Onder de koppensnellers op Borneo

Part 3

Chapter 34,044 wordsPublic domain

»Het gebergte is niet zoo heel hoog, heer, maar het is ontoegankelijk voor menschen. Daar tusschen die rotsen kunnen alleen antoe's en booze geesten leven. En die dulden geen menschen in hun nabijheid. Vroeger zijn er heel vaak bewoners uit onze dorpen heen gegaan om te jagen. Nimmer zijn ze teruggekeerd. Nu durft niemand meer de antoe's te weerstaan. Niemand gaat er meer heen."

»Maar Petinggi," hernam Kees, »als dat zoo is, hoe kunnen dan de Sibaoe's hier komen om te snellen? Die moeten toch ook over den Goenoeng Lawit. Waar de Sibaoe's langs kunnen, daar kan ik ook langs. En als de antoe's hèn geen kwaad doen, zullen ze mij ook wel met rust laten."

Petinggi Datoek maakte een ontkennende beweging, doch talmde met zijn antwoord.

Kees vervolgde: »Ik wil wel gelooven, dat er vele menschen in 't gebergte verongelukt zijn. Maar die zijn waarschijnlijk bij het vervolgen van het wild in afgronden gestort, of misschien zijn zij gesneld door op koppenjacht zijnde Sibaoe's."

De Dajak had met een ernstig gelaat geluisterd, doch zeide nu:

»De antoe's doen het, heer! Sibaoe's komen er in het gebergte ook niet."

»Dat moèt toch wel, Petinggi; je vertelt zelf, dat ze hier komen snellen."

»Misschien zult ge me niet gelooven, heer, en toch is, wat ik u nu zal vertellen, de zuivere waarheid. De Sibaoe's komen nooit door het gebergte heen! Niemand weet eigenlijk, hoè ze hier komen. Wij weten alleen, dat ze bedreven zijn in allerlei tooverijen, waardoor ze de hulp krijgen van hun antoe's en geesten."

Kees maakte een ongeduldig gebaar en trok een spottend gezicht, doch zeide nog niets. De Dajak ging voort:

»Mijn vader heeft mij vroeger verteld, heer, dat de Sibaoe's door de lucht komen vliegen. Hun antoe's helpen hen over het gebergte heen."

Een toestemmend gemompel ging door de omzittenden. Een oude man kwam eenigszins naar voren en hurkte voor Kees neer.

»Wat is er?" vroeg deze.

»Ik ben een oud man, heer, en heb veel gezien en gehoord. Ik ken de Sibaoe-dajaks maar al te goed. Zij gaan inderdaad met tooverij om. Eens werd een Kenjaoe-dajak gedood door een paar op sneltocht zijnde Sibaoe's. Zijn zoon zette hen na om wraak te nemen. Hij hoopte hen in den slaap te verrassen ten einde ze te dooden. Op een dag waren ze aan den voet van het Lawit-gebergte gekomen. De man van onzen stam zat hen dicht op de hielen. Plotseling verdwenen ze en vlogen als groote vogels over het gebergte weg.... Daarom kunnen wij nooit vechten tegen de Sibaoe-dajaks."

Kees had met verbazing dit verhaal aangehoord. Ofschoon het waarschijnlijk bij alle aanwezigen overbekend was, maakte het blijkbaar opnieuw een diepen indruk op de bijgeloovige zielen der Dajaks.

Het was aan de angstige gezichten duidelijk te zien, dat de tooverkracht der Sibaoe's boven allen twijfel verheven was. Hoofdschuddend zei Kees eindelijk:

»Ik kan dat verhaal niet gelooven. Er zijn geen menschen, die kunnen vliegen. Ik denk, dat de man, die dit verhaal het eerst heeft verteld, het maar heeft verzonnen. Hij wilde de schande ontgaan, dat hij den dood zijns vaders niet had gewroken."

»Toch moet het wel zoo zijn, heer," hernam de Dajak. »Door het Lawit-gebergte komen ze zeker niet. Het is slechts op één punt toegankelijk en wel ten Oosten van dit dorp. De Sibaoe's komen echter altijd uit het Noorden. Daar is geen toegang. Overal rijzen steile rotsen op. Die kùnnen niet beklommen worden door menschen."

»En tòch moet er in 't Noorden een weg zijn; anders is het onmogelijk, dat de Sibaoe's daar langs komen," zei Kees gemelijk.

»Er is geen weg, heer," zei de oude Dajak. »Ik zelf ben daar wel geweest om te jagen; maar overal stuit men op ontoegankelijke bergwanden."

»En de toegangsweg naar het Oosten?" vroeg Kees gejaagd. Hij begon te vreezen, dat al zijn moeite vergeefsch zou zijn geweest, en hij ten slotte onverrichterzake terug zou moeten keeren. »Is die dan niet te gebruiken om in het land der Sibaoe-dajaks te komen?"

»Ik weet het niet, heer," antwoordde thans Petinggi Datoek. »Het is mij niet bekend, of men langs dien weg door het geheele gebergte kan komen. Wèl weet ik, dat men daar de eerste bergketens kan beklimmen. In dit voorgebergte wordt nog wel eens door onze jonge mannen gejaagd en wij hebben daar ook nog begraafplaatsen."

»Zijn hier niet een paar mannen, die den weg kennen en met mij mede zouden willen gaan?" vroeg Kees aan de omzittenden.

Veel beweging en onderling gepraat was het gevolg van deze vraag; doch een rechtstreeksch antwoord werd niet gegeven.

Onze reiziger bemerkte wel, dat hij dien avond niet veel verder zou komen. De Dajaks toonden voor het oogenblik niet veel liefhebberij in den voor hen zoo schrikwekkenden tocht. Hij zou wat geduld moeten oefenen. Dan was hij van plan enkele der jongere mannen, door hen een flinke belooning toe te zeggen, over te halen om hem te vergezellen. Dat zou hem wel eenige dagen kosten. Maar dat hinderde niet. Die kon hij dan meteen gebruiken om eens flink uit te rusten. En dat had hij hard noodig.

Weldra maakte hij zijn verlangen kenbaar, om te gaan slapen. De Dajaks begaven zich naar hun lawangs, waar nog lang het geroezemoes van stemmen klonk. In den breede bespraken ze onderling nog de vermetele plannen van hun blanken gast.

Ook Marti scheen nog aan hun gesprekken deel te nemen; want toen Kees insliep, was zijn mat nog verlaten.

IV. EEN ONVERWACHTE REISGENOOT.

Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst voor hem klaar gezet.

Na het eenvoudige maal sprak Marti:

»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald, ons te vergezellen. De vrees voor de antoe's in den Goenoeng Lawit weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan schieten, alle antoe's gemakkelijk kunt overwinnen."

»Goed gesproken, Marti," riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?"

»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze de rest ook wel gelooven."

»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd," zei Kees, die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.

»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet, dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe's te gaan. En ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou kunnen doorgaan."

»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet u dus helpen," zei Marti eenvoudig.

»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel," antwoordde Kees vriendelijk.

»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch de revolver zal laten werken."

De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.

Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden lang in vreemde streken rondzwierven om avonturen te beleven en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar de grootste zwerftochten.

Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan, werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.

Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:

»Wie zijt gij?"

»Ik ben Amat, heer."

»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?"

»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om hen onkwetsbaar te maken."

Kees lachte.

»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?" vroeg hij.

»Ik weet het niet, heer," zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor," vervolgde hij.

»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme Dajaks het geld uit den gordel."

»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar is toch niets tegen?"

»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu juist gekomen?"

»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen."

»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien."

»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen."

»Zoo, en wat wilde je nu?"

»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is dat zoo, heer?"

»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?"

»Neen, niets heer," zei de Maleier eenigszins weifelend.

»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!" zei Kees ongeduldig.

»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik wilde u een gunst vragen."

»Wat is dat dan?" vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.

»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe's ben ik nog nooit geweest. Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen durf ik zoo'n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen."

Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet beviel. En dan--waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?

»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?"

»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger nooit gezien," zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen knippend.

»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch--je gezicht komt me zoo bekend voor," zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden dag."

»Goeden dag, heer," zei de Maleier onderdanig.

Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.

Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti, die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.

Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.

Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.

»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe's als in 't begin. Bovendien is hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben, dat u wel in staat was, de antoe's en geesten in het gebergte te overwinnen. Heeft u dien man al gezien?"

»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan."

»Wil hij meegaan?" riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier bij de Sibaoe's doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?"

»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien is hij zelf ook wel onkwetsbaar," lachte Kees spottend.

»Zulke amuletten bestaan er, heer," zei Marti ernstig, »als men de goede maar heeft."

»Komt de Dajak weer boven, Marti?"

Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:

»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming geeft, ons te vergezellen."

»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?"

»Waarom niet, heer?"

»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt me niet. En ofschoon ik hem in 't geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit 't hoofd, dat ik hem reeds eerder ontmoet heb."

»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben, heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij de Sibaoe's meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen dan een blanke."

»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we voorzichtig met hem moeten zijn."

»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem."

»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk."

Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon maar tot geen resultaat komen.

's Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.

»Amat," zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe's zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben, hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren."

»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe's goede zaken kan doen. Juist die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten."

»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen."

»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti, uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een paar amuletten geven voor niets."

»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is."

»Wanneer gaan we vertrekken, heer?"

»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb, zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers."

De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.

Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel gejaagd had, zou als gids optreden.

Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.

Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat zijn antoe's hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd, dat de derde dag gunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.

Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.

Tot 's avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan, waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke gewichtige personages geworden waren.

Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.

Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees, vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe's, die evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en de patronen voor de vuurwapenen.

Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds schaarscher.

De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de eigenlijke reis.

Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangend kennis te maken met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.

Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.

De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende, zei hij:

»De Goenoeng Lawit."

Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa's verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte in een soort voorgebergte overgingen.

Hij keerde zich tot Marti en zeide:

»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land der Sibaoe's."

»Ja, heer," zei Marti met een lichte zucht en hij voelde onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over de koppensnellende Sibaoe's was hij niet erg verlangend naar een kennismaking met dien stam.

»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi Datoek vertelde, of zou hij uit angst voor de antoe's hebben overdreven?" vroeg Kees aan Marti.

Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag, nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:

»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die bosschen verscholen ligt."

»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden," zei de Maleier Amat.

»We zullen zien," zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den steek laten, want anders...."

»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug," vulde Marti aan.

»Vooruit!" riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.

Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van 't gebergte, maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.

Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks, die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.

Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.

Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terrein en Kees vond de plaats heel geschikt voor nachtverblijf.

Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen, waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker van zijn zaak.

Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:

»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe."

»Wie was dat?"

»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak."

Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd was echter sinds lang voorbij.

»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?" vroeg hij.

»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe's zouden ons zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan (steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe's lichaam bevindt."

»Verbranden de Kenjaoe's dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze begroeven."

»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch werd in tampájans geborgen. Deze werden dan op verafgelegen plaatsen neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar."

Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de bijgeloovigheid der Dajaks te prikkelen. Bovendien was het beter, uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.

Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.

Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe's en de booze geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden, dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?

»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke dag. Wij hebben onze nachtrust noodig."

Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.

Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel, die verzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa's zich af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met het raadsel van den Goenoeng Lawit.

Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen de antoe's van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.

V. DE GEVAREN VAN DEN GOENOENG LAWIT.

Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.

Weer liepen ze in den middag op zoo'n smal pad voort, waar bijna elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul, dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen de bergen.

De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:

»Beren!"

Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den smallen weg geheel versperden.