Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917
Part 3
De vrouwen beweren allen, dat ze meer of minder van de geneeskunde weten. Als na een strijd tusschen de stammen de gewonde krijgers in de dorpen terugkeeren, beginnen de vrouwen in huis dadelijk de verpleging. Als er een heftige bloeding komt, wordt vlug olie verhit en in de wond gegoten of, als bij voorbeeld een lichaamsdeel is afgehouwen, wordt de stomp in de olie gedompeld. Dat is zeker een kras middel, maar het werkt bloedstelpend. Is er maar een kleine bloeding, dan wordt een plantje, dat ze in de jungle inzamelen, tot asch verbrand, en die asch wordt op de wond gelegd. Bij een scherpe snede trekken de vrouwen haar eigen haren uit en naaien de wond dan met een gewone naald. Ik heb vaak vleeschwonden gezien, die op die manier heel handig waren genaaid. Met het spalken van gebroken beenderen zijn ze niet zoo vaardig. In de dorpen is er altijd wel een timmerman, die daarin volgens hemzelven uitmunt; maar in de meeste gevallen doet hij het verband er te stijf om of met te weinig kennis van de circulatie in het lichaamsdeel, zoodat er geen jaar voorbijgaat, waarin wij geen gevallen krijgen van zieke ledematen, waar koudvuur bij is gekomen door die behandeling, al waren het maar gewone breuken.
Bijna de eenige geneesmiddelen, die veel in Afghanistan worden gebruikt, zijn purgatieven, en dan van zeer krachtigen aard. Bijna ieder Afghaan meent, dat hij het noodig heeft, elk voorjaar te worden adergelaten of een flinke purgeering te ondergaan of beide tegelijk, en soms wil hij dat nog weer hebben in het najaar. Bijna geen ziekte mag langer dan een week duren, of er moet een purgeering worden toegepast. Soms wordt die behandeling zoo ruw gedaan, met zoo weinig égards voor den leeftijd of de krachten van den patiënt, dat er een inzinking volgt en de dood intreedt. In andere gevallen wordt een latente dysenterie opgewekt, waardoor een ziekte kan ontstaan, die maanden duurt en den zieke voor altijd verzwakt.
De seizoensaderlatingen worden in de bocht van den arm toegepast, en de oostersche dokters volgen nog de leer van Hippocrates omtrent de vochten en weten precies, welke ader in welk speciaal lichaamsdeel moet worden geopend in een bepaalde ziekte. Ik heb een jong dokter uit Engeland gekend, die op eens het vertrouwen, dat de menschen tot dien tijd in hem stelden, verloor, toen hij in een geval van ziekte een aderlating aanried. De verpleger, die den zieke hielp, vroeg, wat heel gewoon voor hem was, welke ader hij moest openen, en de engelsche geneesheer antwoordde: "Dat komt er niet op aan." Beide, de zieke en de verpleger, vonden, dat die dokter al heel onverschillig was of dat hij er niets van wist, zoodat ze in beide gevallen beter deden, van dokter te veranderen.
Van den staar lichten is een veel voorkomende kwaal in Afghanistan en sinds menschenheugenis zijn er hakims, of afghaansche praktizijns, die volgens de oude methode opereeren.
Deze mannen trekken gewoonlijk door het land van 't eene dorp naar het andere, omdat de meestal oude patiënten niet in staat zijn verre reizen te maken, of omdat misschien de familieleden niet veel over hebben voor de ouderen, daar zij toch geen werk meer kunnen doen.
Natuurlijk slaagt de operatie soms, maar meestal is volslagen blindheid 't gevolg ervan. Omdat de hakim allicht niet dan na jaren weer de zelfde plaats bezoekt, verliest zijne reputatie niet door de vele mislukking, wat wel zou gebeuren, indien hij bleef op dezelfde plaats.
De smid van het dorp zorgt gewoonlijk voor het trekken van kiezen, waarvoor hij in zijn smidse een lange, zware 2 1/2 voet lange chirurgische tang heeft hangen.
Wanneer nu de kroon der kies sterk is en zoo in den mond staat dat de smid haar gemakkelijk kan vastpakken met het instrument, dan lukt de operatie wel. Maar is dit niet het geval, is de kies bros en ligt zij lastig, dan gebeuren er de grootste ongelukken. Een gebroken kaak komt veel voor.
Eindelijk gaan zulke patiënten dan naar het zendelingen-ziekenhuis om behandeld te worden, soms verscheidenen per dag.
Eens waren de pokken een zeer algemeene ziekte in Afghanistan en men kan zelfs nu nog in dorpen vele pokdaligen aantreffen. Een van de eerste vragen, die een Afghaan doet, wanneer hij voor zijn zoon een bruid wil koopen is: "Heeft ze de pokken gehad?" Is dit niet het geval dan wordt met den koop gewacht, totdat zij ouder is, of wordt ook wel de koopsom verminderd, daar zij dan niet die waarde vertegenwoordigt van iemand die de pokken al heeft gehad, want het is dan steeds mogelijk dat zij nog de pokken zal krijgen. Het is vaak gebeurd dat vaders hunne dochters naar ons ziekenhuis brachten met litteekens van pokken; niet om de patiënt te helpen, maar om een hoogeren prijs voor haar te kunnen vragen.
De gewoonte van inenting was vroeger algemeen in Afghanistan. In de pols werd een sneedje gemaakt en men wreef dan een weinig pokstof in het wondje. Meestal kreeg de ingeënte de ziekte dan in geringe mate, maar soms werd deze zoo ernstig ziek, dat de dood intrad. Toch hebben de Afghanen wel gezien dat het inenten met koepokstof vele voordeelen heeft boven hun oude wijze van inenten.
Twee redenen zijn er echter, die de afghaansche bevolking tegenhouden om van de gelegenheid door de Engelsche regeering hen aangeboden, gebruik te maken. Ten eerste geschiedt dit vaccineeren door ambtenaren die niet voldoende gesalarieerd worden, wat tengevolge heeft dat zij omkoopbaar zijn, hetgeen de geheele bevolking tegenstaat. Ten tweede bestaat er een algemeen bijgeloof dat er in Afghanistan een meisje is waarnaar de Regeering zoekt. Zij zou dan hierdoor ontdekt worden, dat wanneer zij zou worden ingeënt, melk in plaats van bloed uit de wond zou vloeien, waarna zij naar Engeland zou worden vervoerd om geofferd te worden.
De ouders zijn daarom bang dat hun dochter dit lot zal treffen.
Maar nu genoeg over ziekten en kwalen. Laat mij u van andere dingen vertellen. Ik stond op een met dennen bedekten uitlooper van de Soefed Kohbergketen, die westwaarts op Kaboel uitloopt, tusschen den Khaiberpas in het Noorden en den Koerampas in het Zuiden. De met sneeuw bedekte toppen van Sika Ram, die tot een hoogte van vijftien duizend voet oprijzen, met fijne, witte wolkjes erboven, waren juist achter mij, terwijl vóór mij het groene dal van de Koeramrivier zich uitbreidde als een panorama, overgaande in een wijde vlakte, waar talrijke dorpen, verscholen in moerbeiboomen en walnoten, genesteld waren tusschen de lagere bergen, terwijl verderop de bergen ruwer en kaler werden en de rivier zich een weg moest banen door kloven en spleten, tot ze in de vlakte van Indië kwam.
Onmiddellijk tegenover mij had ik den Peiwarpas met de vele dennenbosschen, welke pas altijd bekend zal blijven als het tooneel van het groote gevecht, dat de emir Sjer Ali met zijn strijdkrachten leverde tegen de colonne van Sir Frederick Roberts. Daar waren de dennen op de hoogte, waar de afghaansche batterijen verborgen waren, en men kon zonder moeite het kronkelende pad volgen door de steenachtige bedding van de rivier, dat dan verder de hoogte inging naar de bosschen, waardoor de dappere regimenten aanstormden en eindelijk de afghaansche stelling vermeesterden.
Ten westen van den pas was een vruchtbaar dal met vele dorpen, die voor een deel al behoorden tot het gebied van den emir van Afghanistan. Een paar mijlen beneden het hoogste punt van den pas kon men het fort zien, waar de soldaten van den emir de grens bewaakten. Naar het Oosten zich richtend, zag men op een afstand van een dozijn mijlen de kantonnementen van Parasjinar, de meest westelijke kantonnementen van de britsche strijdmacht en de zetel van het bestuur in dit grensdal. Er was daar ook een fort, waar de plaatselijke koeramsche militie in garnizoen lag, Afghanen uit de dorpen in den omtrek, die onder de leiding en den invloed van drie of vier engelsche officieren een deel zijn geworden van die vooruitgeschoven krijgsmacht, die het rijk aan de grens verdedigt.
Ik had enkele weken doorgebracht onder de menschen uit het district, en de tijd was gekomen, dat ik, ofschoon met tegenzin, de schaduwrijke bosschen en de koele dreven van het Boven-Koeramdal moest verlaten voor de brandende vlakten van Bannoe, die ik nu van mijn hoog punt kon zien liggen in een waas van hitte, herinnerend aan punka's en slapelooze nachten, mijn voorland dat de plaats zou innemen van de versterkende lucht van den Roefed Koh.
Onze tenten en onze bagage waren gepakt op eenige muilezels, die we konden volgen langs den stoffigen weg beneden, terwijl wij talmden, om afscheid te nemen van de hartelijke Afghanen, die onze gastheeren en tegelijk onze patiënten waren geweest. Drie dagen zouden we des nachts ons kamp moeten opslaan, eer we de grens van Britsch Indië zouden overgaan en de grensstad Thal zouden betreden, die de eerste stad is, welke een reiziger uit Afghanistan aantreft. Vanaf den tijd, dat we de afghaansche grens overschreden, tot hier, gaat de reiziger door een gebied, dat bekend staat als een "administratief terrein". Er was daar een fort, bezet door troepen van het indische leger, onder bevel van een engelsch officier.
Nu bleven er nog vier-en-dertig mijlen in rechte lijn tusschen ons en onze bestemming Bannoe, en eer we die aflegden, waren er bijzondere onderhandelingen noodig geweest met de stammen, die er woonden, om een geleide voor ons te krijgen, want dit vooruitspringende gedeelte tusschen Thal en Bannoe was niet Britsch Indië, en ook geen administratief terrein, maar onafhankelijk en daar heerschte de roovende stam der Waziri's, die noch den emir, noch den onderkoning als meester erkende. Een paar schurkachtig eruitziende Waziri's kwam aan, om ons verder te geleiden. Hun geweren waren om hun schouders gehangen en welgevulde patroongordels omvingen hun lijven, terwijl ze hun paar afghaansche dolken in de plooien van hun vuile, roode pagari's, die ze om hun middel hadden gewonden, verborgen, en hun kromme afghaansche zwaarden in de hand hielden.
Wij hadden nu het vruchtbare dal van de Boven-Koeram verlaten, en gingen door een opeenvolging van rotsachtige bergpassen, over steile kammen en door de steenachtige bedding van de rivier. De lagere bergketenen, die Afghanistan van Indië scheiden, vormen door hun groepeering en hun steilte een reeks valleien en kloven en steilten, die juist geschikt zijn voor de wilde stammen, die er wonen, en die de wildheid van hun bergland op even hoogen prijs stellen als hun eigen onafhankelijkheid. Hier en daar is een stukje bebouwd land in een bocht van de Koeramrivier, waarop een met muren omgeven en van torens voorzien dorp neerziet, door geweld van wapenen in de handen gekomen van de tegenwoordige eigenaars, en alleen in die handen blijvend door nauwlettendste waakzaamheid. Zelfs de mannen, die achter den ploeg loopen bij hun ossen, hebben hun geweren over den schouder hangen en houden het oog geopend, om uit te zien naar den mogelijken vijand.
Op sommige plekken is uit de rivier een kanaal met groote moeite afgeleid naar een vlak stuk land tusschen de bergen, waar men dan een karigen oogst binnenhaalt. Voor de rest zijn de bergen kaal en vertoonen noch dierlijk, noch plantaardig leven. Een paar patrijzen, die met schellen kreet opvliegen uit een polletje droog gras, kan men nog te zien krijgen en enkele acaciastruiken, die brandhout leveren. De Waziri's namen dat mee, om het op de Vrijdagmarkt in Bannoe te verkoopen.
De Afghanen vertellen u, dat toen God de wereld had geschapen, er een massa steenen en rotsblokken en puin over was gebleven, die alle aan deze grens neergesmakt werden, wat het onaantrekkelijk aanzien van het land moet verklaren. Nog is er een bergketen, waar we overheen moeten, eer we de vlakten van Indië bereiken. Wij hebben een rotspad met moeite beklommen over kale steenen, die de zonnestralen fel weerkaatsen, zonder dat er struik of boom schaduw geeft, of zelfs het kleinste grassprietje den grond afkoelt, die onze voeten even fel brandt als de gloeiende schijf boven ons. Dan bereiken we den top, en het tooneel vóór ons verandert als door een tooverstaf. Vijfhonderd voet onder ons ligt de breede indische vlakte, hier besproeid door de levenwekkende wateren van de Koeram, die, als ze vrij zijn uit de rotsengten, waardoor ze de laatste dertig mijlen hebben afgelegd, nu over hun steenachtige bedding voortdansen en onder overhangende klippen door stroomen, om eindelijk zich in tallooze kanaaltjes te splitsen, en als zilveren linten als in een labyrinth door de vlakte te stroomen. Zoo ver, als de levenwekkende besproeiing door de Koeram duurt, breiden zich velden uit van graan en maïs en rijst in eindelooze opvolging, zoo ver het oog reikt.
Verspreid tusschen de velden liggen de dorpen, de rijke dorpen der Bannoeërs, verborgen tusschen moerbeiboomen en vijgen en wijngaarden, alsof een hoorn van overvloed hier al zijn gaven had uitgestort. Zoo is Indië, en zoo doet het zich voor aan de Pathans, die op de bergen van onze noord westgrens wonen, en als wij het land aldus aanschouwen, na eenigen tijd met hen samen te hebben geleefd tusschen hun kale en dorre bergen, kunnen we gemakkelijk hun redeneering begrijpen en billijken, dat twee denkbeelden oppermachtig in hun geest heerschen. Het eene is: "Die rijke vlakten zijn daar geplaatst, omdat God bedoelde, dat wij er ons zouden vestigen, ze zijn zoo dicht bij onze bergen, opdat, als bij ons gebrek is, we naar beneden zouden trekken en daar den oogst binnenhalen, en als we het moeilijk hebben en groote sommen moeten betalen aan de engelsche regeering, mogen we gerust eens de rijke Hindoes het geld ontnemen, dat ze door woeker hebben bijeengegaard en op andere manieren, die God veroordeelt." Het andere denkbeeld is: "Welke reden kan de engelsche regeering hebben, die over zulke rijke landen heerscht, om zich met ons in onze bergwereld te bemoeien, waar wij onze woningen hebben, die ofschoon we niets anders dan rotsen en steenen om ons heen zien, toch onze huizen zijn, waar wij de aanwezigheid en de bemoeizucht van geen enkelen vreemdeling verlangen?"
De lezer zal hebben opgemerkt, dat dus op de reis, die boven werd beschreven, van Peiwar naar beneden tot Bannoe, vier verschillende territoriën werden bereisd. Het eerste en het laatste, namelijk Afghanistan en Britsch Indië, zijn twee precies begrensde en gemakkelijk te bevatten aardrijkskundige gebieden; maar men ziet, dat daartusschen verschillende stammen hun woonplaatsen hebben, die in ongelijke betrekking staan tot het indische gouvernement. Ik moet een en ander opmerken, om den lezer vertrouwd te maken met de politieke omstandigheden van die streken.
De grens van Britsch Indië is nauwkeurig afgepaald, maar die van Afghanistan was meer of min onzeker tot het jaar 1893, toen Sir Mortimer Durand door de engelsche regeering werd afgevaardigd, om de vertegenwoordigers te ontmoeten van den emir Abdurrahman en samen de grens vast te stellen. Die grens is sedert dien tijd bekend als de "Durand-line". De streek tusschen die lijn en de britsche grens nu staat in onderling verschillende betrekkingen tot de indische regeering.
Enkele gedeelten ervan, als Tirak, het land van de Afridi's en Orakzai's, en Waziristan, het land van de Waziri's en Mahmoeds, worden met rust gelaten, als de stammen geen aandacht op zich vestigen door strooptochten op engelsch grondgebied, waar de wettelooze elementen zich nog wel eens aan schuldig maken. Die rooverijen worden zonder twijfel afgekeurd door de meerderheid van zoo'n stam, die het feit inziet, dat in welk conflict met de engelsche regeering ook, ze het altijd moeten verliezen; maar dit is de democratische geest van de menschen nu eenmaal, dat iedereen evenveel waard is als zijn buurman, en dat hij een beetje beter is als hij een meer modern geweer heeft. Als in de tusschenregeeringen van de Richteren in Israël, doet ieder wat hij goed acht in eigen oogen, en wordt verbitterd, als zijn buurman of zelfs iemand van zijn eigen stam zijn daden onder contrôle neemt of zijn vrijheid aan banden legt.
Zoo komt het, dat het werkelijk zeer moeilijk wordt voor de betere en oudere elementen in den stam, om de anderen van zulke strooptochten af te houden. De roovers zijn meestal menschen, die niets te verliezen hebben, die geen grond bezitten binnen de grenzen van Britsch Indië en die schuldig staan aan vroegere moorden of andere misdaden, zoodat het voor hen onmogelijk is, het land binnen te komen op andere manier dan tersluiks, daar ze stellig zouden worden gevangen genomen en misschien opgehangen, als ze gepakt werden.
Een groot aantal menschen in den stam hebben land aan beide grenzen van de grens en achten het in hun eigen belang, niet openlijk partij te kiezen tegen de regeering, terwijl ze toch ook, tenzij ze aan de desperado's een schuilplaats verleenen en hen bij gelegenheid verbergen, kans loopen, zelf tot slachtoffers te worden gemaakt. Zoo gebeurt het, dat er bij haast iedere grensexpeditie sommige afdeelingen van den stam zijn, die verlangen op goeden voet te staan met de Engelschen en bevriend heeten. Het is moeilijk voor een militairen bevelhebber, die de menschen niet vooraf heeft gekend, om dit op prijs te stellen, en als hij ziet, dat zijn kamp van achter een bedekking wordt beschoten uit een verondersteld bevriend dorp, gaat hij natuurlijk twijfelen aan de oprechtheid van de menschen. Maar waarschijnlijk hebben de lastige elementen het er juist op aangelegd, om van uit zulk een punt te schieten, opdat de bevriende luidjes erin worden gehaald en ze dus aan den strijd moeten deelnemen. Bij een zekere gelegenheid verkoos de tot wanhoop gebrachte generaal niet te gelooven, wat de politieke ambtenaar beweerde omtrent de vriendschappelijke gezindheid van de dorpen in de buurt, van waaruit herhaaldelijk werd geschoten, tot hij het kamp verliet en voor een tijdje ging wonen in een van de van vijandigheid beschuldigde dorpen! De goedgezinde clans zouden het ten hoogste op prijs stellen, als de administratie erin kon slagen, de wettelooze geesten te beteugelen.
Dan zijn er sommige half onafhankelijke staten, zooals Tsjitral en Dir, waar bestuurders zijn, die macht genoeg hebben, om hun eigen land in orde te houden en het voor de Engelschen mogelijk te maken, dat ze zooveel toezicht kunnen uitoefenen, als wenschelijk wordt geacht voor de uiterlijke betrekkingen, doordat een politiek agent aan het hof van het hoofd is verbonden, terwijl dat hoofd zelf vrij blijft, om de zaken van zijn stam of zijn dorp te regelen naar zijn believen en in overeenstemning met de gewoonten van zijn stam en den graad van zijn eigen gezag over de vaak in conflict zijnde eenheden in zijn bestuursgebied.
Ten derde zijn er dan, wat men noemt, de "geadministreerde gebieden", zooals het Boven-Koeramdal, waar we al over spraken. Daar wonen stammen, waarover geen enkel hoofd gezag heeft kunnen krijgen, waar dus, zooals zoo vaak het geval is onder de Afghanen, de stam ondermijnd wordt door partijschappen, die geen van allen gezind zijn, zich te stellen onder de macht van een persoon, die niet tot hun partij behoort. De regeeringsambtenaar is dus niet bij machte, te onderhandelen met één leider, maar moet alle leden van de strijdende partijen hooren. De democratische geest is zoo sterk, dat ieder kleine landeigenaar meent, dat hij het recht heeft, zijn inzicht in de publieke zaak naar voren te brengen even goed als de erfelijke nakomeling van een reeks van hoofden. Hierdoor wordt de politiek zeer ingewikkeld en de ambtenaar voor politieke zaken, die zich veel liever zou houden buiten alle bemoeiing met de inwendige aangelegenheden van den stam, komt tot het besluit, dat te midden van een massa in strijd zijnde eenheden, hij de eenige mogelijke raad van beroep is. Zoo komt men tot een tusschensoort regeering, de indische strafwet geldt er niet, maar de wetten en gewoonten van den stam geven de leiding aan bij de rechtsspraak, en men bemoeit zich zoo weinig mogelijk met het volk; maar toch is de ambtenaar voor politieke zaken de hoogste autoriteit en vereenigt in zich de uitvoerende en rechterlijke macht in het gebied.
Ondanks de omstandigheid, dat hun godsdienst zoo exclusief is, vinden deze menschen het toch onmogelijk, hun zaken te behartigen of rustig te leven zonder de hulp van den alomtegenwoordigen Hindoe. Precies zooals de Groot Mogels van ouds het geschikt vonden, Hindoes te hebben voor de posten van schatbewaarder, accountant, raadgever enz., zoo heeft het grenshoofd van dezen tijd zijn Hindoevazal steeds bij zich, om voor hem zijn rekeningen op te maken, zijn verzoekschriften te stellen en zijn zaken voor hem af te doen in rechterlijk opzicht. De meerderheid van de winkelhouders in den stam zijn ook Hindoes. Zelfs onder het geregelde bestuur van Britsch Indië is de Mohammedaan nooit zoo knap in het handelen geworden, vooral in den kleinhandel en het winkelbedrijf, als de snuggerder en vlugger begrijpende Hindoe.
Zoo vindt men in ieder dorp van eenige beteekenis de Hindoes met hun winkels, waarvan de eigenaar op reis gaat naar de groote marktsteden aan de grens, Peshawer, Bannoe en Dera Ismaël Khan, en terugkeert met stoffen, lucifers, spiegeltjes en een verscheidenheid van westersche artikelen, zoowel als met de voedingsmiddelen, waar de Afghaan van houdt, maar die hijzelf niet kweekt, zooals suiker en thee. Die Hindoes worden beschouwd als vazallen van de mohammedaansche gemeenschap, die ze dienen, en ieder Hindoekoopman heeft zijn particulieren vriend en beschermer of malik, die in ruil voor de diensten, die de Hindoe bewijst, voor zijn veiligheid instaat, bereid is, hem te beschermen, desnoods met geweld van wapenen, tegen andere mohammedaansche partijen, en iedere beleediging, hem aangedaan, te wreken, alsof die hem persoonlijk had getroffen.
De Hindoe levert de hersens en de Mohammedaan de dapperheid. De Hindoe is altijd klaar, zijn heerschzuchtige, maar vaak domme meesters, te foppen, en weet onder britsche regeering zich nog al eens te bevoordeelen door de bescherming, die de wet hem verleent, en die hem in staat stelt, dingen te doen die hij over de grens niet zou wagen. Eens toen ik aan de andere zij van de grens reisde, was mijn gids een balling, die verplicht was geweest, van engelsch grondgebied te vluchten, nadat hij een moord had bedreven. Hij vertelde mij, dat hij zich bij een Hindoe had aangesloten en een contract had aangegaan voor het aanleggen van een weg; de Hindoe zou voor het kapitaal zorgen en de rekening bijhouden, en hij zou koelies recruteeren en het toezicht op het werk houden. "Terwijl ik in de zomerzon zwoegde en zweette, zat de snaak van een Hindoe gemakkelijk op zijn kantoor, vervalschte de rekeningen, en ik kreeg nooit een cent voor mijn moeite. Ik dacht, dat ik recht kon krijgen bij den sarkar, en ik stelde een civiele actie tegen hem in; maar ik ben maar een eenvoudig man, en hij wist alles van de wet door een advocaat, met wien hij bevriend was, zoodat ik de zaak verloor. Toen betaalde ik aan een anderen pleiter een groote som, om mijn zaak voor den zittenden rechter te brengen; maar hij had geknoeid in de rekeningen en de getuigen betaald, zoodat ik daar ook verloor. Allah Akbar! De rechter sprak het vonnis uit vóór den middag en vóór den tijd van het avondgebed was de schurk er geweest. Maar toen was ik erbij, en ik kan nu slechts tersluiks eens bij nacht een bezoek brengen in mijn geboortedorp."