Onder de koppensnellers op Borneo
Part 9
»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe's niet de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken in 't geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar hun dorpen terug."
»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen bezorgen."
»Zeg dat even aan Petinggi Datoek," raadde Kees.
Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele verkenners vooruit.
Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen, om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam, steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den trouweloozen Maleier afrekenen?
»Het eenige middel is, een paar Sibaoe's te ondervragen," overlei hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ik dat gedaan? De Kenjaoe's maken geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen, om een paar Sibaoe's levend in handen te krijgen."
Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd met de Sibaoe's te aanvaarden?"
»Zeker, heer! Uw raad was goed!"
»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor den vijand niet kunnen blijven volgen?"
»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe's weten dat, en wij allen zijn u dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen stam leven."
Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat bedoelde de blanke man met al zijn vragen?
»Dat is goed, Petinggi!" zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik vragen, of de Kenjaoe's ook iets voor mij zouden willen doen."
»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt."
»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!"
»Dan zal het gebeuren, heer!"
»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten voor de verraderlijke plannen der Sibaoe's. Nu ben ik weer terug in dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet."
»Hij moet zijn straf hebben!" riep de Dajak.
»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe's kan ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen."
»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?"
»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe's een paar Sibaoe's sparen, indien wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan."
»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe's krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen."
»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen, geef ik ze de vrijheid terug."
De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze toch niet snellen. Het was vreemd!
Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:
»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen, wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe's zeggen, dat ze degenen, die levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden."
»Goed zoo!" riep Kees tevreden.
Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek plotseling:
»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?"
»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over spreken mag."
»Dat is zoo, heer," zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:
»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte, glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel een ander doel hebben."
Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.
»Laat het genoeg zijn, Petinggi!" zei Kees, lichtelijk verstoord.
Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:
»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen, veel verdriet heeft gehad."
Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.
Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van de Sibaoe's bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden achtergelaten op den bodem.
Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen getroffen te worden.
Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.
»We kunnen dit huis niet naderen zonder ontdekt te worden," zei Kees.
»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht en dan het huis omsingelen."
Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk bedreigde.
Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans, ontdekt te worden.
Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een hond in de richting van het huis.
»We zijn ontdekt!" fluisterde Kees tot Petinggi.
»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet geroken hebben."
Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden, bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.
Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.
Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.
Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe's, die nu wisten, dat hun toeleg gelukt was.
Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot getroffen levenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.
In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe's onder de woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren, met lanssteken af te maken.
Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle slachtoffers gesneld.
Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.
»Vindt u 't niet goed, heer?" vroeg een der Dajaks, die zag, hoe ontdaan Kees was.
»Neen, zoo'n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk."
»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe's altijd gewoon waren, onze dorpen op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen, kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe's zijn er tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan," antwoordde de Dajak.
Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.
Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe's in hun wraakzucht niet aan hun belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:
»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken was?"
De Dajak schrok en riep beschaamd uit:
»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de Kenjaoe's ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te kunnen nemen, doet ons alles vergeten."
»Dus krijg ik geen gevangenen?" vroeg Kees scherp.
»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!"
»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!"
»U heeft het recht zoo te spreken, heer!"
Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.
Een dichte rookwolk dreef over het bosch.
»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons verraden," zei Kees tot Petinggi.
»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe's verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand."
»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd in het bosch te overnachten."
De Dajak schrok.
»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode Sibaoe's in hebben gelegen. De antoe's zouden ons dat niet toestaan."
Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.
Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok men voorbij een ladang waarop een huisje stond, dat echter geheel verlaten bleek.
Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe's door de uitgangen aan het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.
Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe's toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen het geducht te kwaad.
Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe's werden overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe's zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook enkelen gewond.
Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti meester gemaakt van een der Sibaoe's. Ze ontwapenden hem en hielden hem stevig vast, totdat de strijd beslist was. Tot groot genoegen van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.
»In het huis ligt er nog een vastgebonden, heer!" zei de Dajak, zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.
Kees prees hem en vervolgde:
»Mooi, nu heb ik er drie!"
»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt."
»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen."
»Ik zal er voor zorgen, heer!"
De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.
Weldra waren de drie Sibaoe's behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.
De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.
»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft, zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten."
De Sibaoe's zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan verkozen ze nog liever een snellen dood!
»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?" vroeg Kees, hen één voor één in de oogen ziende.
De mannen knikten.
»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?"
»Seboedoet, heer!" antwoordde een der mannen.
»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?"
»Het water van de Soengei Pejang, heer!"
Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.
»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?"
»Ja, heer."
»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?"
»Die kennen we, heer."
»Is dat hier ver vandaan?"
»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng."
Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich beheerschte.
»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?"
»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt," zei één der gevangenen.
»Is hier wel eens meer een blanke geweest?" De Dajaks zwegen op deze vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.
»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over aan de Kenjaoe's!"
Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan 't praten te krijgen.
»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe's te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk niet vertellen."
»En waar zou dat gebeurd zijn?"
»Aan de Soengei Tekoeng, heer," was het aarzelend bescheid.
»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem inwinnen," vervolgde Kees.
»Komt u om zijn dood te wreken, heer?"
»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien."
»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd."
»Was hij alleen?"
»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe."
»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij heenging?"
»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we hebben hem niet teruggezien."
»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet te ontvluchten; want dan wordt ge gedood."
Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.
»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met je praten."
Petinggi volgde.
Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der Kenjaoe-dajaks.
XIII. OP ZOEK NAAR DE DIAMANTEN.
Kees en Petinggi zetten zich neer.
»Wat wilde u met mij bespreken, heer? De mannen wachten."
»De zaak is deze, Petinggi: van de gevangen Sibaoe's heb ik een en ander gehoord omtrent de Soengei Tekoeng, en tevens omtrent den Maleier Amat, die mij vroeger verraden heeft. Nu wil ik de bala voor korten tijd verlaten, om hier eenige onderzoekingen te doen. Ook wil ik trachten, den verrader op te sporen. Dat kan ik echter alleen niet doen; daarom vraag ik je, om mij een tiental mannen van de bala mee te geven."
»Dat kan niet, heer! We zijn veel te zwak, om ons nog te splitsen. U weet, dat we van morgen ook nog verliezen geleden hebben. We hebben alle strijdbare mannen hoog noodig."
»Nu we daar toch over spreken, wil ik je even zeggen, dat ik het onverantwoordelijk acht, met deze kleine bala nog dieper het land in te trekken. Je weet, dat er Sibaoe's ontsnapt zijn. Weldra zal de geheele stam gewaarschuwd zijn. De Sibaoe's zullen een bala vormen en dan is er veel kans, dat de Kenjaoe's verslagen worden."
»Dat zou wel kunnen, heer. Wat raadt u ons te doen? Tot nu toe hebt u ons altijd goeden raad gegeven."
»Ik raad aan, nu tevreden te zijn met den behaalden buit. Stel niet alles in de waagschaal door den tocht nog verder uit te strekken."
»We kunnen nu nog gemakkelijk en ongehinderd naar het gebergte terugkeeren," zei de Dajak langzaam en nadenkend.
»Juist, het is nu nog tijd."
»En wat doet u dan, heer?"
»Dat zei ik je al: ik vraag een tiental mannen, om mij te vergezellen. Over een paar dagen vinden we elkaar dan weer bij het rotshol door het gebergte."
»Ik geloof, dat u gelijk heeft, heer. Ja, de bala moet maar terugkeeren. Onze buit is rijk en de Sibaoe's zullen nog langen tijd met schrik aan ons denken.... Ik zal er met de mannen over spreken."
»Goed, Petinggi! Leg het hun duidelijk uit."
Kees was blij, dat hij den Dajak zoo gemakkelijk had kunnen bepraten.
Korten tijd later keerde deze terug.
»We hebben alles overwogen, heer, en de meeste mannen geven er de voorkeur aan, terug te keeren."
»Dat is verstandig, Petinggi! Maar zijn er nu ook een tiental mannen tot mijn beschikking?"
»Zeker, heer! Er zijn zelfs veel meer, die met u mee willen. De Kenjaoe's volgen u gaarne, omdat u hun altijd geluk brengt. Uw antoe's zijn zeker heel sterk."
»Ja," lachte Kees, »mijn antoe's zijn sterker gebleken dan die van de Sibaoe's."
»Wilt u vandaag nog vertrekken, heer?"
»Ja, zoo spoedig mogelijk! Waarschuw de mannen maar, die met me meegaan. Nu moeten we nauwkeurig afspreken, waar we elkaar zullen ontmoeten. Het beste lijkt mij, bij de rotsgang."
»Dat is goed, heer! Wie het eerst aankomt, wacht op de anderen."
»Afgesproken!" besloot Kees.
Daarna begaf hij zich naar de gevangenen.
»Wie van jelui weet het beste den weg op de Soengei Tekoeng en wie kan me daarvandaan zoo spoedig mogelijk naar den weg door het gebergte brengen?"
»Ik weet overal in die streken goed den weg, heer," antwoordde één der mannen.
»Dan neem ik jou mee, om mij als gids te dienen. Als je het er goed afbrengt, zal ik je, vóór ik het gebergte passeer, vrij laten."
»En de anderen, heer?"
»Die zal ik dan ook vrij laten. Nu gaan ze met de bala mee als gevangenen."
»Och, heer! laat ons met u meegaan! We zullen u trouw dienen!" jammerden de beide anderen.
»Ik vertrouw de Sibaoe's niet," zei Kees kortaf, en ging de mannen tegemoet, die Petinggi Datoek voor hem had aangewezen.
Het kleine gezelschap vertrok terstond.
De pangkalan van Seboedoet was spoedig bereikt. Hier lagen verscheidene goede booten vastgemeerd en de Dajaks hadden er weldra twee uitstekende djaloers uitgezocht.
Met forsche slagen roeiden ze de Soengei Pejang op. Na eenige uren bereikte men de monding van de Tekoeng. Zoo was Kees eindelijk op de rivier, die hij met zooveel moeite gezocht had.
Hij kon niet laten zijn blijdschap te uiten tegen zijn trouwen Marti, die echter als steeds de zaak kalm en ongeloovig opnam.
»U zult het nest wel leeg vinden, heer. De Maleier zal al wel hier geweest zijn."
»De ellendeling!" riep Kees, plotseling boos wordend.
»Wat doet u, heer, als hetgeen u zoekt, verdwenen is?"
»Dat weet ik niet. Ik heb hoop, dat ik alles op zijn plaats zal aantreffen."
»Ik vrees het ergste, heer!"
»Dan zullen we verder zien, Marti."
Intusschen schoten de djaloers stevig tegen de vrij snel stroomende rivier op. De oevers waren niet hoog. Voorloopig had men geen hinder van stroomversnellingen.
Voorzichtig vroeg Kees aan den gids of er geen groote riam in de nabijheid was. De man verklaarde, dat er in de bovenloop veel stroomversnellingen waren. Den volgenden dag zou men die bereiken. Het kwam er nu op aan, de goede te herkennen. En het eenige herkenningsteeken was de groote kawangboom....
Den volgenden dag kwam men inderdaad in het hoogere land en daarmede in de stroomversnellingen. Reeds waren de djaloers enkele riams met meer of minder moeite gepasseerd, toen tegen den middag weer een hindernis van groote rotsbrokken in 't gezicht kwam. Daar tusschendoor stroomde het water met geweldige kracht. Moesten ze deze passeeren?
Maar neen! Daar zag Kees terzijde van den stroom een machtigen kawangboom, wiens geweldige stam de zware kruin hoog in de lucht beurde.
Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om geen juichkreet te slaken. En ook Marti, die tot dusverre van het heele verhaal niet veel had geloofd, moest zich bedwingen om zijn verrassing niet te laten blijken.
Kees gaf bevel aan te leggen, waaraan onmiddellijk voldaan werd.
Hij liet de Dajaks bij de djaloers en begaf zich met Marti over land naar de plek, waar de groote kawangboom groeide.
Toen hij dezen bereikt had, begon hij den stam te onderzoeken. Daar was het merk, dat zijn vriend Verveer er in gekapt had. Ja, het was de goede boom. Met bonzend hart begon hij het onderzoek aan de wortels. Daar zag hij de kleine holte. Begeerig stak hij zijn hand er in!....
Een smartkreet ontsnapte hem.... het gat was leeg!
Marti had alles met belangstelling waargenomen. Smartelijke teleurstelling maakte zich ook van hem meester.
»Wat nu te doen, heer?"
»Ik weet het nog niet, Marti," zei Kees somber.
»Laat de Dajaks maar hier komen," vervolgde hij na eenig nadenken.
Weldra verschenen de djaloers op de rivier tot kort voor de riam. Hier legden de Dajaks de booten vast en voegden zich bij Kees.
Deze zat diep ter neergeslagen aan den voet van den boom en bepeinsde, wat hem te doen stond.
De mannen schaarden zich om hem heen en staarden hem vol verwondering aan. Zij begrepen er niets van, wat de blanke man toch eigenlijk in den zin had.
Kees begreep, dat hij zich nader moest verklaren.