Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen

Part 10

Chapter 104,019 wordsPublic domain

--He, zei Selam, dat zand waait me telkens in de oogen, en hij wreef ze met de hand. Toen hij weder opkeek, was het mannetje verdwenen.

--Ha, zei Selam, ik begrijp het; het zand heeft hem tot mij gebracht en hem weder weggevoerd, en hij verviel weder in gepeins.

Van lieverlede was, ondanks de brandende zon, de vroolijkheid bij het gezelschap weergekeerd en het vroolijke lachen, dat nu en dan weerklonk, bewees, dat de kapitein noch Dries hun vroolijkheid hadden verloren al reisde men, om zoo te zeggen, met den vinger aan den trekker van het geweer of de hand aan de greep van de sabel.

De weg liep door uitgestrekte bebouwde velden; gerst, gierst en dergelijke graansoorten waren de hoofdzaak. Dan weder hield het bebouwde land op, en trok men door velden, rijk bedekt met bloemen en wilde planten, de eene nog vreemder of schooner dan de andere. Hier en daar zag men tusschen het koren den nok van een hut; ook ontmoette men enkele malen een paar Arabieren met kameelen. De hitte was ondraaglijk; de zon brandde als vuur; de dieren stapten met moeite hijgend voort en ook de reizigers gevoelden het drukkende daarvan maar al te zeer. De harde grond, door de warmte hier en daar vol scheuren en barsten, wemelde van allerlei dieren. Kleine slangen en schorpioenen waren in ontelbare menigte aanwezig en niet minder de hagedissen en mieren.

Eindelijk verklaarde de kapitein, dat het hem onmogelijk was verder voort te gaan, en op algemeen verlangen besloot men den marsch te staken. In een oogwenk werden de tenten opgeslagen, en iedereen vlijde zich in de schaduw neder. De beesten kluisterde men de voorpooten, opdat zij niet te ver zouden afdwalen en liet hen weiden.

Selam echter, nog onder den indruk van zijne vrees, ging niet de tent binnen, maar beklom een heuveltje, op welks top een groepje hooge struiken stond, en strekte zich daar in het lommer uit. Van dit punt kon hij den geheelen omtrek overzien. De insecten snorden om hem heen, de hagedissen slopen snel tusschen het groen door, maar anders was er geen leven te bespeuren. Daar vóór hem graasden de beesten rustig.

Eensklaps hief Selam het hoofd een weinig op, schoof de struiken voorzichtig van elkaar en tuurde scherp uit. Daar vóór hem aan den voet van gindschen heuvel zag hij plotseling twee gedaanten bewegen. Wat is dat? waarom sluipen die twee voetje voor voetje nader, van elke bedekking, van elken struik of boom, van elken steen of elke hoogte gebruik makende om zich te verbergen? Selam trilde van vreugde. Het zandmannetje had hem gezegd, dat de dieven het spoor van de karavaan volgden, en het scherpe oog van den gids herkende hen reeds op dien afstand.

--Goed overlegd, mompelde Selam. Bij den baard van den Profeet, ik zie dat ik met Beni-Hassen te doen heb. Maar wacht, vrienden, Selam waakt!

Thans bleef een der beide roovers achter, terwijl de andere zijn weg vervolgde. Selam hield hem goed in het oog, maar hield te gelijker tijd een wakend oog op de grazende beesten. Het zwarte paard van den luitenant, dat het verst van de legerplaats graasde, scheen de aandacht van den dief te trekken, althans, hoewel uiterst behoedzaam, veranderde hij van richting en sloop recht op het paard aan. Het was dezelfde Arabier, die dien morgen in het kamp was gekomen. Hij was op den smallen gordel na geheel naakt en zijne bruine huid glom van de zeep, waarmede hij zich had ingewreven, opdat men bij een aanval geen vat op hem zou hebben.

--Goed, zeide Selam weder, nu ken ik uw plan, hond! en hij liet zich eensklaps van den heuvel rollen, sloop onder bedekking van het struikgewas voort en bereikte zoo eene kleine holte dicht bij het paard van den luitenant, dat gretig graasde en door de gekluisterde pooten slechts zeer langzaam vooruit kon. In die holte dook Selam weg als eene slang; hij trok een hoop takken over zich heen, en was nu zoo goed verborgen, dat het zelfs voor een Arabier, aan zulke hinderlagen gewend, onmogelijk was hem te bemerken.

Onbeweeglijk tuurde Selam naar het paard. Het graasde, en naderde hoe langer hoe dichter de schuilplaats. Opeens zag Selam den dief door het groen sluipen, de planten bewogen zich in lichte golving, dat was al, maar het was genoeg om den roover aan Selam te verraden. Hij hield den adem in en wachtte.

Onrustig hief het paard thans telkens den kop op en keek rond als bemerkte het, dat het niet pluis rondom hem was. Plotseling zag Selam een arm door het groen te voorschijn komen, daarop een hoofd en de listige oogen van den Arabier keken behoedzaam rond. Hij was vlak bij het paard. Opeens strekte de kerel de hand uit, hieuw met één slag van zijn groot mes het koord, dat de voorpooten gekoppeld hield, door, sloeg bliksemsnel zijne lange gespierde armen om den hals van het verschrikte paard en slingerde zich op zijnen rug.

Maar even snel sprong de woedende Selam uit zijne hinderlaag op, en was met een sprong als van een panter op den rug van het paard achter den roover, sloot zijne armen om den hals en terwijl deze het paard voortjoeg sloten de gespierde handen van Selam als een nijptang om den hals van den dief. De Arabier poogde zijn aanvaller te vatten, doch diens ijzeren greep verstikte hem. Hij waggelde en beiden vielen van het paard. Op den grond werd de worsteling voortgezet en gedurende eenige minuten hoorde men niets anders dan het heesch gebrul der strijders. Eindelijk was het den dief gelukt zijn mes te grijpen en poogde hij er Selam mede te treffen. Doch deze was geen te verachten vijand en, ziende dat het om het leven ging, verdubbelde hij zijne pogingen. Zijn greep belette den roover adem te halen, het mes ontviel aan zijne krachtelooze hand en geworgd door zijn vijand liet hij het hoofd zakken, de hand, die Selam's pols krampachtig omkneld hield, liet los en achterover stortende blies de roover den laatsten adem uit.

Toen sprong Selam op en zag met medelijden neer op zijn verslagen vijand. Nu de kerel dood was, deed het den braven borst leed, dat de afloop zoo verschrikkelijk was. Had de roover geen tegenstand geboden of niet gepoogd Selam met zijn mes te treffen, dan had Selam zeker niet gedaan wat hij nu, gedwongen zijn eigen leven te verdedigen, had verricht.

Het rumoer door de worsteling teweeggebracht, had allen doen uitloopen. Niet weinig verwonderd was men dan ook over hetgeen er had plaats gehad.

--'t Is nu eenmaal niet anders, zeide de kapitein; de schurk heeft zijn verdiende loon gekregen. Jammer, dat wij ook den andere niet hebben. We mogen hedennacht wel op onze hoede zijn.

--Wat zullen we met het lijk uitvoeren? vroeg de luitenant.

--Niets, antwoordde de kapitein, niets dan het laten liggen. We gaan morgen in de vroegte weder op reis en zoodra we onze hielen hebben gelicht, zullen zijne makkers het wel komen halen om te begraven. Zijn deelgenoot in 't stelen zal wel begrepen hebben, wat er gaande is en de plaat hebben gepoetst.

--Zie daar, riep Selam, bij Allah! daar gaat de schurk te paard, zoo, ik wist niet dat ge een paard in den omtrek hadt.

Werkelijk reed de Arabier in galop weg. Het lang uitblijven van zijnen makker had hem ongerust gemaakt, daarop had hij het paard zien rondloopen en de daarop gevolgde opschudding in het kamp had hem het overige doen raden. Hij had het dus voorzichtig geoordeeld zich te verwijderen, wel begrijpende, dat zijn kameraad in handen der Christenen was gevallen. Met lossen teugel reed hij heen en was weldra uit het gezicht verdwenen.

Ondanks de vrees voor een nachtelijken aanval of overrompeling ging de nacht rustig voorbij en des anderen daags vertrok men reeds vóór zonsopgang, ten einde een flinken marsch te maken en zoo spoedig mogelijk uit dit beruchte land te komen.

XI.

DE BENI-HASSEN.

Snel maar behoedzaam trok de kleine troep voort door het land der Beni-Hassen. Op aller gelaat waren min of meer teekenen van de ongerustheid te bespeuren, die zich van den een meer, van den ander minder had meester gemaakt. Selam vooral, op wien als gids een groot deel der verantwoordelijkheid rustte, was stil en had op alles het oog. Hij koos de eenzaamste, moeilijkste wegen, want, hoe vreemd het ook moge schijnen, dit gedeelte van Marokko is waarlijk bevolkt, in zooverre men het bevolkt kan noemen. Overal bemerkte men, tusschen met gerst of tarwe beplante akkers of op uitgestrekte met witte venkel en bloemen begroeide velden, de toppen der donker gekleurde tenten, welke meestal door een klein groepje boomen werden overschaduwd. Zulke alleen staande hutten of groepjes waren het echter niet alleen, men stootte zelfs hier en daar op volkomen duars (dorpen) en Selam haastte zich bij zoodanige ontdekking, zich steeds zoo spoedig mogelijk van die gevaarlijke plaatsen te verwijderen.

--Als we goed voortmaken, kunnen wij overnachten bij den Koebah van Sidi-Hassem, zeide Selam, daar zijn wij veilig.

--We zullen voorttrekken, antwoordde de luitenant, ondanks de hitte, ondanks alles.

En men reed even snel voort, hoe drukkend de hitte ook was.

--Ik ben zoo nat, zeide Dries, of ik zoo even uit het water ware gekomen.

--En ik, zeide de kapitein, ik neem een bad te paard.

Opeens hoorde men eenig gerucht aan den rechterkant der karavaan en een Arabier te paard, eensklaps van achter een hoog korenveld komende, reed spoorslag onzen troep voorbij.

Selam hield de teugels in en keek den kerel na. Hij trok de wenkbrauwen te zamen en de vuist ballende, mompelde hij eene vervloeking.

--Wat is het? vroeg de luitenant.

--Allah sluite mij buiten het Paradijs, antwoordde Selam, als die fielt de honden niet wakker gaat maken. Zie, de schoft heeft zijn lang geweer in de hand en voert er allerlei bewegingen mede uit, alsof hij reeds aan den slag is.

--In dat geval dienen wij onze wapens klaar te houden, zeide de kapitein zich tot den luitenant wendende.

--Maar welke reden hebt gij voor uwe onderstelling? vroeg de luitenant.

--Zie, heer! zeide Selam. De Arabier rijdt gewapend heen, waartoe zou hij gewapend uit den duar snellen in zoo vliegende vaart, als het niet was om zijne kameraden te verwittigen van onze nadering. En eenmaal genoegzaam in getal zijnde, wat zal hun beletten ons aan te vallen. Geloof mij, bij Allah! laten we ons voorbereiden op een aanval.

Als om Selam's woorden te bevestigen, verschenen opeens weder twee ruiters. Zij waren eveneens gewapend en wierpen woedende blikken op het gezelschap.

--Allah geve ons eene schoone zegepraal over u, honden! schreeuwde de eene, in vliegende vaart voorbijrijdende.

--O! wij zullen u braden, vervloekte Christenen! donderde de tweede hem toe.

--Ik heb grooten lust om hun eene blauwe boon in de maag te geven tot een aandenken, zeide de kapitein.

--Wacht maar, heer! zeide Selam, gij kunt uwe kogels straks beter gebruiken.

Zoo snel als de roovers waren verschenen, zoo snel waren zij ook verdwenen; men zag niet vanwaar zij kwamen of waar zij bleven.

Intusschen werd de toestand onzer vrienden van oogenblik tot oogenblik bedenkelijker. Er viel niet meer aan te twijfelen, of men zou binnen een betrekkelijk kort tijdsverloop worden aangevallen, en er bleef niets anders over dan zoo spoedig mogelijk eene plaats op te zoeken, waar men zich eenigermate kon verschansen om met goed gevolg het hoofd te bieden aan een aanval. Ongelukkigerwijze kon men echter, hoe men ook uitkeek, niets geschikts bemerken. Het terrein was golvend, heuvelachtig, waar graanvelden en bloemrijke weiden zich afwisselden. De horizont werd begrensd door eene lange rij bergen van aschgrauwe kleur, daar was het eind van den gevaarlijken tocht, dáár was de grens van het land der Beni-Hassen. Kon men het punt slechts bereiken, waar de Koebah's van Sidi-Ghedar en Sidi-Hassem waren. Maar dat was onmogelijk, de afstand was te groot en de tijd drong.

Men hield halt op een der steilste heuvelen, waar een kleine groep boomen stond. De kameel liet men knielen en bond hem vast, opdat hij niet zou kunnen opstaan. Ook de paarden en ezels werden stevig bevestigd tusschen het weinige groen, dat de heuveltop bevatte.

--Ziezoo, zeide de luitenant, nu zullen we zien wat men wil. Hier zijn wij, zoo goed en zoo kwaad als het kan, uitmuntend gelegerd, en als wij met de noodige voorzichtigheid bedaard te werk gaan, zal het geen enkelen Arabier gelukken den heuvel te bestijgen.

De roovers lieten niet lang op zich wachten. Eene nauw zichtbare stofwolk aan den horizont verkondigde hun komst.

--Ha! zeide de kapitein, daar komen de schelmen! Vooruit, jongens, ieder op zijn post en vooral goed gemikt en bedaard vuren!

De luitenant had de beide kameeldrijvers met geweren gewapend, daar zij er dringend om hadden verzocht onder verzekering, dat zij er goed mede konden omgaan, en over twee geweren meer te kunnen beschikken was eene niet te verwerpen zaak. Onze zeven personen hadden zich nu zoodanig nedergelegd, dat zij de kruin van den heuvel geheel innamen en naar alle richtingen den vijand het hoofd konden bieden. Iedereen had zich zoo veel mogelijk bedekt opgesteld, de een achter een boomstam, de ander had zich eene oneffenheid van den bodem ten nutte gemaakt. Alleen Dries en Selam lagen tamelijk blootgesteld aan de vijandelijke kogels.

Dries blikte om zich heen en zag op de helling eenige steenen liggen en deelde zijne ontdekking aan Selam mede.

--Bij Mahomed! zei deze, dat is wat waard. Kom, ga mede! en hij sprong snel als een gems naar beneden en gooide Dries steen voor steen toe, die ze weder op den heuveltop wierp.

De kapitein, die hunne bedoeling begreep, sprong nu ook toe en wierp van deze steenen spoedig eene, een paar voet hooge borstwering op. De oneffen steenen sloten juist daardoor vast in elkaar en vormden eene beschutting, waartegen menige kogel kon afstuiten.

Intusschen tuurde de luitenant door zijn veldkijker naar den vijand, die in dollen galop naderde en spoedig met het bloote oog goed te onderscheiden was.

--Duivels, riep de kapitein, dat is een aardig troepje. Er zijn er minstens een vijftig.

--Zevenmaal zeven is negen-en-veertig, zeide de luitenant bedaard. Als we er ieder zeven neerleggen zijn we klaar.

--Dat is waar, merkte Dries laconiek op. Ba! maar zeven, ik neem er tien voor mijne rekening, als ze maar onder schot blijven.

--Parbleu, lachte de kapitein, gij zijt spoedig klaar met uwe overwinning!

--Och ja, spotte Dries, 't is zoo goed als gedaan, het paard is op een oor na gevild.

--Pas op! riep de luitenant, zij beginnen!

Werkelijk was de bende, die uit vijftig à zestig kerels bestond, bijna tot op een geweerschot genaderd en hield een oogenblik halt. Daarop verdeelden zij zich en omsingelden den heuvel in een grooten kring. Het was een bonte hoop van allerlei leeftijd. Jongelingen met lange zwarte in den wind fladderende haren, grijsaards met prachtigen sneeuwwitten baard en mannen in de kracht van hun leven. De meesten hadden de borst, de armen en de beenen naakt en sommigen waren schrikbarend mager. Hunne kleeding zag er even armzalig uit als het tuig hunner paarden, dat bij de meesten slechts uit touw bestond. Enkelen hadden, in plaats van den tulband, roode lappen om het hoofd gewonden, en hunne bewapening was eene mengeling van alles. Wat hunne gelaatstrekken betrof, het waren allen echte galgentronies, waarop de misdaad haar stempel had gedrukt.

Opeens kwam er beweging in den levenden ring, die den heuvel omgaf. Onder het uitstooten van een helsch geschreeuw en gebrul, vermengd met de afschuwelijkste verwenschingen en vervloekingen en onder het aanheffen van de zonderlingste aanvalskreten, stoof de troep vooruit zonder orde of regelmaat, de geweren boven het hoofd zwaaiend.

--Aan! commandeerde de luitenant.

Nog een oogenblik van spanning en--Vuur! klonk het even bedaard.

Tegelijk met hun salvo donderden de schoten der aanvallers wild dooreen. Eene dikke kruitwolk omgaf eenige oogenblikken den heuvel; takken en bladeren vlogen in het rond, en toen men naar de uitwerking van het salvo keek, lagen vijf der roovers uitgestrekt op den grond, terwijl een zesde zich met moeite in den zadel hield, en de paarden der gevallenen met de teruggaloppeerende aanvallers meeliepen.

--Goed zoo! riep de luitenant, knap gedaan. Nog een paar malen zoo en zij zullen genoeg hebben.

Naar de gewoonte der Arabieren, waren zij met lossen teugel genaderd, hadden hunne geweren afgeschoten op de belegerden en waren daarna even snel omgekeerd tot buiten het bereik der schoten, waar zij halt hielden om zich voor een tweeden aanval voor te bereiden.

Van ons zevental had niemand eenig letsel bekomen.

Blijkbaar was die hartelijke ontvangst den roovers niet meegevallen, want men bemerkte eenige aarzeling en een druk gesprek, eer men tot den tweeden aanval overging. Doch hun groot aantal deed hen niet vreezen voor eene nederlaag en dadelijk herhaalden zij den aanval.

Ditmaal naderden zij dichter en schenen bedaarder te mikken; althans een der kameeldrijvers werd in den arm getroffen en een paar kogels raakten de steenen barricade, waarachter Dries en Selam verscholen lagen. De stukken steen vlogen in het rond en wondden Dries in het gelaat.

--Schoelje! riep deze, woedend opspringende, dat zal ik je betaald zetten, en snel een patroon in den loop leggende hief hij zich geheel op, legde aan en vuurde op de wegtrekkende ruiters, en de halfnaakte, gespierde Arabier, die op Dries had gevuurd, viel getroffen uit den zadel.

--Dat zijn er weder vier, riep de luitenant, met de vorige zes maakt dat tien, die buiten gevecht zijn gesteld. Opgepast, jongens!

Deze waarschuwing was niet overbodig, want de Beni-Hassen kwamen weder plotseling met lossen teugel en aangelegde geweren aanrennen. Het zand vloog in dikke wolken op en de geweren knalden nu bijna te gelijker tijd.

Maar ook de belegerden waren op hunne hoede, en de goed gemikte kogels troffen thans, nu de woedende Arabieren zich nog dichter dan de vorige maal waagden, allen hun doel. Enkele vijanden vielen uit den zadel, en andere konden er slechts met moeite in blijven zitten en alleen door de hulp hunner makkers waren zij in staat voort te komen.

Een luid hoera ging onder de belegerden op over den gelukkigen uitslag van dit salvo, doch opeens werd hunne vreugde aanmerkelijk getemperd door een noodlottig toeval.

De kameel namelijk had al aanhoudend allerlei pogingen aangewend om zich los te rukken, toen een paar kogels van de Arabieren hem hierin te hulp kwamen en de riemen, waarmede hij aan den boom bevestigd was, stukschoten. Het dier sprong nu opeens op, rukte zich los, sloeg als een bezetene rond en rende den heuvel af.

De luitenant en de kapitein stieten een kreet van woede uit, want dit dier droeg het voornaamste gedeelte der bagage. En hunne woede werd nog slechts vermeerderd, daar de Arabieren, opmerkzaam geworden op hetgeen er gaande was, een tiental van hen afzonden om den kameel te bemachtigen.

Doch eer iemand er nog op bedacht was, sprong Dries op, snelde den heuvel af en den kameel achterna.

Nauwelijks zagen de luitenant en de kapitein wat Dries ging wagen, of beiden laadden hunne geweren en legden zich neder om hem tegen de aanrukkende Arabieren te beschermen.

In korten tijd had de waaghals, als een pijl uit den boog den heuvel afvliegend nog vóór de Arabieren tot op een honderd pas waren genaderd, den kameel bereikt en spande nu al zijne krachten in om het tegenstrevende dier mede te krijgen. Doch al zijne pogingen baatten niet veel, en de Arabieren waren reeds bij hem eer hij kon voortkomen.

Intusschen, hoe groot het gevaar was, dacht de wakkere knaap er niet aan, den kameel prijs te geven. Met een paar hevige rukken dwong hij het dier te knielen en het den riem om de pooten slingerende, bond hij het zoo vast, dat het voor het dier onmogelijk was op te staan, zoodat het nu brullend en spartelend op den grond lag.

De twee voorsten der aanvallers, nu dicht genaderd en overmoedig geworden door de zekerheid van hun vijand en den kameel te bemachtigen, repten zich wat zij konden, toen de welgerichte schoten van den luitenant en den kapitein een einde aan hun rit en tevens aan hun leven maakten en hen van het paard deed storten.

De overigen op hunne oude geweren rekenende en niet bekend met de snelle lading der achterlaadgeweren, meenden nu gerust te kunnen voortdringen; doch voor de tweede maal knalden de uitstekende geweren der beide officieren, waardoor eene schromelijke verwarring in den kleinen troep werd gebracht. Weder vielen er twee en de overigen namen reeds den terugtocht aan, toen drie hunner, woedend over den hardnekkigen tegenstand, met een paar sprongen hunne makkers achter zich lieten en op Dries aanvielen.

Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af, besloten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Maar de roovers hadden ditmaal buiten den waard gerekend, of liever buiten de beide officieren; want na een enkel woord met elkaar te hebben gewisseld, stortte de kapitein met de sabel en de revolver in de hand den heuvel af Dries te hulp, terwijl de luitenant met het geladen geweer in de hand rustig bleef staan wachten op het oogenblik, dat hij, zonder gevaar van Dries te treffen, een der drie vijanden zou kunnen neerschieten, terwijl hij tevens een wakend oog hield op het overige gedeelte der bende.

Hoe snel de kapitein zich intusschen voortspoedde, toch had Dries het spoedig te kwaad met zijne drie aanvallers, die als dollen om hem heen sprongen en sabelhouwen uitdeelden, welke het den dapperen jongen alle moeite kostte af te weren. Een houw over het hoofd deed hem het bloed over het gelaat stroomen en met een vervaarlijken sprong wierp Dries zich op den man, die hem dezen houw toediende, greep hem bij de keel en sleurde hem van het paard, juist toen de kapitein hem een donderend »houd moed!" toeriep.

De twee andere roovers, nu een nieuwen vijand in het strijdperk ziende treden, wendden zich tegelijk tot dezen; doch vóór zij den tijd hadden hem op het lijf te vallen, schoot de verwoede kapitein alle schoten van zijne revolver achtereenvolgens op hen af.

Dat deed eene vreeslijke uitwerking. Een zijner twee aanvallers stortte met zijn paard neer, beiden waren door de kogels doorboord.

De tweede viel den kapitein nu met de sabel aan, zich als een behendig schermer steeds door vlugge sprongen aan de linkerzijde van den ruiter houdende, waardoor hij veilig bleef voor diens verwoede sabelhouwen.

Dries had het harder te verantwoorden. Worstelend met zijnen vijand, voelde de dappere jongen weldra zijne krachten door het bloedverlies uit zijne wond afnemen, en het was te vergeefs dat hij zich inspande om zijnen vijand omvat te houden. Met eene hevige krachtsontwikkeling wist deze den rechterarm vrij te krijgen en zijn ponjaard te grijpen.

Het zou met Dries gedaan zijn, want met eene vreeslijke vervloeking op de lippen, hief de Arabier zijnen arm op om hem den doodelijken stoot toe te brengen, en zijn gemeen gelaat straalde van helsche vreugde over de hulpeloosheid van den Christen, dien hij ging dooden.

Maar daar knalde een schot van den heuvel en een kogel verbrijzelde de opgeheven vuist, die het moordtuig omkneld hield--en Dries was gered!

Thans wierp Dries met een laatsten wanhopigen ruk zijne tegenpartij van zich, en vóór deze den tijd had zich op te heffen om zijnen vijand met de linkerhand den ponjaard naar het hoofd te slingeren, was de kapitein, die zijn tweeden vijand had verslagen, toegeschoten, en sloeg hij den kerel met één sabelslag neer.

Het was de altijd waakzame luitenant geweest, die met de grootste koelbloedigheid zijn schot had bespaard, tot hij eene goede gelegenheid vond, om Dries van een wissen dood te redden.

Thans rende hij met Selam en Mohammed als een stormwind den heuvel af en, na Dries te hebben doen opnemen, ging het met vlugge schreden den heuvel op, terwijl hij en de kapitein met het geweer in de hand den aftocht tegen den aanrukkenden vijand verdedigden en den kameel medevoerden.

Ziende dat zij te laat kwamen om den dood van hunne makkers te wreken, wendden de roovers den teugel en reden spoorslags terug om buiten het bereik der kogels te komen.