Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
Part 23
Sinds men Larasch had verlaten, was de toestand van Dries aanmerkelijk beter geworden, en het rustige leven te Tanger bracht hem weer binnen enkele dagen geheel op de been. Vóór men vertrok, hadden de kapitein en de luitenant, aan den vurigen wensch van Selam gevolg gevende, hem, dank zij den invloed van den kapitein, eene vaste betrekking bezorgd als koerier aan het Fransche Consulaat, zoodat de wakkere knaap niet meer bevreesd behoefde te zijn voor zijne toekomst en thans eene zeer goede positie onder zijne landslieden bekleedde. Ook vernam men hier nog door een bode, die een brief bracht van Sid-Abd-Allah, dat deze, dank zij zijne stoutheid van zelf den Sultan te gaan spreken, de verlangde aanstelling had verkregen en thans in vrede heerschte als landvoogd over zijn volk, zich bezig houdende met handel en nijverheid onder hen te bevorderen. Hij zond zijne beste groeten aan zijne vrienden en bad Allah voor hunne behouden tehuiskomst.
En veertien dagen na de terugkomst in Tanger vertrokken luitenant Frank met Dries, de kapitein met zijne aanstaande vrouw en Mohammed met het stoomschip naar Marseille, tot aan het strand uitgeleid door den trouwen Selam en door Aroesi, en zoolang men elkaar nog kon onderscheiden zag men de twee brave, dappere en trouwe Mooren op Afrika's strand staan, de boot naoogende, die hunne vrienden wegvoerde naar het beschaafd Europa, de vrienden met wie zij lief en leed, vreugde en gevaar hadden gedeeld in het waarlijk barbaarsche Barbarije.
Te Marseille scheidden ook de kapitein en de luitenant van elkaar, daar de eerste van daar zou vertrekken naar Algiers en de laatste weder met Dries naar Nederland zou terugkeeren.
Voor het laatst voeren wij den lezer nog even bij onze vrienden binnen. 't Is een koude winterdag, dat we de woning van Frank te 's-Gravenhage binnentreden, en het gesprek afluisteren, dat tusschen Frank en Dries wordt gevoerd. Het onderwerp daarvan was voorzeker gewichtig, namelijk een brief van kapitein Daumas uit Algiers. De luitenant las aan Dries er het volgende uit voor:
* * * * *
Sedert eene maand ben ik gehuwd en geniet al de zaligheden van het huwelijk. Na Rebecca een jaar ongeveer te Marseille te hebben gelaten om haar opvoeding te voltooien, zijn wij thans gehuwd en elken dag zegen ik u, die de oorzaak is van mijne reis naar Fez en dus de eigenlijke aanleiding, dat ik Rebecca heb ontmoet. Maar niet alleen ik, ook mijn lief vrouwtje verzoekt mij u te doen weten, dat zij u dankt eenmaal het idee te hebben gehad, om de barbaarsche hoofdstad van Marokko, de stad der verschrikking, te bezoeken. Als ik mij die reis voor den geest haal, dan kan ik nu nog niet begrijpen, hoe wij het er heelhuids hebben afgebracht, want hoe luchtig wij er somtijds over dachten, zaten we toch somwijlen verduiveld in den brand en meer dan eens heb ik tot mijzelven gezegd: George, George, hier kom je niet levend van daan!
Maar enfin, 't is voorbij met al zijn leed, en bij nader inzien hebben wij toch nog al pret gehad ook. Weet ge nog, amice! hoe wij ons als schooljongens vermaakten met die insecten, die ons formeel aanvielen, en de _heiligen_, denkt Dries er nog wel eens aan? En dan onze romantische ontmoeting met den roover, onzen stouten vriend Sid-Abd-Allah en nog zooveel meer, dat mij tebinnenschiet als ik rustig in mijne studeerkamer zit en mijne aanteekeningen doorblader.
Maar wacht eens even, ik zeide daar, rustig te zitten; helaas! mijn vriend, dat was een leugen! Want nauwlijks zit ik eenige oogenblikken stil, of die twee kleine guiten van mij sluipen onhoorbaar binnen, totdat ik op eens hunne tegenwoordigheid gewaar word door een verwoed gevecht onder mijne schrijftafel. En als ik dan driftig opspring om de kleine rustverstoorders een tik om de ooren te geven en de kamer uit te jagen, dan voel ik opeens een paar armen om mijn hals en staat dat kleine barbaarsche Marokkaansche vrouwtje achter mij en houdt mij waarachtig tegen.
Parbleu! noemt ge dat niet erg, eene maand getrouwd en reeds geen baas meer te zijn in mijn eigen huis? Zoo spant me dat vrouwtje samen met de kleine bengels, en dan blijven ze in de kamer; zij zet zich bij mij neder en van dat oogenblik af aan hoor ik geen kik meer. Nu, wat moet je doen om rustig te kunnen werken.
Bij al mijn geluk heb ik echter nog slechts één wensch, namelijk deze, dat ge ook eens mocht overkomen om Algiers te zien. Ik hoop, dat ge daartoe spoedig lust zult gevoelen; het zou een mijner grootste genoegens uitmaken u en onzen vriend Dries nog eens bij ons te zien.
Niet alleen van mijne kleine barbaarsche, maar zelfs van mijne beide jongens moet ik u groeten, en ge zult wel zoo goed willen zijn mijn vriend Dries voor Rebecca en mij de hand te drukken. Ik zeg niet vaarwel, maar tot weerziens, want ik reken er vast op, dat ge te eeniger tijd bij ons komt.
Uw toegenegen ~GEORGE DAUMAS.~
Toen de luitenant dit had voorgelezen, keek hij Dries aan.
--Wel, zeide hij, wat zegt ge er van?
--Wel, antwoordde Dries, ik ben zoo verheugd over het geluk van den kapitein, dat ik het niet weet uit te drukken.
--Ik ook, zeide Frank, maar wat zegt ge van zijne uitnoodiging om naar Algiers te komen?
--O, wat dat betreft, antwoordde Dries, zou ik, als u lust had er heen te gaan, geen enkele reden weten om het niet te doen. Duivels, we zijn wel in de beruchtste gewesten van Marokko geweest, en hebben Fez bezocht, wat niet iedereen kan zeggen, die Marokko heeft bereisd.
--Dat is zoo, antwoordde de luitenant, en nu wij eenmaal met reizen zijn begonnen, is de lust in mij opgewekt, het niet bij die eene reis te laten; als een begin was deze tamelijk gevaarlijk en vrij ongemakkelijk.
--Ja, zeide Dries, ik geloof, dat Algiers niet half zooveel bezwaren zal op leveren als Marokko.
--Neen, dat zeker niet, antwoordde Frank. En ik zeg nog niet «neen» op het verzoek van den kapitein. Wie weet, wat we den volgenden zomer zullen doen. Maar als we naar Algiers gaan, Dries! reken er op, dat we dan ook de woestijn zullen bezoeken.
EINDE.
INHOUD.
Bladz.
I. Een man over boord 5
II. Luitenant Frank en zijn oppasser 12
III. Tanger, de Moorsche stad.--De zegen van den Heilige 16
IV. De nieuwe reisgenoot.--Selam, de gids 26
V. Naar Fez.--De kapitein verhaalt zijne geschiedenis 32
VI. De monsterpad en de witte ezel van Selam 46
VII. Alkazer-el Kibir 55
VIII. De ontmoeting 64
IX. Door insecten overrompeld.--De tarantula 74
X. De sterren en het zandmannetje 87
XI. De Beni-Hassen 97
XII. Sid-Abd-Allah, de geweldige 109
XIII. Fez de stad der verschrikking 120
XIV. De wapenschouwing 135
XV. Verraden.--Redde zich wie kan 144
XVI. Een gevaarlijk oogenblik.--De schoone Jodin 153
XVII. Aan den oever van den Paarlstroom 166
XVIII. Op den terugtocht--Mechinez.--De kif 173
XIX. De wilde zwijnen en de luipaard 182
XX. Het sprinkhanenleger 191
XXI. Arabische vertellingen. _De twee broeders_ 200
XXII. Arabische vertellingen (vervolg) _De herder en de kreeft_ 214
Besluit 225
+--------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: nagelaten, instaat aan dat verlangen | | C: nagelaten, in staat aan dat verlangen | | B: En nu, waarde heer, zoo | | C: --En nu, waarde heer, zoo | | B: was gesluierd. maar | | C: was gesluierd, maar | | B: naar het Inctructie-bataljon. Begrijpende | | C: naar het Instructie-bataljon. Begrijpende | | B: te beurt vallen. De twee | | C: te beurt gevallen. De twee | | B: heiligen van Marrokko toch, zijn | | C: heiligen van Marokko toch, zijn | | B: van een krijgstocbt, zeide de | | C: van een krijgstocht, zeide de | | B: wegsterven in de omstuimige | | C: wegsterven in de onstuimige | | B: reis, sprak de luitenant | | C: reis, sprak de luitenant. | | B: voor Mohammed op de knieën. | | C: voor Mohammed op de knieën, | | B: de Franschman, Ook mij is | | C: de Franschman. Ook mij is | | B: ze dan ook eens terdeeg nazien, want, | | C: ze dan ook eens terdege nazien, want, | | B: ouders verbitterde mij zoo | | C: ouders verbitterden mij zoo | | B: Maar komaan, vervolgde hij, daar | | C: Maar komaan," vervolgde hij, »daar | | B: eene van onder de andere in | | C: eene van onder, de andere in | | B: Voor hij binnenkwam sloot, hij eerst | | C: Voor hij binnenkwam, sloot hij eerst | | B: »Onmogelijk, mijnheer! antwoordde | | C: »Onmogelijk, mijnheer!" antwoordde | | B: antwoordde ik »werken is geen | | C: antwoordde ik, »werken is geen | | B: --Nn had ik eene fatsoenlijke | | C: --Nu had ik eene fatsoenlijke | | B: het kleine kamp, Selam, de | | C: het kleine kamp. Selam, de | | B: Nauwelijks neergevleid sprong hij | | C: Nauwelijks neergevlijd sprong hij | | B: Een kreet van schrik weerklonk | | C: --Een kreet van schrik weerklonk | | B: ze weten te onthalen? | | C: ze weten te onthalen. | | B: den zetel van het fantisme. | | C: den zetel van het fanatisme. | | B: Opeens hoordde ik het hinniken | | C: Opeens hoorde ik het hinniken | | B: mijner sabel op de keel, »Blijf | | C: mijner sabel op de keel. »Blijf | | B: u niets anders gelast. | | C: u niets anders gelast? | | B: gegeven Men zegt, dat | | C: gegeven. Men zegt, dat | | B: voet van den keuvel. | | C: voet van den heuvel. | | B: bijna een oog uit. en hij sloeg | | C: bijna een oog uit, en hij sloeg | | B: wien hij zooveel verschuldig was, | | C: wien hij zooveel verschuldigd was, | | B: zonden behalen. | | C: zouden behalen. | | B: Ik zal Allach voor u | | C: Ik zal Allah voor u | | B: hij zich. Ja. die had het goed | | C: hij zich. Ja, die had het goed | | B: wel komen halen. om te begraven. | | C: wel komen halen om te begraven. | | B: --Zie daar riep Selam, | | C: --Zie daar, riep Selam, | | B: dit gedeelte van Marrokko is waarlijk | | C: dit gedeelte van Marokko is waarlijk | | B: teruggalopeerende aanvallers meeliepen. | | C: teruggaloppeerende aanvallers meeliepen. | | B: Het dier stijgerde en zou | | C: Het dier steigerde en zou | | B: hetzelfde oogenblik stijgerde ook het | | C: hetzelfde oogenblik steigerde ook het | | B: de zaken thans stonden. te | | C: de zaken thans stonden, te | | B: een der hoogste rotspuntten. In zijn | | C: een der hoogste rotspunten. In zijn | | B: van den dwergpalm vervaardigt, was | | C: van den dwergpalm vervaardigd, was | | B: den middelsten daar verhief zich | | C: den middelsten duar verhief zich | | B: voorgeschrevene waschingen verrichtten, | | C: voorgeschrevene wasschingen verrichtten, | | B: eene gemakkelijk te verwerveu buit | | C: eene gemakkelijk te verwerven buit | | B: kon ik anders. Het lot | | C: kon ik anders? Het lot | | B: op zich wachten: Het verscheen reeds | | C: op zich wachten. Het verscheen reeds | | B: kudde kameelen, ginde weder een | | C: kudde kameelen, ginder weder een | | B: dacht eenigen oogenbliken na. | | C: dacht eenigen oogenblikken na. | | B: Gij kent dien Aroesi, dus Selam? | | C: --Gij kent dien Aroesi dus, Selam? | | B: --Wie zou dien kennen? | | C: --Wie zou dien niet kennen? | | B: men het kanp was genaderd, | | C: men het kamp was genaderd, | | B: een fllink man. De kleur | | C: een flink man. De kleur | | B: Kalif Haroen-al-Reschid, in het | | C: Kalif Haroen-al-Reschid in het | | B: jaar 859 na Christus | | C: jaar 859 na Christus' | | B: vele van die bajonnetten | | C: vele van die bajonetten | | B: lengte der militaren was evenmin | | C: lengte der militairen was evenmin | | B: staan bij die rij soldaten. | | C: staan bij die rij soldaten? | | B: die des Sultans trok dadelijk | | C: die des Sultans, trok dadelijk | | B: turende, eenklaps op een toon | | C: turende, eensklaps op een toon | | B: de geweldigde, zei Aroesi | | C: de geweldige, zei Aroesi | | B: een zoo bijzondere geur af smaak, | | C: een zoo bijzondere geur of smaak, | | B: en een Regement Cavalerie, en ik | | C: en een Regiment Cavalerie, en ik | | B: staan. | | C: slaan. | | B: en keek elkaar ver-verbaasd aan | | C: en keek elkaar verbaasd aan | | B: De schof heeft ons herkend en hist | | C: De schoft heeft ons herkend en hitst | | B: mijn ponjard, en gij eveneens. | | C: mijn ponjaard, en gij eveneens. | | B: om den korsten weg naar buiten | | C: om den kortsten weg naar buiten | | B: er het eerst aaakomt, brengt de | | C: er het eerst aankomt, brengt de | | B: naburige straat, Hij begreep echter | | C: naburige straat. Hij begreep echter | | B: In zijn doodangst was de kapitein | | C: In zijn doodsangst was de kapitein | | B: zien en zicht te vermaken met eenige | | C: zien en zich te vermaken met eenige | | B: recht tegenover enee deur naar | | C: recht tegenover eene deur naar | | B: die naar buiten leidde, | | C: die naar buiten leidde. | | B: zich bliksemsnel oprichtende' stond | | C: zich bliksemsnel oprichtende, stond | | B: en noemden den Arabier den naam | | C: en noemde den Arabier den naam | | B: toebehoorde, dat over hem | | C: toebehoorden, dat over hem | | B: hartstochtlijke taal gloeide evenals | | C: hartstochtlijke taal, gloeide evenals | | B: --En dult uw volk | | C: --En duldt uw volk | | B: hem geheel bezighield, | | C: hem geheel bezighield. | | B: hij het, hoofd op en greep | | C: hij het hoofd op en greep | | B: Sultan, zeide zei, die eene | | C: Sultan, zeide zij, die eene | | B: gromd. | | C: grond. | | B: kotuums. | | C: kostuums. | | B: avond dubbel goede zaken, | | C: avond dubbel goede zaken. | | B: jonge was ontroostbaar over | | C: jongen was ontroostbaar over | | B: Aroesi had intusschen | | C: Aroesi had intusschen | | B: drie schoten op die den schurk | | C: drie schoten, die den schurk | | B: De aanvallers bevreesd voor het | | C: De aanvallers, bevreesd voor het | | B: opgdagen. | | C: opdagen. | | B: schrikte van eene gestalte, | | C: schrikten van eene gestalte, | | B: gezelcchap vertoonde, alsof zij | | C: gezelschap vertoonde, alsof zij | | B: sprongen. Toen rees hij overeind | | C: sprongen. Toen rees hij overeind en | | B: het eveneens. De hitte verminderde | | C: het eveneens heet. De hitte verminderde | | B: Arabieren met hunne zeisens, die | | C: Arabieren met hunne zeissen, die | | B: lachtlust op. | | C: lachlust op. | | B: mompelde hij, Waarvoor, bij | | C: mompelde hij. Waarvoor, bij | | B: begon de luitemant opeens weder op | | C: begon de luitenant opeens weder op | | B: Dries. Maar wach even, | | C: Dries. Maar wacht even, | | B: --Wat donder, scheelt je! riep | | C: --Wat donder scheelt je! riep | | B: Hij voeld het bloed langs zijn | | C: Hij voelde het bloed langs zijn | | B: aan, want de oostewind drijft ze | | C: aan, want de oostenwind drijft ze | | B: plant of glashalm van een vinger | | C: plant of grashalm van een vinger | | B: gerst, de groenen, kortom al wat | | C: gerst, de groenten, kortom al wat | | B: alles verwoestende, voortrokken, | | C: alles verwoestende, voortrokken. | | B: --Ja, zeide Broesi, 't is | | C: --Ja, zeide Aroesi, 't is | | B: zochten de graankorels uit den drek | | C: zochten de graankorrels uit den drek | | B: als ik er om denk, wordt ik | | C: als ik er om denk, word ik | | B: van 30 à 40 kameelenvrach naar Medeah | | C: van 30 à 40 kameelenvrachten naar Medeah | | B: moeten milioenen en millioenen | | C: moeten millioenen en millioenen | | B: morgenstond, na Karia-el-Abassi | | C: morgenstond, na Karia-el-Abbassi | | B: eeuwen geleden, woonde er te Larasch | | C: eeuwen geleden, woonden er te Larasch | | B: opening, en toen zij een groote opening, en | | C: opening, en | | B: draaide zij onhoordaar op | | C: draaide zij onhoorbaar op | | B: ter rechterzijde bevondt zich | | C: ter rechterzijde bevond zich | | B: en eer, erijkdom en | | C: en eer, rijkdom en | | B: hem droovig aan.--Weder | | C: hem droevig aan.--Weder | | B: een die rijkdm en macht | | C: een die rijkdom en macht | | B: belegerde en uitgehonderde | | C: belegerde en uitgehongerde | | B: staan en lag den kop | | C: staan en legde den kop | | B: zich in de richting der stad | | C: zich in de richting der stad. | | B: in eene eervoudige tent, het volk | | C: in eene eenvoudige tent, het volk | | B: Nazareners. Bladz. 216 | | C: Nazareners. Bladz. 216. | | B: --Civo ge hebt een goed hart, | | C: --Civo, ge hebt een goed hart, | | B: zee verlatend op het het strand kwam | | C: zee verlatend op het strand kwam | | B: het er bijna op lag, | | C: het er bijna op lag. | | B: vooorwerp hem dichter was | | C: voorwerp hem dichter was | | B: land bestaat, Onder alle zalen | | C: land bestaat. Onder alle zalen | | B: De meeste niewsgierigen dachten niet om | | C: De meeste nieuwsgierigen dachten niet om | | B: zooeven de werplaats van den Nazerener | | C: zooeven de werkplaats van den Nazerener | | B: terstond herhaalde de gegeheele drom | | C: terstond herhaalde de geheele drom | | B: tegenwoordigheid gewaar wordt door een | | C: tegenwoordigheid gewaar word door een | | B: wilde zwijnenen en de luipaard | | C: wilde zwijnen en de luipaard | | | +--------------------------------------------------+