Onder de koppensnellers op Borneo
Part 5
Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.
De Sibaoe's waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,--daar ze nooit een blanke gezien hadden,--met de grootste opmerkzaamheid bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.
Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.
Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat gebergte als onder de Kenjaoe's. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging dat de Sibaoe's zonder eenigen twijfel ergens in 't Noorden een goeden weg kenden.
Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe's hadden zich bij hen aangesloten.
Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis, gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige heining van boomstammen.
In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.
Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te doen had. Overal aan de palen hingen rottan mandjes met gedroogde of gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.
Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met de Sibaoe's. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem heel goed gelukte.
Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen, dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.
De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had, waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!
Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht. In het dorp Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.
Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap sluiten met den invloedrijken Senawa.
In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.
Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe, waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.
Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.
Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog vrij versch waren.
De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen vele Sibaoe's een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest, vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel. Daaruit leidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.
Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.
Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe's aan banden gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen, dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der Kompenie in de zaken der Sibaoe's. Hoe zouden de Sibaoe's dan aan koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?
Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe's verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.
Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder verder gezelschap, druk te praten.
»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!"
»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken wij houtskool."
»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten, en daar wilde ik eens gaan onderzoeken."
»Waar is dat dan, heer?"
»Aan de Soengei Tekoeng."
De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.
»Weet je die rivier?" vroeg Kees.
»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer een tak is van de Soengei Sibaoe."
»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen," vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.
De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte af.
»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen."
»Ja, heer," zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?"
»Neen, daar heb ik niets van gehoord," loog Kees.
»Waarom vluchtte hij?"
»Dat weet ik niet, heer," zei de Dajak en terwijl hij loerend naar Kees zag, vervolgde hij:
»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt ongeluk."
»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen, als ik de steenkool gevonden heb," zei Kees, van zijn mat opstaande.
»Nog één vraag, heer," zei Senawa, ook oprijzend.
»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen van de Kompenie? En soldaten?"
Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep, dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.
»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet."
De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:
»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer."
»Goed, Senawa, denk aan de belooning."
Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.
Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzende lawang met de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich boven de vertrekken bevond.
Het was Amat, de Maleier!
»Nu weet ik het geheim," fluisterde hij, »den naam van die rivier heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij."
Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug mogelijk naar buiten.
Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden, weer terug kunnen zijn.
Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een vaststaand resultaat te komen.
»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer," zei Senawa.
Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:
»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben."
»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens vaak geheel onder water."
»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij."
»Ja, heer," zei de Dajak en verwijderde zich.
Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:
»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp blijven. Wanneer komt u terug? Als u 't goed vindt, zou ik daarop willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten."
»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen."
»Heel goed, heer," antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.
Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:
»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?"
Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet, want hij moest alles nog regelen voor het vertrek.
Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.
Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen over den huurprijs.
Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.
VII. DE VERRADER.
Na dien avond nog wat gepraat te hebben met Senawa en enkele andere Dajaks, was Kees tamelijk vroeg gaan slapen. Ook Marti en Amat begaven zich ter ruste. Weldra was het stil in de gaanderij en scheen alles in diepen slaap verzonken.
Inderdaad, zoo scheen het. Maar de listige Amat waakte. Na eenigen tijd rees hij voorzichtig op van zijn mat. Zijn oogen trachtten het halfduister van 't vertrek te doorboren. Na zich te hebben overtuigd, dat de andere beide mannen rustig sliepen, stond hij geruischloos op. Daar kraakte één der latten onder zijn voeten. Bliksemsnel hurkte hij neer.... Marti maakte een beweging, doch een oogenblik later hoorde Amat aan een licht gesnurk, dat hij weer rustig doorsliep. Nog omzichtiger stond hij andermaal op en onhoorbaar verdween hij, om de lawang van Senawa op te zoeken.
Nauwelijks echter was hij weg, of ook in den schijnbaar zoo vast slapenden Marti kwam leven. Hij schoof voort in de richting, waarin hij Amat had zien verdwijnen. Bij de lawangs gekomen, luisterde hij aan de dunne wanden en sloop toen weer behoedzaam verder, tot hij gemompel van een paar mannenstemmen vernam. Het kwam uit de lawang van Senawa....
Hij strekte zich languit op den vloer en drukte het oor tegen den dunnen wand. Zoo bleef hij geruimen tijd onbeweeglijk liggen luisteren. Eindelijk scheen hij genoeg te hebben verstaan. Even behoedzaam als hij gekomen was, gleed hij terug naar de plaats, waar Kees nog altijd rustig lag te slapen, en strekte zich weer op zijn mat uit.
Eenige oogenblikken later sloop ook Amat terug naar zijn legerstede. Hij keek eens naar de beide slapende mannen en legde zich ter ruste.
Geruimen tijd daarna kwam er weer beweging in Marti. Langzaam schoof hij in de richting van Kees, tot hij ten slotte vlak naast dezen lag.
Toen begon hij hem voorzichtig te wekken.
»Stil, heer!" fluisterde hij. »Houd u slapende. Ik heb u iets te vertellen; doch zorg vooral, dat we niet gehoord worden."
Hoewel Kees eenigszins verschrikt was, kon hij zich beheerschen en zich slapende houden.
Hij draaide het hoofd naar Marti en deze begon aan zijn oor te fluisteren:
»U moet vooral geen geluid maken, Amat ligt hier niet zoo heel ver af. Als die ons bemerkte, zou alles te laat zijn. Nu is er misschien nog redding mogelijk."
Kees had met verbazing toegeluisterd en niets van Marti begrijpend, vroeg hij zoo stil mogelijk:
»Wat is er? Je doet me schrikken."
»U moet weten, heer, dat ik Amat niet erg vertrouwde; al een paar malen had ik gemerkt, dat hij met Senawa sprak doch dadelijk zweeg, als ik er bij kwam. Dat beviel me niet, en ik besloot hem in 't oog te houden.
Zoo kon ik afluisteren, dat ze van avond, als wij sliepen, elkaar zouden ontmoeten in de lawang van Senawa. Ik bleef dus wakker, ten einde te trachten dat gesprek te beluisteren. Dat is me gelukt. Ik heb me slapende gehouden, totdat Amat naar Senawa ging; toen ben ik hem nageslopen. Kunt u me verstaan, heer?"
»Ja, verder."
»Ik hoorde, dat Amat alle moeite deed om Senawa's argwaan tegen u op te wekken. Hij zei hem, dat u later zeker terug zou komen met soldaten, als u eerst in dit land den weg maar kende. Hij raadde Senawa aan, ons te doen vermoorden."
»En toen?" vroeg Kees ademloos.
»Senawa zeide, dat hij dit nooit durfde. Hij was bang voor de wraak van de Kompenie. Toen gaf Amat den raad, ons op een andere wijze onschadelijk te maken, door de djaloer te laten omslaan of zoo iets. Ook dat durfde Senawa niet. Ten slotte heeft Amat hem bepraat, om aan den gids en den drager te zeggen, dat ze ons een geheel verkeerden weg moesten wijzen en ons dan in de wildernis te verlaten, zoodat wij van honger moeten omkomen."
»Waarom heeft die valsche Maleier dat gedaan?" vroeg Kees, bevend van machtelooze woede.
»Dat is me een raadsel, heer. Maar al een paar dagen had ik een gevoel van wantrouwen tegen hem."
»Ik heb dien schurk nooit vertrouwd!" fluisterde Kees terug.
»In ieder geval moeten we vluchten, heer. Zoowel Amat als Senawa willen ons doen verdwijnen. Als hun plan niet gelukt, zullen ze zich op andere wijze van ons trachten te ontdoen. Dan zou Senawa ten slotte ook niet voor een moord terugdeinzen."
»We kunnen niet vluchten, Marti. Waar zouden we heen moeten gaan in den stikdonkeren nacht!"
Kees zuchtte. Al zijn schoone droomen, die hij bijna verwezenlijkt dacht, zag hij plotseling in nevelen opgaan.
»Ik weet misschien iets, heer! We laten morgen vroeg niets merken, en gaan heel gewoon weg, zooals afgesproken is. Zoodra we op de rivier zijn, trachten we ons van de beide mannen te ontdoen. Dan laten we ons zoo snel mogelijk de Soengei Sibaoe afzakken. Misschien gelukt dit plan. Zoo niet, dan zijn we verloren; maar dat zijn we toch ook als we niets doen."
»Dat is een goed plan, Marti. Laat ons nu alles precies afspreken, zoodat we beiden nauwkeurig weten, hoe te handelen."
Lang nog fluisterden de twee mannen, telkens angstig zwijgend, als ze eenig gerucht meenden te hooren.
Toen eindelijk alles nauwkeurig was vastgesteld, schoof Marti naar zijn mat terug en strekte zich uit om nog wat te rusten. Maar nòch hij, nòch Kees kon dien nacht slapen en ze waren dankbaar, toen eindelijk de morgenschemering aanbrak.
Weldra hadden de twee Dajaks, die hen zouden vergezellen, zich aangemeld.
Senawa wenschte hen een goede reis.
Het kostte Kees moeite, een vriendelijk gezicht te zetten tegen den valschen Dajak. Hij wist zich echter te beheerschen. En nog grooter was zijn inspanning om niet in drift uit te barsten, toen de trouwelooze verrader Amat verscheen, om hem op kruiperige wijze vaarwel te zeggen. Hij had hem wel neer willen schieten als een hond, maar de omstandigheden dwongen tot de uiterste zelfbeheersching.
Toen verlieten ze het dorp Metoedjoe.
Zoowel Kees als Marti verkeerde in de grootste spanning. Ofschoon ze hun gedragslijn zoo goed mogelijk hadden bepaald, bleef de mogelijkheid niet uitgesloten, dat er onverwachte beletselen zouden komen. En dan.... hun geheele toekomst was in hooge mate onzeker.
Weldra hadden ze de pangkalan bereikt. De mannen brachten de levensmiddelen en de wapens in de voor de reis bestemde djaloer.
Kees en Marti namen daarop in het bootje plaats. De eerste gelastte den eenen Dajak de rottan, waarmee het aan een boomtak bevestigd was, los te maken. De andere Dajak belette het vaartuig weg te drijven door eenige overhangende takken vast te houden.
Toen de Dajak, die het bootje losgemaakt had, in het water stapte om nu ook in de djaloer te komen, gaf Marti plots den anderen, die op den rand van het vaartuigje stond, een hevigen stoot, zoodat de man, die op zoo'n onverhoedschen aanval in 't geheel niet bedacht was, voorover in de rivier tuimelde....
Onmiddellijk stuurde Kees het vaartuigje, dat door den stroom meegevoerd werd, naar het midden van de rivier, waar de stroom nog sterker was.
Ook Marti had onmiddellijk een dajong ter hand genomen en beiden begonnen te pagaaien en te sturen, hetgeen hard noodig was, daar de boot reeds bedenkelijk in den stroom begon te draaien.
De beide Dajaks stonden verbluft te kijken. Blijkbaar begrepen ze eerst niets van hetgeen er eigenlijk gebeurd was. Weldra drong het echter tot hen door, dat ze leelijk beet genomen waren. Ze zagen, dat de djaloer zich snel stroomafwaarts bewoog en dat de beide inzittenden uit alle macht roeiden, om zoo spoedig mogelijk voort te komen.
De Dajaks sprongen aan land. Daar keken ze een oogenblik met onheilspellende blikken de vluchtenden na, uitten een paar dreigende kreten en verdwenen inderhaast in het bosch.
»Ze gaan de anderen waarschuwen," zei Kees.
»Ze hebben twee uur noodig, om in de booten te kunnen zijn. Het is meer dan een uur loopen naar Metoedjoe," antwoordde Marti.
»Dat is zoo. We hebben een mooien voorsprong. Toch zullen we zoo hard mogelijk moeten roeien, anders halen ze ons toch nog in. In de grootere booten kunnen ze met zes of acht man roeien. Ook is er mogelijkheid, dat ze de rivierbochten afsnijden."
Marti keek eens naar de oevers. Het was waar! de oeverlanden stonden hier en daar diep onder water, tengevolge der vele regens. Voor de Dajaks zou het nu gemakkelijk zijn, daar zij het terrein kenden, door het bosch heen de vele en groote bochten in de rivier af te snijden.
»Ja, heer, dat zullen ze zeker doen. Doch voor ons is het niet gewenscht. We kennen de rivier niet en zouden met zoeken misschien veel kostbaren tijd verliezen."
»Dat dunkt mij ook. We zullen onze twee uren voorsprong maar gebruiken, door zoo hard mogelijk te roeien."
De beide vluchtelingen werkten met de uiterste krachtsinspanning, om hun bootje de grootst mogelijke snelheid te geven. Dat was een zeer gevaarlijk werk. Het bruine water, dat groote hoeveelheden takken en bladeren meesleurde, schoot met groot geweld, al schuimend en draaikolken vormend, om de vele hoeken en bochten heen. Al hun stuurmanskunst werd vereischt, om te voorkomen, dat het ranke vaartuigje tegen de steenige oevers gesmeten en verpletterd werd of in een draaikolk verdween.
Plotseling schreeuwde Marti:
»Een riam!"
Kees zette zich schrap, teneinde de djaloer zonder letsel door die stroomversnelling heen te kunnen sturen. Het was een spannend oogenblik. Nòg sneller werd de vaart van den djaloer; nòg wilder schuimde en bruiste 't water; nòg dreigender wielden en zogen de draaikolken, waarin de grootste takken, als door een onzichtbare hand omlaaggetrokken, spoorloos verdwenen.
Daar was het gevaarlijke punt bereikt.
Plotseling schoot de djaloer met bliksemsnelheid vooruit. Het bootje kreeg een hevigen schok, zoodat Kees er bijna uitgeslingerd werd. Een groote golf sloeg over de lage boorden en onmiddellijk daarop bemerkten Kees en Marti, dat ze zich weer in wat rustiger stroom bevonden. Ze waren de riam gepasseerd.
»Dat is gelukt!" riep Kees met een zucht van verlichting, terwijl Marti zich haastte, het binnengeplaste water uit te hoozen.
»Het scheelde niet veel, of we hadden er 't hachje bij in geschoten. De djaloer heeft een flinken stoot gekregen! Zeker tegen een steen gebonsd! Bespeur je geen lek?"
»Neen, heer, gelukkig niet! Toch hoop ik, dat er niet veel zulke riams zijn. Daar tegen is het bootje op den duur niet bestand."
»Opletten! Daar liggen boomstammen."
Weer was de uiterste inspanning noodig, om deze nieuwe beletselen te overwinnen.
Zoo ging het den ganschen morgen. Meermalen verkeerden de vluchtelingen in dreigend doodsgevaar.
Slechts nu en dan, wanneer ze zich op een vrij recht gedeelte van de rivier bevonden, konden ze eenige woorden wisselen. Ook dit deden ze ten laatste niet meer. Het was eerst middag; maar beiden waren ze, door het zware werk en de voortdurende onzekerheid en angst, reeds doodmoe.
Op een gegeven oogenblik verbrak Kees plotseling het langdurig zwijgen: »Nu weet ik het!"
Verwonderd keek Marti op.
»Wat weet u, heer?"
»Wie die Amat is, die ons zoo valsch heeft verraden. Ik dacht al, dat ik hem meer gezien had. Nu schiet het mij te binnen."
»Wie is het dan?"
»De gewezen bediende van mijn gestorven vriend, den diamantzoeker. Ik herinner me, dat ik hem éénmaal in diens huis gezien heb, toen ik hem kort voor zijn dood bezocht."
»Maar waarom heeft hij u dan verraden, heer?"
»Ik vrees, Marti, dat hij het geheim van de diamanten ook weet. Vermoedelijk heeft hij wat Hollandsch gekend en het gesprek tusschen mij en zijn meester genoegzaam kunnen volgen, om te weten, waar het over ging. Dáárom moest hij naar het land der Sibaoe's en daarom wilde hij mij verhinderen, naar de Soengei Tekoeng te gaan."
»Hoe is het mogelijk heer!" riep Marti uit.
»Het is de eenige verklaring, die ik voor al het gebeurde kan vinden."
»Ja, heer, zoo zal het gegaan zijn. En nu zal die Amat wel zelf naar de Soengei Tekoeng gaan, om de diamanten te halen."
»De schurk!" siste Kees.
Nog eenigen tijd verdiepten ze zich in hun vermoedens. Toen liet de vermoeidheid zich weer geducht voelen. Kees dacht er over een geschikte plek te zoeken, om even uit te rusten. Terwijl hij met dit doel een onderzoekenden blik wierp op de oevers, klonken er plotseling door het bosch schelle kreten.
»De Sibaoe's?" riepen ze doodelijk verschrikt.
Door de gevaren van hun tocht en later door hun gesprekken over Amat, hadden ze het gevaar, dat nog altijd van de zijde der Dajaks dreigde, geheel vergeten. Maar de koppensnellers waren hen niet vergeten en herinnerden hen door hun rauw geschreeuw aan hun afschuwelijk voornemen.
Wat nu?
VIII. DE VERVOLGING.
Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten, ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.
Kees stiet een verwensching uit.
»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!"
Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?
Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in 't vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan 't oog onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag te vallen.