Onder de koppensnellers op Borneo

Part 7

Chapter 73,900 wordsPublic domain

Bij het krieken van den ochtend toog de geheele bevolking van Tapang op reis. Allen liepen achter elkaar. Vooral de vrouwen waren zwaar bepakt; de mannen droegen hun wapens.

Volgens Petinggi Datoek zou de tocht met vrouwen en kinderen wel drie dagen duren. Kreeg men onderweg echter slechte voorteekenen, dan konden er nog wel eenige dagen bij komen.

Men trok in noordwestelijke richting. Een gebaand pad was er niet. Toch stapte Petinggi Datoek, die de menigte leidde, met de grootste zekerheid voort.

Aan het einde van dien dag kampeerde men in het bosch onder kleine afdaken. Daar het regende, leden de vrouwen en vooral de kinderen veel ellende. Kees kon den ganschen nacht niet slapen, door het droef gehuil der allerkleinsten. Als de stakkers zoo nog eenige dagen en nachten aan allerlei ontberingen werden blootgesteld, zouden er verscheidene sterven van koude en ellende.

Eerst den derden dag bereikte men, na veel ongemakken te hebben doorgestaan, het doel van de reis: de Boekit Seloewa, een alleenstaanden berg met zware wouden begroeid.

Hier zouden de vluchtelingen verblijf houden, tot alle gevaar geweken was. Ook de bewoners der andere dorpen zouden zich hier verzamelen.

Na aankomst waren weldra alle Dajaks bezig afdaken en eenvoudige hutjes te bouwen, waar men den eersten nacht kon slapen. Later zou men deze primitieve woninkjes wat verbeteren.

Reeds den volgenden dag kwamen er meer vluchtelingen opdagen uit de in de nabijheid gelegen dorpen en huizen.

De toestand in het kamp was niet te best. Ieder stelde middelen in het werk, om de tijdelijke woning zoo goed mogelijk te maken. Het bleven echter noodwoninkjes en de menschen hadden veel last van koude en vocht. Na een paar dagen waren er veel zieke vrouwen en kinderen; en reeds waren er een paar kleintjes gestorven.

Nog een paar dagen later kwamen er eenige vluchtelingen in het kamp aan, die in een der noordelijkste dorpen thuis hoorden. Deze verhaalden, hoe eenige dagen te voren hun huis plotseling in het holle van den nacht overvallen was door een sterke bende Sibaoe-dajaks. Zij waren ouder gewoonte als uit de lucht komen vallen en hadden een gruwelijke slachting aangericht onder de bewoners van het dorp. Slechts enkele der mannen hadden kunnen ontkomen. Deze waren op hun overhaaste vlucht één der boodschappers van Petinggi Datoek tegengekomen, die hen gezegd had, dat allen zich moesten verzamelen op den Boekit Seloewa.

In ademlooze spanning had een dicht opeengedrongen menigte Kenjaoe's het verhaal van hun stamgenooten aangehoord. Groote angst maakte zich van allen meester en kreten van schrik en ontsteltenis klonken door de lucht.

Het kostte Petinggi Datoek eenige moeite, de menschen duidelijk te maken, dat er voor het kamp voorloopig nog geen gevaar was.

Den volgenden morgen heerschte er weer groote opgewondenheid. Alle Dajaks verzamelden zich en schenen opnieuw aan hevigen angst ten prooi. Kees spoedde zich er heen. Eén der boodschappers bleek teruggekeerd en had nadere berichten meegebracht.

»Toen ik in de nabijheid van het overvallen huis kwam, hoorde ik al spoedig het geraas van de feestvierende Sibaoe's. Ze schreeuwden en sloegen op de trommen, dat het ver door het bosch weerklonk. Zooveel mogelijk mij verborgen houdend, sloop ik behoedzaam dichterbij. Ik zag, dat ze een grooten feestmaaltijd hadden aangericht en dat er al verscheidene veel te veel toewak [13] hadden gedronken. De hoofden der vermoorde bewoners hadden ze op staken tentoongesteld."

Kreten van haat en woede stegen op uit de rijen der toeluisterende Dajaks.

De boodschapper vervolgde:

»Ik durfde niet lang op die gevaarlijke plaats vertoeven en heb me zoo snel mogelijk verwijderd. Onderweg heb ik zooveel mogelijk onze lieden gewaarschuwd."

Kees drong naar voren en vroeg:

»Hebt ge ook kunnen zien, hoeveel Sibaoe's er ongeveer waren?"

»Mij docht zoowat honderd, heer. Misschien wel meer, maar zeker niet minder."

»En waren er velen met geweren bewapend?"

»Ja, heer, de meesten hadden geweren."

Kees vroeg niet meer en verwijderde zich. Hij bemerkte wel, dat er, onder den indruk van dit nieuwe verhaal, groote verslagenheid heerschte. De mannen stonden in groepen bijeen en waren in druk gesprek.

Eenige oogenblikken later besprak Kees de zaak met Marti.

»Het is me onbegrijpelijk, hoe de Kenjaoe's zoo bevreesd kunnen zijn voor de Sibaoe's. Volgens de berichten moet de bende der Sibaoe's ruim honderd man sterk zijn en ik tel hier onder de Kenjaoe's minstens honderd en vijftig flinke, strijdbare mannen."

»Ze zijn bang voor de tooverijen der Sibaoe's, heer," zei Marti.

»Ik geloof niets van al die verhalen. De een maakt den ander met zijn sprookjes bang."

»Maar u ziet toch zelf, dat de Sibaoe's op onverklaarbare wijze in dit land komen. Daar moet toch tooverij achter schuilen."

»Onverklaarbaar is het tot dusverre zeker; maar van die tooverij geloof ik geen zier. Mijn gevoelen is, dat de Sibaoe's een geheimen doortocht door 't gebergte kennen; een weg, die heel wat gemakkelijker is dan die, welken wij gevolgd hebben."

Marti zweeg. Al was hij een volgeling van Mohammed geworden, als gewezen Dajak kon hij het geloof aan tooverij en de hulp der antoe's nooit geheel van zich afzetten. Kees hernam:

»Het is jammer, dat ze hier zoo bang zijn voor die Sibaoe's. Als ze durfden, zouden ze hun vijanden best kunnen verslaan en het land uitjagen.--Ja, daar moet ik eens over nadenken en er met Petinggi Datoek over spreken. Misschien kan ik er hem toe krijgen, die Sibaoe's te lijf te gaan."

Marti keek verschrikt op en zei:

»Laat ons liever een middel bedenken, om uit dit vervloekte land weg te komen, heer. Waarom u nu weer in nieuwe avonturen te begeven! Vindt u het dan nòg niet genoeg?"

»Ik kan die ellende hier niet langer aanzien, Marti. Vrouwen en kinderen sterven weg als ratten en muizen. Als dat nog lang zoo duurt, blijft er geen in leven. Bovendien weet ik, dat verscheidene mannen er net zoo over denken als ik. Maar ze durven het niet uit te spreken, uit vrees voor die oude, bedachtzame mannen, die liever maar afwachten.... al maar afwachten."

»U moet het natuurlijk weten. Ik voor mij zou gaarne hier vandaan gaan. We hebben onzen plicht ten opzichte van de Kenjaoe's gedaan. Ik heb, vóór we onzen tocht aanvingen, gedroomd van bloed en vuur. U weet, dat alles is uitgekomen.... en het kan nog erger worden!"

»Wees niet zoo bijgeloovig, Marti."

Marti antwoordde niet, doch Kees zag wel, dat de brave inlander gekrenkt was, dat er zoo weinig waarde aan zijn droomen werd gehecht.

Kees liet zijn denkbeeld niet los en zon op een plan, dat hij aan de Dajaks zou kunnen voorstellen.

Eindelijk had hij een besluit genomen.

Hij ging Petinggi Datoek opzoeken, die mistroostig onder zijn hutje zat bij zijn zieke vrouw.

»Petinggi, kom eens hier, ik moet met je praten!"

De geroepene stond op en verwijderde zich met Kees.

Marti was zijn heer op eenigen afstand gevolgd en zag nu, hoe zich tusschen Kees en den Dajak een druk gesprek ontspon.

Van het gesprokene kon hij door den afstand niets verstaan. Wel zag hij Kees druk gesticuleeren. Hij zag ook, hoe de Dajak dan weer krachtig met het hoofd schudde. Toch hield Kees vol. Eindelijk was het merkbaar, dat Petinggi zich gewonnen gaf. Toen verwijderde Petinggi zich weer.

Nu kwam Kees naar Marti toe en zei:

»Het heeft moeite gekost, maar hij zal nu de mannen bijeenroepen voor een vergadering, om de zaak te bespreken. Ik vertrouw, dat ik de groote meerderheid op mijn hand krijg. Ga maar mee, dan kun je alles hooren."

»Goed, heer!" zei Marti onderworpen.

Zuchtend volgde hij zijn heer, zich bekommerd afvragend, in welke narigheden deze zich nu weer begeven zou.

X. DE HINDERLAAG.

Weldra verzamelden de mannen zich op de aangegeven plaats. Ook vele vrouwen hadden zich bij hen gevoegd, nieuwsgierig om te hooren, wat er gezegd zou worden.

Toen de vergadering genoegzaam voltallig was, trad Kees naar voren en sprak:

»Mannen van de Kenjaoe! Ge hebt allen het verhaal gehoord der vluchtelingen, die tot ons gekomen zijn. De Sibaoe's hebben hun vrouwen en kinderen gedood. Ook vele mannen zijn reeds onder hun slagen bezweken. De hoofden der vermoorden dienen nu als zegeteekenen voor uwe vijanden. Vermoedelijk trekken deze nu op naar de andere dorpen. Menschen zullen ze daar nu wel niet meer vinden. Deze zijn gewaarschuwd en gevlucht. Doch dan zullen ze hun wraak koelen aan uw huizen en aan uw vee. Over eenigen tijd, als uw vijanden het land verlaten hebben, zult gij naar uw dorpen terug willen keeren. Dan vindt ge uw ladangs verwoest, uw woningen verbrand, uw varkens geroofd. Wilt ge dit toelaten?"

Een dof gemompel ging op uit de rijen der mannen.

»Ik heb gehoord, dat het aantal der Sibaoe's slechts een honderdtal bedraagt. En hier zijn wel meer dan honderd en vijftig goed weerbare mannen. Indien ge wilt, zouden we den strijd kunnen wagen. Wanneer het ons gelukt, de Sibaoe's te verslaan, zouden uwe bezittingen gespaard blijven. En tevens zoudt gij wraak kunnen nemen voor den hoon, dien zij u hebben aangedaan. Of wilt ge u hier liever als laffe vrouwen, blijven verstoppen en uw parangs en lansen laten rusten?"

Weer klonk een dreigend gemompel.

Kees vervolgde met vuur:

»Laat ons vechten, mannen! De antoe's helpen ons, als we maar dapper strijden! Wat zeggen de mannen van de Kenjaoe nu?"

Een druk gepraat ging door de rijen. Enkele jonge mannen stieten oorlogskreten uit. Anderen sloegen op hun schilden. De meesten echter wachtten met ingespannen verwachting, wat de oudsten en hoofden zouden zeggen.

Een der oudere mannen stond op en nam het woord:

»Hoe zullen wij ooit kunnen vechten tegen de Sibaoe's? Zij zijn veel behendiger in den strijd dan wij. Zij beschikken over allerlei tooverkunsten. Zij hebben machtiger antoe's. Naar mijn meening is het beter, in dit kamp de gebeurtenissen af te wachten."

Kees gaf nu Petinggi Datoek een wenk. Deze trad naar voren.

»Mannen," zei hij, »onze blanke vriend hier, die ons nog net vroeg genoeg heeft gewaarschuwd, meent het goed met de Kenjaoe-dajaks. Hij heeft medelijden met de arme vrouwen en kinderen, die hier in het bosch in grooten getale sterven. Zijn hart is ziek bij het zien van al die ellende. Hij heeft een plan bedacht, om de Sibaoe's te bestrijden en ik geloof, dat het een goed plan is."

Zich tot Kees wendende vervolgde hij:

»Wilt u het plan nòg eens verklaren, heer? Dan kunnen alle mannen het hooren. Want al is een oorlogsplan goed voor de blanke menschen, het kan wel minder goed zijn voor domme Dajaks. Als u het ons uitlegt, kan iedereen hooren, dat het overeenkomt met de strijdwijze der Dajaks."

»Welnu," riep Kees, »luistert goed toe. Dan kunt ge allen uw oordeel vormen.

Wij zijn met ongeveer honderd en vijftig mannen, van wie de meesten geweren bezitten. De anderen zijn goed bewapend met lansen en mandau's. Ik stel voor om een paar vlugge jonge mannen vooruit te zenden, die als spionnen moeten gaan verkennen, langs welken weg de Sibaoe's oprukken. Zoodra we dat precies weten, gaan de mannen, die geweren hebben, langs dien weg in hinderlaag liggen. De anderen stellen zich verdekt op in het bosch en laten den vijand eerst ongemoeid langs zich heen trekken.

Zoodra ze nu de hinderlaag genaderd zijn, zal ik, ten teeken van aanval, mijn geweer afschieten. Daarop schieten al de anderen hun geweer ook af en stormen vervolgens met de parang op den vijand in. Als deze dan in verwarring terugtrekt, vallen plotseling de anderen hem aan van uit het bosch en snijden hem den terugweg af. Zoo mòet het dunkt me gelukken, den vijand gevoelige verliezen toe te brengen. Alles komt echter op de verrassing aan. De plek voor de hinderlaag moet dus zorgvuldig gekozen worden."

Er ging onder de Dajaks een algemeen gejuich op. Velen sloegen op hun lansen en schilden. Kees, door deze gunstige gezindheid aangemoedigd, ging voort:

»Ge zult een groot aantal koppen buit maken. Uw parangs zult ge versieren met het haar uwer vijanden. We zullen een groot feest vieren, als we terugkeeren!"

Een wild geschreeuw steeg op.

»Wij willen vechten! Wij willen de koppen der Sibaoe's!"

»Dat is goed, mannen!" riep Kees uit. »Maar dan moet er onmiddellijk worden gehandeld. Dadelijk moeten de verkenners er op uit. Wie biedt zich daartoe aan?"

Een aantal jonge mannen trad naar voren. Met behulp van Petinggi Datoek zocht Kees er een viertal uit. Deze kregen nog eenige aanwijzingen en maakten zich gereed om op staanden voet te vertrekken.

Vervolgens wist Kees het stamhoofd te overtuigen, dat het beter was, dat alle strijdbare mannen zich naar Tapang begaven. Vandaar uit konden ze vlugger de te kiezen hinderlaag bereiken. De vrouwen en kinderen konden dan onder bewaking van een klein aantal mannen op den Boekit Seloewa achterblijven.

Den volgenden dag vertrok de strijdmacht der Kenjaoe's naar Tapang. Na een tocht van drie dagen kwam men aldaar aan. Daar men zich vleide met de hoop op eene schitterende overwinning, werd er een feest aangericht, waarbij door een deel der mannen een groote hoeveelheid toewak werd gedronken. De angst van vroeger maakte bijna plaats voor dollen overmoed.

Enkele der Dajaks zochten een aantal tawak-tawak [14] bijeen, die ze wenschten mee te nemen in den strijd. Kees verzette zich hier tegen. Hij was bang, dat deze trommen hen ontijdig zouden verraden. Maar de Kenjaoe's hielden vol, dat het geluid der trommen hun moed zou verlevendigen en bovendien de antoe's zou oproepen, om hen te helpen in den strijd. Ten slotte moest Kees er dan ook in berusten.

Reeds den volgenden dag kwamen de verkenners melden, dat de bala [15] der Sibaoe's naderde en den dag daarop reeds verwacht kon worden uit de richting van een dorp, genaamd Seboeloeh.

Onmiddellijk toog Kees met Petinggi Datoek en anderen er op uit, om langs dit pad een geschikte plek voor een hinderlaag te zoeken.

Op ongeveer twee uren afstands van Tapang vond men een uitstekende plaats. Het pad was daar smal en omgeven door dicht struikgewas. Heuveltjes in het bosch gaven een mooie gelegenheid om de reserve-afdeeling te verbergen. Deze zou den vijand, wanneer hij in verwarring gebracht was, den genadeslag geven.

Toen men de plek goed had vastgesteld, ging een der mannen terug, om de overige Kenjaoe's te halen. Men zou in de nabijheid der hinderlaag overnachten om vroegtijdig op post te kunnen zijn.

Ter plaatse aangekomen, werd de geheele macht in twee afdeelingen gesplitst. De eene afdeeling, hoofdzakelijk met geweren bewapend, legerde zich langs het pad. De andere stelde zich meer in de richting van den vijand op, doch wat dieper in het bosch, achter de heuvels.

Allen tintelden van strijdlust. Allen waren bezield met een onwankelbaar vertrouwen op den goeden afloop.

Een der strijders werd als verkenner langs het pad vooruit gezonden, om tijdig te kunnen waarschuwen. Hij mocht bij het terugkeeren niet blijven stilstaan bij de hinderlaag; maar moest doorloopen in de richting van Tapang, om de opstelling niet te verraden, indien de Sibaoe's hem vlak op de hielen volgden.

Kees zou het waarschuwingsschot geven, dat het sein voor den algemeenen aanval zou zijn.

Marti lag naast Kees in het struikgewas verscholen. Hij was bewapend met de revolver van zijn meester en bovendien nog met een zware Dajaksche oorlogsparang.

De mannen, die de tawak-tawak zouden slaan, hadden zich met hun instrumenten dieper in het bosch opgesteld, om daar gedurende het gevecht ongestoord er op los te kunnen trommelen.

Zoo lagen de mannen, geheel gereed voor den komenden strijd, op den vijand te wachten. Doodstil moest men blijven liggen. Geen struik mocht verdacht ritselen; geen woord mocht gesproken worden. Het wachten in deze hinderlaag was een ware geduldproef. Kees had al zijn zelfbeheersching noodig, om rustig op zijn plaats te blijven liggen. Meermalen stond hij op het punt, eens te zien, of de verkenner nog niet terugkeerde. Telkens moest hij zich weer voorhouden, dat het bevredigen van deze verklaarbare nieuwsgierigheid noodlottige gevolgen kon hebben. Zoo wist hij zich ten slotte te bedwingen en bleef onbeweeglijk de wacht houden.

Hij wist, dat er veel, ja, dat zijn leven op het spel stond. Het was waar: de Kenjaoe's hadden veel voordeelen aan hun zijde. Maar het was ook waar, dat de Sibaoe's ervaren strijders en geduchte vijanden waren.

Ook Marti was vervuld van ernstige overpeinzingen. Hij kon het maar niet van zich afzetten, dat hij slechte voorteekenen gezien had, toen ze hun tocht begonnen waren. Die droom van bloed en vuur deed hem nog steeds het ergste vreezen. Dat zijn heer ook zoo eigenzinnig was! Marti kon zich die avontuurlijke dwaasheden van de blanke menschen maar niet indenken!

Enkele uren verliepen.

Plotseling schrikten de mannen in de hinderlaag op door het geluid van vlugge voetstappen langs het pad. Ieder spande zich in iets te hooren. Scherp spiedde men tusschen de struiken door.... Het was de verkenner, die vlug de opstellingsplaats voorbij liep.

In 't voorbijgaan zei hij:

»Ze komen!"

Spoedig was hij langs het pad verdwenen. De spanning steeg tot den hoogsten graad. Weldra zouden de geduchte vijanden er zijn.... spoedig zou alles beslist zijn. Nu overwinnen of.... de dood.

Kees luisterde ongeduldig in hevige spanning. Nu en dan schrikte hij op. Daar waren ze--neen! toch niet! Herhaaldelijk speelde zijn verbeelding hem parten!

Maar hoor!--Wat was dat?

Duidelijk hoorde Kees het geluid van menschelijke stemmen. Daar naderden voetstappen! Dáár waren ze! Hij zag de eerste Sibaoe's. Het hoofddeksel versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel; de borst bedekt met soelauwbaadjes; zwaar bewapend met geweren, lansen en parangs. Niets kwaads vermoedende, liepen de krijgers in groepjes van vijf of zes man langs het pad. Zonder argwaan gingen ze hun verderf tegemoet. Ouder gewoonte rekenden ze er op, dat de Kenjaoe's diep in de bosschen waren gevlucht.

Weldra waren er een veertigtal gepasseerd. Daar zag Kees het hoofd der Sibaoe's, den valschen Senawa. Hij was in druk gesprek met een reusachtigen Dajak, die vlak achter hem liep.

»Het geluk is mij gunstig," mompelde Kees.

Hij legde aan op Senawa. Een schot klonk daverend door het bosch; een salvo van twintig, dertig schoten volgde. Onder woedend gehuil en geschreeuw sprongen de Kenjaoe's te voorschijn; met opgeheven parangs stormden zij wild op den vijand in. Ook Kees was door de struiken gedrongen, gevolgd door Marti. Senawa was onmiddellijk doodelijk getroffen neergestort. Nu stond hij echter tegenover den reusachtigen Dajak. Met moeite ontweek hij diens geweldige parangslagen. Daar was echter de trouwe Marti naast zijn meester gesprongen en weldra lag de Sibaoe zieltogend ter aarde.

Kees had geen gelegenheid gehad naar de andere Kenjaoe's om te zien. Nu twee dooden aan zijn voeten lagen, keek hij rond. De strijd was al bijna afgeloopen; een groot aantal doode of zwaar gewonde Sibaoe's lag over het pad verspreid. De aanval was schitterend geslaagd. De Kenjaoe's hadden met hun vlijmscherpe parangs en lansen onbarmhartig huisgehouden onder de Sibaoe's, die verschrikt waren door den plotselingen overval.

Wel hadden ze spoedig hun tegenwoordigheid van geest teruggekregen en duchtig trachtten ze zich te weren. Hun rijen waren echter te zeer gedund om nog met succes weerstand te bieden.

Van uit het bosch klonk intusschen nog steeds het opwindend geroffel der keteltrommen, dat de krijgers tot grooter dapperheid aanspoorde.

Terwijl het voorste gedeelte van de bala der Sibaoe's door de Kenjaoe's werd afgemaakt, haastte de achterhoede zich verschrikt, terug te trekken. Het pad was niet breed en de overhaaste terugtocht veroorzaakte ook hier verwarring. Van dezen toestand maakte de reserve der Kenjaoe's gebruik, om de overgeblevenen van achteren aan te vallen.

Onder leiding van Petinggi Datoek stormden zij te voorschijn. Vol ongeduld hadden zij liggen wachten, tot hùn oogenblik gekomen was. En nu zagen ze hun kans schoon. Het tijdstip was inderdaad gunstig gekozen.

Groot was de ontsteltenis onder de Sibaoe's. Nieuwe drommen vijanden rukten van den tegengestelden kant aan. Voor ze zich herstellen konden van hun ontzetting, waren velen met parang en lans neergeveld; slechts een klein deel, waarvan de meesten nog wonden had bekomen, wist door het struikgewas aan de wraak der Kenjaoe's te ontkomen.

Kees, Marti en een aantal Dajaks, die de vluchtende achterhoede gevolgd waren, kwamen te laat, om nog aan het gevecht deel te nemen; de lichamen van doode en gewonde Sibaoe's bedekten ook hier den grond.

Nu begon een weerzinwekkend tooneel. De Kenjaoe's begonnen hun gevallen vijanden te snellen. Ook voor gewonden was geen genade.

Kees wendde zich vol afgrijzen af. Hij ging terug naar de plaats der eerste hinderlaag; doch ook daar wachtte hem hetzelfde afschuwelijke schouwspel. Ook daar waren de Kenjaoe's bezig, met hun scherpe wapenen de hoofden der gevallenen van de lichamen te scheiden.

Een der Dajaks kwam vroolijk op hem toeloopen, een gesnelde kop omhoog houdend.

»Deze is van u, heer! U heeft hem neergeschoten!"

Kees herkende het hoofd van Senawa. Huiverend van afschuw wendde hij zich af. Zonder een woord te spreken, verliet hij deze plaats. De Dajak stond verstomd over de eigenaardige manieren van de blanke menschen. Als Kees zijn rechtmatig eigendom dan niet op prijs stelde, dan zou hij het maar behouden.

Marti deed niet mede aan het bloedig bedrijf. Toch versierde hij zijn parang met eenige haarlokken. En Kees moest toelaten, dat hij diens wapen ook versierde met een haarlok van Senawa.

Het bleek, dat men in 't geheel ruim een vijftigtal koppen had buitgemaakt. De Kenjaoe's waren dol van opwinding over zulk een succes. Zelf hadden ze een tiental dooden te betreuren en een twaalftal der hunnen waren gewond.

De geheele bala der Kenjaoe's keerde nu terug naar Tapang. De gewonden werden meegevoerd op ruwe, van takken vervaardigde, draagbaren.

Weldra was het overwinningsfeest in vollen gang. De vreugdekreten schalden; de keteltrommen dreunden; het was een oorverdoovend lawaai. Inmiddels zond Petinggi Datoek een paar boodschappers naar den Boekit Seloewa. De vijand was verslagen; nu kon men dus ongehinderd naar de dorpen terugtrekken.

Het groote feest in Tapang werd steeds woester. Groote hoeveelheden toewak verhitten de hoofden; steeds wilder en hartstochtelijker werden de krijgsdansen om de op staken geplaatste hoofden der verslagen Sibaoe's.

In deze heidensche vermaken kon Kees geen behagen scheppen. Hij trok zich terug in een der lawangs en probeerde, ondanks het toenemend feestrumoer, wat uit te rusten.

En in die afzondering zweefde hem alweer een nieuw plan voor den geest.

XI. HET GEHEIM DER SIBAOE-DAJAKS.

Korten tijd, nadat Kees zich teruggetrokken had in één der kamertjes, voegde zich Marti bij hem.

»Wel Marti, moet je niet mee feestvieren?"

»Neen, heer! ik heb het eens aangezien; maar het bevalt me toch niet meer."

»Dat is goed Marti. Daaruit kan ik zien, dat je geen Dajak meer bent. Heb je ook gehoord, wat de Kenjaoe's verder van plan zijn?"

»De meesten willen na het feest naar huis gaan. Enkelen, waaronder de jonge mannen, willen met alle geweld de Sibaoe's nog vervolgen."

»Daar dacht ik ook over, Marti. Het is toch eigenlijk jammer, de overgeblevenen ongemoeid te laten ontsnappen. Maar dan moeten we dadelijk op weg. Dan kunnen we ze misschien nog inhalen. Als ze dan nog eens klop krijgen, zullen ze het voorloopig niet weer in hun hoofd halen, een inval in dit land te doen."

»Maar dat ligt toch niet op uw weg, heer?" riep Marti verschrikt. Zou zijn blanke meester dan nooit ophouden het gevaar te zoeken?

»Waarom niet? Alles is uitstekend afgeloopen. Ik heb veel lust, nog verder deel te nemen aan dezen oorlog."

»Wij deden verstandiger, om nu eindelijk eens naar huis terug te keeren, heer. Allah heeft ons tot dusverre geholpen; maar we moeten niet moedwillig het gevaar tarten," sprak Marti ernstig.