou helpen, dan te gebruiken wat het hospitaal hem aan geneesmiddelen meegaf. Een patiënt verzekerde mij, dat hij nooit meer last van rheumatiek had gehad, waar hij vroeger zooveel aan had geleden, nadat hij een recept, waarin ik hem wat salicyl had voorgeschreven, om den arm had gebonden, ofschoon hij nooit het drankje had ingenomen. Bij een andere gelegenheid bevond ik, dat een man, die grijze poeders had gekregen met een aanwijzing, hoe hij ze moest innemen, ze in plaats daarvan met papier en al in een pakje had gebonden, dat hij in leêr had genaaid en om den hals had gehangen met, naar hij mij verzekerde, de gunstigste uitwerking.

Hieruit kan men vrijwel afleiden, dat mollahs en fakirs, die beweren, dat ze het vermogen bezitten, om amuletten te maken voor alle bekende kwalen en die dingen in het groot aan de menschen verkoopen, zich vaak heel wat sneller verrijken dan een dokter, die de zieken op de gewone wijze behandelt. Eens toen ik in het kamp was, ontmoette ik een goochelaar, die op die manier schatten verdiende. Hij had een groot deel van Zuidwest Azië bereisd, maar bleef nergens lang, daar zijn behandeling spoedig haar kracht zou verliezen, als hij de eerste dagen van het nieuwtje liet voorbijgaan. Een van zijn verrichtingen was, door een vuur te loopen, zoogenaamd door de tooverkracht van de mohammedaansche kalima. Er werd een gat gegraven in den grond en gevuld met houtskool en hout, dat werd aangestoken. Nadat het vuur wat was gaan luwen, werd de nog gloeiende asch met stokken gebluscht, maar terwijl ze nog een beetje gloeide, liep de fakir onder het zingen van de kalima er kalmweg overheen, waarna hij de stoutmoedigsten onder zijn geloovig publiek uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen, hun verzekerende, dat, als ze de geloofsformule met hetzelfde vuur als hij opzeiden, hun geen leed zou geschieden. Enkelen deden de proef zonder noemenswaardig nadeel; anderen kregen wonden aan de voeten. Die ongelukkigen werden uitgelachen door de anderen en beschuldigd, geen echte Mohammedanen te zijn, zoodat hun de immuniteit was onthouden, toen ze de formule opzeiden.

Elken morgen en elken namiddag maakte de fakir zich gereed, om de patiënten te ontvangen, die in massa toestroomden, toen ze van zijn roem hoorden. Elke zieke moest den assistent een sommetje betalen en werd dan naar den fakir gebracht, die op een mat bleef zitten. De fakir vroeg hem een paar dingen over den aard van zijn ziekte, schreef de amulet voor en ging over tot den volgenden patiënt. Drie- of vierhonderd menschen konden bij één zitting worden behandeld, wat als resultaat van een dag werkens voor den fakir een som van ongeveer veertig gulden meebracht. Nu gingen er natuurlijk dagen met reizen heen, en ze waren niet alle even voordeelig, maar zijn uitrusting en zijn manier van reizen bewezen wel, dat het geen onvoordeelig zaakje was.

Hij at bij ons in het kamp en toen het eten bijna was afgeloopen, kwam een assistent bij hem en zei, dat er veel menschen buiten stonden, die om amuletten vroegen. Met een verontschuldiging tot mij voor de storing, nam hij een stukje papier, scheurde het in vierkante stukjes en gaf die aan den assistent, om mee te werken. In sommige gevallen, vooral bij rheumatiek of verouderde kwalen of verstuikingen, deed hij aan massage en wrijven, waardoor stellig de uitwerking van de amulet krachtiger werd.

De medische en chirurgische behandeling van de fakirs is verschrikkelijk ruw. Soms komen wel kruidkundigen uit Indië in Afghanistan en beoefenen een soort van hippocratische geneeskunde; maar de inlandsche, geneesheeren weten heel weinig van de medische wetenschap. Hun twee gewone behandelingen zijn de dzan en de dam. Dzan is een behandeling, die gewoonlijk wordt toegepast in geval van koorts, zoowel acute als chronische, en bestaat daarin, dat men den patiënt uitkleedt en naakt op bed legt. Een schaap of een geit wordt dan geslacht en vlug gevild. De zieke wordt in de huid gewikkeld en dan met een aantal dekens nog bedekt. Als ze uitwerking heeft, werkt deze behandeling door het opwekken van een heftige transpiratie, en als de bedekking wordt weggenomen, wat geschiedt op den tweeden dag in den zomer en op den derden in den winter, treft men den patiënt vaak zonder koorts aan maar verzwakt en uitgeput door het vele zweeten. Als de eerste toepassing niet helpt, mag men de behandeling verscheiden keeren herhalen.

In gevallen van ernstige beschadiging of verwonding wordt dezelfde behandeling ook wel plaatselijk toegepast. Als men een dijbreuk heeft bij voorbeeld wordt een schapevel eromheen gebonden, dan wordt ruw gespalkt en alles blijft een week of langer zitten. Als er een open wond is en de zieke heeft vele dagen moeten reizen in de hitte, om in ons hospitaal in Bannoe te komen, kan men al vooruit weten, wat men te zien zal krijgen. De mannen, die het bed hebben gedragen, wikkelen namelijk lappen om neus en mond, eer ze den zieke loswikkelen, opdat hij onderzocht kan worden, en als alles openligt, zijn allen, behalve de dokter en zijn helper, op de vlucht gegaan, zoo gauw, als ze maar konden. Een chirurg kan haast onmogelijk voor een geval komen te staan, dat sterker in strijd is met zijn moderne begrippen van antiseptische behandeling, en er zijn heel wat antiseptica noodig, eer de wond een beetje gezond er begint uit te zien, zelfs als ontsteking en koudvuur geen amputatie noodig maken. In geval van kleine wonden wordt de huid van een vogel er wel om gebonden, en het vleesch van het gedoode dier is vaak deel van het loon van den dokter.

Het andere middel, dat dam heet, bestaat hierin, dat men een stukje katoen stevig oprolt tot een kompresje ter grootte van een shilling, dat in olie dompelt en op een door den inlandschen dokter aangewezen plek legt, om het daarna aan te steken. Het brandt dan in het vleesch en laat een wonde na, die eerst langzaam geneest. Het middel wordt voor alle mogelijke kwalen gebruikt, en men kiest dat gedeelte van het lichaam voor de bewerking, waar de kwaal zetelt of waar de diagnose van den dokter, die het middel toepast, haar veronderstelt. Zoo vindt men vaak bij menschen, die aan indigestie lijden, een rijtje litteekens aan weerszijden van den buik. Voor neuralgie past men het middel toe aan de slapen; voor hoofdpijn op den schedel; voor rheumatiek op den schouder; voor lendenpijn aan de lenden; voor verlamming op den rug; voor heupjicht op de dijen, en zoo verder tot in het oneindige. Ik heb niet minder dan vijftig litteekens gevonden, elk ter grootte van een shilling, bij een enkelen patiënt als sporen van de herhaalde toepassing van dit middel.

De Afghanen hebben een reusachtig vertrouwen in beide behandelingen, en ik heb wel in een dorp gezeten, waar ik luisterde naar een gesprek, waarin een jonge man, die pas terugkwam van een bezoek aan een zendingshospitaal, vertelde van de wonderlijke dingen, die hij daar had gezien, waarop de een of andere conservatieve grijsbaard antwoordde: "Wat hebben wij van doen met al die nieuwigheden? Wij hebben immers genoeg aan de dzan en de dam." Net als vroeger in het Westen, beoefent de dorpsbarbier ook hier nog de kleine geneeskunde en snijdt in zweren, of zet lavementen.