Onder de koppensnellers op Borneo
Part 2
»Misschien heer!" antwoordde de bedachtzame Marti. Weer roeiden ze zwijgend voort, tot Marti riep: »Een boomstam!"
Midden over de rivier lag een zware boom, die den weg geheel versperde. Haastig legden ze hun bootje langs den stam aan. Beiden keken uit, of er ook een doorgang was, doch ze konden niets bespeuren.
»We moeten er uit!" riep Kees.
»Ja, heer," antwoordde Marti en stapte voorzichtig uit de djaloer op den boomstam. Kees volgde en nu schoven ze met vereende krachten het vaartuigje over de hindernis.
Weldra zaten ze weer in het bootje en roeiden onverdroten verder.
»Het zal een heele toer zijn, met dezen lagen waterstand de rivier op te komen. We kunnen bovendien nog veel last van zulke boomen krijgen, vóór we aan land kunnen gaan," zei Kees
»En van groote steenen ook," voegde Marti eraan toe.
Maar Kees was de moeilijkheden al gauw weer vergeten en verdiepte zich weer in zijn geliefkoosde droomen over de te vinden diamanten en bouwde zich luchtkasteelen van ongekende schoonheid.
Zijn mooie droomen hielden hem zoozeer gevangen, dat hij de werkelijkheid om zich heen vergat; hij bemerkte niet eens, dat de zon reeds sterk begon te dalen, dat de duisternis begon te heerschen in het dichte oerwoud. Plotseling werd hij opgeschrikt door de stem van Marti:
»Het wordt avond, heer. Zouden we niet beter doen, hier aan te leggen, om te overnachten? De oever is hier hoog en biedt een geschikte aanlegplaats. We moeten toch nog koken ook."
Kees zag eens rond en terwijl hij de djaloer naar den wal stuurde, antwoordde hij:
»Ja, het is hier wel goed; laat ons hier van nacht maar blijven."
Beiden gingen nu aan land en Marti maakte met een dunne rottan het bootje aan een overhangenden tak vast, doch zóó, dat de djaloer gelegenheid had, met het water te rijzen of te dalen, zonder te worden omvergetrokken.
Kees haalde de trommels op den wal en keek zijn geweer eens na; Marti lei vuur aan en ging in een pannetje rijst koken. Terwijl hun maaltijd te vuur stond, kapten zij twijgjes en bladeren, die voor legerstede moesten dienen. Boven het hoofdeinde maakten ze van grootere takken een afdakje. Kees verkende nu nog even de naaste omgeving, doch nergens was eenig spoor van menschelijk leven te bespeuren.
Toen de beide mannen gegeten hadden, legden ze zich neer om te gaan slapen. In het bosch heerschte nu een ondoordringbare duisternis. Alleen over de rivier hing de lichte schijn van de stralende sterrenwereld, welke hoog, hoog boven deze sombere wildernis haar majestueuze schoonheid ontvouwde.
Langen tijd bleef Kees nog wakker liggen. Hij luisterde naar de geluiden, die uit de wildernis tot hem kwamen. Hij was het leven in de bosschen nu al zoovele jaren gewend en ontelbare keeren had hij, zooals thans, in het woud moeten overnachten. Nimmer echter had hij er volkomen aan kunnen gewennen. Elke nacht gaf hem weer die vreemde, beknellende gewaarwording. Dat concert van die duizenden insecten; dat gekrijsch van de apen; dat eigenaardig schuivende geluid van die voorbijstroomende rivier; hij had deze stemmen van den tropischen nacht reeds zoo dikwijls beluisterd. En toch wekten ze steeds weer in zijn gemoed die vage angst, dat heimwee naar den lichtenden dag.
Daar ritselde het achter hem in het bosch!.... »Dajaks!" vloog hem door 't hoofd. Maar neen, dat was toch zoo goed als onmogelijk. »Dan een slang!" Een huivering liep hem door de leden.... Een oogenblik lag hij doodstil. Hij hield den adem in, de hand uitgestrekt naar de naast hem liggende parang. Hij hoorde echter niets verdachts meer. Toen richtte hij zich op en trachtte om zich heen te zien. Op eenigen afstand schemerde een groenige lichtglans; maar dat was niets, want deze werd veroorzaakt door zwammen op een boomstam. Dat wist hij. Gerustgesteld strekte hij zich weer uit op zijn eenvoudig bed en viel ten slotte door vermoeidheid overmand in slaap.
Nauwelijks was het den volgenden morgen licht geworden, of Marti ontwaakte en begon vuur te maken om rijst te kunnen koken. Weldra werd ook Kees wakker. Hij begaf zich naar de rivier om zich te wasschen en eens naar de djaloer te zien. Deze was er nog. Alleen bleek het water nog meer gezakt te zijn, zoodat de tocht dien dag nog grooter moeilijkheden zou opleveren.
Weldra was hun maaltijd gereed. Ze verzadigden zich en brachten de rest in de djaloer voor onderweg.
Korten tijd later roeiden ze weer met moed tegen den stroom van de Kenjaoe-rivier op.
De oevers werden steeds heuvelachtiger. Groote steenen op den bodem der rivier staken hier en daar boven het watervlak uit. Steeds sterker werd de stroom. De grootste moeite hadden de beide mannen, vooral in de bochten, om de kleine boot te vrijwaren voor een botsing tegen de steil afgeschuurde steenwanden van den oever.
Ofschoon het werk daardoor veel zwaarder werd, betreurden ze dit verschijnsel niet. Zij wisten, dat ze nu het hoogland naderden. Alleen in het hoogland heeft de rivier hooge, rotsige, steil afgeschuurde oevers.
Tegen den middag bereikten ze de eerste stroomversnelling, gevormd door een laag steenen, welke dwars over de rivier lag. Met veel moeite gelukte het hun, de djaloer er over heen te krijgen.
Eenigen tijd later legden ze op een geschikte plaats aan, om er te rusten en te eten.
Toen ze gegeten hadden, stak Kees een pijp op en Marti rolde een strootje [12]. De laatste vroeg:
»Weet u precies den weg naar het land der Sibaoe-dajaks of moet u dien nog vernemen?"
»Eigenlijk weet ik het nog niet. Ik hoop bij de Kenjaoe's gidsen en dragers te kunnen huren, die ons door 't gebergte zullen brengen."
»Is dat de eenige weg?" vroeg Marti verder.
»Neen, er is ook nog een weg langs de Soengei Sibaoe, maar die is mij ontraden. Die rivier loopt door uitgestrekte moerassen, waar het zeer ongezond is. Onze eerste zorg moet nu zijn, bij die Sibaoe-dajaks te komen; van hen hooren we dan misschien wel iets over een anderen terugweg."
»Die Sibaoe's zijn beruchte koppensnellers," zei Marti droogjes, »misschien komen we wel in 't geheel niet terug."
»Ik heb ook gehoord, dat ze groote sneltochten ondernemen. Toch ben ik niet bang, dat ze mij zullen snellen. Ik heb mijn geweer en mijn revolver. Bovendien zijn ze er bang voor, een blanke te vermoorden."
»Dat is wel mogelijk, heer," zei Marti met een bedenkelijk gezicht, »maar ik ben geen blanke en ik vrees, dat mijn hoofd niet zoo heel stevig op mijn schouders zal staan, als ik in handen van die Dajaks val."
»Je wilt me toch niet in den steek laten, Marti?" vroeg Kees een beetje ongerust. Als zijn trouwe helper niet meeging, zou het voor hem zoo goed als ondoenlijk zijn, de tocht door te zetten.
»Neen, heer, ik zal medegaan, maar ik vrees, dat het niet goed met ons zal afloopen," zei Marti somber.
»Het eenige, waar ik bang voor ben," zei Kees, »is, dat er oorlog zal zijn tusschen de stammen. Dan zal ik geen gidsen en dragers kunnen krijgen en mijn doel langs dezen weg niet bereiken."
»Indien er oorlog was in de bovenstreken, zouden wij het bij den aanvang van onzen tocht wel gehoord hebben," meende Marti.
»Mochten we bij de Kenjaoe's vernemen, dat er oorlog is, dan beloof ik je, dat we terug zullen keeren," besloot Kees.
Marti hoopte in stilte, dat er dan maar oorlog mocht zijn, want hij voelde niet veel geestdrift voor die onderneming.
»Marti, vertel me eens, hoe komt het toch, dat je zoo opziet tegen deze reis? Je bent nog nooit bang geweest en nu is het net, alsof je geen durf meer hebt. Hoe ben je toch zoo zwaartillend?" informeerde Kees.
»Ik heb heel slechte voorteekens gehad, heer, toen we deze reis aanvingen. Ik had een droom, die bloed voorspelde; en de teekens der vogels waren ook zeer ongunstig. Dat heb ik u toch dadelijk gezegd, maar u lachte er om. De blanken gelooven nu eenmaal niet aan onze voorteekens."
»Neen, Marti, aan zulke dingen gelooven wij niet meer. Maar ik dacht, dat jij aan die Dajaksche voorteekens ook niet meer geloofde; je bent nu toch Mohammedaan en geen Dajak meer."
»Ik heb te dikwijls gezien, dat de voorteekens uitkomen, heer."
»Je bent nog een echte heiden, Marti," lachte Kees.
»Neen, heer, dat ben ik niet meer. Als ik nog een echte heiden was, dan zou ik zeker niet zijn meegegaan. Daarvoor waren de voorteekens veel te slecht. Toch geloof ik vast en zeker, dat deze onderneming zal mislukken."
»Kom, Marti, wees nu niet zoo dom! Over een paar weken zit je in een mooi huisje in de kampong en dan heb je verder een prettig leventje."
»Ik ben maar een domme man, heer, maar ik kan toch nog niet gelooven aan al dat moois," zei Marti, die toch onwillekeurig moest glimlachen bij de luchthartige woorden van Kees.
»Het wordt tijd om verder te gaan, Marti," zei deze en hij maakte zich gereed om in de djaloer te stappen.
Weldra zaten de beide mannen op hun plaats in het bootje en roeiden weer uit alle macht tegen den stroom op.
De moeilijkheden werden steeds talrijker en grooter en de reizigers begrepen weldra, dat de rivier spoedig onbevaarbaar zou worden bij dezen waterstand. Zelfs moesten ze meermalen de djaloer aan land trekken en een eindweegs langs den oever voortsleepen.
Zoo was het al middag geworden en nog liet zich de zoo lang verwachte landingsplaats of »pangkalan" niet zien.
Toen ze de hoop om deze spoedig te vinden reeds weer opgaven, bemerkten ze, dat de eene oever wat lager begon te worden. Marti opperde het vermoeden, dat men het doel nu waarschijnlijk begon te naderen.
Toen ze weer met alle inspanning een hoek waren omgeworsteld, slaakte hij dan ook plotseling een vreugdekreet: »De pangkalan!"
Hij wees naar den Zuidelijken oever en begon in zijn blijdschap woest te pagaaien.
In een flauwe bocht der rivier zag Kees nu ook een zestal djaloers liggen en onwillekeurig begon hij krachtig mede te roeien, om des te sneller aan de landingsplaats te komen.
Weldra schoot de djaloer tusschen de andere vaartuigjes in en zat met den kop vast in de zachte modder van den, op die plek, lagen oever.
Spoedig stonden Kees en Marti op den wal. Zij waren in het land der Kenjaoe-dajaks.
III. BIJ DE KENJAOE-DAJAKS.
De djaloers werden voor alle zekerheid stevig vastgelegd; de dajongs werden in het struikgewas verborgen. Daarna verkenden de reizigers de omgeving van de pangkalan.
De struiken en boomen waren tot meer dan manshoogte met een laagje grijze modder bedekt, waaruit men kon afleiden, dat ze meermalen tot zoover onder water stonden. De aanlegplaats deed vermoedelijk alleen als zoodanig dienst bij lagen waterstand.
De meeste dorpen hebben twee of meer pangkalans voor verschillende waterstanden, welke onderling en met het dorp verbonden zijn door een voetpad.
Allereerst diende nu het pad te worden gezocht, dat hen naar de woningen der Kenjaoe-dajaks zou voeren.
Toen ze 't gevonden hadden, gingen ze eerst wat rusten. Daarna pakte Marti de bagage in een rottan draagmand en de reizigers begaven zich op weg.
Kees droeg het geweer en de revolver, bovendien nog een parang. Marti droeg de korf op den rug en ook nog een parang.
Zoo uitgerust betraden ze het pad, dat zich duidelijk in het bosch afteekende en gemakkelijk te volgen was.
Het geboomte was zwaar en hoog met weinig onderhout, zoodat ze vrij ver voor zich uit konden zien. Nu en dan kwamen ze voor kleine riviertjes, die meestal door een boomstam waren overbrugd.
Nadat ze ongeveer een uur hadden geloopen, hield Marti even stil en zei:
»Ik hoor een haan kraaien; we zijn dicht bij een huis."
»Ik denk, dat we nu bij een ladang (rijstveld) komen, het bosch wordt daar voor ons veel lichter. Misschien vinden we daar wel Dajaks," meende Kees.
Dit vermoeden bleek waarheid. Weldra stonden ze aan den rand van het bosch en zagen een uitgestrekte ladang voor zich. Het was een groot veld, kris-kras bedekt met omgehakte boomen. Het lichtere hout was weggebrand, doch de dikke stammen waren blijven liggen, zooals ze neergestort waren. Tusschen die zwartgeblakerde boomen groeiden de schaarsche padihalmen. Het is slechts een armoedige oogst, die door deze allereenvoudigste wijze van roofbouw wordt opgeleverd.
Midden op de ladang stond een klein huisje, vanwaar het hanengekraai klonk, dat de reizigers in het bosch reeds hadden gehoord.
Toen ze de ladang hadden betreden, stootte Marti eenige malen een Dajaksche kreet uit, om de bewoners van het huisje te waarschuwen, dat er vreemdelingen naderden, doch dat deze niets kwaads in den zin hadden. Dit is in het land der koppensnellers niet overbodig.
Uit het huisje kwam een man te voorschijn, die Marti's geroep beantwoordde, waarna ook nog een vrouw en een paar kinderen naar buiten kwamen.
Dit kleine gezin bood het gewone schouwspel van een Dajak-familie: de man was naakt op een gordel of »tjawet" na; de vrouw droeg een kort soort rokje, dat tot de knieën reikte; de kinderen waren evenals de man bijna geheel naakt.
Moeizaam klommen Kees en Marti over de talrijke boomstammen, om het huisje te bereiken. Naderbij gekomen riep Marti:
»Is dit een ladang van de Kenjaoe-dajaks?"
»Aoe," (ja) antwoordde de Dajak.
»Is hier een groot dorp in de nabijheid?" vroeg Kees.
»Neen, slechts enkele kleine huizen; de groote liggen verder. Ik moet hier de wacht houden over de ladang, dat de dieren onze oogst niet vernielen."
»Welk dorp is het voornaamste?" vroeg Kees weer.
»Het huis van Petinggi Datoek, heer."
»Is dat nog ver en kunnen we daar gemakkelijk komen?"
»Twee dagen loopen, heer."
»Dan kunnen we er morgenmiddag zijn," zei Kees tot Marti. Hij wist wel, dat een Dajak op reis gewoon is veel tijd te verpraten in de huizen, die hij passeert.
»Wij behoeven ons nergens op te houden, doch kunnen rechtstreeks naar het huis van Petinggi Datoek gaan," zei Marti.
»Is dit het pad?" vroeg Kees naar de andere zijde van de ladang wijzende.
»Aoe," zei de man, tot wiens opluchting Kees en Marti weldra weer hun klimpartij over de boomstammen hervatten en spoedig daarna in het bosch waren verdwenen.
Beurtelings voerde het pad onze reizigers door bosschen en over ladangs; zelfs moesten ze eenmaal een uitgestrekt veld met riet en struikgewas doorworstelen.
Na al deze vermoeienissen kwamen ze eindelijk tegen het vallen van den avond bij een klein dorp, dat, zooals bijna altijd bij de Dajaks, uit slechts één huis bestond.
Hier wilden ze nachtverblijf vragen. Ze beklommen één der uit een boomstam met inkepingen bestaande ladders en traden het huis binnen.
De bewoners ontvingen hen vriendelijk. Dadelijk werden er een paar matten gespreid in het voor bezoekers en vreemdelingen bestemde gedeelte van het huis.
Een Dajaksch huis is namelijk in twee helften verdeeld door een gang, die er in de lengte doorheen loopt. Aan de eene zijde treft men een open ruimte aan, die bestemd is voor slaapplaats der volwassen jongelieden en tevens dient tot logeerruimte voor vreemdelingen. De andere zijde wordt ingenomen door een aantal kamertjes of »lawangs", ook wel pintoe's (deuren) geheeten. Er zijn zooveel lawangs als er families in het huis wonen. Deze huizen of dorpen hebben dus een zeer verschillende lengte, afhankelijk van het aantal inwoners.
Men treft soms huizen aan van twee lawangs, die slechts zes à acht Meter lang zijn. Maar men vindt er ook wel van vijftig lawangs, die bijna tweehonderd Meter lang zijn. Onder de huizen, binnen het paalwerk waar op ze rusten, zijn de varkensstallen afgeschut.
Het dorp, waar Kees en Marti thans vertoefden, bestond slechts uit een vijftal lawangs en behoorde dus tot de kleinere.
Marti kocht van de bewoners wat rijst en een paar eieren en ging nu op één der aanwezige vuurplaatsen den maaltijd bereiden.
Middelerwijl had Kees zich op zijn mat neergezet, terwijl een groep Dajaks zich om hem heen had verzameld. Hij knoopte een gesprek met hen aan, ten einde verschillende inlichtingen in te winnen.
Het bleek hem, dat, als hij den volgenden morgen vroeg vertrok, hij in den loop van den dag het huis van Petinggi Datoek zou kunnen bereiken.
Petinggi Datoek was volgens de Dajaks hun voornaamste stamhoofd, en wanneer hij de reizigers goed gezind was, zouden ze bij de Kenjaoe-dajaks niet de minste overlast ondervinden. Kees vernam ook, dat het pad naar het dorp van Petinggi Datoek zeer slecht begaanbaar was en men gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Toen Marti het maal gereed had, gingen beiden eten en daarna legde Marti zich op zijn mat, om te slapen. Kees echter had nog geen haast. Hij wilde nog wat met de Dajaks praten. Hij brandde van verlangen, om iets te vernemen omtrent de Sibaoe-dajaks en over den weg, die naar hun land voerde.
Maar de berichten waren alles behalve gunstig.
Om in het land der Sibaoe's te komen, moest men door een woest gebergte trekken, de Goenoeng Lawit geheeten. Het was een onherbergzaam oord, levensgevaarlijk voor den mensch. Het werd volgens hen bevolkt door de antoe's, de booze geesten. Onherroepelijk deden ze ieder, die het waagde hun gebied te betreden, neertuimelen en vermorselen in een der vele ravijnen en afgronden.
»Is er één uwer dan ooit wel eens daar geweest?" vroeg Kees.
»Neen heer," antwoordde een oud man, »ik geloof niet, dat er één Dajak leeft, die daar geweest is. Zij die er heen durfden gaan, zijn nimmer teruggekeerd."
»En welk nut zou het hebben er heen te gaan?" voegde een ander er aan toe.
»Al kon men dat gebergte oversteken, wat hielp het? Men zou in de handen der Sibaoe's vallen en gesneld worden. De Sibaoe's zijn nòg erger duivels dan de antoe's."
»Ja, dat is zoo!" beaamden alle aanwezigen.
De Sibaoe's hadden zich berucht en gehaat gemaakt, doordat ze meermalen groote roof- en sneltochten in het land der Kenjaoe's ondernomen hadden. Machtelooze woede kenmerkte alle uitingen van de laatsten. Gaarne zouden zij eens geducht met deze Sibaoe's afrekenen, maar ze voelden zich te zwak om tegen hen op te trekken.
Het werd meer en meer duidelijk, dat Kees heel wat moeite zou hebben, in dit land hulp te krijgen voor zijne onderneming.
Zijn eenige hoop was, dat hij een paar jonge mannen, die gaarne avonturen beleefden, door een groote belooning over zou kunnen halen hem te volgen.
Het was reeds nacht, toen Kees eindelijk besloot te gaan slapen. Gaarne zou hij meer hebben vernomen, maar hij begreep wel, dat een goede nachtrust volstrekt noodzakelijk was, wanneer hij den volgenden dag den zwaren tocht naar het dorp van Petinggi Datoek volbrengen zou.
Bij het aanbreken van den dag waren ze reeds weer reisvaardig. Eén der bewoners van het huis had zich aangeboden, om als gids dienst te doen, hetgeen Kees met blijdschap had aangenomen.
Het pad was inderdaad zeer slecht. Het liep over vroegere ladangs, die nu begroeid waren met dicht struikgewas en scherp riet. Nergens lag over de talrijke riviertjes een boomstam om als brug dienst te doen. Ook moesten ze een paar moerassen doortrekken, waar ze tot hun knieën in de modder zakten. En ten slotte voerde het pad zelfs over een soort van brug, bestaande uit schragen van schuin in de modder gestoken takken, waarover dunne boomstammen gelegd waren. Het loopen over deze zwiepende stellages was zeer moeilijk, vooral voor Kees; de Dajaks echter liepen er als katten over heen.
Daarna kwamen ze weer op hooger terrein, waar de heuvels dicht begroeid waren met bamboe bosschen. Maar de paden waren er door de afgevallen bladeren zeer glibberig, zoodat het loopen erg lastig viel.
Het was een afmattende tocht. Dikwijls moesten de reizigers halt houden, om eenige oogenblikken uit te rusten.
Op een gegeven oogenblik verklaarde de gids, nu terug te willen keeren. Het pad was verder gemakkelijk te volgen en de groote ladangs van Petinggi Datoek waren niet ver meer af.
Kees gaf den man een goede belooning voor zijn, werkelijk uitstekende diensten. Deze nam afscheid en de beide reizigers togen verder.
Ongeveer een uur later bereikten ze inderdaad een uitgestrekte ladang. Het aanschouwen van deze groote opene vlakte, bedekt met boomstammen, ontlokte Kees een diepen zucht. Nu moest het klauteren en springen weer beginnen.... En zijn beenen weigerden hem al bijna den dienst.
Toch maar weer moedig voorwaarts. Het doel van dien dag kon nu niet ver meer zijn.
Dankbaar waren ze, toen ze over de laatste boomstam heen gestrompeld waren en de reuzen van het oerwoud weer hun machtige schaduwdragende armen boven hun verhitte hoofden uitstrekten. Weldra passeerden ze een vierkante open plek in het bosch, een hanenkamp plaats. Dat was een teeken, dat het dorp in de nabijheid lag.
Even verder ontmoetten ze een oud man, die verklaarde in het huis van Petinggi Datoek te wonen en bereid te zijn met hen terug te gaan.
Weldra waren ze in het dorp, dat Tapang heette. Het bestond uit één zeer lang huis, dat een veertigtal lawangs telde.
Petinggi Datoek, het hoofd, was een forsch gebouwde man van middelbaren leeftijd, met een verstandig gelaat. Gastvrij ontving hij de bezoekers en liet dadelijk een paar nieuwe matten voor hen spreiden. Voor het nog avond was geworden, voelden ze zich reeds volkomen thuis in dit dorp. De bewoners legden niet het minste wantrouwen aan den dag en waren vriendelijk en hulpvaardig.
De overgroote meerderheid der Dajaks had nog nooit een blanke gezien. Vol nieuwsgierigheid zaten ze om Kees heen en beschouwden diens persoon en zijn doen en laten met de grootste belangstelling.
Toen Kees en Marti gegeten hadden, knoopten ze een gesprek aan met Petinggi Datoek. Ook enkele der mannen namen er aan deel, terwijl de anderen en de vrouwen, die zich ook in den kring hadden geschaard, stil toeluisterden.
Toen Kees zijn plan kenbaar maakte, naar het land der Sibaoe's te willen gaan, werd dit door allen met teekenen van schrik en afkeuring ontvangen. Ook hier ontwaarde hij dezelfde gezindheid, als bij de Dajaks, die hij den vorigen avond had gesproken. Na eenig zwijgen zei Petinggi Datoek:
»Heer, ik weet niet, waarom u naar het land der Sibaoe-dajaks wilt gaan, maar wàt ook de reden mag zijn, het is beter, dat u van die reis afziet."
»Dat kan niet, Petinggi," zei Kees, »ik mòet er heen en ik zàl er heen gaan ook."
De Dajak kuchte eens, aarzelde nog een oogenblik en vervolgde toen:
»U moet het me niet kwalijk nemen, heer, dat ik zoo tegen u spreek. Maar u moet me gelooven: de Sibaoe's zijn niet te vertrouwen. Zij zijn verraderlijk. Wien ze overdag goed ontvangen hebben, zullen ze 's nachts heimelijk vermoorden."
»Dat zal zoo erg niet zijn," zei Kees. »Dat is geen Dajaksche gewoonte. Is men in een huis ontvangen, dan is men veilig."
»Dat is zoo, heer, maar de Sibaoe's zijn duivels in menschengedaante."
»Ik merk wel, dat ge niet erg op hen gesteld zijt, Petinggi," zei Kees glimlachend.
»Wij Kenjaoe's kennen hen, heer; altijd zijn het onze grootste vijanden geweest. Vaak kwamen ze in ons gebied, om koppen te snellen. Maar wij zijn nooit sterk genoeg geweest, om hen te verslaan. Steeds moesten we vluchten, als ze ons land binnen vielen."
»Dat is alles wel mogelijk, Petinggi, maar ik wil naar hun land toe! Ik verzeker je, dat ik in 't geheel niet bang ben voor die Sibaoe's. Ik heb hier een goed geweer, zooals je ziet. En hier is nog een klein geweer, dat zes keer achter elkaar kan schieten. Zoo iets heb je zeker nooit gezien. Daar zullen de Sibaoe's kennis mee maken, als ze mij mochten aanvallen," zei Kees, op zijn geweer en revolver wijzende.
Deze bekeek de beide wapens op een afstand met belangstelling en eerbied en zeide:
»Ja, heer, dat zijn zeker geweldige wapens, maar de Sibaoe's zullen ook niet met u vechten. Zij zullen u overdag een vriendelijk gelaat toonen en u 's nachts dooden."
»Ik zeg je nog eens, Petinggi, ik ben niet bang."
»Goed, heer, maar er is nog meer," vervolgde de Dajak weifelend.
Kees werd ongeduldig.
»Vertel op, wàt is er nog meer?"
»De weg van hier naar het land der Sibaoe-dajaks is zeer moeilijk. Eigenlijk is er geen weg, tenminste wij weten hem niet. Daarom geloof ik niet, dat het u gelukken zal er te komen."
»Zou ik dien Goenoeng Lawit niet kunnen overtrekken, Petinggi? Ik ben wel over hoogere bergen gereisd," zei Kees.