Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen

Part 19

Chapter 194,082 wordsPublic domain

Mohammed was door de worsteling met het water te afgemat om te kunnen staan. De kapitein zette hem met den rug tegen een boom en snelde toen den muilezel na. Nauwlijks was hij aan het eind van den weg gekomen of daar stond de muilezel bedaard te grazen, terwijl de teugel in de struiken was blijven zitten.

Toen, na Mohammed in den zadel geholpen en de beste stukken van het zwijn afgesneden te hebben met de handigheid van een jager, dacht de kapitein opeens om Dries.

Maar hoe hij ook uitkeek, deze was nergens te zien en de kapitein troostte zich met de gedachte: hij zal reeds in het kamp terug zijn! Hij nam dus den terugtocht aan, toen hij in het kamp aangekomen tot zijn schrik vernam, dat men Dries niet had gezien.

--Nog niet weerom? zeide de kapitein, waar duivel kan hij dan zitten? En hij verhaalde, hoe Dries het aangeschoten zwijn was nagesneld. Welnu, zeide hij, Dries zal zich door zijn jachtlust hebben laten meeslepen en een weinig afgedwaald zijn. Ziedaar alles!

--Neen, antwoordde de luitenant, hij zal den weg naar het kamp niet kunnen vinden en mogelijk verdwaald zijn; wij moeten hem zoeken.

--Dat is mijn idee ook, zeide de kapitein, gaan wij in de richting die ik hem heb zien inslaan, dan kan Selam met de drijvers de legerplaats in groote kringen omtrekken; zoodoende zullen wij hem wel vinden.

Zoo gezegd zoo gedaan, en terwijl Aroesi met Rebecca en Mohammed achterbleven, gingen de luitenant en de kapitein op weg, en Selam met de drijvers trok om de legerplaats in altijd grooter kringen om den verlorene op te sporen.

Wat was er intusschen van Dries geworden? We zullen het zien.

Het zwijn, dat Dries nasnelde, hoewel door twee kogels getroffen, was evenwel nog vlug ter been, zoodat het hem weldra een heel eind vooruit was. Heuvel op en heuvel af ging de jacht; vervolgde en vervolger waren even onvermoeid. Nu en dan snelde het zwijn door een boschje, dat Dries dan genoodzaakt was om te trekken. Zoo had hij reeds meer dan een half uur in galop of draf doorgereden zonder nog iets op het zwijn te hebben gewonnen. Hij spoorde zijn paard gedurig aan en eindelijk bemerkte hij tot zijne voldoening, dat de loop van het zwijn minder snel werd. Op den top van een heuvel gekomen, zag hij het dier met onzekeren loop de helling afdraven.

--Ha, ha! riep hij, ge houdt het niet lang meer uit, oude jongen! Wacht maar, ik zal je spoedig den genadeslag geven! en hij snelde de helling af.

Opeens bleef het zwijn, toen het den heuvel afgehold en in een lagen weg, met kreupelhout begrensd, was aangekomen, stilstaan en terwijl het den snuit in de hoogte stak, snoof het onderzoekend de lucht op en trilde over alle leden.

--Wat duivel scheelt hem nu! riep Dries, die dat van verre aanzag. Maar op hetzelfde oogenblik bleef zijn paard insgelijks als aan den grond genageld staan.

--Kom, zeide Dries, kom, oude jongen, vooruit! en hij spoorde het aan.

Het paard verhief zich op de achterpooten, draaide in een halven cirkel rond en bleef toen staan, sidderende en snuivende.

--Wat donder scheelt je! riep Dries kwaad uit, wil je voortgaan of niet?

Weder steigerde het paard op zijne aansporing, toen deed het opeens een vreeslijken sprong en Dries, daar niet op voorbereid, stortte op den grond. Krampachtig hield hij den teugel vast. Het paard snoof en blies en deed voor den op den grond liggenden ruiter een sprong achteruit, de teugel brak af en in wilden galop vloog het den heuvel op, dien het was afgekomen.

De vrij onzachte val op den rotsigen grond deed hem een oogenblik als verdoofd liggen, doch bemerkende dat er niets aan hem gewond of gebroken was, wilde hij opstaan, toen hij bemerkte, dat hem zulks onmogelijk was. Het linkerbeen deed hem zoo zeer, dat hij een schreeuw gaf van pijn.

--Dat is een mooie zaak, zei Dries, daar leg ik nu zonder op te kunnen staan en zonder paard. Had ik dat nog, dan kon ik mij misschien met wat moeite in den zadel hijschen, maar nu is 't een drommels leelijke positie waarin ik door dat leelijke zwijn ben gebracht.

Toen hij naar het zwijn omkeek, zag hij, dat het neergevallen was en lag te hijgen, en ondanks zijne benarde positie kwam de jachtlust weder bij hem boven.

--Jou zal ik ten minste je paspoort geven! mompelde Dries, en op handen en voeten naar het zwijn kruipende, stiet hij het zijn ponjaard in den hals.

Plotseling hoorde Dries in het langs den weg staande hout een gekraak van takken en bladeren, alsof iemand behoedzaam naderde. Hij kroop zoo snel hij kon terug naar de plaats waar hij zijne buks had laten liggen, en laadde die snel. Toen, zich met den rug tegen een paar rotsblokken plaatsende, wachtte hij af wat er zou gebeuren.

Een minuut of tien verliep in de grootste stilte; alleen verhief zich eene groote vlucht duiven en andere vogels onder groot gekrijsch en getjilp boven het hout.

--'t Is toch niet pluis, mompelde Dries, anders zouden die vogels niet zoo schreeuwend opvliegen. Zeker de een of andere schooier van een Arabier, die mij hier verraderlijk wil neerschieten.

Nauwlijks had hij dit gezegd of het kraken begon opnieuw, en thans dichter bij, en toen hij scherp uitkeek zag hij iets bewegen.

--Dacht ik 't niet, riep Dries, dat 't zoo'n schoeltje was; ik zie zijne bruine huid. Wacht vriend, ik zal je vóór zijn, en hij bracht de buks aan den schouder.

Toen, tegelijk met den knal van het schot, klonk een vreeslijke kreet, een schor gebrul uit het hout, dat hem de haren te berge deed rijzen, en hem onwillekeurig naar zijn ponjaard deed grijpen. Een verschriklijk gekraak volgde daarop en eer Dries wist wat er aan de hand was, werd het hout ter zijde gedrongen en onder een donderend gebrul wierp zich een groote luipaard op hem.

De worsteling, die nu volgde, was ontzettend. Dries op de knieën liggend met den rug tegen het rotsblok geleund, had gelukkig zijne tegenwoordigheid van geest behouden, maar toen hij het woedende monster op zich zag toespringen, achtte hij zich verloren. Eene grenzenlooze wanhoop maakte zich van hem meester, en juist dit was het wat hem de kracht gaf het dier te weerstaan. Als men den dood voor oogen ziet, vertiendubbelen de krachten. Dries, reeds verdrietig over den ongelukkigen afloop van zijne jacht, werd woedend. De luipaard sloeg zijne scherpe klauwen in zijne schouders, en blikte hem eene seconde lang met oogen als vuurballen aan. De wijdgeopende muil liet de vreeslijke kegelvormige puntige tanden en de roode tong, die hem uit zijn bek hing, zien. Dries voelde den heeten stinkenden adem van het ondier in zijn aangezicht, en uit afschuw bracht bij het hoofd achterover, toen de luipaard hem in het gelaat poogde te bijten. Met eene snelle beweging bukte hij zich tusschen de voorpooten van het dier, en toen het monster zijne scherpe tanden in zijn hals sloeg, stak Dries hem den langen ponjaard in de zijde.

De luipaard deed een ontzettenden sprong en stoof een paar passen achteruit. Ook Dries sprong op om zijn heil in de vlucht te zoeken. De doodsangst deed hem bijna geen pijn meer voelen, en hinkende was hij reeds een heel eind voortgesneld, toen het dier in een paar sprongen weder bij hem was. Dries liet zich weder op de knieën vallen en klemde den ponjaard in de hand, dat het bloed er voor stond. Een slag in het gelaat met den scherpen klauw deed hem omvertuimelen, en in het volgende oogenblik stortte de luipaard zich op hem.

Langer dan tien minuten rolden beiden over den grond. Dries steken toebrengend waar hij zijn vijand maar kon raken. De luipaard, die hem op den rug zat, had wederom de klauwen in de reeds gewonde schouders geslagen en beet hem in hoofd en hals. Dries voelde hoe de scherpe tanden over zijn schedel gleden en krasten. Bossen haar werden hem uitgetrokken en de arme jongen brulde even hard van pijn en woede als de luipaard.

Maar opeens zag Dries, dat zij al worstelende genaderd waren aan den rand van een steilen rotswand. Daar beneden, wel honderd voet diep, strekte zich een ravijn uit. Hij zag hoe zij onvermijdelijk daarin moesten storten, en in zijne wanhoop kreeg hij met eene snelle beweging de hand weder vrij en dreef het monster den ponjaard in den strot. Toen waren zijne krachten uitgeput, beiden rolden in snelle vaart naar beneden langs eene steile glooiing en het scheen dat de dood over beiden de hand had uitgestrekt, want zij bleven onbeweeglijk liggen op een paar passen van elkaar.

Ongeveer een half uur was er verloopen, toen Dries weder bijkwam. Zijne flauwte was hoofdzaaklijk veroorzaakt door de geweldige krachtsinspanning, en hoewel hij vrij belangrijke wonden had ontvangen, wist hij zich dadelijk te herinneren wat er was gebeurd, en was na eenige oogenblikken in staat zich op te richten. Maar o wee! wat een pijn; alle leden deden hem zeer. Het was alsof hij overal gekneusd, alsof hij geradbraakt was. Daar bij hem lag zijn vijand bloedend uit verscheidene wonden. Hij was dood, daar was niet aan te twijfelen, de bek was wijd geopend en de tong hing er uit, terwijl eene groote bloedplas zich rondom den kop uitstrekte.

Het was een fraai dier. Op de bleekroodgele huid vertoonde zich donkerbruine vlekken door ringen omgeven. Vooral op de bovendeelen was de geelroode kleur bizonder schoon. De zeer lange staart was donkerbruin geringd en de onderdeelen van het dier waren vuilwit van kleur.

Zwijgend beschouwde Dries eenige oogenblikken zijnen vijand, toen werd zijne aandacht getrokken door een rauw gekrijsch en opziende, zag hij een wolk van raven, kraaien en eene kleine giersoort, die boven de kloof dwarrelden, elkaar als het ware toeroepende, dat hun daar beneden een goede maaltijd wachtte. Onwillekeurig rilde de brave jongen op de gedachte, dat, zoo hij gestorven ware, die vogels wellicht zich aan zijn lijk zouden vergast hebben.

--Dat gaat je neus voorbij! zeide hij flauw glimlachende. Maar ik moet zien hieruit te komen. Als men mij zoekt, waaraan ik niet twijfel, dan zou men mij voorbijloopen zonder mij te zien. Ik moet er dus uit, dat is zeker. Komaan, laten we beginnen. En de dappere knaap begon tegen de glooiing op te kruipen.

Was dat al een lastig en uitermate vermoeiend werk voor iemand die gezond en krachtig is, hoe veel te erger moest het dan niet zijn voor den armen Dries, gewond als hij was en aan alle leden gekneusd door den val. Bovendien brandde de zon met alle kracht in de kloof.

Niettegenstaande dit alles begon Dries zich naar boven te werken zich aan planten en struiken ophijschende, en nu en dan eens rustende. Na verloop van een kwartier was hij nog niet verder dan een vierde gedeelte van zijn weg gevorderd. Het angstzweet brak hem uit, en hij beefde over alle leden. Een onuitstaanbare dorst kwelde hem bovendien, maar hoe aan water te komen? Twee malen poogde hij verder te komen, doch het ging niet. Daar boven hem was een spleet. Na veel moeite gelukte het hem de hand er in te krijgen en weder was hij een eindje hooger, toen hij opeens voelde dat zijne hand vochtig was. Met de uiterste krachtsinspanning heesch hij zich zoover op, dat hij met het hoofd op gelijke hoogte van de spleet was. Hij vond een steunpunt voor zijne voeten en o vreugde! toen hij in de spleet keek, zag hij water.

Een kreet van vreugde ontsnapte hem. De spleet was ongeveer een meter lang en een voet diep. De regen had deze gevuld, en daar er een weinig hooger een paar struiken groeiden, had de zon het weinige water nog niet kunnen verdampen. Met de hand het water scheppend leschte Dries zijn brandenden dorst en verkoelde er zijn vreeslijk gewonde hoofd en hals mede. Hij voelde het bloed langs zijn nek vloeien, en toen hij naar de oorzaak zocht, bemerkte hij tot zijnen schrik, dat zijn oor was afgescheurd. Het koele water frischte hem terdege op, en na zijn zakdoek goed nat gemaakt te hebben, bond hij zich dien om het hoofd en begon nu weder omhoog te klimmen. Toen ging het aanmerklijk beter en na eene moeilijke klimpartij gedurende bijna een kwartier, was hij boven.

Daar bleef hij eerst een poosje rusten. Het zwaarste werk was achter den rug en hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat men hem zou opsporen.

Opeens hoorde hij een schot vallen.

--Ha! zeide Dries, men zoekt mij.

Toen herinnerde hij zich zijn geweer, en hij sleepte zich voort naar de plaats waar de luipaard hem had aangevallen. Toen hij geschoten had, klonk dadelijk een schot tot antwoord en snel schoot hij weder zijne buks af. Op hoe langer hoe korter afstand werden de schoten gehoord, en daar aan het eind van den hollen weg, zag hij op den heuveltop den luitenant en den kapitein verschijnen, die zijn paard medevoerden.

Toen de luitenant en de kapitein hem gewaar werden, spoorden zij hunne paarden aan en waren in een oogenblik bij hem.

--Mijn God! riep de luitenant, wat is er gebeurd?

--O, zeide Dries, niets dan een klein vechtpartijtje met een tijger.

--God in den hemel, mijn arme vriend, wat ziet ge er uit! riep de kapitein verschrikt.

--Dus ge hebt met een tijger gevochten? vroegen beiden.

--Zie maar, zeide Dries, ginder in die kloof.

--Een luipaard! riep de kapitein verbaasd. En geen kleintje ook. Hebt ge met dat monster gevochten? Parbleu, ge zijt dapper!

--Als men den dood voor oogen ziet, is men altijd dapper, zeide Dries. Maar het is hem leelijk opgebroken, dien sinjeur. Hij heeft zijn bekomst gekregen.

--Kom, zeide de luitenant, laten we voortmaken. Zoudt ge te paard kunnen zitten, arme jongen?

--Als ge mij goed in den zadel zet, zal het nog wel gaan, antwoordde Dries.

Met vereende krachten tilde men hem in den zadel, en hem tusschen zich nemende sloeg men stapvoets den weg naar de legerplaats in.

Daar verwekte de aankomst van Dries geen geringe ontsteltenis en niet minder verbaasd was men, toen deze zijn avontuur verhaalde; en toen Selam en Mohammed des avonds den dooden luipaard waren gaan halen, en men het groote, prachtige dier daar uitgestrekt zag liggen, begreep men eerst recht, welk een zwaren kamp de arme jongen moest hebben gestreden.

--Gij hebt hem terdege geraakt ook, zeide de luitenant, toen men het fraaie vel had afgestroopt; zie eens de huid is vol gaten.

--Met dat al hebt ge eene schoone tropee veroverd, zeide de kapitein lachend, dat is een buitenkansje waarop wij geen van allen kunnen roemen.

--'t Zal eene herinnering zijn aan mijne reis door Marokko, die mij het langst zal heugen, zeide Dries.

XX.

HET SPRINKHANENLEGER.

Onder zeer treurige omstandigheden trok men den volgenden dag verder. In den afgeloopen nacht namelijk had Dries eene hevige wondkoorts gekregen. Men had zijne wonden onderzocht, en hoewel niet gevaarlijk, waren zij talrijk, en hij had veel bloed verloren. Het ergste was zijn hoofd. Behalve dat de luipaard hem een oor had afgescheurd, waren op den schedel en in den nek allerwege de sporen van de tanden te vinden; en door een paar beten in het gelaat had Dries een stuk of vijf tanden verloren. Daarbij waren zijne schouders geheel ontvleescht. Het een kwam bij het ander. Eerst de val van zijn paard, dat de luipaard had geroken en daarom geweigerd had voort te gaan, daarna de worsteling, de val in de kloof, de afmatting van den zwaren arbeid om in den brandende zon zich naar boven te werken; dat alles had den wakkeren knaap zeer aangegrepen.

't Was gedurende de ziekte van Dries, dat men eerst recht verheugd was eene vrouw bij het gezelschap te hebben. Rebecca toch, de schoone Jodin, was het, die hem onverpoosd oppaste, zijne wonden telkens wiesch en verbond, hem allerlei versterkende middelen klaar maakte, kortom, die hem verzorgde, zooals alleen eene vrouw dat kan.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, had men een rustbed vervaardigd, dat tusschen de twee muilezels van Selam en Mohammed was opgehangen, waardoor de patiënt een gemaklijk leger had en niet blootgesteld was aan schokken. Scheen de zon te fel, dan spreidde men op een paar voet boven hem een stuk doek uit, en zoo lag Dries zoo goed het maar kon.

Met dat al was het treurig, zoo bijna aan het einde der reis, na tal van avonturen en na den dood meer dan eenmaal onder de oogen te hebben gezien, nog in zoo'n verschriklijken toestand te komen. De anders zoo vroolijke knaap lag nu stil daar neder, en 't was net of met hem ook al de vroolijkheid was geweken. Wel poogde de kapitein hem nu en dan door een of anderen geestigen zet wat op te beuren; doch wanneer dit al geschiedde, was het toch slechts voor weinige oogenblikken.

Zoo reed men treurig voort, zoolang de hitte en de toestand van den zieke het gedoogden, en tegen den middag hielt men halt in eene met welig groen bedekte vallei, waar men tot aan den avond zou blijven, want Selam had het gezelschap aangekondigd, dat men binnen een paar uren aan de groote kale vlakte van den Seboe, in het land der Beni-Hassen, zou zijn, en het was wel zaak eerst door eenige uren rust, en een flink diner zich wat te verfrisschen.

Men sloeg de tenten op, en na het maal gebruikt te hebben, gaf men zich in de schaduw van het geboomte aan een zalig nietsdoen over.

Doch die rust zou niet lang duren, want Selam, die reeds eenigen tijd met een onrustbarend gezicht naar den horizont had gekeken, kwam toen hard aanloopen onder het geroep van: »de sprinkhanen! de sprinkhanen!"

Iedereen sprong bij het vernemen van deze Jobstijding op.

--Waar ziet ge ze? vroeg de luitenant.

--Daar bij den ingang van den bergpas van Beb-el-Tinea, zeide Selam, ziet ge die wolk die zich hierheen beweegt? Dat zijn ze.

[Illustratie: Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Bladz. 193.]

Het geheele gezelschap tuurde uit naar de aanwijzing van Selam.

Inderdaad zag men heel in de verte eene ontzaglijke donkere wolk, die uit het zuiden van de vlakte van den Seboe kwam opdagen.

--Zij komen recht op ons aan, want de oostenwind drijft ze hierheen, zeide Selam op angstigen toon.

--Welnu, zeide de kapitein, vertrekken we. Het wordt tijd. Ik ken dat goedje.

--Vertrekken, vroeg Dries, die in de schaduw lag uitgestrekt, vertrekken, en waarom dan?

--Waarom, antwoordde de kapitein, omdat straks over een uur, een half, een kwartier misschien reeds, die wolk zal neerdalen in deze met welig groen bedekte vallei en alles zal bedekken, het gras, de planten, de boomen, kortom alles, en, nadat het al wat maar plant is, zal hebben opgegeten, ons zal overstelpen.

--Ja, zeide de luitenant, komaan Selam, maak voort.

Dat behoefde voor Selam niet herhaald te worden. In een oogenblik was alles gereed, en eer een kwartier was verloopen, reed men voort naar den bergpas van Beb-el-Tinea.

Maar het sprinkhanenleger was sneller in zijne bewegingen dan men had gedacht, en reeds zag men ze met schrik naderen. 't Was eene wolk van ontzettenden omvang. Zij kwam al nader en nader. Op eens hoorde men een gefluit als dat hetwelk een storm voorafgaat, vermengd met een geloei en gedruisch als van een woedenden orkaan. Op hetzelfde oogenblik werd het duister, alsof de nacht inviel. De levende wolk bevond zich voor de zon en onderschepte haar licht. Menschen en dieren werden door ontzetting aangegrepen. De kameelen begonnen te brullen, de paarden brieschten van vrees, en steigerden en sloegen woedend om zich heen. Gelukkig waren de twee muilezels, tusschen welke Dries op zijn rustbed lag, te stevig aan elkaar gekoppeld om zich los te rukken, maar de beesten stonden nu op de vóór- dan op de achterpooten, en Dries kon zich niet anders dan door zich stevig vast te klampen, voor vallen behoeden. Om de verwarring te vermeerderen begon de levende wolk te dalen.

Selam stiet een angstkreet uit, en zijnen ezel aansporend schreeuwde hij:--Vooruit, vooruit, naar den pas!

Iedereen poogde hem te volgen en spoorde zijn viervoeter aan, maar het was reeds te laat. Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als een levende hagel neer. Boom en plant, mensch en dier waren in een oogwenk door dat heir van ongedierte overdekt en het was onmogelijk verder te komen. Toen werden de dieren opeens als door eene verlammende vrees overvallen en bleven staan. Geen sporen, geen zweepslagen, niets hielp. En dat wriemelende ongedierte overdekte alles, kroop in de mouwen en plooien der kleederen, in de ooren der paarden, in den loop der buksen zoodat men geen handen genoeg had om zich dat tuig van het lijf te houden.

Binnen weinig tijds was de geheele omtrek kaal gegeten. Daar vóór hen uit kwam het leger, steeds opmarcheerende, recht op hen aan. Het was een groen veld, dat zich voortbewoog. Met eene wanhopige poging gelukte het eindelijk de dieren voort te krijgen, en men galoppeerde over dien beweegbaren bodem. Het kraakte en piepte onder de hoeven der paarden, en telkens gleden zij uit zoodat zij bijna vielen. Dan bleven de dieren weer een oogenblik als versuft staan, maar de sporen en stokslagen dreven hen verder.

Eindelijk, na een half uur in woedenden galop te zijn voortgegaan, was men ter linkerzijde buiten den grooten hoop gekomen. Hier waren nog slechts enkele afgedwaalden. Toen hield ons gezelschap halt, schudde en sloeg de dieren van zich af, en bleef een oogenblik uitblazen om den voortgang van dat verwoestende heir gade te slaan.

En het was waarlijk een merkwaardig schouwspel, dat vernielende leger te aanschouwen. Allengs trok de massa zich samen en vormde eene kolonne, wier lengte niet juist te bepalen was en ter breedte van 10 à 20 voeten. In geregelde orde marcheerde deze kolonne voort door de vallei, hier zich verspreidend, daar, waar den bodem zandig of steenachtig was, zich samentrekkend, en toen men den bergpas van Beb-el-Tinea bereikt had, na een rit van drie uren, zag men eerst de achterhoede van dat geduchte leger.

Een treurigen en ontzettenden aanblik leverde de streek op. Het was alsof men opeens in den winter was verplaatst. Geen boom, waaraan nog een blad of twijg te vinden was. Zij stonden daar als dood, hunne naakte takken ten hemel heffend, als smeekten zij om wraak over die plotselinge vernietiging; van velen was zelfs de schors afgevreten. Evenzoo het lage hout en de struiken; die bosschages, daar straks zoo dicht, zoo groen, men kon er thans doorheen zien. De planten, het gras, met één woord, alle wasdom, alle plantengroei was in eenige uren verdwenen.

Het was alsof men door eene doode landstreek trok, alsof men zich in eene woestijn bevond. Er was geen plant of grashalm van een vinger lang te vinden. Daarentegen was de aarde als overstroomd van allerlei kleine zoogdieren, kruipende dieren en insecten, die naar alle kanten een goed heenkomen zochten, opgejaagd uit hunne schuil- of woonplaatsen, en voor die allen schoot voor het meerendeel niets anders over dan de hongerdood. De eenigen, die feesthielden, waren de roof- en insecten-etende vogels, welke in groote zwermen van heinde en ver aanrukten om de achterhoede en de flanken van het sprinkhanenleger te bestoken.

--Daar gaan zij, de verwoesters tegen wie niets bestand is, zeide de luitenant; eerst de verwoesting, en daarna de hongersnood en de pest.

--Allah behoede ons land, zeide Selam! 't is een vloek des hemels, 't is eene tuchtroede die over het land komt!

--Ja, zeide de kapitein, ik heb ze meer gezien, die verwoesters, dien schrik van den landbouw. In 1845 kwam die geesel over Algiers. Daarna hoorde men er in langen tijd niets van, maar in 1866 veroorzaakten zij eene vreeslijke ramp. De sprinkhanen kwamen uit de Sahara. In de maand April begon de inval van dat ongedierte. Komende uit de bergengten en valleien van het zuiden, stortten zij zich neer in de Mitidja en den Sahel van Algiers. Zij waren in zoo'n ontzettend getal aanwezig, dat hunne wolken de zon verduisterden. Zij verslonden het koolzaad, de haver, het graan, de gerst, de groenten, kortom al wat plant was en drongen zelfs in de huizen door. De Arabieren beletten door het branden van groote vuren, die een dikken rook van zich gaven, en door een geweldig leven de sprinkhanen neder te dalen.