Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ONDER DE WILDE STAMMEN OP DE GRENZEN VAN AFGHANISTAN.
Naar het Engelsch van Dr. T. L. Pennell. [1]
De overleden generaal Roberts, de groote Lord Roberts of Kabul and Kandahar, heeft voor het verhaal van Dr. Pennell's ervaringen een inleiding geschreven, waarin gezegd wordt, hoe het werk mededeelingen doet over een arbeid van zestien jaren als dokter-zendeling van iemand, die aan het hoofd stond van een medisch zendingsstation te Bannoe in het uiterste Noordwesten van Britsch Indië. Ofschoon er veel is geschreven over de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan, is er plaats voor Dr. Pennell's verhaal, dat niet van de militaire expedities vertelt tegen de woelige grensstammen, maar van een vreedzamen arbeid, die genezen en redden bedoelde, waarbij de lang voortgezette en intieme omgang met de inboorlingen hem in staat stelt, interessante kijkjes te geven op het huiselijk en maatschappelijk leven en op het karakter van de nog zoo primitieve stammen.
"Gedurende mijn lange loopbaan in Indië," zegt Lord Roberts, "ben ik vaak in de gelegenheid geweest, de medische zending na te gaan in haar werkzaamheid, en ik kan getuigen dat ze uitstekend en nuttig werk doet en een factor is, die in de richting van humanizeering arbeidt, en dat haar daarom steun en aanmoediging toekomen."
Niemand kan Dr. Pennell's ervaringen volgen, zonder te voelen, dat deze man, die dokter is en het lichaam kan genezen, ook een priester is, die voor den zieken geest veel kan zijn en die de geestelijke nooden peilt, zoowel als de lichamelijke. De auteur zegt zelf, dat de geneesheer overal werk vindt en de handen vol heeft, zoodra hij op zijn station is aangekomen. Het valt hem niet moeilijk, achterdocht en wantrouwen en vooroordeel te overwinnen, en alle oppositie kan hij door vriendelijke en rustige behandeling op zij schuiven, terwijl natuurlijk zijn leven zijn Christendom evenveel eer moet aandoen als zijn woorden. Er is overal wel een deur, die voor liefde en sympathie opengaat en voor practische diensten, en niemand heeft meer gelegenheid, den sleutel voor die deur te vinden dan de dokter.
Op zulk een grens, waar wilde volksstammen wonen, is het leven van den dokter-zendeling dikwijls in gevaar, zooals het lezen van Dr. Pennell's geschiedenis zal aantoonen; maar bij het ernstig en ijverig vervullen van zijn taak is hij het te boven gekomen.
En hiermee geven wij het woord aan den schrijver.
Na zestien jaren van innige aanraking met de Afghanen en Pathans aan onze Noordwestgrens van Indië, kreeg ik het verzoek, een en ander uit mijn ervaringen te boek te stellen. Ik heb aan dat verzoek voldaan en heb niets vermeld dan wat ik zelf heb ondervonden of wat mij door een vertrouwd vriend is medegedeeld. Wij zijn thans bezig met het bouwen van een nieuw hospitaal in Thal, vlak aan de grens, waar de zending veel invloed kan hebben op de grensstammen. We zullen dat hospitaal den naam geven van Lord Roberts Hospitaal, omdat gedurende den veldtocht van 1879 tot 1880 die plaats het hoofdkwartier was van zijn regiment. De opbrengst van den verkoop van dit boek komt ten goede aan het werk van de zending te Thal.
Het Oosten is een land van tegenstellingen, en het afghaansche volkskarakter is een zonderlinge mengeling van eigenschappen. Moed gaat bij hen samen met slinkschheid, het laagste verraad met de grootste trouw, diepe godsdienstige dweepzucht met een gierigheid, die het geloof te schande maakt, en hartelijke gastvrijheid met een neiging tot diefstal, die onweerstaanbaar schijnt.
Er zijn twee woorden, die voortdurend door een Afghaan in den mond worden genomen, namelijk de woorden _izzat_ en _sjarm_, die het idee van eer vertolken, opgevat in positieven en negatieven zin, dus zooveel als eer en schande; maar waar die eer in bestaat, kan ook de beste Afghaan u niet vertellen. Soms zal hij meenen, dat hij zijn eer heeft verdedigd door een moord, samengaande met het snoodste verraad; op een anderen tijd wordt die eer op de laagste wijze aangerand, als bij de een of andere plechtigheid hem een plaats wordt aangewezen, in rang niet gelijk aan die van het hoofd, wiens evenknie hij wil zijn.
De vendetta of bloedwraak is diep in het leven van de Afghanen doorgedrongen, en nooit kan het volk op gezonde manier vooruitgaan, als niet de publieke opinie in dat opzicht zich herziet. Op dit oogenblik zijn enkele van de beste families in Afghanistan op het punt van uit te sterven door dit ellendige stelsel. Zelfs de vrouwen zijn er niet vrij van. In 1905 deed zich in Bannoe het geval voor van een man, die op laaghartige manier vermoord was om een betwist stuk land. Men wist algemeen wel wie de moordenaar was; maar daar hij en zijn betrekkingen veel invloed hadden en voor niets zouden terugdeinzen, en de vermoorde geen naaste bloedverwanten had dan één zuster, had niemand er lust in, zijn huid te wagen door te getuigen, zoodat de rechter, toen de zaak vóór kwam, niet tot de veroordeeling kon overgaan.
De zuster beklaagde zich en vroeg, of ze dan geen recht kon krijgen. "Breng mij getuigen," was al, wat de rechter kon antwoorden. "Heel goed, dan moet ik mijn eigen weg zoeken," en het meisje ging heen, om te blijven werken met het eenig doel voor oogen, het bloed van haar broeder te wreken, dat haar opriep van uit het graf.
Kort na die rechtzaak gaf ik in de schoolkamer van de zendingsschool les aan een klasse jongens. Het was Vrijdagmorgen, wanneer duizenden van de bergbewoners naar beneden komen voor den wekelijkschen marktdag, en de bazars vol zijn van een luidruchtige menigte, wier geschreeuw tot het schoollokaal doordringt. Plotseling werd een schot gehoord en toen een verward gegil. Ik vloog naar buiten en vond tusschen de menigte een Waziri, die dood op den grond lag. Een kogel had hem het hart doorboord. Het was de moordenaar, die aan het wrekende gerecht ontsnapt was, maar niet aan de hand van den wreker, want de zuster had een revolver verborgen gehouden en was haar vijand genaderd in het gewoel van de menschen, om hem van dichtbij te treffen.
Zij werd op de plaats gearresteerd en ze werd tot levenslangen dwangarbeid veroordeeld. Ik ontmoette haar enkele weken later, toen ze met andere veroordeelden naar haar bestemming werd gebracht, de Andamanen. Haar voornaamste gevoelens waren onderworpenheid en zelfvoldoening. "Ik heb mijn broeder gewroken, en verder is wat er gebeurt, Gods wil; ik ben voldaan." Met die woorden beantwoordde ze mijn deelneming.
Dat bij die gezindheid de veiligheid in deze grensstreken veel te wenschen overlaat, behoeft niet te verwonderen. Enkele jaren geleden, hadden een troep buiten de wet staanden een dorp versterkt even over de grens en hadden er verzet gepleegd tegen de overheid. Ze gingen voort, in den omtrek te plunderen, waar menige rijke Hindoe bestolen werd, terwijl ze zelfs zoover waren gegaan, de geweren uit een politiepost te stelen. De hoofdman van de bende was Sailgai, wiens vader Mian Khan was, een Waziri van de clan der Sparkai's. Toen hij nog een knaap was, had Sailgai zich al een knap schutter getoond en spoedig werd hij als zoodanig beroemd. Maar die handigheid bracht hem in aanraking met de desperado's, die er in de clan waren, en het duurde niet lang, of hij was de aanvoerder van een bende, die er haar werk van maakte, des nachts in te breken bij rijke Hindoes en in winkels. Toen die bezigheid hem begon tegen te staan, werd hij rooverhoofdman op den grooten weg en lag met zijn gezellen op de loer op verschillende plaatsen van den weg Kohat--Bannoe, om bij dag en bij nacht reizigers te overvallen en uit te plunderen.
De volgende stap werd het berooven van geheele dorpen onder intimideering van de bewoners, en Sailgai werd een moordenaar van professie, die van twee- tot vierhonderd roepijen aannam, als hij iemand om het leven bracht, die het den betaler lastig maakte. Toch was hij tot nu toe uit de handen van de justitie gebleven, want als iemand iets tegen hem getuigde, wist hij al gauw te ontdekken wie de man was en bracht dien dan een nachtelijk bezoek, dat òf op een hoog losgeld uitliep òf op den dood van het slachtoffer. Acht jaren geleden ontving hij tweehonderd roebels voor het vermoorden van een Bizoen-Khelwaziri, naar wiens huis hij trok met vijftien handlangers. De Waziri was echter gewaarschuwd en verdedigde zich moedig, en Sailgai moest zevenmaal schieten, eer hij hem gedood had, in welken tijd de broeder van den vermoorde politie had gehaald en Sailgai nazette. Maar toen de politie zag, dat ze hier met een goed georganiseerde bende te doen had, van wapens voorzien, ging ze aan den haal met uitzondering van één man, die op de moordenaars het vuur opende op tweehonderd pas afstands. Hij werd getroffen en buiten gevecht gesteld, zoodat Sailgai en de zijnen veilig wegkwamen. De regeering gaf een belooning aan den enkelen dappere en stelde een prijs op het hoofd van Sailgai, zoodat hij niet op engelsch grondgebied kon komen dan ter sluiks. Hij trok zich toen terug op zijn familiefort te Goematti, dat hij nog meer versterkte en tot basis maakte van zijn strooptochten op gouvernementsgebied.
Die werden intusschen zoo talrijk en hadden zooveel succes, dat de indische regeering wel genoodzaakt was, een colonne tegen de boosdoeners uit te zenden onder kolonel Tonnochy, die het bevel voerde over het 53ste Sikh-regiment te Bannoe, met opdracht, het fort eens en voor altijd met den grond gelijk te maken. Voordat het vuur werd geopend, ging Mr. Donald, een hoofdambtenaar, alleen naar de loopgraven van het fort, om met Sailgai en zijn mede verdedigers te onderhandelen. De lange lijst van misdaden kennend, die hem ten laste kon worden gelegd, antwoordde Sailgai, dat hij vastbesloten was, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen in de vesting, waar hij geboren en grootgebracht was. Tot hun eer moet worden gezegd, dat ze met vuren wachtten, tot de heer Donald bij de zijnen terug was gekeerd. Kolonel Tonnochy bracht de kanonnen tot zestig yards van het fort; maar onder het richten werd hij doodelijk getroffen door een schot van de tegenpartij. Toen de versterking eindelijk genomen was door een bestorming, waren al de gezellen van Sailgai dood en hijzelf was op vier plaatsen gewond. Zoo wist hij zich nog voort te sleepen tot een plek, van waar hij schieten kon op den britschen officier kapitein White, die den aanval leidde, en schoot hem dood, waarna, bijna op hetzelfde oogenblik, de ordannans van den overste aan Sailgai het genadeschot toebracht.
In sommige opzichten heeft de Afghaan zulk een buitensporige ijdelheid in verband met zijn bijzondere opvatting van sjarm, dat hij woedend wordt om een vermeende beleediging en zich soms ten hoogste belachelijk maakt, zoodat hij er zich niet uit kan redden, dan door nog meer van zijn eer te offeren.
Zoo iets had plaats in December 1898. De athletische spelen van de zendingsschool waren aan den gang op de plaats der school, en de staatkundige leiders van de Tochi's en Wano's waren in de buurt vergaderd in een jirgah of bijeenkomst van de vertegenwoordigers der Mahsoeds en Darwesj Khels, afdeelingen van de Waziri's. Plotseling werd er geroepen: "De Waziri's hebben ons aangevallen!" en een oogenblik heerschte er de grootste verwarring. Waziri's zag men de school en de bijgebouwen inloopen, en een groot aantal van de toeschouwers, die naar het spel waren komen kijken, namen overhaast de vlucht. Maar het bleek al spoedig, dat wel verre van ons eenig kwaad te willen doen, de Waziri's er niets mee te maken hadden, maar dat de Mahsoeds vluchtten voor de Darwesj Khels, die hen achtervolgden en hen achterna zetten in de zendingsgebouwen, waar ze een toevlucht hadden gezocht.
De vergadering had een vreedzaam verloop gehad, totdat een Darwesj Khel in zijn gesticulaties te dicht bij den zetel van den politieken ambtenaar kwam. Een Mahsoed, die het oneerbiedig vond, duwde hem weg met onnoodige heftigheid, zoodat de man viel. De Darwesj Khels in zijn buurt vielen den Mahsoed aan, zeiden, dat hij het uit kwaadwilligheid had gedaan en begonnen hem te slaan. In het volgend oogenblik was de heele vergadering slaags geraakt; maar de Mahsoeds, die verre in de minderheid waren, zochten zich door de vlucht te redden, en daar onze gebouwen het naastbij waren, waren ze onceremonieus bij ons binnengevallen, met hun vervolgers achter zich aan. Er kwam gelukkig niets ernstigs uit voort, en beide partijen konden al gauw lachen om hun heethoofdigheid.
Een in het oog vallende karaktertrek van de Afghanen is hun grootspraak; bluffen doen ze graag, en daardoor lijken ze wel eens geduchter, dan ze zijn, voor diegenen, die niet met hun karakter bekend zijn. Hun ruwheid en tyrannie tegenover wie in hun macht is, zijn afstootend; maar tegelijkertijd hebben ze grooten eerbied voor de verpersoonlijking van macht of bruut geweld en worden trouwe en toegewijde aanhangers van wie ze meenen, dat hun meerderen zijn.
Mij is dikwijls gevraagd, of ik geen revolver bij mij droeg, als ik op reis was onder die wilde stammen. Als een zendeling gewapend was, zou dat niet enkel zijn succes in den weg staan, maar het zou een aanhoudend en ernstig gevaar opleveren. Het zou onmogelijk voor hem wezen, steeds op zijn hoede te zijn; er komen tijden, dat hij door vermoeienis of om andere redenen weerloos is in de handen van de menschen, onder wie hij verkeert. Bovendien is er niets, wat een Afghaan zoo vurig wenscht te bezitten als een vuurwapen en dat hij eerder, ook met levensgevaar, zou stelen, en al zou hij den zendeling anders volstrekt geen kwaad willen doen, de mogelijkheid, een goede revolver of een geweer te krijgen, zou een te groote verzoeking zijn, zelfs als hij er bloed voor moest storten. Mijn plan was, mij geheel in hun handen te stellen en hun te toonen, dat ik hen vertrouwde en in hun gevoel van eer geloofde, alsook in hun traditioneel optreden tegenover hun gasten.
Tegelijkertijd streefde ik ernaar, om hen te laten merken, dat hun grootspraak, waarin ze soms ook tegen mij vervielen, niets bij mij uitwerkte, en dat ik onverschillig was voor hun waarschuwingen en bedreigingen, die vaak van hun kant een list waren, om te zien of ze mij ook konden bedriegen. Eens toen ik in een dorp over de grens was en een paar uren rust nam op het heetst van den dag, kwamen er een paar jonge kerels binnen, die pas aan een strooptocht hadden deelgenomen en nog in opgewonden staat waren. Enkelen van hen waren van meening, dat er nu een goede gelegenheid was aangebroken, om den Dokter-Sahib eens beet te nemen, en al spoedig hield een jonge man zijn geladen revolver op mijn borst en zei: "Nu gaan we u doodschieten." Ik antwoordde: "Dat zou heel dwaas van u zijn, want jullie hebt meer dienst van mij dan je denkt, en je zou stellig je met mijn middelen vergiftigen, als ik je niet zei, hoe je ze moet gebruiken."
De oudste van het gezelschap berispte hem toen en bood een soort van verontschuldiging aan voor de ruwheid van de anderen met de woorden: "Het zijn nog maar jongens en ze zijn opgewonden. Let u maar niet op wat ze zeggen. Ik zal wel zorgen, dat u geen kwaad geschiedt." Bij een andere gelegenheid kwam ik in een dorp over de grens in den laten avond. Er waren veel schavuiten in het dorp; maar het hoofd, onder wiens bescherming ik mij stelde, nam de voorzorg, mijn bed te zetten in een kring van zijn ondergeschikten, zes man, die geheel gewapend waren en die om beurten de wacht zouden houden. Ik had een dag van zwaar werken gehad en was weldra vast in slaap, en dit was mijn behoud, want mij werd den volgenden morgen verteld, dat een paar dwepers mij des nachts hadden willen dooden; maar de anderen zeiden: "Zie, hij heeft zich zonder voorbehoud aan onze bescherming toevertrouwd, en omdat hij vertrouwen heeft, slaapt hij zoo rustig; daarom moet hem in dit dorp niets overkomen."
Niet lang geleden was er een bekend roover aan de grens, Rangin genaamd, die er een gewoonte van had gemaakt, rijke Hindoes te overvallen en hun dan voor een hoog losgeld de vrijheid te schenken. Ik was gewend, ons buitenstation te Kharrak eens in de maand te bezoeken en ging meestal alleen en bij avond. Er werd mij bericht, dat Rangin, dit wetend, mij wilde wegvoeren, om een hoog losgeld te eischen. Den volgenden keer, dat ik Kharrak bezocht, ging ik met opzet aan den weg liggen slapen op een eenzame plek, dat de menschen zouden zien, dat ik niet bang was voor Rangins bedreigingen. Onnoodig te zeggen, dat er niets gebeurde; maar de menschen daar in de buurt verspreidden het gerucht, dat, daar er een engel was, die den Dokter-Sahib beschermde, het nutteloos zou wezen en dwaas, om hem leed te willen doen.
Ofschoon de eer, die een Afghaan meent verschuldigd te zijn aan zijn gast, mij dikwijls goed te pas is gekomen, was een enkele maal de inachtneming van de vormen lastig voor mij. Een rijk hoofd kan met niet minder tevreden zijn dan het slachten van een schaap, als hij een gast van beteekenis ontvangt; een armer man kan volstaan met het slachten van een vogel en de bereiding van het nationale gerecht, de pulao. Eens kwam ik in een dorp nog al laat in den avond met een paar van mijn makkers. Het hoofd zelf was afwezig; maar zijn zoon ontving mij met allen eerbied en liet een vogel slachten en kookte een lekkere pulao, waarna wij allen, vermoeid van het dagwerk, spoedig vast in slaap waren. Later was het hoofd aangekomen en had door zijn zoon van onze komst gehoord. "Heb je voor hem de dumba geslacht?" vroeg hij dadelijk, en toen hij van den zoon hoorde, dat hij slechts een kip had bereid, gaf hij daarover zijn ontevredenheid te kennen met de woorden: "Dit zal een blijvende schande voor mij zijn, als het bekend wordt dat, toen de dokter uit Bannoe, de Dokter-Sahib, in mijn dorp kwam, ik enkel voor hem een kip liet slachten. Ga dadelijk naar de kudde en neem een dumba en slacht het schaap; bereid het maal, en als alles klaar is, roep mij dan."
Zoo geschiedde het, dat omstreeks één uur in den morgen wij werden gewekt, en dat ons werd gezegd, dat het hoofd gekomen was om ons te onthalen, en dat het maal gereed was. Het zou niet enkel noodeloos zijn geweest, te protesteeren en te zeggen, dat wij meer behoefte hadden aan slaap dan aan een maaltijd, maar dat zou een beleediging zijn geweest voor zijn gastvrijheid. Dus stonden we vlug op en hielden ons zoo goed mogelijk, en na een begroeting met de gewone vormen aan weerszijde, maakten we ons gereed, om eer te doen aan een luisterrijk maal van gebraden schapevleesch en pulao, voor ons klaar gemaakt.
Bij een reis over de grens had ik op den terugweg naar Bannoe een geleide van twee dreigend eruit ziende Afghanen, die tot elke misdaad in staat leken. Ze zorgden echter voor ons naar behooren en brachten ons veilig te Bannoe. Bij aankomst daar bood ik hun eenig geld als belooning voor hun geleide; maar ze weigerden het verontwaardigd, zeggende, dat geld aan te nemen van iemand, die hun gast was geweest, in strijd zou zijn met de traditie. Dus liet ik hen de rest van den nacht doorbrengen in het huis van een van mijn helpers-inboorlingen, met een briefje, om hun een goed maal voor te zetten en ze vroeg in den morgen naar huis te zenden. Hij gaf hun het maal, maar toen hij den volgenden morgen opstond, zag hij, dat ze al waren verdwenen met al zijn goede kleêren.
Onder de Afghanen is diefstal min of meer een verdienste, al naar gelang van de behendigheid en den moed, die ervoor noodig zijn geweest, en van het succes bij het ontgaan van vervolging. Twee jaar geleden bracht een Afghaan zijn dochtertje bij ons voor een oog-operatie. De operatie was goed gelukt, en de dag kwam, dat het meisje kon worden ontslagen. De oogen van den Afghaan waren intusschen gevallen op mijn paard; hij bedacht, hoe bruikbaar de merrie voor hem zou zijn op zijn tochten, en den avond na zijn vertrek bemerkten wij, dat hij met een vriend was gekomen en het paard had gestolen. Ongelukkig voor het succes van de onderneming had hij een vijand, die, toen er een belooning werd uitgeloofd voor de ontdekking van den dief, dacht, dat hij zich wel kon verrijken en tegelijk een oude grief uitwisschen. De schuldige was nu al met zijn buit veilig over de afghaansche grens gekomen in Khost, en geen uitleveringswetten gelden daar. Andere leden van den stam woonden in Britsch Indië en zouden met hun gezinnen naar de bergen trekken bij het toenemen van de zomerhitte. De deputy-commissioner riep de hoofden van den stam bij elkander en deelde hun mede, dat als ze niet zorgden voor de teruggave van de merrie, hij tegen zijn zin genoodzaakt zou zijn, bevelen te geven, dat ze niet met hun gezinnen in de bergen mochten trekken. Eerst protesteerden ze, dat ze niets te zeggen hadden over den dief, dien ze zelf uit den stam hadden gezet, omdat bij een schurk was; maar toen ze merkten, dat de ambtenaar hen te goed kende, gingen ze ertoe over, iemand naar Khost te zenden, die met het paard terugkwam. De man, die door zijn tusschenkomst het dier mij terug gaf, heeft zich van dien tijd af steeds voorgedaan als mijn weldoener, en verwachtte allerlei gunsten als loon. De diefstal werd algemeen afgekeurd door den stam, maar vooral omdat de omstandigheden de mislukking hadden teweeggebracht.
Bekende dieven en misdadigers hebben vaak van het zendingshospitaal gebruik gemaakt, als ze leden aan koorts of een andere kwaal, die hen tijdelijk hinderde, maar natuurlijk kwamen ze onder andere namen en trachtten ze hun identiteit te verbergen. Het is toch maar te hopen, dat ze gebruik maken van de toespraken en den goeden raad, die hun dagelijks worden voorgehouden, terwijl ze onder behandeling zijn. Soms, zooals in het geval dat ik ga vertellen, wordt hun identiteit bekend. Eenige jaren geleden lag in "bed 26", het Zuidzeebed, zooals het genoemd werd, Zaman, een bekende dief, die aan chronische dysenterie leed en meer dan twee maanden werd behandeld. Hij sukkelde en het ging op en neer, maar blijkbaar was hij te ver heen, toen hij werd opgenomen. Hij luisterde aandachtig naar het voorlezen uit den Bijbel en gaf soms voor, dat hij er in geloofde, maar gaf geen blijk van berouw over zijn vroeger leven. Maar toen men hem had voorgehouden, dat er geen kans op herstel was, liet hij een politieman halen, om dien de namen op te geven van zijn vroegere vrienden, hopende niet enkel, dat ze gevangen zouden worden genomen en gestraft, omdat ze hem hadden weggezonden, toen hij te ziek en te zwak was om hun slechte praktijken mee te bedrijven, maar ook om een belooning te krijgen voor de verstrekte inlichtingen. Hij ging langzamerhand achteruit en stierf onder de belijdenis van een geloof in Christus; maar alleen Hij, die het hart kent, weet wat dat beteekende. Ik denk niet, dat hij verklikker zou zijn geworden, als niet de medeplichtigen hem in zijn nood in den steek hadden gelaten.