Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen
Part 11
--Ziezoo! zeide de luitenant, nadat men weder in veiligheid was, ik geloof, dat de schurken vooreerst hun bekomst hebben. Als ik mij niet vergis, zijn er thans minstens vier-en-twintig buiten gevecht gesteld, dat is ongeveer de helft.
--Bij God! zeide de kapitein, ik geloof dat zij een weinig eerbied voor de vereenigde Nederlandsche en Fransche wapens beginnen te krijgen.
--Onze schuld is vereffend, kapitein! zeide Dries. Als gij mij niet te hulp waart gekomen, was het met mij gedaan geweest, en ook u, luitenant, ben ik dankbaar; aan u beiden ben ik het leven verschuldigd!
--Ba! zeide de kapitein, ik heb slechts de helft afbetaald. Er blijft nog een gedeelte over, mijn vriend!
--Nu, ge hadt het benauwd genoeg, zeide de luitenant; mijn kogel kwam juist van pas.
--Een meesterlijk schot! zeide de kapitein. Ik geloof, dat de schoelje zijn arm niet meer zal opheffen voor het bedrijven van eene misdaad.
--Maar kijk eens, de ellendeling leeft nog! riep de luitenant. Ziet, en hij wees naar den kerel, die zich bewoog.
[Illustratie: Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af. Bladz. 103.]
Nog éénmaal richtte de roover zich op, en het gelaat naar het Oosten wendend, riep hij met zwakke stem:--God is groot en Mahomed is zijn profeet! Vloek over u, honden van Christenen; God verdelge u!
Meer kon hij niet uitbrengen. Eene hevige stuiptrekking overviel hem, en het hoofd buigend stortte hij voorover op den grond en gaf den geest.
Dit voorval maakte voor een oogenblik een pijnlijken indruk op het geheele gezelschap. Het ontzettende van het tooneel deed hen rillen, en allen keken somber voor zich zonder een woord te spreken, totdat eene beweging onder de rooverbende hunne opmerkzaamheid gaande maakte.
De bijna tot op de helft verminderde troep maakte hoegenaamd geene aanstalten om den aanval te herhalen, maar scheen raad te houden. Het duurde een geruimen tijd, eer men een besluit had genomen. Toen zag men een troep van tien ruiters zich afzonderen, de losse paarden der gevallenen bij elkaar koppelen en na de gewonden daarop gelegd te hebben, vertrok een escorte van acht man met hen, terwijl twee ruiters zich in vliegende vaart elk naar een verschillenden kant spoedden. Het overige gedeelte van den troep bleef op de plaats.
De belegerden keken elkaar vragend aan; doch de kapitein loste spoedig het raadsel op.
--Ha, ha! riep deze, ik begrijp de schurken; na hunne gewonden weggezonden te hebben, zenden zij die twee ruiters uit om versterking.
--Wat te doen? vroeg de luitenant besluiteloos.
--Luister, zeide de kapitein, ik stel voor te vertrekken.
--Vertrekken? vroeg de luitenant verwonderd, vóór wij een paar honderd pas zijn voortgegaan, hebben wij de geheele bende op het lijf en wij worden neergesabeld als honden.
--Integendeel, antwoordde de kapitein. Geloof mij, ik ken dat volkje. Thans zijn er nog slechts een paar dozijn over. Die kunnen wij ons gemakkelijk van het lijf houden, want de kerels hebben ontzag gekregen voor onze voortreffelijke geweren. Wachten wij echter tot zij versterking hebben ontvangen, dan zullen zij ons met eene verpletterende meerderheid op het lijf vallen, en hoe goed wij ons ook verdedigen, wij zullen het onderspit moeten delven. Maken wij dus gebruik van de gelegenheid en laat ons spoedig voortmaken; misschien bereiken wij gindsche bergen nog vóór hunne versterking is aangekomen en eenmaal dáár, zullen we wel zien van hen ontslagen te worden.
--Gij hebt gelijk, riep de luitenant. Vooruit, aan het werk! En in minder tijd dan men het kan vertellen, was een ieder klaar, en begon de kleine stoet den heuvel af te dalen.
--Ga gij met Dries en Selam in de voorhoede, zeide de kapitein tegen Frank. Ik zal met Mohammed de achterhoede uitmaken. Wij laten de buksen maar goed spreken; elken schelm, die onder ons bereik komt, schieten we zonder mededoogen neer.
Met de wapens in de hand trok men af. Doch nauwelijks zagen de Beni-Hassen hen de vlakte betreden, of zij wierpen zich te paard en hadden in een oogwenk den troep omsingeld in een wijden kring, echter zorgende buiten het bereik der kogels te blijven.
Met den kameel in het midden, de geweren in de hand, gereed om te vuren, trok men langzaam voort. En rondom dien kleinen maar dapperen troep sprongen en draafden de Beni-Hassen als duivels, allerlei vervloekingen uitstootende. Nu en dan waagden een paar zich dichter bij. In vliegenden galop aanrennende, wendden zij op een zekeren afstand eensklaps den teugel en schoten onder het terugtrekken hun lang roer op hen af.
--Ba! wat schreeuwers, zeide Dries, die naast den bedaarden luitenant reed. Kon ik ze maar eens even onder schot krijgen.
--Ja, daar passen zij wel op, zeide de luitenant. Zie, dien kerel dáár met dien rooden doek om den kop, deze is al een van de brutaalsten. Wacht, daar komt hij weder. Ik wil toch eens probeeren, hoever mijn geweer wel draagt.
Tot op meer dan duizend pas genaderd, hield de kerel stand, schoot zijn geweer af, wierp het daarna in de hoogte, ving het onder het vallen op en reed terug. Doch dadelijk daarop naderde hij weder en nu gelijken tred houdend met de karavaan, wierp hij onder een vliegenden galop aanhoudend zijn geweer in de hoogte en ving het op. Eindelijk deed hij, hetzij bij ongeluk of opzettelijk een misgreep en het geweer viel in het zand. In zijne vaart stoof hij het voorbij, doch bliksemsnel wendend reed hij terug en in vollen ren boog hij zich aan de rechterzijde over, zijne lange magere beenen om zijn paard geklemd houdende, en greep het geweer van den grond, een toer, die de knapste kunstrijder hem misschien niet zou nadoen. Toen, zijn geweer zwaaiend, naderde hij nog dichter onder het uitschreeuwen van een stroom van scheldwoorden, uittartingen en bedreigingen.
--Komaan, snoever, houd den mond! riep de luitenant, en hij zette zijn geweer tegen den schouder.
Nauwelijks bemerkte de roover die beweging, of hij trok snel terug.
Doch te gelijkertijd trok de luitenant af, en met den knal stortten ruiter en paard neder.
--Jongens, riep Dries, dat noem ik een schot, op meer dan duizend pas! Maar zie, de kerel schijnt ongedeerd; slechts zijn paard is getroffen.
Werkelijk had de ruiter, wiens paard doodelijk getroffen was, zich onder het dier uitgewerkt en zette hij het op een loopen naar zijne makkers. Maar eer hij een honderd pas ver was gegaan, trof hem een kogel van Selam, die hem op zijn lastdier was achternagesneld.
--'t Is jammer van den vent, zeide Dries, toen hij hem zag vallen.
--'t Is alweer een vijand minder, zeide de luitenant bedaard.
Een algemeene aanval van de roovers volgde op den dood van den waaghals. Een regen van kogels vloog over en door den kleinen troep, doch ook zij waren op hunne hoede geweest en een paar kerels, die zich wankelend in den zadel hielden, leverden het bewijs, dat de kogels weder nieuwe slachtoffers hadden gevonden.
Van alle kanten omringd en onder hetzelfde spel van galoppeeren en vuren, zette men den weg voort en reeds vorderde men goed, toen opeens eene stofwolk achter hen de aankomst der versterking aankondigde. Eensklaps zag men uit die stofwolk de paarden en ruiters te voorschijn komen, allen om het snelst rijdend. In weinige oogenblikken waren zij tot zeer dichtbij genaderd, en na zich met de vorigen te hebben vereenigd, vloog de troep als eene bende losgelaten duivels op de kleine karavaan aan.
Vast aaneengesloten wachtte deze hen af. Men begreep, dat niets dan een wonder hen zou kunnen redden en men was besloten liever te sterven dan zich over te geven.
Het tumult, dat nu volgde, was ontzettend en ging alle beschrijving te boven. Na eenige malen de geweren te hebben afgevuurd werd men handgemeen, en gedurende eenige oogenblikken zag men slechts eene ontzettende stofwolk, waartusschen men hier en daar een paard of een ruiter zag uitkomen en hoorde men niets anders dan het gekletter der sabels, het knallen der revolvers en de aanmoedigingskreten en verwenschingen van beide partijen. Hier renden paarden zonder ruiters rond, dáár vluchtte de losgeraakte beladen kameel. Het was een opeengepakte hoop, waarvan de handvol dapperen het centrum uitmaakte. Elke slag van hen trof zijn doel, en hoe snel de roovers ook opdrongen en hoe onstuimig hun aanval ook was, het had hun nog niet mogen gelukken hen te dooden of gevangen te nemen. Als een muur stonden zij daar onwrikbaar, geen voet breed wijkende tot eindelijk een der ruiters, zijn paard tot een hevigen sprong dringende, eene bres maakte in het kleine carré en zij daardoor van elkaar werden gedrongen.
De kapitein en Dries vochten als een paar razenden, nu dezen dan dien aanvaller het hoofd biedend. De luitenant had zijne gewone koelbloedigheid behouden, lette op alles, en schermde even bedaard met elke tegenpartij die zich op zijn weg plaatste, alsof hij op eene schermpartij was. Selam en Mohammed, als een paar echte zonen van het land, vochten met al de woede en doodsverachting van den Mahomedaan, en het duurde dan ook niet lang of onze Mohammed was geheel buiten gevecht gesteld, terwijl Selam, aan den arm gewond, zich nog slechts met moeite verdedigde. Wat de kameeldrijvers betreft, door het verschrikte dier medegesleept, had de eene ongelukkig den dood gevonden onder de hoeven der paarden, terwijl de andere gevangen was genomen tegelijk met zijn lastdier.
Ongelukkig brak, door een hevigen kolfslag, de sabel van den luitenant juist op een zeer gevaarlijk oogenblik. Hij gaf echter daarom den strijd niet op, maar het paard van zijne tegenpartij bij den teugel grijpend, stak hij het zijn ponjaard in de borst. Het dier steigerde en zou zijnen bereider in zijn val hebben medegesleept, zoo deze niet snel op den grond was gesprongen. Op hetzelfde oogenblik steigerde ook het paard van den luitenant en wierp dezen van zich af.
Als een leeuw stortte de Arabier zich nu op zijnen vijand, en beiden hielden elkaar omstrengeld, worstelende wie de bovenhand zou krijgen.
De luitenant was een gespierd man en zijne buitengewone bedaardheid gaf hem een groot overwicht over zijnen vijand. Reeds spoedig zag deze dan ook, dat hij met geen te minachten partij worstelde; eene handige beweging van den luitenant deed den kerel het evenwicht verliezen, waardoor hij zoodanig met het hoofd op den rotsigen bodem terechtkwam, dat hij voor dood bleef liggen. Doch op hetzelfde oogenblik voelde de luitenant de koude tromp van een pistool in den nek. Eene bliksemsnelle beweging deed het schot missen en te gelijk stortte de Arabier, die dat schot had gelost, door een sabelhouw van den kapitein getroffen met gespleten schedel in zijn bloed badend neder.
Doch hoe fel de tegenstand ook was, het einde was gemakkelijk te raden en het was nog slechts eene kwestie van eenige oogenblikken. De zekerheid hier den dood te zullen vinden, deed echter onze vrienden het onmogelijke tot stand brengen.
Doch eensklaps, op hetzelfde oogenblik, dat de Beni-Hassen de handvol dappere tegenstanders dreigden te verpletteren, klonk eene donderende stem den strijdenden tegen en een ruiter in rijke Arabische kleeding, de Turksche kromsabel in de vuist, stortte zich in hun midden hun een krachtig: »Houdt op!" toeroepende.
De ruiter, die zoo juist van pas kwam om onze dapperen te redden, was Sid-Abd-Allah, de geweldige.
XII.
SID-ABD-ALLAH, DE GEWELDIGE.
Op de verschijning van Sid-Abd-Allah staakten de Beni-Hassen eensklaps het gevecht en een gemompel van verwondering doorliep den roovertroep.
Die verwondering nam echter nog meer toe, toen de Arabier op onze vrienden toerijdende, hen met de grootste hartelijkheid de hand schudde en hen met beleefdheden overlaadde.
--Allah is groot! zeide de Arabier, hun de hand drukkende; hij heeft mij u ter hulpe gezonden, u, aan wie ik een schuld van dankbaarheid heb af te doen. Vreest niets meer, gij zijt gered! En zich tot de roovers wendende, fronste hij de wenkbrauwen, en na hen eenige oogenblikken toornig te hebben aangezien, zeide hij:
--Een ieder begeve zich ten spoedigste naar den duar waar hij woont, en daar gij mijne vrienden hebt aangevallen, zult gij zorgen hun morgen bij het opgaan der zon den monah aan te bieden als een zoenoffer voor uwe schuld. Gaat!
En die woeste roovertroep, de Beni-Hassen, die daar verlegen als schooljongens hadden gestaan onder den vreeslijken blik van Sid-Abd-Allah, vierden de teugels en verdwenen in eene wolk van stof, snel als de wind, verheugd er zoo goed af te komen.
--Na al hetgeen er is voorgevallen, zeide Sid-Abd-Allah, zult ge er zeker niet tegen hebben mij de eer aan te doen om voor hedennacht uwen intrek in mijne tent te nemen, ten einde u te herstellen van de doorgestane vermoeienissen en om uwe ontredderde bagage na te zien.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat dit aanbod gretig werd aangenomen. Het was toch onmogelijk, zooals de zaken thans stonden, te vertrekken. De tweede kameel was door de Beni-Hassen weggevoerd; Selam, Mohammed en Dries hadden min of meer ernstige wonden bekomen, en een der drijvers was vertrapt in de verwarring van den aanval. De luitenant had eene onbeduidende wond aan het voorhoofd, maar die hem echter hinderde. Om van den schrik te bekomen en de orde te herstellen was derhalve de aanbieding van Sid-Abd-Allah niet te verwerpen, en onder een levendig gesprek begaf men zich op weg naar den duar van Sid-Abd-Allah.
De richting naar de bergen inslaande, was men zeer spoedig in een zeer langen nauwen bergpas gekomen. De rotsen verhieven zich ter weerszijden als muren steil in de hoogte. Hier en daar stond eene kleine groep struiken of een eenzame boom. Aan den ingang van den pas zat een Arabier op een der hoogste rotspunten. In zijn donkerbruinen mantel gehuld, was hij nauwelijks van de rotsen te onderscheiden. Zijn lang geweer lag hem dwars over de knieën. Het was een schildwacht van Sid-Abd-Allah, die den toegang naar de woonplaats zijns meesters bewaakte, want deze nauwe bergpas, waar nauwelijks een paar ruiters naast elkaar konden gaan, was een der toegangen tot de woonplaats van den Arabier. Aan het eind van dezen weg kwam men eensklaps op eene kleine vlakte. Slechts één tent stond daar in het midden onder eene groep vijgeboomen en een vijftal Arabieren lag in de schaduw uitgestrekt, terwijl aan het eind van den bergpas, eveneens op de rotsen, een tweede schildwacht was geplaatst.
De kleine vlakte, omgeven door hooge bergen, was met welig groene weiden bedekt, waarin een twintigtal fraaie Arabische paarden liep, die rustig graasden naast eene kudde schapen.
Zoodra men deze vlakte betrad, sprongen de wachthebbende Arabieren eensklaps op, doch Sid-Abd-Allah wenkte hen met de hand toe, dat zij rustig konden blijven liggen. Echter bleven zij in eene eerbiedige houding staan tot de kleine troep was voorbijgetrokken, en men kon op die stoute gebruinde tronies, door menig litteeken geteekend, de groote verbazing lezen, die zich van hen had meestergemaakt door hun opperhoofd in dusdanig gezelschap te zien.
--Dit is een mijner voorposten, zeide Sid-Abd-Allah. Het is onmogelijk mijne woonplaats te naderen zonder te worden gezien.
--Ik moet u mijn compliment maken over uwe maatregelen, zeide de kapitein; inderdaad als de andere toegangen tot uwe woonplaats aan deze gelijk zijn, is uwe vesting bijna onneembaar.
Sid-Abd-Allah glimlachte.--Ja, zeide hij, ik ben wel gedwongen voor mijne veiligheid te zorgen; deed ik dat niet, dan zou mijn hoofd reeds sinds lang op de poorten van Fez te pronk staan.
Na de vlakte dwars overgegaan te zijn besteeg men een zijpad, hetwelk zoo smal was, dat men moest afstijgen en de paarden bij den teugel medevoeren. Voorgegaan door Sid-Abd-Allah en zijn neger, kwam men in een korten tijd op eene groote uitgestrekte vlakte, waar zich aan de blikken van onze verbaasde reizigers een groot aantal bewoonde hutten vertoonde. Het waren de duars van Sid-Abd-Allah.
Op ettelijke plaatsen dier vlakte verhieven zich de verschillende duars. Er waren er tien. Elke duar bestond uit een vijftien- of twintigtal tenten op twee rijen geplaatst. De evenwijdige ruimte daartusschen vormde een achthoekig pleintje, dat aan beide einden open was. De tenten geleken allen op elkaar en waren zeer eenvoudig saamgesteld. Twee palen en twee dikke rieten stokken verbonden met een dwarshout vormden zoo de nok, waarover een groot donker gekleurd zeil van schapen- en kemelshaar, of uit de vezels van den dwergpalm vervaardigd, was geworpen, dat boven den grond een weinig was opgehaald om vrijen doorgang aan de lucht te verschaffen. Rondom elke tent was bovendien eene lage schutting van riet en droge takken. Des winters laat men het zeil tot op den grond neder, en bevestigt het met touwen aan in den grond gestoken pinnen. Hoe licht en weinig soliede deze tenten nu ook mogen schijnen, zijn zij toch werkelijk uitmuntende woonplaatsen, die des zomers koel en frisch en in den regentijd droog zijn. De meeste tenten der verschillende duars hadden eene lengte van 8 à 10 meter en eene hoogte van 2 à 2½ meter. In het midden van den middelsten duar verhief zich eene veel grootere. Het was de tent van Sid-Abd-Allah, waarheen men zich begaf.
Eene vroolijke drukte heerschte er in deze Arabische duars. Groote troepen half- en geheel naakte kinderen speelden overal. Hier en daar zaten de vrouwen aan den ingang, weefden roode stoffen of draaiden touw uit vezels van den dwergpalm. Anderen waren bezig met het malen van graan. Op een paar plaatsen was een groepje nieuwsgierigen vereenigd rondom een ouden Arabier, die op zijne levendige manier aan het verhalen was. Natuurlijk hielden allen dadelijk bij het verschijnen van het gezelschap op met hunne bezigheden en verdrongen zich rondom de gasten. Doch een donkere blik van den gastheer was voldoende om de nieuwsgierigen op een behoorlijken afstand en rustig te houden.
Eindelijk was men onder dak. De tent was bij uitstek fraai. Een wand van biezen verdeelde haar in twee gelijke deelen. In de eene afdeeling sliep de Sheik en zijne vrouw, in de andere de kinderen. De vloer was belegd met van wilgetakken gevlochten matten. Het overige huisraad bestond uit een paar groote kisten van bont beschilderd en bewerkt hout, waarin de kleederen werden geborgen, een ovalen spiegel, een weefgetouw van denzelfden vorm als in den tijd van Abraham, een badstoel in den vorm van een rieten drievoet, waarover een kaïk als kleed was gehangen en waaronder de Arabische vrouwen de dagelijksche, door Mohammed voorgeschrevene wasschingen verrichtten, voorts een paar rood koperen kandelaars, een klein getal steenen schotels en pannen, eenige geitevellen en een paar zadels en tuigen. En ten slotte eene soort van wapentropee, bestaande uit twee geweren, twee Turksche kromsabels en een paar ponjaarden. Dit wapentuig was alles even rijk versierd en blijkbaar moest het meer als sieraad dienen dan tot gebruik, daar de wapenen, die de Sheik bij zich droeg, van veel eenvoudiger maaksel waren.
Een prachtig tapijt op den grond latende uitspreiden, noodigde Sid-Abd-Allah zijne gasten uit daarop plaats te nemen. En weldra zat men aan een echt oosterschen maaltijd. In eene kom werd heerlijke versche melk aangeboden, voorts boter, eieren en een uitmuntend gebak, een soort van taart, van honig, eieren, boter, suiker en meel gemaakt, welk gerecht bij de Arabieren zeer beroemd is. Het zonderlinge bijgeloof der Arabieren zegt, dat zoo een man in de kamer komt, terwijl de vrouw bezig is deze taart te bereiden, de taart mislukt. In dat geval eet men ze niet, ook al smaakt zij evengoed, want men vreest dat eenig ongeval daaruit zal voortkomen.
Na afloop van dit souper werden de pijpen gebracht, doch de luitenant bood sigaren aan en de gastheer ruilde gaarne de pijp voor eene fijne sigaar. Al rookende en pratende ontspon zich langzamerhand een vroolijk ongedwongen gesprek, zeer natuurlijk kwam ook ter sprake de dienst, die den luitenant zijnen gastheer had bewezen, en zoo kwam deze er vanzelf toe den afloop van dat avontuur te verhalen.
--Het is vier à vijf dagen geleden sinds ik door u werd geholpen, aldus begon de gastheer. Dank zij uwe hulp, kwam ik nog juist bijtijds om mijne woonplaats, mijne bezittingen en mijn volk te redden, want mijn vijand zat mij na op de hielen.
--In den nacht, volgende op dien waarin ik, hoewel slechts voor eenige oogenblikken, uw gast was, werden wij aangevallen. Sid-Moessa verscheen met den kaïd en zijne soldaten, waarbij hij een grooten troep huurlingen had gevoegd, het uitvaagsel van Tanger, die hij met het vooruitzicht op een grooten buit had weten over te halen om met hem mede te gaan. Vóór ik nog mijne tent had bereikt, was mijn plan gemaakt, en toen ik was aangekomen, had ik spoedig alles in gereedheid. Een vijftigtal goed gewapende mannen lagen in hinderlaag aan den ingang van een bergpas, gelijk aan dien welken wij heden zijn doorgegaan en eene dubbel zoo sterke macht was op de hooge rotsen aan beide zijden van den pas gelegerd.
--Het was een door de maan verlichte nacht; nu en dan echter drongen zich donkere wolken voor haar en onderschepten haar licht. Met groot misbaar naderde de bende en opende een oorverdoovend geweervuur op de rotsen, waartegen de kogels plat neervielen. Met een honderdtal strijders begaf ik mij in de vlakte en de strijd begon.
--Zooals altijd hield Sid-Moessa, de lafaard, zich achteraf. Onophoudelijk echter hoorde ik zijne stem, die zijn volk aanvuurde om mij vooral levend te vatten. Intusschen trokken wij al vechtende terug, totdat we in den bergpas kwamen. Sid-Moessa geloofde reeds getriumfeerd te hebben, en zijn victoriegeroep werkte aanstekelijk op zijne bende, die met woeste vaart den pas instoof, ons achterna. Dit was juist, wat ik verlangde. Ik trok terug al verder en verder.
--Opeens, juist toen ik er over nadacht halt te houden, bemerkte ik eenige weifeling onder onze vijanden. Niet zoodra zag ik dit of, bevreesd dat zij zouden ontsnappen, gaf ik het afgesproken sein.
--Toen greep er eene verschrikkelijke gebeurtenis plaats in dezen nauwen pas. Want eensklaps donderde een salvo van tweehonderd vijftig à driehonderd schoten op de bende los. Eene onbeschrijflijke verwarring was hiervan het gevolg en nooit zal ik het tooneel vergeten, dat ik toen aanschouwde.
--De eerste beweging der bende was terug te trekken, doch zoodra zij tot op eenige honderden passen den ingang waren genaderd, werden zij door een salvo van de vijftig daar geposteerde schutters begroet. Een woedend gehuil was daarop het antwoord. Toen poogden zij voorwaarts te gaan, doch daar stond ik met mijne honderd manschappen, en een nog moorddadiger geweervuur ontving hen. Nu poogden zij de steile rotsen te beklimmen, maar helaas! bij het licht der maan, dat nu en dan dit tooneel bestraalde, zagen zij de rotsen met mijne krijgers bedekt, die eveneens hunne kogels in den opeengedrongen hoop zonden, waar elk schot zijn man trof.
--Toen begon men te schelden en te tieren en den aanvoerder te vervloeken. Men drong op naar Sid-Moessa om hem te dooden. Inzonderheid was het gespuis van Tanger, dat eene gemakkelijk te verwerven buit had gemeend te vinden, razend van woede.