Onder de koppensnellers op Borneo

Part 4

Chapter 43,960 wordsPublic domain

De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.

Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen wachtte dit lot.

De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe, een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.

Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos, doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.

De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden, vluchtte achter Kees.

Voor dezen was het een oogenblik van spanning.

Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen, dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten worden doodgedrukt.

Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.

Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor kreeg Kees gelegenheid het een doodenden kogel toe te zenden, en weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.

Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen, achterblijven.

De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid van een helder bergstroompje.

De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in 't geheel niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.

Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars overstaken.

Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.

Tegen den middag bereikten ze de kam van een nieuwen keten en Kees zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.

Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.

Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld," dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de allerergste gevaren kennis zou maken.

»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!" zeide hij, terwijl hij zijn helper op de kale rotswanden wees.

»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen zulke steilten kan geen mensch opklimmen."

»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare plaats kunnen vinden."

De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:

»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen; de anderen willen het hier recht tegenover probeeren."

»Ik zal zelf eens met hen praten," zei Kees en begaf zich naar de luid redetwistende Dajaks.

De beide voorstellen werden van alle kanten overwogen en na lange besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.

Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.

De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben, volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.

Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren, vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.

Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich beter tot gaan leende.

Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.

Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:

»Ik kan niet verder, heer!"

Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:

»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?"

»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me niet verder te laten glijden."

Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog hij zich voorover en keek in de diepte. Het was waar, wat de Dajak gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond, die wel drie- of vierhonderd meter diep was.

Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.

»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!" riep hij.

Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?

Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.

Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij, dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette en vrij goed begaanbaar scheen.

Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.

Maar er was geen keuze. Hij moest!

Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveel mogelijk drukte hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke schrede.

Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....

Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.

Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.

Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.

Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.

Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra volgden ook Amat en twee der Dajaks.

De derde dezer mannen aarzelde.

»Ik durf niet, heer! De antoe's willen mij naar beneden trekken."

»Kom maar vlug! De antoe's hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak voort, wij moeten verder!"

»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen, heer! Zij grijpen mij al bij de beenen," jammerde de Dajak.

»Dat is de angst, lafaard!" brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!"

De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te spreken.

Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun, zich bij het overbuigen vastklemmende aan de struik.

Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels uit de rotsspleet los....

Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.

Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken, moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen, zijn water in het ravijn deed neerstorten.

Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien, aan den voet der rotsen moest liggen--ontzield.

Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:

»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood."

»Ja, hij is dood!" herhaalde Amat.

»De antoe's hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste waarschuwing," zei een der Dajaks met sidderende stem.

Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:

»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!"

Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde, gingen ze op weg.

Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke richting.

Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.

Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.

Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats bekroop Kees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van hun makker zoo'n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen op hun verderen weg zouden voordoen?

Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het gebeurde, beangst met verhalen over de antoe's. Ongetwijfeld waren deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied te betreden.

Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven met Marti en Amat.

Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.

Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra riep Amat:

»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen zijn."

Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om te vluchten.

»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad," zei Marti.

»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?" vroeg Kees.

»Op goed geluk het gebergte in," oordeelde de Maleier.

»Die komen nooit meer terecht, vrees ik," zuchtte Kees.

»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!" meende Amat.

»Maar ze hebben geen eten!" zei Marti.

Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!

»Onze rijst!" riep hij uit.

Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid levensmiddelen was verdwenen.

Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn mand droeg.

Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.

Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht deden zich weldra weer geducht gelden.

Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden ze om moeten komen in deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.

Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte hersenen.

Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag voor hen.

In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.

Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel de maag vulden, doch geen voedsel gaven.

De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.

Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te dalen en voorgoed te verlaten.

Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen, wat de vreemdelingen wenschten.

VI. BIJ DE SIBAOE-DAJAKS.

»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe's?" vroeg Kees.

»Ja, heer!" antwoordde een der Dajaks.

»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!" riep Kees uit.

»Waar komt u vandaan?" vroegen de Sibaoe's, want de plotselinge verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen opgewekt.

»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen," zei Marti en wees achter zich naar de hooge bergtoppen.

Deze mededeeling werd door de Sibaoe's met zichtbare teekenen van ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.

»Hebt ge niets voor ons te eten?" vroeg Kees, die hoopte eindelijk zijn honger te kunnen stillen.

De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger geleden hadden.

Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze aan Kees:

»Wat komt u hier zoeken?"

»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een koopman, die hier handel wil drijven."

Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie" zagen.

»Wat wil de Kompenie hier dan?" vroegen de Dajaks nog steeds wantrouwig.

Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom bedacht hij een voorwendsel.

»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks veel geld verdienen."

De Sibaoe's kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten met het hoofd en zeiden:

»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel."

»Dat wil ik nu juist onderzoeken," zei Kees. »Ik heb geleerd te zien, of er diep onder den grond ook nog steenkool zit."

»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?" vroeg een der Sibaoe's.

»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we steenkool noodig," zei Kees.

Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.

Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over het land en zijn bewoners.

De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van hun woonplaats verwijderd.

Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe's in hun taal enkele afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis begreep.

»Is Oelak het voornaamste dorp?" vroeg hij.

»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa genaamd."

»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?"

»Vier dagen, heer."

»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan, om met Senawa te spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed vriend in dit land kom," zei Kees.

De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.

»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt," ging hij voort.

Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:

»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan zult u ons zeker ruim beloonen?"

Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven, op weg.

Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen, daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon daar niets tegen in brengen.

Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.

Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat, dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.

»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten, waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk."

»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe's en nu kun je trachten, je amuletten te verkoopen."

»Ik heb er reeds twee verkocht, heer," zei de slimme Maleier en Kees hoorde hem zachtjes lachen.

»Jij bent een bijdehante rakker, Amat," lachte Kees nu ook.

»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen, wanneer u teruggaat."

»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken, maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe's zal duren."

»Zoudt u het mij dan willen zeggen?"

»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf."

»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven."

»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende werken," lachte Kees.

»Misschien, heer!" zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem weer afloste.

De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen in de Sibaoe's wat beter werd.

Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.

Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.

Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de waterloopen zijn omgekomen.

Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.

Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig, weldra het kleine gezelschap omringden.

Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes menschenhaar.

Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks, dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een slechte raadgeefster was. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn revolver en keek tevens zijn geweer eens na.