Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen

Part 12

Chapter 123,962 wordsPublic domain

--Ik dorstte naar het nemen van wraak; doch Allah nam die taak op zich. Sid-Moessa, bevreesd voor de woede van zijne huurlingen, wist, na een paar sabelhouwen te hebben ontvangen, door eene kracht en volharding, die alleen de wanhoop hem schonk, de steile rotsen te beklimmen en naar boven te komen. Mijne krijgers lieten hem begaan, zeker als zij waren hem in handen te zullen krijgen. Als een gejaagd dier liep hij bovengekomen voort, en nauwelijks waren eenige oogenblikken verloopen of een boven alles uitklinkende kreet trof onze ooren, die zelfs voor een oogenblik het gevecht deed staken, zoo hevig was de uitwerking op ons allen. 't Was Sid-Moessa, die dien kreet had geuit. In zijn angst was hij blindelings voortgeloopen en na een paar honderd passen te zijn voortgehold, was hij van de hemelhooge rotsen gestort. Wij vonden hem des anderen daags liggen met verpletterden schedel en badende in zijn bloed. Aldus was het uiteinde van Sid-Moessa; van zijne bende ontkwam er geen enkele.

--Vreeslijk! zeide de kapitein.

--Ja, antwoordde de gastheer, maar kon ik anders? Het lot mij door Allah opgelegd, moet ik dragen, maar geloof mij mijne vrienden, het valt mij somtijds zwaar.

--Zie, vervolgde hij, hoe mijn leven is. Door de wreedheid van dien Sid-Moessa, dien Allah den dood eens honds heeft gegeven, ben ik een roover geworden. Toen, overal vervolgd, woonde ik in de spelonken en de holen der bergen; van de eene plaats verjaagd naar de andere had ik nooit rust. Dat doet het hart verharden. Een onverwacht voorval kwam mij toen te hulp.

--De bewoners der omliggende provinciën, en met name de Beni-Hassen, hadden in den laatsten tijd aan allerlei afpersingen bloot gestaan. 't Is de gewoonte, dat de sheik, die het hoofd van een duar is, en door de bewoners der duars zelven wordt gekozen, aan den gouverneur, die over de provincie is gesteld, jaarlijks in geld en producten een tiende van den geheelen oogst opbrengt, gemiddeld een halven gulden per stuk vee en vijftig gulden voor een stuk land, dat met twee ossen kan worden beploegd. Maar bovendien is men verplicht bij de voornaamste feesten, den Sultan een geschenk te geven, dat ongeveer twee en een halven gulden per tent bedraagt. Zoo dikwijls als er eene afdeeling soldaten, een pacha, een gezant of de Sultan door het land trekt, moeten de bewoners van elke plaats, die men voorbijtrekt, hunne geschenken aanbieden, bestaande in geld of levensmiddelen, juist zooals de gouverneur het verkiest.--Over het algemeen zijn de gouverneurs gewetenlooze schurken, wien het om niets anders te doen is dan spoedig rijk te worden. Ieder die geld bezit, staat bloot aan de ongehoordste afpersingen, die openlijk, zonder de moeite te nemen er een reden voor te zoeken, worden bedreven. Geld te bezitten, eenig vermogen te hebben, staat gelijk met een misdadiger te zijn. Men wordt op de onbeschaamdste manier vervolgd, totdat men geen penning meer bezit. Vandaar dat ge overal zooveel armoede aantreft. Wie geld heeft, stopt het in den grond en houdt zich doodarm. Sterft er iemand, die eenig vermogen nalaat, dan koopen de bloedverwanten de roofzucht van den gouverneur der provincie af, door een deel der nalatenschap als geschenk aan te bieden. Alles wordt met en door geschenken verkregen. Die recht vraagt, moet eerst den rechter met geschenken bewegen om recht te spreken. Die gestraft moet worden, de roover, de dief, de moordenaar, koopt door geschenken aan de overheden zijne vrijheid; hij eindelijk, die het ongeluk heeft geld te bezitten, koopt het rooven daarvan, en de straffen waaraan hij blootgesteld is, af door geschenken te geven zoolang hij geld heeft.

--Zoo is de toestand hier overal, en daardoor had men de bewoners der omliggende gewesten zoodanig afgeperst en tot woede gebracht, dat zij eindelijk weigerden den Sultan eenige schatting te betalen. Zij drongen door tot het huis van den gouverneur, sabelden alles neder wat er was, doodden hem met vrouw en kinderen, en staken zijn huis in brand. Daarna staken zij de vaan des opstands op en trokken de bergen in.

--Zoo stonden de zaken, toen men mij het bevel over de opstandelingen kwam aanbieden. De gelegenheid nam ik gretig aan, niet uit eerzucht, maar om misschien den een of anderen dag eene gelegenheid te hebben, mij op goede voorwaarden aan de regeering te onderwerpen en als hoofd van mijne duars erkend te worden, en zoodoende niet langer het leven van een roover te leiden.

--Intusschen nam de opstand eene grootere uitbreiding aan dan ik wel had gedacht, en spoedig vernamen wij, dat de soldaten van den Sultan in aantocht waren. Toen nam ik een kloek besluit, en allen die onder mijne vaan waren gekomen vereenigende, liet ik hen met al wat zij bezaten opbreken, en vestigde mij hier. Het leger van den Sultan liet niet lang op zich wachten. Het verscheen reeds kort daarna en begon zijne heldendaden met het neersabelen van de vreedzame landbewoners, die geen deel hadden aan den opstand; zij verwoestten de landerijen en verbrandden de duars, kortom hielden huis als duivels.

--Het getal vluchtelingen, dat hierheen stroomde, nam dagelijks toe; de een had een broeder te wreken, de ander eene vrouw, een vader, een kind. Doch daardoor geraakte de vijand ook met onze woonplaats bekend. Na lang genoeg geroofd, gemoord en gebrand te hebben, rukte het leger tegen ons op. De vijand legerde zich op eene vlakte hier in de nabijheid, en overmoedig als hij was, werden er niet eens schildwachten uitgezet, maar men vierde vroolijk feest met wat men had gestolen. Den kleinen troep opstandelingen minachtend, sliep het geheele leger rustig in, alsof er geen vijand nabij was. Om kort te gaan, wij overvielen hen dien nacht en sloegen hen totaal. Van het leger van den Sultan bereikte slechts een klein getal Fez, om de tijding der nederlaag over te brengen.

--Een paar maanden gingen voorbij, zonder dat ik iets vernam. Wel kwam ons nu en dan het gerucht ter ooren, dat er troepen tegen ons zouden worden afgezonden, maar mijn naam, die eene zekere vermaardheid had verkregen, en voornamelijk de sterke positie die we hier hebben ingenomen, was oorzaak dat men niet veel haast maakte, wel begrijpende, dat men misschien duizenden zou verknoeien zonder ons nog tot onderwerping te brengen.

--Intusschen begrepen wij dat de toestand zoo niet kon blijven, en op algemeen verlangen van mijn volk heb ik een paar uit hun midden met een rijk geschenk in geld als afgezanten naar Fez gezonden, onze onderwerping aanbiedende en belovende de gewone jaarlijksche schatting zonder meer weder geregeld te zullen uitbetalen onder voorwaarde, dat ik, door allen als Sheik van deze duars gekozen, als zoodanig door den Sultan zou erkend worden en dat wij onze vrije woonplaats hier zouden mogen behouden.

--En zoudt ge denken, dat de Sultan dit zal doen? vroeg Frank.

--Zeker! zeide de Sheik op verwonderden toon. Ik kan wel zien, dat gij niet bekend zijt met onze toestanden, anders zoudt ge weten dat meer dan één gouverneur, pacha of ander hooggeplaatst persoon op deze wijze tot zijne waardigheid is opgeklommen.

--Een wonderlijk land, zeide de luitenant.

--Ja, zeide de kapitein, ik vind het waarachtig eene aardige manier om eene betrekking te krijgen.

Nadat het gesprek nog een geruimen tijd had geduurd, besloot men eindelijk zich ter ruste te begeven, te meer daar inmiddels op Sid-Abd-Allah's last de kameelen waren opgespoord en teruggebracht. In de eene helft der tent werden nu de veldbedden opgeslagen en ons drietal begaf zich ter ruste, slechts door een dunnen wand van de slaapplaats des gastheers en diens gezin gescheiden.

Na een verkwikkelijken slaap, zooals men sinds het vertrek van Tanger nog niet had genoten, stond men met het krieken van den dag op. In de duars heerschte reeds de grootste bedrijvigheid en toen onze vrienden naar buiten kwamen, werden zij reeds dadelijk verrast door een groot aantal mannen, die beladen met allerlei geschenken vóór de tent op eene rij zaten neergehurkt. Het waren dezelfde roovers van gisteren, die de door den Sheik bevolen schatting kwamen brengen, de _monnah_, zooals de Arabieren het noemen.

Zoodra zij de tent uitkwamen, stonden de kerels op, en onder het gewone: »Vrede zij met u!" werden de verschillende geschenken aangeboden. Er was onder meer een halfdozijn schapen, eenige manden met eieren, minstens een paar dozijn kippen, voorts kommen met melk, brood, boter, suiker, enz. Toen alles door Selam en Mohammed in ontvangst was genomen en een der Arabieren een paar woorden had gesproken, gaf de Sheik hun een wenk en de mannen keerden terug vanwaar zij waren gekomen.

In allerijl werden nu de toebereidselen voor het vertrek gemaakt. Selam had met zijne gewone voortvarendheid reeds de kameelen beladen, en zoo goed mogelijk hersteld wat niet in orde was. Dank zij Sid-Abd-Allah's invloed was er niets gestolen, en nadat de luitenant een ander paard had gekregen in ruil voor het zijne, dat aan een der pooten was gewond, was alles weder in behoorlijke orde.

Het was een buitengewoon schoone morgen, toen men in de tegenovergestelde richting van die, waarin men bij Sid-Abd-Allah was gekomen, vertrok. Het was een even goed te verdedigen toegang als de beide anderen en eveneens bewaakt door eene wacht van Arabieren. Sid-Abd-Allah met een vijftigtal ruiters deed ons gezelschap een eindweegs uitgeleide en nam, na hun een geleide van tien man te hebben meegegeven, na een hartelijk afscheid den terugtocht aan.

--Zullen we elkaar ooit weerzien? zeide de luitenant vragend.

--Wie weet, zeide Sid-Abd-Allah. Gij gaat naar Fez. Misschien kom ik er ook wel.

--Goed, zeide de luitenant, in dat geval zien we elkaar weder; een zonderling voorgevoel zegt mij, dat we elkaar zullen weerzien.

--Maar, zeide de Sheik op het punt van te vertrekken, waar zult ge uw verblijf te Fez houden?

--Waarschijnlijk niet binnen, maar eerder buiten de stad, gaf de kapitein ten antwoord. Het zal voor ons te Fez niet veilig zijn.

--Gij hebt gelijk, antwoordde de Sheik. Maar in geval ge een vertrouwd persoon of veilig verblijf noodig hebt, begeeft u dan tot Aroesi, een koopman in dadels. Gij kunt hem in zijnen bazaar vinden. Uw gids zal hem evengoed kennen als elke inwoner van Fez. Hij is een der mijnen. Gij kunt hem in alle opzichten vertrouwen; zeg hem slechts mijn bijnaam als herkenningsteeken.--En na een laatsten hartelijken handdruk en een even hartelijk: »God behoede u op uw weg!" reed de Sheik met zijn gevolg spoorslags heen.

Thans begeleid door een escorte van tien man vervolgde men de reis, en dezelfde mannen, die gisteren als ware duivels met de wapens in de hand vóór onze reizigers stonden, beijverden zich nu om het zeerst hun van dienst te zijn.

Na het land der Beni-Hassen te hebben verlaten, trok men door dat van Sidi-Hassem, de eerste en eenige streek, die er volkrijk en welvarend uitzag, en waar ook de bewoners een beter voorkomen hadden dan ergens elders. Het was een soort van militaire kolonie, bestaande uit talrijke soldaten-familiën, die het leven van landbouwer leiden. Iedere jongen wordt soldaat en ontvangt reeds op zeer jeugdigen leeftijd, nog vóór hij in staat is de wapenen te hanteeren, soldij. Bovendien hebben zij het voorrecht, dat zij vrijdom van belasting hebben en dat hunne goederen, zoolang er een manlijke nakomeling bestaat, het eigendom van hun geslacht blijven. Voor al die voordeelen zijn zij verplicht, zoodra de Sultan hen voor den dienst oproept, de wapenen op te nemen en te gaan oorlogvoeren, waarheen hij ze zendt.

Den volgenden dag bereikte men Zeguta, eene zeer schoone plaats. Reeds lang vóór men aan deze plaats was gekomen, was de landstreek waardoor men trok bij uitstek fraai. Het was eene aaneenschakeling van prachtige valleien, met tarwe- en roggevelden en frissche groene weiden, aloë's, vijgeboomen, wilde olijfboomen, dwergeiken, rozen, myrthen en allerlei andere boomen en heesters; doch het vreemdste van alles was, dat men nergens eene bewoonde plek of tent aantrof. Het scheen een groote, fraaie, uitgestorven lusthof te zijn.

Maar schooner dan dat alles was de aanblik op Zeguta. Daar lag eene schoone vallei als eene reusachtige schelp, met vakken van allerlei kleur gevuld. Het waren de verschillende akkers, die naar het gewas, dat zij bevatten, verschillende kleuren vertoonden, en daarachter op de helling van den berg een gedeelte, dat er als een amphitheater uitzag. De helling was afgebrokkeld en vertoonde ongeveer eene groote half cirkelvormige trap. En dat alles werd gestoffeerd door verschillende schilderachtige groepen van menschen en dieren. Hier tenten, dáár eene kudde kameelen, ginder weder een koebah, troepen grazend of rustend vee en onbeweeglijke vrouwen- en mannenfiguren. Dit alles vormde een zoo schilderachtig geheel, dat men, hoewel het nog vroeg op den dag was, besloot hier het overige van dezen en den ganschen volgenden dag te vertoeven; want de luitenant kon de verzoeking niet weerstaan van dit fraaie landschap eene teekening te maken en op de verschillende vreemde gewassen, boomen en struiken jacht te maken naar insecten. Een rijke oogst van deze laatsten en eene fraaie teekening, benevens het vele schoone en vreemde dat men zag, deed onze vrienden dan ook geen leed gevoelen over het korte oponthoud, en slechts met weerzin scheidde men van deze plaats.

Hoe dichter men Fez naderde, hoe levendiger en bevolkter de landstreek werd. Duars, koebah's en tenten wisselden af met vruchtboomen, groepen palmen, enz. Tegen den avond trok men door een nauwen kronkelenden bergpas met hooge, steile rotswanden; dezen doorgegaan zijnde, was men aan de oevers van de Miches, eene der bijrivieren van de Seboe, waarna men kampeerde op een uitgestrekt heuvelachtig terrein, allerwegen bedekt met schoone graanvelden en vele duars. Deze vlakte, door de rivieren de Blauwe Bron en den Paarlstroom bespoeld, is eene der rijkste en vruchtbaarste streken van gansch Marokko.

De zon was nog nauwelijks aan den hemel of de kleine karavaan was reeds op weg gegaan. Iedereen verkeerde in eene opgewekte koortsachtige stemming, want dien dag zou men Fez bereiken. En waarlijk, na een tijdlang door eene vlakte, gelijk aan de vorige, te zijn getrokken, na heuvelen op en af te zijn gegaan, kwam men ten laatste op een smallen door hooge bergwanden begrensden weg, die alle uitzicht benam. En nauwelijks was men aan het eind, of Selam hield plotseling zijnen ezel in en met de hand recht voor zich uit naar de duistere omtrekken van eene stad wijzend, riep hij met eene heldere stem:--Ziedaar Fez, de heilige stad!

Allen hielden stil en gedurende eenige oogenblikken kon men een speld hooren vallen. Sprakeloos van verwondering en vreugde staarde het kleine gezelschap naar dat bosch van torens, minarets en palmen, naar die geheimzinnige stad, door de eene heilig, door de andere verschrikkelijk genoemd. Alleen de kapitein verbrak de stilte.--O Fez! mompelde hij, o geheimzinnige stad! wat zult ge voor ons zijn, de heilige of de verschrikkelijke?

XIII.

FEZ, DE STAD DER VERSCHRIKKING.

Eindelijk was dan het doel der reis bereikt, en de vele hinderpalen op hunnen weg hadden slechts gediend om hen des te meer naar het doel te doen verlangen. Dáár voor hen, op slechts een paar uur afstands lag Fez, de geheimzinnige stad, door zoo weinigen bezocht en dientengevolge zoo weinig bekend. Het was dus geen wonder, dat een gevoel van huivering zich onwillekeurig van ons gezelschap meestermaakte, en men elkaar eenige oogenblikken aanzag als om te zien, of zich datzelfde gevoel van onverklaarbaren angst van ieder had meestergemaakt.

Doch de luitenant en de kapitein waren er de mannen niet naar, om een eenmaal opgevat plan uithoofde van nog onbekende gevaren op te geven. Eenmaal vóór de poorten van Fez, zou het dwaasheid zijn geweest zich uit vrees voor hetgeen kon gebeuren terug te trekken, en hoe weinig aangenaam die snel voorbij gaande gewaarwording ook was, dacht toch niemand eraan van terugkeeren te spreken.

Besloten zich niet terstond naar de stad te begeven, maar eerst eens te overleggen hoe te handelen, gaf de luitenant last het kamp op te slaan aan den oever der rivier den Paarlstroom. Daarna bedankte hij het escorte van Sid-Abd-Allah voor hun geleide, schonk iederen ruiter een paar geldstukken, waarmede zij zeer tevreden waren, en de woeste Beni-Hassen vertrokken volgens gewoonte met lossen teugel in eene wolk van stof.

In korten tijd waren de tenten opgeslagen, de kameelen ontpakt en vleide ieder zich op de gemakkelijkste manier neder. De paarden, ezels en kameelen graasden met graagte rond, en de kapitein, de luitenant en Dries zaten weldra onder het genot van een kopje geurige koffie en eene dito sigaar het gewichtige punt van het bezoek aan Fez te bespreken.

De eerste vraag, die werd opgeworpen, was natuurlijk, hoe men er zou komen. Trok men er eenvoudig heen in de Europeesche kleeding, waarin men tot nu toe had gereisd, dan was het tien tegen een dat men niet eens de stad zou binnenkomen. Tanger en Alkazar hadden hun reeds het gevaar doen zien, dat de Christen loopt in de steden van Marokko. En die beide steden werden nog het meest door Europeanen bezocht, en hare bewoners kwamen het meest van alle stedelingen met de Christenen in aanraking. Wat zou het dan niet te Fez, de barbaarsche hoofdstad, het middelpunt der barbaarschheid zijn. Wat men ervan had gehoord, was van dien aard, dat men er bijna zeker van kon zijn door het fanatieke volk vermoord te zullen worden vóór men goed de stad was binnengekomen, en als men daarvan nog niet overtuigd was, zou Selam hen er van overtuigen, wiens raad er over werd gevraagd.

--Waar denkt gij aan, Heer! in die kleeding Fez binnen te gaan? Gij zoudt in stukken gescheurd zijn vóór gij iets hadt gezien van Fez, en uwe hoofden zou men boven de poorten plaatsen. Allah behoede u voor dat plan! Gij moogt Allah niet verzoeken.

--Welnu, zei de kapitein, is de zaak zoo, dan zullen wij den Arabischen kapmantel over onze uniform aantrekken en onze wapens er onder verbergen. Met den kap over het hoofd getrokken zullen we met onze door de zon verbrande aangezichten er uitzien als Arabieren.

Maar de luitenant schudde het hoofd.--Hebt ge er de proef al eens van genomen? vroeg hij glimlachend. Zie, even belachelijk als een neger er uitziet met een zwarten rok en cilinderhoed, even belachelijk zouden wij er uitzien in het Arabisch gewaad. Het Arabische kleed moet men, om zoo te zeggen, van jongs af dragen om het goed te doen. De domste Arabier zou onder den kapmantel dadelijk den Christen herkennen. Die schilderachtige ongedwongen manier om een eenvoudigen mantel te dragen is voor ons niet mogelijk.

--Wat dan gedaan? vroeg de kapitein.

--Wat zoudt ge denken van de Moorsche kleeding? Mij dunkt, dat zou beter gaan. Onze lichte huidkleur kan ons voor Mooren doen doorgaan. Ge weet, er zijn er onder, die bijna zoo blank zijn als een Europeaan, en de groote tulband bedekt het grootste gedeelte van het hoofd.

--Verduiveld! riep de kapitein opspringend, ge hebt gelijk, mijn vriend; daaraan had ik nog niet gedacht.

En Selam knikte tevreden, ten bewijze dat hij het raadsel goed vond opgelost.

--Maar hoe er aan te komen? vroeg de luitenant.

--O! zeide Selam, ik ken Fez van het begin tot het einde, en een paar Moorsche kostumes zijn gemakkelijk te verkrijgen.

--Dat geloof ik wel, zeide de luitenant; maar wie zegt u, dat de een of ander geen argwaan tegen u zal opvatten en u misschien zal volgen om te zien waar gij heengaat. Stel dat zoo iets plaats had, dan zouden al onze plannen in duigen vallen, want als de eene of andere fanatieke Arabier wist, dat hier een gezelschap Christenen kampeerde, die vermomd de stad bezoeken, ware dit reeds genoeg om ons al het gepeupel van Fez op den hals te halen.

Selam zweeg.

--Maar wij moeten die kleederen toch hebben, riep de kapitein, hoe zullen wij ze anders krijgen?

--Ja, hoe? vroeg Dries.

De luitenant dacht eenigen oogenblikken na.

Opeens glimlachte hij.--Te duivel, riep hij, dat ik daaraan niet eerder heb gedacht. Ik heb het gevonden!

--Laat hooren? zei de kapitein.

--Aroesi is onze man.

--Aroesi? vroeg de kapitein, die zich dien naam niet meer herinnerde.

--Aroesi? vroeg Selam verwonderd; de koopman in dadels?

--Ja, Aroesi, zeide de luitenant, de man ons door onzen vriend Sid-Abd-Allah aanbevolen voor het geval, dat wij een vertrouwd persoon mochten noodig hebben.

--O, parbleu! riep de kapitein. Ik herinner het mij; ja, die kan ons helpen!

--Gij kent dien Aroesi dus, Selam? vroeg Frank.

--Wie zou dien niet kennen? antwoordde Selam; Aroesi, de koopman in dadels, de tolk van alle vreemdelingen, de wijste en godsdienstigste onder de kooplieden van Fez, de dapperste van alle Mooren en, naar men zegt, ook de rijkste.

--Ge noemt daar nog al iets op, zeide de kapitein; het schijnt dat we met een gewichtig persoon te doen zullen hebben--Sid-Abd-Allah heeft goede vrienden.

--Welnu, Selam! luister, zeide de luitenant; daar ge dien Aroesi kent, ga tot hem, neem dit horloge mede, want de bewoners van Marokko schijnen zeer op geschenken gesteld; bied hem dit uit mijnen naam aan, zeg dat vrienden van »den geweldige" zijne diensten noodig hebben en geleid hem tot ons.

--Zal hij dan komen? vroeg Selam.

--Welzeker! zeide de luitenant. Hij zal u begrijpen.

Selam boog, en na zijnen vriend Mohammed de zorg voor het kamp te hebben opgedragen, besteeg hij zijn getrouwen witten muilezel en vertrok vroolijk en welgemoed in flinken draf in de richting van Fez.

Na verloop van een paar uren zag men Selam in galop aankomen, gevolgd door een Moor met zijnen bediende. Beiden waren op schoone muilezels gezeten, terwijl de bediende een derden ezel aan den toom medevoerde, welke met een paar manden was beladen.

Toen men het kamp was genaderd, steeg de Moor af en naderde eerbiedig buigende het gezelschap zonder echter dien slaafschen eerbied ten toon te spreiden, welke aan vele Mooren eigen is.

Hadden onze vrienden gedacht in Aroesi een gewoon koopman aan te treffen, zoo zagen zij zich daarin deerlijk bedrogen. Aroesi was een der schoonste Mooren, die men tot nu toe had ontmoet.

Zijne hooge welgevormde gestalte, gevoegd bij zijn open gelaat, verrieden een flink man. De kleur van zijne huid deed in blankheid niet onder voor die der Europeanen. Zijne kleine bruine oogen blikten vrij en onbevreesd rond. Hij droeg een langen kastanjebruinen baard. De kleine blanke handen waren zoo fraai, dat menige vrouw hem die zou benijd hebben. Het eenvoudige gewaad, dat hij droeg, was smaakvol en rijk versierd.

De luitenant en de kapitein waren even verwonderd bij den aanblik van dezen man. Zijn kloek en edel voorkomen trof hen zoozeer, dat beiden onwillekeurig opstonden en buigende hem de hand drukten.

Na hem te hebben verhaald, hoe zij bekenden, ja vrienden van den geweldige waren geworden, en na diens aanbeveling om Aroesi op te zoeken te hebben medegedeeld, deed de luitenant hem hun plan kennen om in Moorsche kleeding Fez te bezoeken.

--Uw plan is het eenige uitvoerbare, zeide Aroesi. Ik zal u morgen vóór zonsopgang drie stel kleederen zenden en zelve medekomen om u een weinig behulpzaam te zijn in het vermommen. Daarna zal ik u vergezellen op uwen tocht. Gij zult doorgaan voor kooplieden uit Tanger. In mijn gezelschap zal niemand u voor Christenen aanzien. Mogt ge soms genegen zijn een paar dagen uw intrek bij mij te nemen, dan staat mijn huis voor u open, zoolang gij te Fez zult vertoeven.

Na voor dit heusche aanbod, zoowel door den kapitein als door den luitenant, hartelijk te zijn dank gezegd, stond Aroesi op om weder te vertrekken. Inmiddels had zijn bediende de medegebrachte manden en doozen uitgepakt, welke gevuld waren met allerlei vruchten, boter, eieren, hoenders enz., hetwelk Aroesi aanbood, en hoe de luitenant zich ook mocht verzetten tegen het aannemen van dit geschenk zonder eenige vergoeding, wilde Aroesi daarvan volstrekt niets weten, en was hij slechts na veel praten te bewegen om zijne bedienden een klein geschenk in geld te doen aannemen.