Onder de koppensnellers op Borneo

Part 8

Chapter 83,992 wordsPublic domain

»Dat is zoo, Marti. Doch er is nog iets anders, dat mijn gedachten bezig houdt.--Als we de Sibaoe's zoo spoedig mogelijk vervolgen, ontdekken we misschien, op welke geheimzinnige wijze zij telkens in dit land plegen te komen. Indien we dáár achter kwamen, zouden we met de bala een krijgstocht in hun land kunnen wagen. Dat zou een mooie overwinning voor onze vrienden, de Kenjaoe's, zijn. Bovendien zou ik misschien gelegenheid hebben, nog een appeltje te schillen met dien valschen Amat. En ten slotte zouden de diamanten wellicht toch nog in mijn handen vallen."

»Denkt u nog altijd aan die diamanten, heer? Die heeft Amat waarschijnlijk al lang weggehaald."

»Dat is mogelijk. Maar is hij er ook in geslaagd, het land der Sibaoe's te verlaten? Dat is de groote vraag. Is hij er nog, dan krijg ik de diamanten."

»Ik vrees, dat u te laat zult komen, heer!" Marti vroeg zich bekommerd af, welke ellende ze nu weer zouden beleven.

»Kom," hernam Kees, »ik ga dadelijk naar Petinggi Datoek, om hem voor te stellen, de Sibaoe's te vervolgen."

Hij sprong op en verliet de lawang.

»Allah helpe ons!" zuchtte Marti: »Dat ontbreekt er nog maar aan."

Petinggi Datoek was echter druk aan 't feestvieren, en een feestvierende Dajak is er moeilijk toe te brengen, zijn belangstelling aan andere zaken te wijden. Toch gelukte het Kees ten slotte hem even alleen te spreken.

Nu bleek echter, dat Petinggi Datoek zelf reeds met andere hoofden over de vervolging der Sibaoe's had gesproken. Tot hun spijt was echter het grootste gedeelte der mannen tevreden met de overwinning. Petinggi zou daarentegen heel graag een veldtocht ondernemen naar 't Sibaoe-land. Hij was blij, dat hij een bondgenoot in Kees vond.

Beiden begaven ze zich nu tusschen de opgewonden menigte. Het kostte groote moeite, hieruit een aantal bijeen te krijgen voor een vergadering, waar men het nieuwe krijgsplan kon bespreken. Eindelijk kon Kees het woord nemen. Hij begon met een herinnering aan de behaalde zege. Maar hiermee was de taak der Kenjaoe's niet afgedaan. De antoe's hadden hen geholpen. Door nieuwe heldendaden moesten zij nu de antoe's hun dankbaarheid toonen. Dan zouden de antoe's groote vriendschap voor de Kenjaoe's gaan koesteren. Ook hadden ze enkele dooden te betreuren. Die mocht men niet ongewroken laten. De Dajaks mochten hun eigen wetten van de bloedwraak niet verachten.

Kees eindigde ten slotte:

»Gij hebt u heden veel roem verworven. Maar onvergelijkelijk grooter zal uw roem zijn, wanneer gij in het land der Soengei-Sibaoe doordringt. Dan zult gij daar de koppen uwer vijanden uit hun eigen dorpen halen. De naam der Kenjaoe's zal dan bekend en geëerd worden onder alle Dajakstammen tot ver in Serawak en in het land der groote Batang-Loepars!"

Opgewonden juichten de toch al door den feestroes verhitte mannen deze toespraak toe. Onmiddellijk zou men tot de vervolging overgaan.

Petinggi Datoek zond eenige vlugge jonge mannen uit. Hun taak was, de Sibaoe's op te sporen en te blijven volgen; door teekens aan de boomen te kappen zouden ze hun den weg wijzen. De bala kon dan den volgenden dag zonder moeite volgen.

Aan de feestvreugde werd nu dadelijk een einde gemaakt, want men moest zich gereedmaken voor een langdurigen tocht.

Vele Kenjaoe's versierden hun rottan hoofddeksels met de veeren, welke eens de Sibaoekoppen hadden getooid. Ze vonden, dat ze er nu veel krijgshaftiger uitzagen.

Den volgenden morgen ging men op marsch. Wijselijk besloot men niet alleen op het pad te loopen, doch ook er naast in het bosch. Dan was de kans, om in hinderlaag te vallen, zoo goed als uitgesloten.

De dag ging voorbij zonder eenig voorval van belang. Tegen den avond echter hoorde men in de verte de herkenningsroep van een der verspieders. Van den verkenner hoorden ze, dat ze hun vijanden reeds vrij dicht op de hielen zaten. De Sibaoe's kwamen niet snel vooruit, daar ze een groot aantal gewonden mee moesten voeren. Deze mededeelingen vermeerderden den strijdlust der Kenjaoe's. Er moest echter halt gehouden worden om te overnachten. In de legerplaats weerklonk nog geruimen tijd het geroezemoes van opgewonden stemmen. Men prikkelde elkanders verbeelding met fantastische verhalen over te bedrijven heldendaden.

Reeds vroeg in den ochtend brak de bala op, om met groote snelheid verder te trekken.

Nadat men ruim een uur had geloopen, bleven de voorste Dajaks plotseling staan. Kees spoedde zich naar hun toe en vroeg:

»Wat is er? Ziet ge vijanden?"

»Neen, heer! doch er is een slecht voorteeken geweest. We kunnen onmogelijk verder trekken."

»Wat was er dan?"

»Een kiekendief vloog ons tegemoet, heer. Dat is een zeer ongunstig teeken."

De andere Dajaks, die intusschen naderbij gekomen waren, bespraken het geval in den breede, en zetten bedenkelijke gezichten. Het algemeen gevoelen was, dat het hoogst onvoorzichtig zou zijn, den tocht dadelijk voort te zetten.

Kees was wrevelig. Daar zou het geheele plan schipbreuk lijden op die domme bijgeloovigheid. Het was toch al twijfelachtig, of men de Sibaoe's op tijd zou inhalen. Als de bala zich hier lang ophield, kwam men stellig te laat.

Hij wilde de Kenjaoe's het dwaze van hun vrees duidelijk maken. Maar al zijn redeneerkunst mocht niets baten. Geen Dajak zou den moed bezitten moedwillig een slecht voorteeken te minachten. Er moest eerst weer een goed voorteeken komen. Dan zouden ze verder gaan.

Kees zat vol spijtige woede op een boomstam te wachten en verwenschte dat heidensche bijgeloof.

Plotseling schoot hem een gelukkige gedachte door 't hoofd. Hij zou zelf een voorteeken bedenken.

Scherp luisterde hij, of hij niet een opvallende vogelstem in het bosch hoorde. Nauwelijks deed zich een eenigszins schel gefluit vernemen, of hij sprong op met teekenen van blijdschap. Hij beval de Dajaks goed toe te luisteren. Deze vroegen hem de beteekenis van het gefluit.

»Dat is de waarzeggende vogel der blanken. Die zegt mij, dat het gevaar geweken is en dat we verder kunnen gaan," zei Kees.

De Dajaks vertrouwden de zaak niet erg. Ze maakten eenige tegenwerpingen. Doch toen liet dezelfde vogel weer zijn schrille fluittoon hooren. Nu verklaarde Kees, dat hij na deze waarschuwing niet langer op die plek durfde te blijven. Hij zou dan liever alleen vooruit gaan. De antoe's zouden hem zeker helpen.

Als de blanke man zoo zeker van zijn zaak was, besloten de Dajaks maar te volgen. En zoo zette men den pas er weer in.

Gelukkig bleef men gedurende het verdere verloop van den dag bewaard voor zulke ongunstige teekens. Toch leefde Kees onophoudelijk in zorg, dat zich meer dergelijke ongewenschte stoornissen zouden voordoen, die den tocht zeker zouden doen mislukken.

Den volgenden dag passeerde de bala de afgebrande woning van een tiental Dajaksche families. Dit was het dorp Seboeloeh, dat door de Sibaoe's verwoest was. Een paar bewoners van het dorp bevonden zich bij de bala. Het gezicht op hun verbrande bezittingen deed de wraakzucht weer opvlammen, welk gevoel zich aan de andere Kenjaoe's mededeelde. Tegen den avond vond men twee mannen aan den kant van den weg zitten. Het waren twee der verkenners. Een van hen verscheen onmiddellijk voor Kees en Petinggi Datoek, om verslag van zijn bevindingen te doen.

»We hebben de Sibaoe's voortdurend op den voet gevolgd en hun bewegingen bespied. Ze vermoeden waarschijnlijk niet, dat ze gevolgd worden. Toch schijnen ze voor alle zekerheid maatregelen te nemen; mijn makker, die daar zit, heeft vanmiddag in een randjoe getrapt. Hij kon niet verder gaan. Het voorwerp was daar zeker door de Sibaoe's neergezet."

»En waar zijn de Sibaoe's?" vroeg Kees.

»Eenige uren voor u uit, heer. Morgen kunt u ze inhalen."

Voorloopig besloot men op deze plek te overnachten en dan den anderen morgen met versnelden pas de vervolging voort te zetten. Toch was voorzichtigheid geboden, want men vond langs het pad verscheidene randjoe's, scherp aangepunte bamboestokjes, met de punt naar boven in den grond gestoken.

Voor hij dien avond in slaap viel, overdacht Kees nog eens het doel van dezen tocht. Was het wel verstandig, de Sibaoe's den volgenden dag aan te vallen? Dan zouden ze natuurlijk in verschillende richtingen vluchten en zich verbergen in het oerwoud. En dan zou men er zeer moeilijk, misschien in 't geheel niet, in slagen uit te vorschen, langs welken weg ze in het land der Kenjaoe's gekomen waren.

Zou het niet beter zijn, ze ongemerkt te blijven achtervolgen? Dan bestond er groote kans op het ontdekken van hun geheimen weg. Dan kon men in hun land doordringen.--Kees zag in zijn verbeelding de diamanten reeds in zijn bezit.

Zoodra de dag aanbrak, ging Kees met Petinggi Datoek overleggen.

Petinggi verlangde echter naar dappere daden en voelde niet veel voor dat werkeloos volgen van den vijand. Toen Kees hem echter duidelijk maakte, dat hij dan misschien de kans verbeurde, in het stroomgebied der Soengei Sibaoe te komen, begon hij te weifelen.

»Denk er eens aan, Petinggi, dat het u volgens mijn krijgsplan misschien gelukken zal, uw mannen in het land van den vijand te voeren. Dat is in geen jaren gebeurd! Als het gelukt, zal het uw naam even beroemd maken als die van Rimaoe, het groote opperhoofd der Kenjaoe's, waarvan ge mij hebt verteld. Dan zal men over vele jaren ook het heldengraf van Petinggi Datoek kunnen aanwijzen. En uw naam zal met eerbied worden genoemd door vele geslachten."

Dit beroep op de ijdelheid van den Dajak miste zijn uitwerking niet. Petinggi was nu overtuigd van de voortreffelijkheid der wijziging van het veldtochtplan.

Zonder overijling werd nu de tocht voortgezet. Door de nasporingen der vooruitgezonden mannen wist men, dat men de Sibaoe's dicht op de hielen zat. In den loop van dien dag passeerde men het dorp, dat het eerst door de Sibaoe's overvallen was. Slechts eenige verkoolde palen staken nog omhoog; al het andere was weggebrand. In de nabijheid lagen nog de afschuwelijk verminkte overblijfselen van eenige der vermoorde bewoners. Op dit gezicht laaide de wilde strijdlust weer op; onwillekeurig zou men de tocht in versneld tempo voortzetten, en daardoor de zaak weer bederven. Het kostte Kees moeite, de vechtlustige Dajaks te kalmeeren.

Een eind voorbij dit dorp splitste de weg zich. De inkepingen in de boomen wezen echter het goede spoor.

In den namiddag hielden de voorste Dajaks plotseling halt. Ze verzamelden zich, luid pratende, om iets, dat op den weg lag. Wat zou er nu weer zijn? Weldra bemerkten Kees en Petinggi Datoek, dat het de lichamen van twee Sibaoe's waren, maar zonder hoofd.

»Onze mannen hebben zeker deze vijanden gesneld," zei een der Dajaks lachend.

»Het zullen gewonden of zieken zijn geweest, die onderweg bezweken zijn," meende een ander.

Later bleek, dat de vooruitgezonden verkenners deze lijken al zonder hoofd hadden gevonden. Vermoedelijk hadden de Sibaoe's zelf de koppen meegenomen, opdat ze niet in 's vijands handen zouden vallen.

Intusschen naderde men het gebergte. De bodem begon te stijgen en werd rotsachtig. Bij een oude, vervallen ladang, welke men passeerde, hield het pad, dat men tot dusverre had kunnen volgen, plotseling op. Men moest zich nu uitsluitend richten naar enkele teekens en de sporen der Sibaoe's.

Kees begon een gesprek met een der mannen uit het verwoeste dorp in de nabijheid.

»Ben je hier bekend?"

»Ja, heer, ik heb hier veel gejaagd."

»Hoe ver ging je, om te jagen?"

»Tot den voet van het hooggebergte, heer, waar de rotsen steil opstijgen."

»En heb je daar nooit iets opgemerkt, dat op een pad of een weg geleek?"

»Nooit, heer! Ik begrijp ook niet waar die Sibaoe's eigenlijk heen willen. Denkelijk zullen ze morgen voor de rotsen staan, en ons daar in handen vallen.... tenzij ze vliegen kunnen, zooals de oude menschen vertellen."

»Heb jij ooit menschen zien vliegen?"

»Neen, heer, maar al heb ik het nooit gezien, daarom zou het toch wel kunnen zijn?"

Tegen deze opmerking kon Kees niet veel inbrengen en hij volstond met te zeggen:

»We zullen het morgen wel zien."

Dit gesprek was door anderen gedeeltelijk aangehoord. Het zette de verbeelding in vlam en weldra kwamen de tongen weer los. De Sibaoe's bezaten tooverkrachten. Ze werden door machtige antoe's geholpen. Ze konden over de bergen vliegen.

Kees trachtte die verhalen te ontzenuwen.

»Waar de Sibaoe's langs kunnen, daar kunnen wij ook langs," zei hij.

»We zullen zien, heer! We zullen zien!" zei een bedachtzaam oud man.

»Dàt zullen we! Het zal er mee gaan als met het gevecht. Eerst heette het, dat de Kenjaoe's nooit de Sibaoe's zouden kunnen verslaan. En toch hebben ze hen verslagen en ze vluchten voor ons uit, zoo hard ze maar kunnen."

»Dat is waar! Dat is waar!" riepen verschillende stemmen.

»Laat ons den dag van morgen afwachten. Dan praten we weer!" riep Kees vol vertrouwen.

»We zullen ze wel krijgen, heer!" zei een der jongere mannen vroolijk.

»Juist! Als de verkenners maar zorgen, dat zij ze geen oogenblik uit het oog verliezen."

Toen de avond viel was de bala reeds dicht aan den voet van het hooggebergte. De grijze rotsmassa's leken hier al even ontoegankelijk als die van den eigenlijken Goenoeng Lawit. Met beklemming dacht Kees een oogenblik terug aan wat hij daar ondervonden had, waar de kaken des doods hem van alle zijden aangrijnsden. Hier leek het al niet veel beter.

Op deze plaats werd een vrij goede gelegenheid voor nachtkwartier gevonden.

Den volgenden morgen beklom men een heuvelrug, welke rechtstandig op het gebergte aanliep. Hoe meer men dit naderde, des te beter zag men, dat zich overal loodrechte rotswanden verhieven, die volkomen onbeklimbaar waren.

Kees begreep er niets van. Hij werd ongerust. Van de Dajaksche tooververhalen geloofde hij geen woord. Toch vreesde hij voor een raadsel te zullen komen, dat hij misschien niet kon oplossen. Zijn eenige hoop was gevestigd op de handigheid en de slimheid der verkenners. Wanneer deze de Sibaoe's geen moment uit het oog verloren, bestond er kans, dat ze ook den geheimen weg zouden ontdekken.

Plotseling werd hij opgeschrikt door een zacht geroep uit de verte. Petinggi luisterde en herhaalde het onmiddellijk.

»Wat is dat, Petinggi?"

»Een van onze mannen, heer!"

»Zeker bericht over de Sibaoe's."

»Als het maar goed bericht is, heer!"

Een eind verder zat de verkenner verscholen in het struikgewas.

De bala hield halt en Kees en Petinggi Datoek begaven zich naar den verkenner.

»Wat nieuws?" vroeg Kees haastig.

»Slecht nieuws, heer!"

»Hoe zoo? Waar zijn de Sibaoe's?"

»Verdwenen, heer! Ze zijn in de lucht verdwenen."

Kees stampte op den grond. Petinggi Datoek stiet een kreet van bijgeloovige angst uit.

»Waar zijn de andere verkenners?" vroeg Kees eindelijk.

»Die zijn aan den voet der rotsen gebleven, heer. Zij wachten, waar we de Sibaoe's zagen verdwijnen."

»Heb je ze zien verdwijnen?" vroeg Kees met de grootste verbazing.

»Ja, heer; we waren een paar honderd depa [16] van hen af. Toen verdwenen ze in het kreupelhout aan den voet der rotsen. Na eenigen tijd slopen we vooruit, om te zien waar ze gebleven waren. Maar toen we in het kreupelhout kwamen, was er niets meer te bespeuren."

»En waarheen liepen de sporen?"

»Die waren er niet, heer!"

»Wàt zeg je? Geen sporen?"

Kees schudde het hoofd over de domheid der Dajaks en Petinggi sloeg in de uiterste verbazing de handen ineen.

»Er wàren geen sporen, heer!"

»Je bazelt, man!" riep Kees driftig.

»Neen, heer, ik heb alles goed gezien. In het kreupelhout kon men duidelijk zien, dat de Sibaoe's daar gestaan en geloopen hadden. Maar er was geen spoor van den verderen weg."

»Dan hebben ze je bedrogen en hun spoor onherkenbaar gemaakt. De Sibaoe's zijn slimmer dan de Kenjaoe's. Ze hebben jelui als vrouwen om den tuin geleid."

»Het beste is, dat u zelf eens gaat kijken, heer," zei de Dajak droogjes.

»Dat zal ik doen, en dan zal ik je toonen, dat een blanke beter sporen kan zoeken, dan een Kenjaoe-dajak," vervolgde Kees, die steeds boozer werd.

Petinggi Datoek gaf een teeken aan de bala. Deze naderde en men ging weer vooruit.

De Dajaks omringden nu den verkenner. Zij moesten er het hunne van hebben en weldra klonken allerlei uitroepen van schrik, angst en verbazing door de lucht.

»Vooruit!" riep Kees, »wijs ons liever den weg. Met oudewijvenpraatjes komen we niet verder."

»Het zijn geen praatjes, heer!" verdedigde zich de Dajak.

»Welzeker zijn het praatjes! De Kenjaoe's zijn oude vrouwen, die gelooven, dat menschen in vogels kunnen veranderen."

»Ik heb u toch gezegd, heer, dat de Sibaoe's altijd bekend zijn geweest om hun tooverkunsten. U heeft het nooit willen gelooven en nu ziet u het toch," waagde Petinggi Datoek schuchter op te merken.

»Zwijg, Petinggi!" beval Kees op barschen toon. »Ik geloof het niet en zal het nooit gelooven!"

Men naderde ondertusschen het kreupelbosch, dat aan den voet der rotsen groeide.

»Laat ons hier het hout onderzoeken!" zei Kees terwijl hij het bosch betrad.

Slechts zeer enkele Dajaks volgden hem. De meesten bleven beangst en schuw op eenigen afstand staan wachten.

In het hout vond Kees de drie andere mannen, die de verklaringen van hun makker geheel bevestigden.

»Wijs me de plek, waar ge de Sibaoe's het laatst gezien hebt."

»Daar ginds, heer, waar u ook het hout is binnengekomen."

»En hier zie ik duidelijk hun sporen," zei Kees op den bodem wijzende.

»Hier nog wel, heer; maar verder op, vlak bij den rotswand, is een open plek. Daar houden de sporen op."

Kees begaf zich naar de aangeduide plek en was weldra druk bezig een vervolg van de sporen te zoeken. Alles tevergeefs. Hij vond niets anders, dan wat de verkenners al hadden medegedeeld. Hier hadden een aantal menschen bijeengestaan. Zij hadden wat heen en weer geloopen, maar er was geen enkele aanwijzing, die aangaf, naar welken kant zij die open plek hadden verlaten.

Langzamerhand kwamen er meer Dajaks in het kreupelhout. Ieder zocht, maar niemand vond, wat hij wenschte.

Kees was in een buitengewoon slecht humeur. Hij meende op het gezicht der verkenners te lezen, dat ze zich heimelijk verheugden over de onmacht van den blanke. Dit prikkelde hem, te meer, daar hij weer een druk gemompel hoorde over de raadselachtige tooverkunsten der Sibaoe's. Raadselachtig was de toestand inderdaad. Maar hij zou en hij moest het geheim onthullen. Hij snuffelde de geheele open plek nog eens na en daar hij last had van de Dajaks, beval hij dezen terug te gaan in het hout. Slechts Petinggi Datoek, Marti en één der verkenners hield hij bij zich, om hem zoo noodig te helpen.

De vier mannen stelden nu een nauwgezet onderzoek in. Na eenigen tijd kwamen ze tot het besluit, dat er twee soorten sporen waren, namelijk geheel versche, die hoogstens eenige uren oud konden zijn en ook oudere, die niet van de laatste dagen konden zijn.

»De nieuwe sporen zijn van vandaag, de oude van verscheidene dagen geleden," merkte Marti op.

»Die zijn van den dag, waarop de Sibaoe's dit land zijn binnen gevallen," vooronderstelde Kees.

»Dat moet wel, heer, maar waar is hun weg!" riep Petinggi Datoek uit.

Marti had intusschen met den anderen Dajak nauwkeurig den bodem onderzocht. Eensklaps riep hij: »Hier is een gat, alsof er een paal heeft gestaan."

Werkelijk was de grond daar ter plaatse losgewoeld.

»En hier heeft men de paal langs gesleept," riep Petinggi Datoek opgewonden.

»Dan zijn ze hier langs een paal naar boven geklommen," zei Kees. »En die ladder hebben ze omhooggetrokken, toen ze allen boven waren. Er is geen andere mogelijkheid," riep Kees.

Allen keken opwaarts. Voor hen verhief zich de steile rotswand.

»Dat kan niet, heer; de rots is veel te hoog, zulke lange palen zijn er niet," zei de Dajak.

»Neen, het is te hoog," erkende Kees nadenkend. »En toch is er geen andere mogelijkheid!"

Hij trad een eind achteruit om den steilen wand eens goed te bekijken. Nu trof het hem, dat men een deel van den rotswand niet kon overzien. Daar sprong een klip een eind naar voren.

Hij wilde niets onbeproefd laten, om het geheim der Sibaoe's te ontdekken.

»Zoek een langen en dunnen boomstam uit en kap dien!" beval hij aan een paar Dajaks. Toen aan zijn verlangen voldaan was, liet hij den stam schuin bij wijze van ladder tegen den rotswand zetten. Daarna gelastte hij een der Dajaks, om naar boven te klimmen.

Nauwelijks had de man het uitstekende gedeelte van de rotsen bereikt, of hij riep:

»Hier is een hol!"

»Ha, hier hebben we eindelijk de oplossing van het raadsel!" riep Kees opgewonden.

Er ontstond nu een geweldig tumult onder de verzamelde Dajaks. Daar moesten ze meer van hebben en de achtergeblevenen snelden toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen.

»Tracht door het gat te kruipen!" riep Kees.

»Ja, heer, maar het is lastig! het is niet wijd!" Men wachtte eenige oogenblikken vol inspanning. Daar klonk de stem van den Dajak, maar nu van achter de vooruitstekende rotsen:

»Het gat loopt verder door. Laat nog een paar mannen hier komen! Ik durf alleen niet verder gaan!"

Kees besloot zichzelf op de hoogte te stellen. Hij klom naar boven, gevolgd door een der Dajaks, die inkepingen in het hout maakte om het klimmen voor de anderen gemakkelijker te maken.

Boven gekomen zag Kees, dat het gat juist groot genoeg was, om één man kruipend door te laten. Niet zonder moeite gelukte het hem, zich van den boom op de rots te werken en zich daarna door het gat te wringen. Toen hij in het hol doordrong, bemerkte hij, dat dit weldra wijder en hooger werd. Na een vijftigtal meters gekropen te hebben, kon hij opstaan en loopende zijn weg vervolgen. Een eind verder vond hij den Dajak, die 't eerst naar boven was gegaan, op hem wachten.

Het was vrij donker in deze onderaardsche ruimte. Toch zag men aan het andere einde de schemering van het licht. Daar moest dus de andere uitgang zijn.

Weldra hadden zich nog een tiental mannen bij hen gevoegd. Nu ging men weer verder, om te zien, waar de gang uitkwam. Bij den uitgang zagen ze een diep ravijn voor zich en in de verte overal de steile rotswanden van het Lawit-gebergte. In het fijne zand op den bodem, waarop ze stonden, waren duidelijk de voetsporen der Sibaoe's afgeteekend.

Ten overvloede kwamen eenige Dajaks met een paar tot ruwe ladders bewerkte boomstammen aansleepen, die ze juist in 't hol hadden gevonden.

Nu was de laatste vrees der Kenjaoe's voor hun oude vijanden geheel verdwenen. Ze zagen in, dat ze zich altijd door de listige Sibaoe's hadden laten verschalken. Alle tooververhalen bleken nu ineens volkomen onwaar te zijn.

Maar hoe waren de Sibaoe's nu in het ravijn gekomen? Ook dat pad werd weldra ontdekt. Nu begonnen ze naar beneden af te dalen. Gemakkelijk was dat niet; hier en daar moesten de mannen gebruik maken van tegen de rotsen geplaatste boomstammen.

Het duurde verscheidene uren voor de bala in zijn geheel in het diepe ravijn was aangekomen. Toen kon men den tocht voortzetten. Het ravijn kronkelde als een holle weg tusschen de hooge en steile rotswanden door. Het leed geen twijfel, of men was op den goeden weg, die rechtstreeks naar het land der Sibaoe's voerde.

De vreugde en de opgewondenheid onder de Kenjaoe's was groot. Ook Kees uitte zijn blijde tevredenheid; hij kwam meer nader bij zijn doel: de Soengei Sibaoe, waar de schat der diamanten verborgen lag.

XII. TERUG IN HET LAND DER SIBAOE-DAJAKS.

Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe's geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter duidelijk. Men was op den goeden weg.

Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.

»Nu zijn we voor den tweeden keer in het land der Sibaoe's, Marti!" zei Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak bij hem liep.

»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt."

»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele bala der Kenjaoe's is immers bij ons!"

»Maar de Sibaoe's zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is 't met ons gedaan."