Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
Part 9
--Neen, zei deze, het is volkomen waar. Deze jongen komen uit den zak, klimmen op den rug der moeder en loopen daarop rond, totdat zij groot geworden zich overal heen verspreiden om een zelfstandig leven te beginnen.
--'t Moet een fraai gezicht zijn, zeide de kapitein, eene moeder wandelende met 6 à 700 kindertjes op haar rug. Zoo'n tarantula-moeder heeft een enormen rug, luitenant.
Dries lachte, dat hij schaterde.
--En om nu op de gevreesde gevolgen van haar beet te komen, zoo ik het u heden niet reeds heb bewezen, kan daartoe het volgende dienen. Sinds de vroegste tijden is dat geloof aan de noodlottige gevolgen van den beet der tarantula overal verspreid en duurt voort tot in onze eeuw. Men noemt als die gevolgen: aanhoudend zingen of lachen, weenen en jammeren, het lijden aan slaapzucht of slapeloosheid; bij anderen braking, eene razende begeerte om te dansen, uitwasemen, last van huiveringen en hartkloppingen; weder anderen kunnen sommige kleuren niet verdragen enz. Om den gebetene te genezen, speelde men hem twee melodieën voor. De patiënt begint, door de muziek opgewekt, te dansen alsof zijn leven er van afhangt. Hij raakt bezweet en vermoeid, en valt ten laatste uitgeput neder. Hij wordt nu te bed gebracht en men laat hem slapen. Als hij ontwaakt, is hij beter, doch weet niet wat er met hem is voorgevallen. Bij dat alles verhaalde men nog meer dwaasheden, o. a. dat de kwaal na zeker tijdsverloop terugkeerde, dat zij 20, 30 of soms wel meer jaren duurde, dat de beet van de eene tarantula erger gevolgen had dan die van de andere, en dat deze in de hondsdagen het gevaarlijkste was, maar daarentegen onschadelijk, als men het dier naar Rome of noordelijker streken overbracht.
--Doch het onderzoek van verstandige lieden deed weldra zien, hoe weinig er van dat alles waar was. Von Borsch, een Poolsch edelman, wist door een geschenk een Napolitaan over te halen zich in zijne tegenwoordigheid door eene tarantula in den vinger te laten bijten. De man deed het en had er geen ander letsel van dan eene ontsteking in de hand; de vingers zwollen op en hij had een hevigen jeuk in de gewonde deelen, doch zij waren spoedig genezen. Twee andere natuuronderzoekers, Léon Dufour en Joseph Erker, namen proeven door zichzelven te laten bijten en bewezen hiermede genoegzaam het overdrevene van dat sprookje.
--Ge ziet al weder, merkte de kapitein op, dat de leugen gemakkelijker door de wereld komt dan de waarheid. Voor het overige dank ik u wel voor uwe mededeeling, doch we zijn nog niet aan het einde. Ge hebt ons daar straks gesproken van een insect, dat gij den tijger onder de insecten noemdet. Komaan, mijn waarde, biecht op!
--O, gij bedoelt de _cicindela campestris_ of veld-zandkever, dien als smaragdgroen glinsterenden kever met fraaie roode stippen versierd welke in de zon schitteren als vuur. Ja, dit is een merkwaardig insect. Ik noemde het den tijger onder de insecten om zijne wreedheid. Hij is een zeer roofzuchtig dier tegen hetwelk geen enkel insect bestand is. Hij snort overal rond, valt alles aan, en moordt met wellust. En zijne larve[2] (rups) is even merkwaardig als hij. Deze heeft eene zeer vreemde gedaante, een platten kop en rugschild. Zij is even als de kever zeer vraatzuchtig, doch oefent de jacht op eene andere manier uit. In den zandigen bodem waarin zij leeft, graaft zij een verticalen gang, ter dikte ongeveer van een potlood. Die gang is 6 tot 18 duim lang. Het uitgegraven zand brengt zij met den platten kop en het rugschild naar boven. Is deze gang klaar, dan gaat zij er in zitten en verbergt er zich in. Alleen de platte kop komt gelijk met de opening van den gang en sluit dien als een deksel, en daar zij dezelfde kleur als het zand van den bodem heeft, is zij niet gemakkelijk te onderscheiden. Zoo blijft zij stil zitten, wacht op eenig insect en zoodra zij iets voelt op den kop, trekt zij zich plotseling terug. Het insect aldus den bodem onder zich voelende verdwijnen, stort in den kuil, waar het door de larve gegrepen, uitgezogen en geheel fijn gekauwd wordt. Het overblijvende draagt zij op den kop naar boven en werpt het buiten haar hol.
[2] De kevers zijn evenals de vlinders aan gedaanteverwisseling onderworpen.
--Dat is dus een levende val en de kop is het valluik, zeide de kapitein.
--Juist, antwoordde de luitenant. In dat hol verpopt de larve ook; zij spint te dien einde de opening eenvoudig toe. De pop is te herkennen aan 12 uitsteeksels, die op doorntjes gelijken. Uit dezen pop komt onze kever te voorschijn. Ziedaar! ik hoop, dat uwe nieuwsgierigheid nu voldaan zal zijn, want ik heb slaap.
--Laat zien, zei de kapitein, er moet bepaald nog wat komen, want mijne sigaar is nog niet uitgerookt.
--Dat is zoo, zeide Dries, waar blijft de dikbuik, luitenant?
--De dikbuik? zeide deze vragend.
--Wel ja, de waterzuchtige, zeide Dries.
--_Dikbuikius waterzuchta_, voegde de kapitein er tot opheldering bij.
--O, riep de luitenant, ge bedoelt _meloe majalis_. Dat is eene soort van Spaansche vlieg.
--Wat blief, zeide de kapitein vragend, een soort van Spaansche vlieg en het is een kever?
--Zeker, zeide de luitenant, de zoogenaamde Spaansche vlieg is ook een kevertje en allerminst eene vlieg. Hij behoort tot de blaartrekkende kevers, en de Spaansche vlieg, die wij in onze apotheken koopen, is een van die soort. Die gij mij heden hebt bezorgd, is zeer mooi. De metaalgroene en zwarte kleur steekt fraai af bij de purpere randen van het borststuk. Op de bovenzijde van ieder gedeelte van het achterlijf heeft zij eene koperkleurige glanzende vlek. De buik is lichtgroen en de voorzoom van elke geleding is koperrood. Een fraai insect, dat we ook in Holland aantreffen.
--Dat insect legt een grooten klomp oranjekleurige eieren, uit welke kleine witte larven komen, die op planten kruipen, en zich in eene bloem verbergen. Hier wacht zij tot eene bij de bloem bezoekt, dan hecht zich het kleine wormpje aan de bij en wordt door deze medegevoerd naar het nest. Zoodra de bij nu haar ei legt, laat de larve zich daarop neer en eet het op. Daarna vervelt zij en wordt eene larve zonder pooten, gebruikt als voedsel de honig uit de cel, verandert nog een paar malen van huid en gedaante tot zij eindelijk overgaat in een pop en daaruit als volkomen insect de wereld intreedt.
--Verduiveld, luitenant! zeide de kapitein, gij hebt ons zooveel verhaald, dat mij belang inboezemt, dat ik geloof zin in de insectenkunde te krijgen, en tot dank beloof ik u, dat als we eenmaal thuis teruggekeerd zullen zijn, en ik dus weder te Algiers ben, ik u eene prachtige verzameling insecten zal zenden.
--Dat neem ik aan, zeide de luitenant, maar als gij de beesten levend zendt, vergeet dan niet ze voedsel te geven. De reis is lang.
--En nu, rust wel, zeide Frank, en hij strekte zich behagelijk uit, om het overige gedeelte van den nacht eens rustig te slapen, welk goed voorbeeld ook door den kapitein en Dries werd gevolgd.
X.
DE STERREN EN HET ZANDMANNETJE.
Men herinnert zich, dat kapitein Daumas bij zijne kennismaking met zijne reisgenooten, pogende hen van de voorgenomen reis naar Fez te doen afzien, o.a. ook had gezegd: »Uw weg loopt bovendien door het land der Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste roovers- en moordenaarsgespuis van geheel Marokko, ware duivels, die niemand door hun land laten trekken."
En thans den tweeden dag na het hiervoren verhaalde, in den middag, overschreed men de grenzen van dat beruchte land der Beni-Hassen. Geen wonder dan ook, dat men alle maatregelen van voorzorg nam. Men had de wapens nagezien en ze in orde bevonden. Men had in de laatste dagen met voordacht korte marschen gemaakt om de lastdieren niet te veel te vermoeien, want het kon gebeuren, dat men vroeg of laat hunne kracht en vlugheid op eene zware proef zou moeten stellen. De liefhebberijen van den luitenant en den kapitein bleven rusten tot men dit beruchte land zou doorgetrokken zijn en Selam verdubbelde zijne waakzaamheid.
Na tot aan den avond met de grootste behoedzaamheid te zijn voortgetrokken, sloeg men de tenten op den top van een heuvel op, te midden eener groote opene vlakte. Slecht enkele alleen staande boomen vertoonden zich hier en daar. Nauwelijks zat men rustig bij elkaar te praten, of eensklaps verschenen twee Arabieren in het kamp. Vanwaar zij gekomen waren, wist niemand; men had hen niet van te voren bemerkt. Mogelijk was dit gekomen door de drukte bij de aankomst. De kerels, die een hoogst ongunstig voorkomen hadden, boden kippen en eieren, welke laatste zij in groote ronde, van stroo gevlochten doozen hadden, te koop aan. Met graagte werd het aanbod aangenomen en de Arabieren vertrokken na ruim betaald te zijn.
--Vanwaar kwamen die schavuiten? zei Selam; ik vertrouw ze niet. Waren wij dit vervloekte land maar doorgetrokken. Hij oogde de kerels wantrouwend na en zag ze achter een kleinen heuvel verdwijnen.
--'t Is zoo als 't is, prevelde hij, maar ik zal op mijne hoede zijn.
't Was nacht. Alles lag in diepe rust verzonken. Zooals gewoonlijk stonden de last- en rijdieren in een halven cirkel vóór de tenten. De hemel prijkte met schitterende sterrenpracht en de diepe stilte van den nacht lag over alles uitgespreid. Slechts nu en dan werd die stilte verbroken door den schrillen kreet van een dier, dat door een ander werd opgejaagd, of door den gesmoorden doodskreet van een vogel, die door eene slang of een roofvogel werd verworgd. Ginder glinsterden de lichtende insecten in het duister, als wilden zij wedijveren met de sterren. Hier hoorde men een eigenaardig knetterend geluid van den krekel. Kortom, de nacht was heerlijk.
Dat vond Selam ook, die rustig vóór de groote tent zat. Hij keek naar de lichtende sterren en naar het donkere landschap, dat zich om den heuvel heen uitstrekte. Hij luisterde naar elk gerucht. Naast hem lag de sabel, dwars over zijne knieën het lange geweer.
Zoo zat Selam tot één uur na middernacht, en stond toen op om Mohammed te wekken. Maar Mohammed sliep dien nacht vast, zóó vast dat hij de hand niet voelde, die hem aanraakte om hem te wekken. Selam glimlachte en beschouwde den slaper eenige oogenblikken. Hij, de vriend zijner kindsheid, had hem uit den nood, misschien wel van den dood gered. Hij had niet alleen hém gered, maar ook zijne lieve jonge vrouw. En om harentwege vooral was Selam verheugd over de wending, die zijn lot had genomen. Hij twijfelde niet, of de luitenant en de kapitein zouden hem, wanneer men gelukkig te Tanger terugkeerde, aanbevelen aan de consulaten, en Selam was overtuigd zijnen plicht tot nu toe gedaan te hebben en dien in het vervolg te zullen doen; geen twijfel dus, of hij zou voorgoed uit den nood zijn. Aanbevolen aan de consuls zou men hem voortaan als bode, gids of koerier tusschen Tanger en Fez gebruiken. En dat alles had hij aan zijnen vriend Mohammed te danken. Selam voelde zijne dankbaarheid opnieuw en sterker dan ooit in zich opkomen. Hij poogde niet meer den man, aan wien hij zooveel verschuldigd was, te wekken.--Slaap, zeide hij, slaap zacht en droom van het paradijs, Selam zal waken! en hij verliet met onhoorbare schreden de tent.
[Illustratie: En Selam strekte de armen uit. Bladz. 91.]
En Selam zette zich neder om te waken. Helaas! de goede jongen had te veel van zijne krachten gevergd. De stilte, de rust, die rondom heerschte, gevoegd bij de warmte, maakte hem slaperig. Zijn hoofd werd zwaar, nog keek hij goed rond, maar allengs overmeesterde hem de slaap, zijne oogleden vielen toe, en hij had de kracht niet meer ze te openen.
Selam sliep gerust en droomde. Hij zat alleen, heel alleen op den heuvel en keek op naar de sterren. Daar zag hij opeens een dier sterren zich bewegen, voortgaan en naar beneden komen. De ster daalde en daalde en kwam recht op hem aan. Selam staarde met ontzetting op het glansrijke lichaam, dat hem hoe langer hoe dichter naderde. Hij vouwde de handen over de borst en wachtte kalm af wat er zou geschieden. En de ster naderde steeds. Maar zie, hoe meer zij nabij kwam, hoe meer zij veranderde. 't Was geen ster meer! 't Werd een meisje, eene vrouw!--O, hoe schoon, zei Selam, 't is een der onsterfelijken uit het paradijs, en hij zag vol bewondering op naar de schoone maagd, die hem naderde en hem verblindde door haren glans. Maar zie, wat is dat? Eene andere ster, en weder eene, en immer meer begonnen zich los te maken van het firmament; zij veranderden allen zachtjes aan en naderden den slapenden, droomenden gids. Selam was verblind en zijne lippen openden zich slechts om te stamelen: »Allah is groot!"
Toen naderde hem de maagdenrei met de eerste aan het hoofd en bleef voor hem staan, neen zweven was het, zoo zacht raakten zij de aarde aan met den voet.
--Wees gegroet, o Selam! sprak de voorste, de houris van den Profeet groeten u.
--Allah is groot! zeide Selam, en de houris van Mahomed, den eenigen en grootsten Profeet van God, zijn schoon als de sterren.
--Waarom verwaardigen zij zich af te dalen tot Selam, den armen nederigen dienstknecht? vroeg hij.
--De dochteren der sterren komen tot Selam om over hem te waken. Selam is een goed dienaar van den Profeet; de Profeet zendt zijne houris tot hem om hem te beloonen.
Selam glimlachte en wierp vlammende blikken op de schoone, die aldus sprak.
--Kom tot ons en geniet de rust van den nacht! hernam zij.
--Selam kan niet rusten. Hij heeft zijnen plicht te vervullen, hij moet waken, antwoordde Selam.
--Zal Selam waken, als de Profeet zijne houris zendt om hem den slaap te geven in hunne armen? vroeg de schoone.
Selam trilde en wierp verliefde blikken op de houris.
--Kom mede, vervolgde zij, kom met ons; wij vieren feest in de zalen van het groote paleis en gij zult de koning van het feest zijn!
Selam sloeg de oogen neer om de vreugde en het verlangen te verbergen, die uit zijne blikken spraken.
Opeens echter, nu zijn blik op den grond viel, zag hij het zand bewegen; het golfde als werd het door den wind bewogen, en plotseling werd hij omringd door een paar dozijn kleine mannetjes, die uit het zand te voorschijn gekomen waren en er geheel uitzagen, alsof zij gevormd waren uit dat bruinachtig gele zand, op den langen zwarten baard na, die hen tot het midden van het lichaam reikte.
Selam keek onthutst rond, en waarlijk hij was van alle kanten door die kereltjes omringd. Zij waren gekleed in de Moorsche kleederdracht, alles van dezelfde zandkleur uitgenomen den witten tulband.
--Selam, sprak de aanvoerder op indrukwekkenden ernstigen toon. Selam! ik kom u redden. Luister niet naar deze luchtgeesten, welke voorgeven uitverkorenen uit het paradijs van Mahomed te zijn; zij komen om u te verstrikken. Slaap niet!
Maar de houris lonkten Selam toe, en deze gaf het zandmannetje een onbeschoft antwoord.
--Wie is het, die u geroepen heeft om mijn raadsman te zijn, antwoordde Selam. Ben ik niet een getrouw Muzelman, een goed dienaar van den Profeet. Ha, ha! ik begrijp het, gij zijt jaloersch, wijl de schoone maagden mij de voorkeur geven.
--Selam, zeide het zandmannetje, wat zal er van uwen meester worden als gij gaat slapen in de armen dier afgezanten van den booze, van die vermomde trawanten van den boozen geest? Wat zal er van het kamp terechtkomen, wie zal waken voor de rust en tegen diefstal en misschien moord?
Selam aarzelde.
Maar weder strekten de houris hare armen uit en zeiden:--Kom tot ons, wij bieden u de genoegens van het paradijs aan. Kom rust bij ons, slaap in onze armen! Wij zullen uw schoon hoofd op onzen boezem doen rusten en uwe oogen kussen tot zij dichtvallen!
--Wie zal waken, vroeg Selam, wie zal waken?
--Wij, riepen de schoonen, als uit één mond.
Nog aarzelde Selam, maar het scheen, dat de booze geesten de overwinning zouden behalen.
--Hoor, zeide het zandmannetje, luister! Hoort gij niet den schuifelenden tred van den roover, die om de legerplaats sluipt om de paarden te stelen. Ongelukkige, gij gaat uwen meester overleveren!
--Ik hoor niets dan het gesnor der insecten, zeide Selam.
--Kom, wat toeft gij nog! riep de aanvoerster der maagden, wij zullen waken! en zij naderde Selam.
En Selam strekte de armen uit, de schoone omstrengelde hem en voerde hem weg. En het zandmannetje boog treurig het hoofd, en riep op somberen toon uit: Allah behoede hem! weder een brave verleid! Komt gezellen, onze taak is afgedaan! en opeens waren zij verdwenen.
En Selam sliep en droomde voort. En hij hoorde den sluipenden tred van den roover niet, die om de legerplaats sloop; hij zag den naakten Arabier niet, die, als eene slang over den grond kruipend, zich zachtjes en behoedzaam voortbewoog.
Op den dag hadden de kerels, toen zij in het kamp waren gekomen om kippen en eieren te koop aan te bieden, de legerplaats opgenomen en thans waren zij daar, tuk op roof.
De een sloop rond om te waken voor eene onverhoedsche overrompeling, de ander kroop nader. Hij was bijna geheel naakt en had om het hoofd, bij wijze van tulband, een grof koord gewonden. Niet wetende dat Selam sliep, ging hij uiterst voorzichtig te werk. Om een paar honderd pas vooruit te komen was de kerel een vol uur bezig geweest. Voet voor voet kwam hij nader, kroop tusschen de paarden en sneed snel doch voorzichtig met het mes, dat hij tusschen de tanden had vastgehouden, het koord door van een der kameelen. Na dit verricht te hebben, wond hij, met de oogen steeds op den slapenden Selam gevestigd, het koord van zijn hoofd af en bond het aan den eenen voorpoot van den kameel. Thans kroop hij voorzichtig achteruit, zoo lang het koord was. Een zachte ruk aan het touw deed den kameel gehoorzamen aan die stille aanmaning om een stap achteruit te doen. Een tweede ruk volgde en de half slapende kameel deed weder een pas; zoo ging de dief voort, heel bedaard alle gerucht vermijdende. Eindelijk had hij den kameel zoover buiten het kamp dat hij veilig was, toen zat hij in een wip op den rug van den kameel en wenkte zijn makker tot zich. Deze steeg bij hem op en nu ging het eerst behoedzaam en zachtjes aan, doch zoodra men op tamelijken afstand van de legerplaats gekomen was in snellen draf voort naar het veilige dorp.
En nog steeds sliep Selam en droomde. Hij lag, in de armen der schoone houris weggevoerd, op een zacht welriekend leger en strekte met welbehagen zijne leden uit op de zachte rustplaats. Doch de rust was hem niet genoeg; hij verlangde meer. Maar zie, die daar even nog zoo verleidelijke wezens, welke hem tot zich riepen met allerlei beloften, lachten hem in het gezicht uit en noemden hem een armen dwaas die de sterren tot zich riep, en door een tooverslag waren de maagden met de met sterren gekroonde hoofden en de lange witte kleederen verdwenen en veranderd in sterren, die hare oude plaats weder hadden ingenomen, en Selam zat op den heuvel in plaats van in een welriekend bed te liggen en keek op naar het firmament.
Daar stond op eens weder het zandmannetje voor hem.
--Selam! riep hij met eene verschrikkelijke stem, Selam, gij ontrouwe knecht! Zie, wat ge hebt gedaan. Gij hebt mijn raad versmaad, en zie, terwijl gij sliept in de armen dier verleidelijke schoonen, kwam de dief, de roover, die om uw kamp sloop, en hij stal een uwer kameelen.
--O, jammerde Selam, wee mij. Allah sta mij bij! Wat moet ik doen? Help mij, goede geest, redt mij!
--Hadt gij mijnen raad opgevolgd, het zou niet geschied zijn, zeide het zandmannetje streng. Maar om uwe jeugd en omdat ge tot nu toe braaf geleefd hebt en een goed geloovige zijt, wil ik u het middel aan de hand doen om u te helpen.
--O, heb dank! Ik zal Allah voor u bidden, zeide Selam met vuur.
--De roover, zeide het zandmannetje, vermetel geworden door het gelukken van den diefstal, zal morgen terug komen om weder te stelen. Leg u in een hinderlaag en zie u er uit te redden. Gij moet de zaak zelve alleen doen als straf voor uw plichtverzuim.
Toen hij dit had gezegd, was het mannetje verdwenen en Selam ontwaakte. Hij wreef zich de oogen en riep opeens met schrik:--Ik heb geslapen! en hij sprong op als door eene veer bewogen.
--Ja, ik heb geslapen, ongelukkige die ik ben, vervolgde hij, en gedroomd ook. Maar, Allah zij geloofd! het was slechts een droom.
Na dit te hebben gezegd trad hij nochtans, door vrees gedreven, naar de standplaats der dieren toe. Als door den bliksem getroffen bleef hij evenwel staan. Een der kameelen was verdwenen, het doorgesneden koord gaf hem, helaas! maar al te goed te kennen wat er was gebeurd.
Toen rende Selam de handen voor het gelaat geslagen den heuvel af. Hij stortte neder; met het hoofd op den scherpen kant van een steen vallende bleef hij bewusteloos liggen, terwijl het bloed uit eene wond aan het hoofd vloeide.
Zoo vond hem Mohammed, die, toen hij wakker geworden de tent uittrad om Selam af te lossen en hem niet op zijn post zag, den heuvel afliep om hem te zoeken.
De wond was diep, schoon, gelukkig voor den armen jongen, niet gevaarlijk. Men wies deze, welke vol stof en steengruis zat, en nadat men wat rum in Selam's mond had gegoten, kwam hij weder bij en verhaalde naar waarheid, wat er met hem was gebeurd.
De zaak was nu eenmaal geschied en er was niets aan te doen. Wel diende de luitenant hem eene strenge vermaning toe, doch hij kende Selam te goed, dan dat hij niet zou weten hoe het geheel buiten zijne schuld was geschied, terwijl hij uitgeput van vermoeienis in slaap was gevallen. Men schikte alles zoo goed en zoo kwaad mogelijk, laadde de goederen, die de gestolen kameel had gedragen, gedeeltelijk op den andere en gedeeltelijk op de twee ezels, en zoo trok men verder door in het land der Beni-Hassen, onder eene verschroeiende hitte en in den aanvang alles behalve aangenaam gestemd door het slechte begin bij den intocht in de beruchte landstreek.
Maar het onpleizierigst van allen was Selam de dappere Moor gestemd. Hij was het meest vertoornd op zichzelven en verweet zich telkens, dat hij een kind was, dat niet wakker kon blijven op zijn post. En dan dacht hij aan zijn droom en aan de sterren, die tot hem waren gekomen om zijne zinnen te begoochelen. Maar ook het zandmannetje en zijne makkers herinnerde hij zich. Ja, die had het goed met mij voor; dat was de goede geest, die houris waren booze machten. En het zandmannetje zeide mij, dat de roover zou terugkeeren, zeide Selam in zichzelven. Ha, was dat waar? Bij Allah en den Profeet! hij zou het weten, de hond, dat hij met Selam den gids had te doen gehad. Zou hij wederkeeren, de roover? Neen, 't is al te zot om dat te denken; de lafaard, die in de duisternis komt om te stelen, zal den moed niet hebben de legerplaats andermaal te naderen.
Zoo reed Selam in diepe gedachten verzonken door, slechts nu en dan een blik slaande op den weg, dien men volgde.
Op eens gierde eene windvlaag over de vlakte heen en joeg onzen reizigers het zand in de oogen.
Selam veegde zich de oogen uit, en toen hij opkeek, zie wat was dat? Ja waarlijk, daar zat hij op den kop van Selam's witten ezel, tusschen diens lange ooren. Het was het zandmannetje. Het zat daar zoo deftig, zoo rustig als in een leuningstoel. Zijne kleine naakte voeten rustten op de manen van den ezel als op een zacht kleedje. Het mannetje zat in voorovergebogen houding en keek Selam vertrouwelijk aan. Maar alleen Selam zag hem, de anderen zagen niets, noch hoorden de stem van het kleine persoontje, dat zoo zacht klonk als het geritsel der bladeren.
--En waarom zou de dief niet komen? vroeg hij.
--Omdat hij bevreesd zal zijn gesnapt te worden, fluisterde Selam, nadat hij van zijne verbazing was bekomen.
--De Arabier is niet bevreesd, zei het zandmannetje, hij zal komen. Zie hij volgt u reeds, maar van verre!
--'t Is waar, zeide Selam, we zijn onder de Beni-Hassen. Goed, laat hij komen, dat is het juist wat ik verlang. Ik zal hem ontvangen!
--Goed, zeide het zandmannetje. Ik heb u gewaarschuwd, dat hij zal komen; de rest laat ik aan u over. Wees op uwe hoede en Allah bescherme en helpe u!