Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917

Part 7

Chapter 74,023 wordsPublic domain

Daarna was Calcutta aan de beurt, waar een reeks wedstrijden ons wachtten, en dan zouden volgen de matches met de scholen van de provincies Agra en Oudh en die van Pendsjab; maar een onvoorziene en onberekenbare omstandigheid bracht onzen tocht tot een prematuur einde, enkele uren vóór het tijdstip, waarop wij uit Calcutta zouden vertrekken. Het ongeluk was het gevolg van een dier golven van onrustigheid, die volgden op den heftigen storm, gewekt door de verdeeling van Bengalen. De Bengaleezen hadden een boycot afgekondigd voor alle europeesche goederen, en in de opgewondenheid van hun campagne hadden ze een massa jeugdige schildwachten gezet aan de deuren van die kooplui, die handel dreven in artikelen van westersch maaksel.

Het waren voornamelijk Marwarikooplieden uit het presidentschap Bombay, en zij dachten zich te bevrijden van dien lastigen troep jongens, door het gerucht te verspreiden, dat een aantal lieden uit Pendsjab en Afghanistan uit het Noorden waren gekomen, om kinderen en knapen te rooven, als ze die konden machtig worden. Het gerucht vond geloof bij de bijgeloovige volksmenigte in Calcutta en, zonder dat wij er iets van wisten, daar ons zelfs het bestaan der geruchten onbekend was, had men ons gezelschap aangewezen als waarschijnlijk tot de roovers behoorende.

Wij waren op den morgen van 23 Augustus 1906 teruggekeerd uit Krishnagar, waar we aan een reeks wedstrijden hadden deelgenomen, en zouden Calcutta dienzelfden namiddag verlaten, om den volgenden dag te Bhagalpur te spelen. Onze club had zich in twee groepen verdeeld, om te gaan ontbijten in een van de eetwinkels, die er zoovele zijn in den bazar te Calcutta, en ik was vooruitgegaan naar het Howrah-station, om kaartjes te nemen. Het was een warme dag, en op den terugweg bleef ik even rusten in een ververschingslokaal in Harrison Road dichtbij het kosthuis van de Zending, waar we logeerden, om een glas limonade te drinken.

Kalm zat ik vóór den winkel, toen ik opeens den heelen bazar vol drukte en beweging zag. De menigte liep af en aan, en de winkeliers deden gauw hun luiken vóór de ramen. Volkomen onbewust van het feit, dat mijn eigen jongens werden aangevallen, dronk ik rustig mijn glas uit en wandelde naar ons kosthuis, denkende, dat er geen reden was, om mij ongerust te maken over dingen in Calcutta, die mij niet aangingen.

Pas was ik binnen het hek gekomen, of ik zag één van onze clubgenooten, Rahime Bakhsh, met bloed, stroomend over zijn gezicht, en nog een anderen knaap, die gewond was. "Weet u niet," schreeuwde er iemand, "dat onze jongens zijn aangevallen met moorddadige oogmerken, en dat er misschien gedood zijn?"

"Waar zijn ze?" vroeg ik haastig.

"Ze zijn denkelijk nu in het hospitaal."

Er ging juist een cab voorbij, en ik sprong erin en reed naar het hospitaal. Ik snelde naar de zaal voor de pas binnen gebrachten en was doodelijk verschrikt, toen ik zes van de club er zag liggen met gescheurde en bebloede kleêren en geheel onder het slijk als bedolven. Hun hoofden waren zóó toegetakeld door de menigte, dat ik ze niet kon herkennen, voordat ik met ze had gesproken, en toen hoorde ik pas, wat er was gebeurd.

Een gezelschap van negen jongelui was een lokaal voor ververschingen binnengegaan en zoude er ontbijten. Daar bemerkten ze al spoedig, dat een volksmenigte van vele honderden zich buiten had verzameld. Nog niet begrijpend, dat zijzelf de oorzaak van den oploop waren, gingen ze, na hun maal te hebben genuttigd, naar buiten, om naar het zendingskosthuis te gaan, maar werden aan alle kanten door geschreeuw en geroep ontvangen. "Dat zijn de roovers! Sla ze dood! Sla ze dood!"

Nog begrepen zij de oorzaak der opwinding niet, en toen ze vroegen, wat het alles beteekende en wat men van hen wilde, kregen ze enkel snauwen ten antwoord en een regen van steenen. Eer ze tijd hadden, zich te weer te stellen, raakten ze van elkaar af onder de woedende volksmenigte, die hun met steenen en stokken te lijf ging, tot ze bewusteloos op straat lagen. Twee slechts wisten te ontkomen, Rahime Bakhsh, dien ik in het kosthuis had ontmoet, en een andere, die in een voorbijgaand rijtuig had kunnen komen.

Vijf van hen, die bewusteloos waren, werden door den volkshoop opgenomen en in een nauw straatje geworpen, waar het bloed uit hun wonden vloeide en een rooden stroom door de straatgoot dreef. Een ander, Ganpat Rai, werd bevrijd door een bevrienden Bengalees, een heer, die hem naar zijn huis bracht en zijn wonden verbond, om hem daarna onder geleide naar het hospitaal te laten brengen. Gurmukh Das, ook een van de jongens, was door ruwe kerels bemerkt, toen hij midden op straat lag; maar een Engelschman, die in zijn rijtuig passeerde, was verontwaardigd over wat hij zag, sprong uit den wagen en vroeg de kerels, wat dat beteekende, om een bewustelooze nog te slaan, en als hij een misdaad had begaan, waarom of ze hem dan niet naar het politiebureau brachten. Een uit de menigte riep: "Die Engelschman is hun aanvoerder; sla hem maar dood!" En den jongen in den steek latend, vielen ze den engelschen heer aan. Hij verdedigde zich; maar een van de schurken naderde hem van achteren en sloeg een mand over zijn hoofd. Zeker zou het slecht met hem zijn afgeloopen, als niet een paar goedgezinde inlanders hem snel in Ripon college binnen hadden getrokken, dat daar dichtbij was.

Wij hadden graag Calcutta willen verlaten, zoodra de toestand der gewonden het ons mogelijk maakte, te reizen, want het ongewone dieet en het andere klimaat hadden op ons aller gezondheid een slechten invloed; maar wij waren gevangenen volgens den wil der regeering, die van ons verlangde, dat wij in Calcutta bleven als getuigen bij de vervolging, door de regeering ingesteld. Dag op dag moesten wij wachten en den tijd zoekbrengen in den politiepost van den Bowstreetbazar.

De politie had een aantal menschen bijeengebracht, van wie gebleken was, dat ze aan het opstootje hadden deelgenomen, en de meesten van hen hadden advocaten in den arm genomen, om hen te verdedigen. Dus was het er vol van verdedigers, die het hun plicht rekenden, elk van de leden onzer club een verhoor te doen ondergaan, tot in 't oneindige gerekt, zonder dat er gelet werd op de vragen, die al van te voren door de ambtsbroeders waren gedaan.

De kruisverhooren, die wij ondergingen, zouden niet nauwkeuriger hebben kunnen zijn, als wij de aanvallers in plaats van de slachtoffers waren geweest, terwijl de flauwheid van de vragen en het noodeloos tijdverlies, dat telkens weer uitstel van onze reis bracht, een kwelling voor ons was bij onzen verzwakten toestand en ons vurig verlangen naar de woningen aan de grens.

De rechtsgeleerden en advocaten voor de verdediging beweerden intusschen, dat ze veel sympathie voor ons gevoelden in ons leed, en de een na den ander kwam naar ons toe en zei iets als: "Wij hier in Calcutta zijn zeer verdrietig om het gebeurde. Stellig hebben de dokwerkers schuld en moeten worden gestraft om zulk een ongemotiveerden aanval op onschuldige reizigers; maar er is ook iemand gevangen genomen door een vergissing van de politie. Hij had niets met het standje te maken en moet worden vrijgelaten, omdat hij volkomen onschuldig is". Daar er in iedere zaak zoo'n "bij vergissing gearresteerde" in bescherming wordt genomen, door de advocaten, maakten hun woorden weinig indruk.

Een lichtzij was de oprechte sympathie, aan den dag gelegd door enkele Bengaleezen, een medegevoel, dat onder woorden werd gebracht door den Honorable Surendra Noth Bannerji, die een openbare vergadering belegde, waarin hij het leedwezen betuigde, door de burgers van Calcutta gevoeld. Een adres van dien inhoud werd ons in een zilveren mandje overgebracht.

Eindelijk kreeg het hof medelijden met ons en stemde erin toe, ons verhoor te doen voorafgaan aan dat van de honderd en meer getuigen, door de verdediging aangebracht, en waar een paar maanden verblijf in Calcutta mee gemoeid zouden zijn geweest, als wij tot het eind hadden moeten blijven.

Toen we in Bannoe terug waren, kregen we een luisterrijke ontvangst, waardoor de leden van de club een beetje vergoeding kregen voor het leed, dat ze hadden doorstaan. De civiele bevelhebber van het district, afgevaardigden van de stedelijke regeering en een groot aantal burgers kwamen ons met muziek tegemoet enkele mijlen, voordat we Bannoe bereikten en onder groot gejuich had onze intocht plaats.

In alle mohammedaansche landen nemen vrouwen een zeer ondergeschikte plaats in, een bijna vernederende positie, en ze worden beschouwd als enkel bestaande terwille van de sterke sekse. In Afghanistan komt daar nog bij als nieuw bezwaar, dat de mannen bijna allen wreed en jaloersch zijn, en onder de lagere standen dwingen de omstandigheden de vrouwen tot voortdurend hard werken aan arbeid, dien de mannen beneden hun waardigheid achten en dien ze daarom niet deelen of ook maar eenigszins verlichten.

De vrouw moet het koren malen, het water aansleepen, het eten koken, de kinderen verzorgen, het huis schoonhouden, inderdaad alles doen behalve het winkelen, dat volstrekt niet door haar mag gebeuren. De man doet de boodschappen en koopt niet alleen de voedingsmiddelen voor het dagelijksch gebruik van het gezin, maar hij koopt ook de kleêren van zijn vrouw, of ten minste de stof ervoor, en de dame moet tevreden wezen met zijn keus en haar kleeding thuis vervaardigen van wat meneer de echtgenoot wel zoo goed is, haar te brengen.

Het waterhalen is vaak geen sinecure. Als de put in of bij het dorp is, kan het wel aardig zijn, daar het een uitstekende gelegenheid biedt, om de dorpspraatjes te hooren; maar op sommige plaatsen, zooals bij voorbeeld in Marwat in den zomer, is het naaste water zes of zeven of zelfs tien mijlen ver te halen, en de reis heen en terug moet minstens om den anderen dag worden gedaan. In Marwat pakken de vrouwen op haar ezeltjes de lederen fleschen van geitevel en gaan lang vóór het aanbreken van den dag heen, zoodat de nachtelijke reiziger soms lange rijen van die dieren ontmoet, die op den heen- of den terugweg zijn naar de wel, onder de hoede van een aantal meisjes of vrouwen. De ezels moeten zich dan tevreden stellen met wat ze kunnen drinken op de plaats van de bron.

Als de vrouwen thuis komen, is het vaak nauwelijks dag, en nu begint nog de drukke tijd, die voor haar tot den middag duurt. Vooreerst moet er graan worden gemalen in handmolens; dan moet de melk van den vorigen dag worden gekarnd, de koeien en geiten moeten worden gemolken, het eten moet gekookt, het huis opgeknapt, en honderd-en-één andere plichten moeten worden verricht, die alleen een vrouw zou kunnen beschrijven.

Op reis zijn de vrouwen altijd zwaar beladen. Men ziet ze vaak niet alleen de kinderen dragen en allerlei huisraad, maar ook nog de vrachtdieren drijven, terwijl de prinselijke echtgenooten niets dan hun geweer hebben, of hoogstens een van de kinderen voor hunne rekening nemen. Het gebeurt niet, omdat de mannen zoo hardvochtig zijn; maar omdat het eenmaal gewoonte is. Hun vaders en de voorvaderen deden hetzelfde, en de vrouwen zouden de eersten zijn, om een jonge vrouw hard te vallen, als zij klaagde of zich verzette.

Veel vrouwen, vooral die van den Povindah-stam, zijn prachtexemplaren van haar sekse. Die menschen leggen honderden mijlen af van Khorassan naar Indië en nemen hun hebben en houden mee, kinderen en have en goed. De vrouwen kunnen de kameelen even goed pakken en drijven als de mannen en dragen de lasten handiger. Het leven in de open lucht met altijd druk werk heeft ze gezond en gespierd gemaakt en sterk, en ze zien er knap uit, al duurt de schoonheid niet zoo lang, als 't geval zou wezen, wanneer het leven minder zwaar voor ze was.

Als er een kleintje is, begint het lijden het ergst te drukken. De karavaan kan zich niet ophouden, en zelden is er een os of kameel beschikbaar, waar de vrouw op kan rijden. Ze moet meestal reeds den volgenden dag mee marcheeren met baby in haar armen of hangend op haar rug, alsof er niets was gebeurd. Dan lijden ze veel en doen kwalen op, die haar bij ons in het hospitaal brengen, vaak voor het leven tot sukkelen gedoemd. Als er geen hospitaal is, moeten ze maar in stilte lijden of bezwijken.

De afghaansche adel handhaaft de strengste parda of afzondering voor de vrouwen, die eentonig haar dagen slijten achter de gordijnen en jaloezieën van de paleisachtige gevangenissen, met weinig anders te doen dan te praten over kleêren en juweelen en te lasteren. Afghaansche jongens van goede familie worden er zedelijk niet beter op door de opvoeding in de verweekelijkte, weelderige omgeving van die vrouwenverblijven of zenana's. De armere klassen kunnen zich de weelde niet veroorloven, hun vrouwen op te sluiten, en zij trachten de deugd bij de vrouwen en meisjes te handhaven door barbaarsche straffen, niet enkel voor wezenlijke onzedelijkheid, maar ook al voor elke inbreuk op het decorum.

Een hoofd van een der grensstammen, dien ik ken, vond op een dag bij zijn thuis komen onverwachts zijn vrouw in gesprek met een buurman bij den muur van zijn tuin. Zijn zwaard trekkend in een vlaag van jaloezie, sloeg hij haar het hoofd af en wierp het over den muur, roepend tot den man: "Daar! Je bent zoo verliefd op mijn vrouw, je kunt haar krijgen." De buurman ging beschaamd in een ander dorp wonen.

De gewone straf in zoo'n geval van te groote familiariteit is het afsnijden van den neus der vrouw en, zoo mogelijk, ook van den man. Dit hoofd ging in zijn woede verder dan zijn rechten toelieten. Als hij een eenvoudig burger was geweest, en als de vrouw invloedrijke betrekkingen had gehad zou hij er misschien voor hebben moeten boeten. In den regel heeft de vrouw geen kans op recht; zij is het eigendom van den man, en een man mag doen, wat hij wil, met wat van hem is. Dit is het algemeen gevoelen, en niemand zou op het denkbeeld komen of er lust in hebben, zich met iemands huiselijke aangelegenheden te bemoeien. Een man koopt zijn vrouw en onderhandelt erover met haar vader of als die dood is, met haar broeder, en de vader heeft verder weinig macht, die hij zou kunnen gebruiken, om haar te beschermen, aangezien hij haar prijs in den zak heeft gestoken.

Een uitzondering in dezen is het huwelijk door ruil. Veronderstel, dat er in ieder van twee families een ongetrouwde zoon is en een ongetrouwde dochter, dan wordt er vaak tot een onderling dubbel huwelijk besloten zonder eenige betaling. In die gevallen is de positie van de vrouwen een weinig, een klein weinig maar, beter dan bij een huwelijk door koop. Als een man en een vrouw onzedelijkheid plegen, mag de echtgenoot beiden dooden; maar als hij den man laat ontsnappen, mag hij hem later niet in koelen bloede vermoorden. Doet hij het toch, dan is dat reden voor een bloedveete, en de betrekkingen van den vermoorden man mogen wettig wraak nemen of hij moet het verschil betalen tusschen den prijs van eens mans leven en dien van de eer eener vrouw. In de praktijk wordt dikwijls een man vermoord, als naar het gebruik van den stam het genoeg zou zijn geweest, indien zijn neus werd afgesneden; maar het is vaak gemakkelijker voor den verontwaardigden echtgenoot in hinderlaag te gaan liggen en hem onverwacht dood te schieten, dan hem zoo volkomen te vermeesteren, dat de neus kan worden afgesneden.

Elk jaar krijgen wij in het hospitaal een aantal gevallen, meer vrouwen dan mannen, wier neus glad met een mes is afgesneden. Daar het al een heel oude, indische manier is van schending van het aangezicht, bedachten de menschen al eeuwen geleden een operatie, om het euvel te verhelpen, waarbij een stuk van het voorhoofdsvel naar onder wordt gebracht en op de wond wordt bevestigd, en nog gebruiken wij die operatie met enkele wijzigingen in de bij ons gebrachte gevallen. Twee jaar her bracht een niet zeer gunstig eruit ziend Afghaan zijn vrouw in het zendingshospitaal van Bannoe. In een vlaag van jaloezie had hij haar den neus afgesneden; maar toen hij op een kalmer oogenblik nadacht en overwoog, dat hij een goede som voor haar had betaald en alleen zijn eigen bezitting had geschonden, speet het hem en bracht haar bij ons, om haar weer op te knappen. Zij had een laag voorhoofd, dat voor de gewone operatie niet kon dienen, en dus zei ik tot den man, dat ik niet dacht, een volkomen succes te bereiken; maar dat, als hij den prijs wou betalen, ik wel een kunstneus uit Engeland kon laten komen, die, al werd de vrouw niet zoo mooi als te voren, de misvormdheid toch geheel zou doen verdwijnen.

"Hoeveel moet dat kosten?" vroeg de Afghaan.

"Ongeveer dertig roepijen".

Er was een oogenblik stilte, en hij werd blijkbaar geslingerd tusschen tegenstrijdige gevoelens.

"Wel, vriend, hoe denk je erover. Zal het gebeuren of niet?"

"Ik dacht erover na, Sahib," antwoordde hij, "dat u zegt, mij voor dertig roepijen te kunnen helpen, en ik kan een nieuwe vrouw krijgen voor tachtig roepijen."

En dit werd gezegd in de tegenwoordigheid van het arme slachtoffer, zonder dat uit iets bleek, dat hij meende, iets bijzonders te hebben gezegd! Het verheugt mij, te kunnen meedeelen, dat hij ten slotte besloot, de eerste vrouw op te knappen, dat hij het geld betaalde en ik hem het artikel uit Engeland bezorgde. Het was volkomen naar den zin, en den laatsten keer, dat ik van hen hoorde, leefden ze gelukkig samen. Misschien zal hij nog eens dreigen, dat hij haar neus zal opbergen, als ze hem mishaagt, nu hij weet, dat hij dien kan verwijderen, zoo vaak hij wil, zonder opnieuw dertig roebels te moeten betalen.

De twee grootste sociale euvelen, waar de afghaansche vrouwen onder lijden, zijn de koop van de vrouwen en de gemakkelijkheid van de scheiding. Ik zou er nog een derde bij kunnen noemen, namelijk de veelwijverij; maar al is dat een kwaad, het komt niet algemeen voor, en alleen rijke mannen kunnen zich de weelde van meer dan één vrouw veroorloven. De Mohammedanen zelf beginnen het verkeerde in te zien en leggen den Koran zóó uit, dat het eigenlijk niet mag, door te zeggen, dat er een voorwaarde bij wordt gemaakt. Een man zou namelijk slechts dan meer dan één vrouw mogen huwen, als hij jegens allen volkomen onpartijdig kan zijn, en daar dat niet mogelijk is, wordt monogamie de wet voor gewone stervelingen.

Het volgende, dat onder mijn oogen plaats had, toont aan, hoeveel kwaad voortvloeit uit scheiding en polygamie. Er waren drie broeders, die wij Abraham, Sandullah en Fath zullen noemen, allen gelukkig getrouwd, ieder met één vrouw. Abraham, de oudste broer, stierf. De tweede broer mocht nu de weduwe trouwen; maar ze hield niet van hem, terwijl ze zich sterk aangetrokken voelde tot den jongsten broeder, Fath. Ze haatte echter Faths vrouw en was vast besloten, niet als tweede vrouw onder haar te staan. Fath liet zich meesleepen door de bekoring van de weduwe en stemde erin toe, zich van zijn vrouw te laten scheiden op voorwaarde, dat de weduwe met hem zou huwen. Zij stemde toe en zwoer, dat ze nooit Sandullahs vrouw zou worden, en daarop liet Fath zijn huwelijk ontbinden. Maar Sandullah stond op zijn recht en dwong de weduwe tot een huwelijk met hem, waarin zij moest berusten. Ze wist echter ontmoetingen met Fath te hebben en toen, wat gaat de dwaze Sandullah doen? Hij trouwt de gescheiden vrouw van Fath. Nu was de weduwe woedend; zij had geweigerd, den man, van wien ze hield, te trouwen, tenzij hij van de vrouw scheidde, en nu is ze getrouwd met den man, dien ze niet begeerde, en heeft de gehate als mede-echtgenoote op den koop toe.

Er was een man van een heftig karakter in het dorp, die geboeid was door de bekoorlijkheden der weduwe. Zij had al zijn smeekingen weerstaan; maar nu zei ze hem, om haar zin te krijgen, dat, als hij zijn doel wilde bereiken, hij eerst haar tegenwoordigen echtgenoot moest dooden. Dat vond de minnaar geen bezwaar en met medewerking van de vrouw werd de man naar een afgelegen korenveld gelokt en daar geworgd door den minnaar, die echter gevat werd en tot dwangarbeid veroordeeld, terwijl de veelbegeerde nu den jongsten broeder, Fath, kon trouwen, dien ze liefhad.

Ondanks den staat van dienstbaarheid, waarin de vrouwen worden gehouden en ondanks haar onwetendheid en haar bijgeloof hebben ze in den huiselijken kring grooten invloed en ze vormen de karakters van het opkomend geslacht in veel sterkere mate, dan de mannen doen.

Dat trof mij op een dag sterk in de school. Er moest een onderwerp worden gekozen voor een debatavond, en verschillende onderwerpen waren voorgesteld en verworpen. Ik gaf aan de hand: "Wie heeft den meesten invloed op de vorming onzer karakters, onze vaders of onze moeders?"

"Hoe kunnen wij nu zulk een eenzijdig debat vaststellen?" was de vraag, die dadelijk door wel een dozijn leerlingen werd gesteld. "Wie zou er willen pleiten voor de vaders! Natuurlijk gaat de grootste invloed van onze moeders uit."

Wat is het dus belangrijk voor de toekomst van het volk, dat er iets gedaan wordt, om de moeders der natie te verheffen en te ontwikkelen en hooggestemd te doen zijn.

Een pelgrimstocht, met een mijner leerlingen ondernomen, als bedelmonniken of sadoe's, leverde heel wat belangwekkende incidenten en droeg er niet weinig toe bij, onze kennis van het volk uit te breiden. Daar wij zonder eenig geld reisden, waren we afhankelijk van wat men ons gaf, niet enkel voor de betaling van ons dagelijksch voedsel, maar ook voor zulke uitgaven als de vracht bij het overzetten der rivieren en den toegang tot de bruggen van de vijf groote stroomen in Pendsjab.

Onze eerste rivier was de Indus, en daar er over dat deel der rivier geen brug was, gingen wij er in veerbooten over. Wij hadden er geen moeite mee, want we waren hier bekend, en een van mijn leerlingen bediende zelf de boot en zette ons over. Maar het was niet zoo gemakkelijk bij de Jhelumrivier. Toen wij het westelijk uiteinde van de brug bereikten, hield de tolwachter ons aan om betaling. Ik zei hem, dat ik een christelijke sadoe was, die naar Hindostan reisde en dat wij hoegenaamd geen geld bij ons hadden. Hij geloofde ons of hij deed het niet; maar te oordeelen naar den blik, dien hij op de fietsen wierp, was hij waarschijnlijk ongeloovig. In elk geval, hij zei ons ronduit, dat geen penningen, geen passage, en geen uiteenzetting van de bijzondere voorrechten van een sadoe hem konden doen afwijken van het practisch geldelijk inzicht in de quaestie, dus konden wij niet anders doen, dan maar stil zitten wachten aan den weg en zien, wat er zou gebeuren.

Even daarna kwam een gezelschap Hindoes aanzetten op hun weg naar de morgenwasschingen in de rivier en keek ook verbaasd bij de vreemde samenvoeging van sadoe's en fietsen. Dit leidde tot een gesprek, in den loop waarvan wij hun de bedoeling van onzen tocht meedeelden en de reden van ons stilzitten. Ze beproefden toen met grooten ernst, ons af te brengen van het prediken van het Evangelie, om de leer der Veda's te verkondigen, en boden zelfs aan, de anna's te betalen voor den tol, als wij hun plan wilden volgen. Dit gaf mij de gelegenheid, de schoonheid van Jezus' leer aan te toon en en erop te wijzen, dat wie eenmaal voor haar gewonnen was, haar nooit weer verliet.

Zij kleedden hun minachting voor de leer van het kruis in hun medelijden voor onze prediking, die ons niets hielp, "want", zeiden ze, "er zijn hier geen Christenen, om u over te zetten, en het is niet waarschijnlijk, dat Hindoes of Mohammedanen u voor zulk een zending zullen willen helpen." Ik antwoordde, dat ik er vrede mee had, aan den weg te wachten, tot hulp kwam opdagen, en dat ik dacht, niet lang meer te moeten wachten. "Ga naar de stad terug; daar zijn christenzendelingen, die u zullen helpen; maar niemand zal dezen kant uit komen, al wacht ge den ganschen dag."