Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
Part 13
--De vrienden van Sid-Abd-Allah, die God bescherme, zeide de Moor, zijn mijne broeders en hebben aanspraak op al wat ik bezit. Vaartwel! zoo Allah het wil, keer ik morgen terug.
--Maar, zeide de luitenant weifelend, is uw bediende een vertrouwd persoon. Denk er aan, hij kent ons en zou ons kunnen verraden.
De Moor glimlachte.--Wees gerust, zeide hij. Indien ik hem niet kon vertrouwen, zou ik hem ook niet hebben meegebracht. De goede jongen is van kindsbeen af reeds bij mij en zou zich eer in stukken laten hakken dan iets van de zaken zijns meesters te verraden. Vaartwel, vrienden, God behoede u!
En op zijnen ezel springend vertrok de Moor, gevolgd door zijne bedienden.
* * * * *
Des anderen daags 's morgens omstreeks acht uur, volgde een kleine troep ruiters den kronkelenden weg, die naar Fez voert. Het was een troepje Mooren in de kleurige fraaie kleeding, die hen kenmerkt. Van de drie voorste ruiters herkennen wij in den middelste Aroesi, de twee anderen, die wij niet zouden herkennen als wij het niet wisten, zijn de luitenant en de kapitein. De Moorsche kleeding en het scheermes hadden hen zoodanig geholpen in hunne vermomming, dat zij zich gerust binnen Fez konden wagen, want er moest waarlijk wel een wonder gebeuren, om hunne vermomming te doen ontdekken. Evenwel, zooals de kapitein had gezegd, zijn wonderen mogelijk.
Achter dit drietal volgde Dries, eveneens vermomd; hij kon zichzelf niet genoeg bewonderen in zijne tegenwoordige kleeding, die hij vrij wat fraaier vond dan zijne vroegere, en hij wenschte niets anders dan zich zoo eens te kunnen vertoonen in de straten van den Haag. Selam en Mohammed reden naast hem. De zorg voor het kamp was aan den bediende van Aroesi en de twee kameeldrijvers opgedragen.
Het gesprek was in vollen gang en liep natuurlijk over niets anders dan Fez. Terwijl Aroesi op eene onderhoudende manier met den luitenant en den kapitein over Fez sprak, deed Selam dat op de gewone opgewonden toon van een Moor van Tanger of Marokko, voor wien de heilige stad is wat Parijs is voor den Franschman. Door zijne vroegere betrekking als geleider van karavanen kende hij Fez, en vergastte hij Dries en Mohammed op de beschrijving van de wonderen der stad, van den Sultan, het leger enz. De kronkelingen van den weg deden ons gezelschap telkens de muren en tinnen der stad zien, waarboven de torens, minarets en palmen uitkwamen, en telkens werd dat gezicht ook weder aan hun oog onttrokken. Arabieren te paard, gesluierde vrouwen op kameelen of ezels door bedienden gevolgd, landlieden op ezels en voetgangers ontmoette men elk oogenblik. Eindelijk hield de herhaalde kromming van den weg op; men zag de stad recht voor zich en reed op eene fraaie met tinnen bekroonde poort toe.
Opeens stiet de kapitein een kreet van schrik uit en hield onwillekeurig zijn paard in.
--Wat is er? vroeg de luitenant verwonderd.
Maar de kapitein antwoordde slechts door de hand uit te strekken naar de poort, en stond als verlamd van schrik met wijd opengespalkte oogen te kijken.
De luitenant hief het hoofd op en kon, ofschoon op iets akeligs voorbereid, nauwelijks een kreet van afschuw weerhouden.
Daarboven aan de poort, die men binnenreed, bungelden een tiental menschenhoofden aan de haren opgehangen. De meesten waren uitgedroogd, maar een paar schenen nog versch te zijn. Onder elk hoofd zag men een lange loodrechte donkere streep; het was van het afgedropen bloed. Er waren hoofden van grijsaards, van mannen met zwarte baarden en zelfs van jonge baardelooze knapen.
--Er is oproer, zeide Aroesi, in eene der provinciën, en het grootste gedeelte van het leger is er heen om den opstand te onderdrukken. Deze koppen zijn van opstandelingen afkomstig.
--Duivels! zeide Dries, ik vind dat ze hier eene eigenaardige en ongemeene manier hebben om de poorten te versieren; maar met dat al staat het leelijk.
Men ging verder, en de poort doorgegaan zijnde reed men een korten tijd nog tusschen hemelhooge, naakte, witte muren evenals in Tanger; geen venster, geene opening dan hier en daar een schietgat of lage deur. Alle straten waren nauw, donker en morsig, hier overdekt, zoodat men niet kon zien, daar open. Hier was de grond rijzend, daar ginds weder dalend. Bovendien zag er alles even bouwvallig uit. De muren werden overal geschoord. Sommige waren van boven tot onder gescheurd. Van anderen was reeds een gedeelte ingestort, en werd de weg door het puin versperd.
Een enkele maal slechts drong eenig geluid vanachter die muren tot het oor door. Eindelijk echter werden de straten minder nauw, en ontmoette men meer menschen. Hier en daar ontwaarde men ook overblijfselen, die fraaie proeven van den schoonen Moorschen bouwstijl opleverden. Het waren sierlijke bogen of poorten met allerlei grillige arabesken versierd. Links en rechts van de straat bevonden zich de bazaars; het waren, evenals te Tanger, nissen in den muur, waar de koopman stil zijn rozenkrans zat te bidden. Dáár was ook de bazaar van Aroesi, waarin zich nu zijn bediende bevond.
Opeens zag men bij het omslaan van een hoek, dat de nauwe straat aan het einde werd afgesloten door een huilenden, joelenden volkshoop.
Onwillekeurig hield het gezelschap halt; de luitenant en de kapitein grepen naar hunne pistolen.
De troep naderde op een draf schreeuwend en tierend, en onze vrienden hielden zich derhalve zoo dicht mogelijk tegen den muur om niet medegesleurd te worden.
Het voorwerp, dat de oorzaak van dien oploop was, deed onze vrienden verbleeken, want, nadat een hoop kleine halfnaakte jongens was voorbijgegaan, bemerkte men eensklaps te midden van het volk een paar soldaten, die een haveloozen, bijna naakten kerel van een woest uitzicht op een ezel tusschen zich in hadden. Die misdadiger, of wat hij was, leverde een erbarmelijk en afschuwelijk schouwspel op. De beide handen toch waren afgekapt en de stompen bloedden verschrikkelijk.
--Een dief, zeide Aroesi koel; men gaat hem de armen in kokende teer doopen om het bloed te stelpen.
--Zou de kerel daar nog van opkomen? vroeg de luitenant.
--Misschien, antwoordde Aroesi even koel. Als Allah het wil; zoo niet, dan sterft hij.
--Intusschen begrijp ik niet, zeide de kapitein, waarom hem de beide handen zijn afgehakt. Te Tanger heb ik de toepassing dezer straf meermalen gezien, maar nooit dat de beide handen werden afgekapt.
--'t Is misschien een groot misdadiger, zeide Aroesi, maar wij kunnen er naar vragen. En hij wenkte een Moorschen knaap, die den troep op een afstand volgde, en vroeg hem naar de reden dezer ongewone strafoefening.
--'t Is een gemeene dief, heer! zeide de knaap, men heeft lang moeten zoeken om hem te pakken. Eerst hadden de soldaten een onschuldige gevat en de kaïd liet hem de hand afhakken. Heden is echter de ware schuldige gepakt en de kaïd was zoo vertoornd op den dief, omdat hij een onschuldige had doen straffen, dat hij om het weder goed te maken den dief nu de beide handen heeft laten afkappen.
Aroesi deelde hen het gesprek mede; de luitenant en de kapitein keken elkaar hoofdschuddend aan.
--Verduiveld! zeide Dries; er is op de rechtvaardigheid van dezen kaïd niets af te dingen; alleen zou ik hem raden in het vervolg niet zoo haastig te zijn. De onschuldige en de schuldige zouden er bij gewonnen hebben.
Toen de bende was voorbijgetrokken, ging men verder, doch nauwelijks was men een tiental passen voortgegaan of een gespierde, magere, bijna geheel naakte heilige trad hun in den weg, en hoe onaangenaam onze Christenvrienden het ook vonden, kon men thans in de hoedanigheid van Mahomedaan niet anders doen dan zich de vrijpostigheid van dien kerel getroosten.
Schoon de heilige zich voordeed als een krankzinnige, kon men bij opmerkzame beschouwing wel zien, dat het slechts comediespel was. Hij had een sluw voorkomen en sloeg aanhoudend met gluipende blikken onze vrienden gade.
Aroesi liet eenig geld in de vuile hand vallen, en ook de luitenant en de kapitein haastten zich dat voorbeeld te volgen.
--Allah zij met u! zeide de kerel lachend, en ging ter zijde zonder nochtans den blik van onze vrienden af te houden. Daarbij speelde een zonderlinge glimlach om zijnen grooten mond en knikte hij aanhoudend zachtjes met het hoofd, alsof hij de oplossing van iets dat hij zocht, had gevonden.
Doch behalve Selam en Dries sloeg geen van allen acht op den smerigen vent.
Vooral Selam was het, die den kerel onderzoekend opnam, en op het oogenblik, dat hij hem eenige floe's in de geopende hand wierp, ontroerde hij.
Dries had die ontroering opgemerkt en vroeg Selam naar de oorzaak daarvan.
--'t Is niets, zeide Selam, 't was mijne verbeelding, die mij misleidde. Herinnert ge u nog die twee kerels, die in ons kamp kwamen in het land der Beni-Hassen, welke een onzer kameelen stalen en daarna poogden het paard van den luitenant te stelen.
--Ja zeker! zeide Dries, dien gij nog zoo onzacht hebt omhelsd.
--Juist, zeide Selam. Dan weet ge ook, dat zijn makker ontkwam door zich te paard te werpen.
--Ja, antwoordde Dries, maar wat heeft dat alles nu met dien heilige te maken?
--Wel, zeide Selam, toen ik dien heilige aandachtig beschouwde, meende ik in hem dien dief te herkennen.
--Wat! riep Dries, dien hond?
--Ja, zeide Selam, en ik meende zelfs, dat de kerel ons op eene vreemde manier aankeek en spottend lachte.
--Maar deze kerel is een krankzinnige heilige, merkte Dries op.
Selam schudde het hoofd.--Deze heilige is niet krankzinnig. Hij is evenmin een krankzinnige als een heilige; geloof mij, hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik in mijn vermoeden wordt versterkt.
--Maar als dat zoo is, en de kerel heeft ons herkend, zeide Dries dan zijn we verloren!
--Als Allah het wil, zeide Selam bedaard.
Opeens wendde Selam zich plotseling om en keek de straat langs.
In het midden der straat, dáár waar men zoo straks den heilige had ontmoet, stond deze onbeweeglijk in voorovergebogen houding met de hand boven de oogen onze vrienden na te kijken.
Selam ontroerde, en deelde zijne ontdekking aan Dries mede.
--Goed, zeide deze, zie niet meer om, de schoft zou argwaan krijgen. We zullen hem in het oog houden, en ik zal er straks den luitenant over spreken. God beware hem er echter voor zich op mijn weg te plaatsen, ik zou hem een kogel door de hersenen jagen. Maar wij mogen des nachts wel goed waken, Selam!
--Laat dat maar aan mij over, zeide deze; ik heb met den schelm nog een oude rekening te vereffenen.
Gedurende dit gesprek was men bij een der poorten gekomen, welke den zonderlingen naam droeg van »de Poort die zich opent." Juist toen men die voorbijging, kwam er uit eene naburige straat een Arabier op een ezel, welke met een zonderlingen last was beladen. Het waren eene menigte schapenkoppen, waarvan het bloed afdroop, en die tegen elkaar schommelden en bungelden bij elken tred van den vuilwitten ezel. De lange naakte beenen van den Arabier, die bijna den grond bereikten, waren, evenals de huid van zijnen viervoet, overal bespat en bevlekt met het bloed. Maar nog akeliger was het gezicht van den last, dien twee Arabieren torschten, met welke de Arabier op den ezel in druk en vroolijk gesprek was. Op eene ruwe berrie droegen zij een lijk naar de laatste rustplaats. De berrie was onbedekt en het lijk in een soort van grof doek gewikkeld. Het kleed liet de gedaante van den doode geheel uitkomen, daar het strak om het lijf getrokken en om de knieën, om het middel en om den hals met een touw saamgebonden was. Het kleed of de zak scheen te kort te zijn om er den doode geheel in te stoppen, zoodat het hoofd er buiten kwam en het afzichtelijk verwrongen gelaat deed zien, waarvan de groote oogen wijd open stonden.
[Illustratie: Maar nog akeliger was het gezicht van den last dien twee Arabieren torschten. Bladz. 128.]
Eene rilling doorliep het geheele gezelschap, en men haastte zich voort te komen. Een weinig verder kwam men langs de twee kolossale moskeeën, die van El-Karoeïn en Moelei Edris. Ongelukkig kon men van deze twee beroemde kerken niets zien dan de met fraaie Moorsche bogen prijkende voorhoven, eene menigte pilaren en fraaie met mozaïek versierde deuren, daar het den Christenen verboden is de moskeeën te betreden, en Aroesi was ondanks zijne vriendschap voor de Christenen en zijne meerdere beschaving toch een te goed Muzelman om een Christen in de moskee te brengen.
Wederom kwam men in drukke straten, waar aan beide zijden bazaars waren van allerlei zaken. De straten waren vol volk; Arabieren in hunne lange, witte kapmantels, die onhoorbaar voortgingen als waren zij geesten, kolossale negers, Mooren in schilderachtige kostuums, Joden die schuw voortsluipend zich snel voortspoedden, geldwisselaars, die op den grond zaten met groote hoopen van dat zware zwarte geld, dat zóó weinig waarde heeft, dat men om een paar gulden te wisselen een kruier zou noodig hebben om het te dragen, en oude Arabische vrouwen met ontbloote borst, doch zorgvuldig gesluierd.
En na de drukke straten geraakte men weder in de doode, stille, tusschen hooge muren ingesloten achterstraten, waar de paarden bijna uitgleden over den kleverigen grond of struikelden over doode honden of katten, waar een ondragelijke stank heerschte en men bestormd werd door dikke wolken van vliegen.
Midden in die straat kwam men weder een heilige tegen, die spiernaakt was en op eene wandelende ton geleek. De walgelijke kerel had het hoofd getooid met bloemen en vederen, alsof hij ter feest moest gaan. Een knuppel, dien hij nauwelijks kon torschen, droeg hij over den schouder. Hij liep waggelend als een beschonkene, en hield tusschenbeide stil om zijnen zegen uit te spreken tegen de naakte muren of, voor zoover zijne walgelijke dikte het hem toeliet, een paar bokkensprongen te maken. En onder alles door liet de kerel aanhoudend een eentonig gezang hooren. Hij ging ons gezelschap voorbij zonder er eens acht op te slaan, voortwaggelend en zingende. Een paar honderd passen verder vlijde de heilige man zich in den modder neder om een middagdutje te doen, vlak naast een half vergaan paard, aan welks stinkend lijk zich een troep ratten en kraaien vergastte.
--Nu, zeide Dries tegen Selam, die met hem den kerel had nagekeken, deze is wel degelijk gek, hoor!
--Ja, zeide Selam, Allah heeft hem het verstand benomen ten teeken zijner liefde. Nu is hij heilig.
--Een rare Allah, mompelde Dries. Ik kan niet zeggen, dat ik erg gesteld zou zijn op eene dergelijke voorkeur.
Eindelijk zag men eene poort voor zich en die doorgegaan zijnde, kwam men buiten de stad.
Hier eerst ademde men weder vrij. Want de tooneelen, van welke men getuige was geweest, hadden een diepen indruk op het gezelschap gemaakt. Als men daarbij nog de vrees voegt van herkend te worden door eenig niet te voorzien toeval, dan begrijpt men wat de kapitein zeide, toen men buiten de stad was gekomen:--'t Is alsof mij een mes van de keel wordt genomen, waarvan ik sedert eenige uren de punt heb gevoeld!
Na nog een eind weegs te zijn medegegaan, nam Aroesi afscheid, echter niet zonder beloofd te hebben hen den volgenden dag vroegtijdig te zullen komen afhalen om de wapenschouwing te zien, die de Sultan drie malen in de week over de troepen houdt, na wier afloop Aroesi hen uitnoodigde zijne woning te bezoeken en daar het middagmaal te gebruiken.
Het spreekt vanzelf, dat men dit aanbod van den gullen, beminlijken gastheer met graagte aannam, en nadat men hem hartelijk had dankgezegd, reed Aroesi heen en sloegen onze vrienden den weg naar het kamp in.
Zooals sedert vele dagen, was Fez ook thans het onderwerp van het gesprek tusschen den luitenant en den kapitein, toen men des avonds onder een schoonen sterrenhemel, onder het gemurmel van den Paarlstroom vóór de geopende tent zat te praten, en Dries was de aandachtige toehoorder.
--Fez, zeide de kapitein op eene aanmerking van den luitenant, is evenals Tanger een uitgestorven vervallen stad. Wanneer wij hare geschiedenis nagaan, bemerken we dat duidelijk. Hare stichting dagteekent reeds van het einde der achtste eeuw. Omstreeks dien tijd ontstond er, waardoor weet ik niet, eene scheuring tusschen de Abbassiden, die zich in twee partijen verdeelden en elkaar bevochten.
--Tot de partij, die het onderspit delfde, behoorde een zekere vorst, Edris-ebn-Abd-Allah, die, om zijn leven te redden, vluchtte naar Magreb, hier in den omtrek. Deze Edris begon nu een kluizenaarsleven te leiden, en werd buitengewoon vroom. De roep van zijne vroomheid bewoog de bewoners dezer streek, de Berbers, hem tot opperhoofd te kiezen. Thans vatte Edris ondanks zijne vroomheid de wapenen op, en begon hij zijn gezag overal te vestigen. Maar zijne vroomheid ging hand aan hand met zijne krijgstochten en al wat hij onderwierp, Joden, Christenen of Heidenen, werd gedwongen den Mahomedaanschen godsdienst aan te nemen. De fortuin begunstigde hem en zijne macht steeg met elken dag.
--Dit beviel echter den Oosterschen Kalif Haroen-al-Reschid in het geheel niet, en om een einde aan de macht van Edris en tevens aan zijn leven te maken, zond hij een persoon af, die zich onder de vermomming van geneesheer toegang tot Edris wist te verschaffen en hem vergiftigde.
--Doch Haroen-al-Reschid had er niet veel bij gewonnen. De Berbers toch hadden hun vorst te hoog vereerd om hem te vergeten. Zij bezorgden hem eene schitterende begrafenis en riepen zijn zoon Edris-ebn-Edris als Kalif uit en deze, even dapper en ondernemend als zijn vader, breidde de macht van zijn vader nog meer uit en werd de stichter van het Rijk van Marokko.
--Het was deze Edris, die den 3den Februari 808 den grondslag der stad Fez legde.
--Omtrent den oorsprong van den naam bestaan verschillende overleveringen. Zoo verhaalt men, dat zij dien naam heeft ontvangen naar eene kolossale bijl (eene bijl heet in het Arabisch fez) van zestig ponden zwaar, die men daar bij het graven vond. Eene andere overlevering verhaalt, dat de Kalif als een gewoon werkman medewerkte aan de stichting der stad en dat zijn volk hem uit dankbaarheid eene bijl ten geschenke aanbood, van goud en zilver vervaardigd, naar welke Edris uit dankbaarheid de nieuwe stad noemde.
--Weder anderen verhalen, dat er in zeer oude tijden op die plaats eene groote stad lag, die Zef heette, en dat Edris de stad den omgekeerden naam gaf. Ten slotte zegt eene vierde overlevering, dat de secretaris van den Kalif, zijnen vorst gevraagd hebbende, hoe de nieuwe stad zou heeten, ten antwoord kreeg, dat zij zou genoemd worden naar den eersten man, die men zou ontmoeten. De eerste persoon, dien men op straat ontmoette, werd naar zijn naam gevraagd. Deze man heette Ferez, doch daar hij hakkelde, kon hij zijn naam niet goed uitspreken en men verstond, dat hij Fez heette. Men doopte dus de stad Fez. De nieuwe stad breidde zich intusschen snel uit, zoodat zij reeds in de dertiende eeuw met de beroemde groote stad Bagdad gelijkstond.
--Dat is wel eene snelle ontwikkeling, merkte de luitenant op.
--Ja, zeide de kapitein, en om u een staaltje te geven van hare grootte en macht, zal ik aanvoeren, dat zij naar het verhaal vijf honderdduizend inwoners had, bestaande uit Mooren, Arabieren, Berbers, Joden, Negers, Turken en Christenen. Zij had dertig voorsteden en achthonderd moskeeën, waaronder zich de twee beroemde moskeeën bevonden, die wij heden hebben gezien. El-Karoeïn was en is nog de grootste moskee van Afrika. De fondamenten dezer moskee werden gelegd in het jaar 859 na Christus' geboorte op den eersten sabbath van Ramadan. De eerste kosten werden gedragen door eene vrome vrouw. Het was toen slechts eene kleine moskee, die echter later hoe langer hoe meer verfraaid en uitgebreid werd. Elke volgende Emir, Gouverneur of Sultan bracht iets bij tot hare vergrooting en verfraaiing.
--Men verhaalt betreffende haar rijkdom, dat op den spits van de minaret een gouden bal stond, versierd met paarlen en edelgesteenten, en in dien kostbaren bal stak het zwaard van den stichter van Fez, Edris-ebn-Edris. Binnen in de kerk hingen allerlei talismans tegen schorpioenen, ratten en slangen. Een spreekgestoelte was met ebbenhout ingelegd en versierd met ivoor en edelgesteenten. De talrijke bogen werden geschraagd door 270 kolommen; zij vormden zestien schepen, elk van een en twintig bogen. Er waren zeventien deuren, vijftien groote voor de mannen en twee kleine voor de vrouwen, en er waren zeventienhonderd lampen, die alleen in den nacht van den 27en Ramadan 3½ centenaars olie verbrandden. Kortom, de pracht van deze moskee was zoo oogverblindend, dat zij den geloovige te veel afleiding gaf. Vooral was dit het geval met een zekere nis, die naar Mekka gekeerd is. De Iman liet daarom deze nis witten. Deze moskee moet de ontzaggeljke hoeveelheid van 22700 personen hebben kunnen bevatten.
--Hoe jammer, zeide de luitenant, dat we er niet in kunnen komen.
--Pardieu! 't is een vervelend volk, die Mooren en Arabieren, zeide de kapitein. Wat hindert het hun, of wij hunne kerken bezoeken.
--Welnu, laten wij er ingaan, zeide Dries, elkeen zal ons voor echte geloovigen aanzien in onze Moorsche kleeding.
--Ik zou het niet gaarne wagen, zeide de kapitein, want wij zouden ons zelven verraden door onze handelingen. Niemand weet hoe een Mahomedaan zich gedraagt in zijne moskee; neen, mijn vriend de waaghals! dat is eene onmogelijkheid.
--De andere moskee, vervolgde de kapitein, de moskee van Edris, is de meest geëerde van geheel Afrika. De pelgrimstochten naar deze moskee waren voorheen even talrijk als die naar Mekka. Voorts had de stad Fez 90.000 huizen, 10.000 winkels en 86 poorten. Zij bezat groote en goed ingerichte hospitalen, prachtige baden, eene kostbare bibliotheek en scholen voor alle vakken van wetenschap, waar geleerden uit alle landen van Europa en uit het Oosten kwamen studeeren. Toen heerschte in de stad meer beschaving dan thans. Door hare handel en hare markten, waar de producten van drie werelddeelen, Europa, Azië en Afrika samenstroomden, kwam het in aanraking met geheel Europa. En wat is Fez thans. Eene vervallen, barbaarsche stad, die geen schaduw meer van hare vroegere grootheid heeft behouden.
--'t Is het lot van velen, zeide de luitenant. Groote en machtige steden en rijken verdwijnen, en onbekende worden daarentegen groot en machtig.
--Laat ik u ten slotte nog eenige staaltjes mededeelen van de familie van den regeerenden sultan, zeide de kapitein, want deze stamt niet van Edris af, en ik ben zeker, dat, wanneer gij hem morgen bij de wapenschouwing zult zien, zijn persoon er in uw oog te aantrekkelijker door zal worden, wanneer gij weet van welke familie hij afstamt.
--Laat hooren! zeide de luitenant.
--In het kort laten zich de grootste verdiensten van zijne voorgangers samenvatten in de woorden: dweepzucht en wreedheid, en de daaruit voortkomende wandaden.
--Verduiveld! zei Dries, eene leelijke beschuldiging, die ik niet gaarne van mijn vader of grootvader zou hooren.
--De familie of het geslacht van Fileli stamt af uit de provincie Tafilet aan de woestijn. Voor jaar en dag gingen eenige bewoners van Tafilet naar Mekka, en kwamen terug met een zekeren sherif Ali, een afstammeling van Mahomed. Korten tijd nadat deze Ali in Tafilet was aangekomen, werd het land zeer vruchtbaar en het klimaat gunstiger, zoodat onder anderen de dadels in buitengewone grootte en getal werden geoogst. Men schreef dezen zegen aan Ali toe en uit dankbaarheid koos men hem tot koning, onder den naam van Moelei Sherif. Zijne opvolgers wisten hun gebied hoe langer hoe meer uit te breiden en namen onder anderen ook Fez in. Zij verjoegen de regeerende dynastie, en sinds dien tijd hebben hunne nakomelingen over Marokko geregeerd.
--Luister nu, vervolgde de kapitein, welke beminnelijke vorsten zooal over Marokko hebben geregeerd.