Onder de koppensnellers op Borneo
Part 1
Juliana-bibliotheek voor jongens en meisjes, onder redactie van Nannie van Wehl (S. Lugten-Reys)
ONDER DE KOPPENSNELLERS OP BORNEO
Door JAN OOST
Met platen van Willem Hardenberg en een kaartje van Westerafdeeling van Borneo
H. ten Brink Arnhem
I. EEN VRIENDENDIENST.
Alvorens we ons verhaal aanvangen, is het misschien niet ondienstig nog even een blik te slaan op de kaart van Nederlandsch-Indië.
We zien, hoe die eilandensnoeren zich slingeren om de linie. Merkt ge wel op, dat Borneo eigenlijk aller middelpunt is? hoe het bijna van alle kanten omvlochten wordt door eilandengordels?
En toch, al schijnt het door ligging en grootte (22 × Nederland!) het natuurlijk middelpunt, de kern van onze Oost, het is langen tijd het minst bekende, het minst betreden gebied van deze wondere wereld geweest. En nóg valt de sluier der geheimzinnigheid over duistere oerwouden en ongerepte wildernissen.
Tal van streken waren er vroeger in de binnenlanden, waar het slechts een enkele maal een Europeaan vergund was, een blik te slaan op de sprookjesachtige schoonheid van de oernatuur; en in de diepste diepten van het tropische woud en in de donkerste spelonken van Borneo's bergstelsel heeft nog steeds nimmer een blanke den voet gezet.
Juist die raadselachtige geheimenissen van Borneo's natuur zijn de oorzaak, dat meermalen wetenschappelijke expedities van de zeekust uit getracht hebben de stroomen op te roeien, de bergen over te trekken, diep in de wouden te boren.
Koene en ondernemende mannen hebben moeilijkheden van allerlei aard getrotseerd, om telkens een slipje te kunnen oplichten van dien geheimzinnigen sluier, die daar het wondere leven der tropische natuur verbergt; die óók verholen houdt de schatten van edele metalen en diamanten, welke er gedurende ongetelde eeuwen rusten in den schoot der aarde.
Hindernissen van allerlei aard! De natuur zelf schijnt gierig te zijn op haar schatten; onberekenbaar is zij, waar zij plotseling onverwachte versperringen opwerpt, die het voortgaan beletten. Haar wachters zijn de wilde dieren, die den reiziger bedreigen, en dikwijls ook de vijandelijke en bloeddorstige inboorlingen. En toch kan niets de mannen der wetenschap bewegen hun tochten te staken.
En wat is nu het practische gevolg? Wordt al die energie vruchteloos verspild?
Het antwoord wordt ons gegeven door een reeks zeer belangwekkende wetenschappelijke geschriften, en verder door de musea der Europeesche groote steden, waar schatten van natuur- en gebruiksvoorwerpen den Westerling verbaasd doen staan en hem een flauw begrip geven van deze onbekende wereld.
Niet alle reizigers echter trachten met wetenschappelijke bedoelingen in de binnenlanden van Borneo door te dringen. Er zijn er ook, die uitsluitend aangetrokken worden door het avontuurlijk leven in de wildernis; nog anderen gaan uit, om, alleen vergezeld van een enkel vertrouwd inboorling, te zoeken naar goud en diamanten, ten einde later in een meer beschaafde wereld, een rustig en gemakkelijk leven te kunnen leiden.
Het spreekt wel van zelf, dat de grootere plaatsen van Borneo bijna alle langs de kusten liggen. Zoo ook Pontianak.
Pontianak ligt op de Westkust, vlak onder den evenaar aan een der monden van de Kapoeas.
Na deze korte inleiding beginnen we ons verhaal.
Op de achtergalerij van een kleine Europeesche woning te Pontianak lag op zekeren avond in 188* een zieke in een gemakkelijken ruststoel en genoot van de avondkoelte, die aanwoei van over de zee.
De dag was als altijd heet geweest en zelfs voor gezonde menschen afmattend. Loodrecht had de zon haar stralen neer laten branden; gloeiend was zelfs de atmosfeer in de schaduw geweest; loodrecht was eindelijk de zon neergezonken; slechts enkele minuten had de schemering geduurd en nu, met den plotseling vallenden avond, brachten koele luchtstroomen wat verkwikking. De lang verbeide avondkoelte was een weldaad voor den zieke.
Gewoonlijk zat hij daar alleen.
Thans echter had hij gezelschap. Een oude makker, dien hij in lang niet gezien had, zat naast hem.
Voor Jan Verveer was het een groote vreugde, dat zijn vroegere wapenbroeder, Kees Smit, hem eindelijk weer eens had opgezocht.
Jan Verveer en Kees Smit; twee echte Hollandsche namen van twee echte Hollandsche jongens.
Beiden hadden ze in hoofdzaak denzelfden levensloop gehad. De lust tot zwerven was hun aangeboren. Reeds als kleine jongens brachten ze hun moeders in angst, als ze doelloos buiten het dorp rondzwierven en zich in uren niet lieten zien. Toen ze naar school gingen, werd het niet beter. In letters en sommen vonden ze niet veel behagen. Een leerplichtwet was er niet. Hun vaders schenen het te druk te hebben, om de gangen van de bengels na te gaan. Voor dezen waren bosschen en velden, duinen en heiden veel belangrijker dan de eerste beginselen der wetenschappen, welke meester op 't zwarte bord ontwikkelde. Vrijwel ongestoord oefenden zij zich nu in het spijbelen, stukjes draaien, haagje loopen, of hoe de genialiteit van den Hollandschen straatjongen verder het moedwillig verzuimen van de school heeft betiteld. Toen ze voorgoed de schoolbanken verlaten hadden, wilde het met een ambacht al evenmin vlotten als met de sommen en taaloefeningen. Bij geen enkelen baas konden ze 't uithouden; geen enkel vak vermocht de avontuurlijke jongens te boeien.
Ze moesten en zouden de wijde wereld in! Liefst naar Indië! Van dat wonderland hadden ze fantastische verhalen opgevangen.
Aangezien ze echter op school zoo bitter weinig geleerd hadden en hun vaders de middelen ontbraken, om de jongens hun schade nog te doen inhalen, was er weinig kans op het verkrijgen van een goed bezoldigde positie. Ook in Indië brengt niemand het ver, die niet een behoorlijke dosis kennis heeft vergaderd.
Er was echter één uitkomst, die wonderwel strookte met hun avontuurlijken aard. Ze lieten zich te Harderwijk aanwerven als koloniaal, en vertrokken toen weldra naar hun land van belofte, waar ze het vaderland eenige jaren trouw dienden.
Na volbrachten diensttijd namen ze pensioen. Ze bleven in hun tweede vaderland en konden, nu ze geheel meester van hun tijd waren, een leven gaan leiden, dat met hun wenschen en droomen overeenkwam.
Ze bleven niet samen, net zoo min als ze als soldaat altijd samen waren geweest.
Ieder ontwierp zijn eigen plannen en volgde zijn eigen weg. Kruisten die wegen elkaar af en toe, des te beter. Dan was er gelegenheid, elkaar te onderhouden met het verhaal van hun lotgevallen en elkaar op te wekken tot nieuwe tochten en avonturen.
Kees Smit was al spoedig na het verlaten van den dienst in kennis gekomen met een Duitscher, die een zeer belangrijke opdracht had voor een groot museum te Berlijn. Hij moest namelijk allerlei voorwerpen, die hij de moeite waard achtte, verzamelen en verzenden naar Europa.
Het volvoeren van een dergelijke opdracht was volstrekt niet ieders werk.
Merkwaardige steensoorten moesten worden gezocht en gerangschikt; allerlei gebruiksvoorwerpen van de inlanders moesten worden verzameld met nauwkeurige beschrijving van bedoeling en gebruik. Nog verder echter strekte zijn taak. Vreemde planten moesten worden gedroogd, huiden toebereid, skeletten geprepareerd, in 't kort, alles moest zoo worden behandeld, dat het niet meer aan bederf onderhevig was.
Dit vereischte natuurlijk kennis van allerlei aard, en al had Kees nu heel weinig schoolkennis opgedaan, hij had een vlug en bevattelijk verstand en was na eenige maanden even goed op de hoogte als zijn Duitsche metgezel.
Weken, maanden lang zwierven ze soms door de wildernissen, steeds vergezeld van één of meer inlanders, die hun instrumenten en veroverde schatten moesten dragen en hen verder bedienden.
Het samen trotseeren van allerlei moeilijkheden en gevaren had een hechte vriendschap doen ontstaan.
Des te zwaarder slag was het voor Kees Smit, toen zijn trouwe reismakker in het binnenland, ver van de beschaafde wereld, door een van die verraderlijke tropische ziekten werd aangetast en plotseling overleed.
Kees meende de nagedachtenis van zijn vriend niet beter te kunnen eeren, dan door diens taak trouwhartig voort te zetten. Het museum bestendigde hem gaarne in de opdracht, welke hij zich zelf had opgelegd. En nu was hij besloten, dit werk nog eenige jaren voort te zetten. Hij verdiende er goed geld mee, veel meer dan hij voor zich zelf noodig had.
En later--wanneer hij genoeg naar zijn zin zou hebben opgespaard--dan wilde hij terug naar Holland, terug naar het kleine vriendelijke dorpje zijner jeugd, om daar in vredige rust zijn laatste levensjaren te slijten.
Toen Jan Verveer zijn paspoort gekregen had, sloot hij zich aan bij een wetenschappelijke expeditie, en door zijn betrekkelijk groote, voor een deel intuïtieve, terreinkennis had men gaarne en lang gebruik gemaakt van zijn diensten. Vervolgens was hij nog eens meegeweest met een gezelschap Engelsche jagers, die zijn speurzin en onverschrokkenheid evenzeer waardeerden. En eindelijk was hij op eigen gelegenheid gaan zwerven--als diamantzoeker.
Het onrustig en avontuurlijk leven had echter zijn krachtig gestel ondermijnd en nu vinden we hem daar te Pontianak, uitgeput en doodziek. Hem was de illusie ontnomen, dat hij nog eens Hollands blanke duinen zou zien opdoemen uit de goudbestarrelde wateren der Noordzee, dat hij in het stille dorpje zijner geboorte uit zou rusten van zijn vermoeiend leven.
Rusten zou hij--maar onder de palmen van Insulinde.
Kees Smit, die evenals hij, na zijn reizen eenigen tijd te Pontianak vertoefde, vernam toevallig dat zijn oude vriend zich daar eveneens bevond en dat hij door een ernstige ziekte was aangetast.
Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken. En hij zag dadelijk, dat men hem helaas de waarheid voorspeld had; het zou de laatste maal zijn, dat hunne wegen zich kruisten.
Met zwakke stem begon de zieke te spreken en hij gaf zijn vriend nog eens den ouden vertrouwelijken bijnaam uit hun diensttijd:
»Lange, je ziet het wel; het loopt met mij af. Ik zal de Negeri-koud [2] niet meer terugzien.--Zit nou maar niet zoo sip te kijken. Er is voor mij geen kruid gewassen. En och, ik ben al aan het idee gewend. Maar ik ben heel blij, dat ik je nog één keer ontmoeten mag. Ik heb je nog iets heel belangrijks te zeggen. Je bent de vriend van mijn jongensjaren geweest en ook mijn eenige beste vriend in dit vreemde land. Ten slotte ben jij de eenige, die gedurende mijn ziekte naar me omkijkt. Nu wil ik jou nog een dienst bewijzen."
Kees vond geen woorden en zat den zieke eenigen tijd met diep medelijden aan te kijken.
Deze vervolgde: »Weet je de Soengei Tekoeng?"
Kees zuchtte.
»Dat hangt er van af, welke je bedoelt," zei hij. »Er zijn meer rivieren van dien naam in het binnenland."
»Ik bedoel de zijrivier van de Soengei Sibaoe--weet je diè?"
»Ja," zei Kees. »Ik weet ten minste, dat er Sibaoe-dajaks bestaan. Dat moeten geduchte koppensnellers zijn. Ik ben echter nooit in die streken geweest. Maar wat is er met die Soengei Tekoeng?"
»Nou, Lange, je moet dan weten, dat ik eens in het land der Sibaoe-dajaks geweest ben--die tusschen twee haakjes gemeene moordenaars zijn--. Ik heb daar in 't gebergte in die kleine riviertjes heel wat diamanten gevonden. Maar toen ik er mee naar hier wilde gaan, bemerkte ik, dat die kerels me zeer vijandig werden, omdat ik die steentjes uit hun land haalde. Dat brengt hun ongeluk aan, zeggen ze. Ik heb toen het zakje met de steentjes verstopt en ben heimelijk gevlucht. Het was mijn plan, ze later eens te gaan halen, maar er is nooit iets van gekomen.... en nu komt er heelemaal niets meer van." De zieke rustte even. »Nu zal ik je zeggen, waar ik ze verborgen heb. Er zijn meer dan genoeg, om jou in Holland een goed leventje te bezorgen."
»Dat is mooi van je bedacht," zei Kees. »Maar je familie?"
»Och, familie heb ik niet meer en joù gun ik ze het meest."
»Welnu, laat dan eens hooren. Maar--kan niemand ons beluisteren? Daar net liep ik je jongen [3] tegen 't lijf. Wil ik eens even rondzien, of...."
Kees had zachtjes gesproken en keek behoedzaam buiten de galerij.
Doch de zieke maakte een geruststellende beweging met de hand. »Mijn jongen, een Maleier, een handige en vertrouwde kerel, is uit en komt vooreerst niet terug. Hij gaat inkoopen doen op den passer. [4] En dan, juist omdat jij er bent, heb ik hem een paar uren vrij gegeven. Je hebt immers den tijd? Hij heeft me goed opgepast, en heel weinig vrij gehad de laatste weken. Bovendien, ik moèst hem wel wegsturen, want mijn geheim moet veilig zijn...."
Nog even, argwanend, spiedde Kees in de duisternis. Doch er was niets, dat ongerustheid kon wekken.
De zieke begon, terwijl Kees Smit voor alle zekerheid eenige namen in zijn zakboekje aanteekende:
»Je moet de Soengei Tekoeng opvaren, tot je bij een groote riam [5] komt. Dan zie je op den rechteroever een hoogen tengkawangboom [6] staan. In dien boom heb ik een merk gekapt en onder de wortels, in een kleine holte, het zakje verstopt."
»Mooi," zei Kees. »Maar hoe kom ik het best bij die Tekoeng?"
»Je moet niet door het land der Sibaoe-dajaks gaan. Afgezien van hun moordlust zijn er nog andere bezwaren. De Sibaoe-rivier stroomt door een streek met uitgestrekte moerassen, waaruit gevaarlijke dampen opstijgen. Het is daar zeer ongezond. Bovendien is er een waterval, die je het voortgaan gewóónlijk onmogelijk maakt....
Je moet door het land der Kenjaoe-dajaks. Je vaart eerst de Kapoeas op, vervolgens de Embalouw-rivier en daarna de Kenjaoe. Een bezwaar is, dat je dan over het Lawitgebergte moet trekken. Maar die weg lijkt me veel veiliger. En dan moet je probeeren, een paar Kenjaoe-dajaks mee te krijgen; die zijn goed te vertrouwen.
Ben je op die manier eenmaal in het land der Sibaoe-dajaks gekomen, dan moet je niet denken, dat je de diamanten ineens maar hebt. Het gevaarlijkste komt dan nog. Ik waarschuw je nog eens: die Sibaoe-dajaks zijn buitengewoon moordzuchtig en bovendien willen ze nu eenmaal niet, dat je in hun land diamanten zoekt. Zorg dus, dat je je oogmerk zoo angstvallig mogelijk verborgen houdt."
Deze lange uiteenzetting had den zieke ten zeerste afgemat. Uitgeput zonk hij achterover in zijn ligstoel en sloot geruimen tijd de oogen.
Kees Smit bleef stil zitten. Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein, terwijl hij het ingevallen gelaat van zijn vriend gadesloeg. Het was duidelijk voor hem, dat diens levensuurwerk snel afliep. En het smartte hem diep, dat hij den makker zijner jeugd moest missen, hier, in dit vreemde land, dat hij lief had gekregen--niet zoo lief echter als zijn eigen dierbare geboortegrond hem was.
En dan--die eigenaardige uiterste wilsbeschikking! De moordzucht der Dajaks! al die gevaren! Zijn gezicht stond steeds bedenkelijker. Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, als om orde in zijn gedachten te brengen. In ieder geval zou hij de zaak rijpelijk overwegen, alvorens een bepaald besluit te nemen.
Terwijl Verveer even sluimerde en Smit in gedachten verdiept zat, rees in de duistere binnengalerij onhoorbaar een man op uit zijn gehurkte houding en sloop met schitterende oogen en een zelfvoldanen glimlach naar buiten. Het was Amat, de bediende van Verveer, die nu pas zijn boodschappen ging doen. Zijn meester had hem zóó nadrukkelijk weg willen hebben en zóó herhaaldelijk over het onverwachte bezoek gepraat, dat de sluwe Amat achterdochtig was geworden. Hij móest en hij zóu weten, wat die twee te verhandelen hadden.
Thans wist hij het ....
Blijde stapte hij voort naar de toko's. [7] En hij maakte alvast plannen. Allereerst zou hij zich zooveel mogelijk aan de oogen van den bezoeker onttrekken. Deze moest hem later liefst niet herkennen. En dan zou hij dien Toean [8] Smit in de gaten houden--Amat wou óók wel graag rijk zijn--.
Smit bleef Verveer den ganschen avond gezelschap houden. Af en toe sluimerde de zieke en had dan weer eenige krachten verzameld, om zich nog eens te verdiepen in de oude herinneringen. Er lag in hun samenzijn iets van den weemoed, waarmee de ondergaande zon haar laatste stralen werpt over een herfstlandschap. Een zachte goudgloed werpt ze over de stervende natuur en baadt alles in een geheimzinnigen luister, die het leven met den dood verzoent. Zoo gaf het vriendelijk schijnsel der herinneringen het samenzijn dezer twee menschen een ernstige wijding.
Heel laat in den avond kwam de bediende thuis en de mannen hoorden hem door de binnengalerij loopen.
»Daar is Amat," zei Verveer.
»Dan zal ik maar eens opstappen," besloot Kees. »'t Is al laat. Goeden avond, en het beste--en dank je wel ...."
De mannen wisselden een blik van verstandhouding. Toen ging Kees Smit zijn logies opzoeken.
Nog slechts eenmaal kon hij Verveer bezoeken. Van een geregeld gesprek was nu geen sprake meer. De dood waarde in de galerij, waar ze voor de laatste maal bijeen zaten.
In den daarop volgenden nacht overleed Verveer.
Kees bleef nog in Pontianak tot na de begrafenis. Toen keerde hij weer terug naar zijn huiden en skeletten. Hij had groote bestellingen en er zouden vele maanden gemoeid zijn met het uitvoeren daarvan. Er was dus geen denken aan, dat hij onmiddellijk den tocht naar de Sibaoe's zou kunnen aanvaarden. Te meer, daar hij voor dien tocht veel geld zou moeten uitgeven en daarom nù geen winstgevende zaak mocht laten loopen.
Het verhaal van Verveer wilde hem echter niet met rust laten. Onophoudelijk spookten hem allerlei overleggingen door het hoofd. In het eerst meende hij niets te zien dan bezwaren. Langzamerhand begon hij deze lichter te tellen. En hoe meer de tijd naderde, dat hij zijn bestellingen moest afleveren, des te vaster werd zijn voornemen, des te omlijnder werden zijn plannen. Hij was gewend met moeilijkheden te worstelen, allerlei hindernissen der wildernis te trotseeren. Dit nieuwe avontuur had ongemeene bekoring voor hem en eindelijk stond het vast: hij zou al zijn krachten inspannen om de kostbare edelgesteenten te bemachtigen.
Toen zijn bestellingen in orde waren, ontsloeg hij al zijn bedienden, behalve één, n.l. Marti. Marti had al zeer vele tochten met hem meegedaan; Marti was in de rustpoozen zijn huisbediende geweest; Marti, een Dajak, die tot den islam bekeerd was, had hij langzamerhand ten volle leeren vertrouwen.
En hij vroeg hem:
»Marti, heb je lust, om zoo maar ineens rijk te worden?"
Deze keek zijn meester verwonderd aan. Hoe kon Toean dàt nog vragen? Natuurlijk zou hij graag ineens rijk zijn--dan kon hij in de kampong, waar hij geboren was, een eigen huisje koopen....
»Nu dan--dan neem ik je mee ver in de Oeloe. [9] Daar gaan we diamanten zoeken. Maar spreek er met niemand over, Marti!
En als de onderneming lukt, zal ik je zooveel geld geven, dat je een eigen huisje kunt koopen...."
»Ver in de Oeloe, heer?" vroeg Marti verschrikt. »Bij de koppensnellers?"
»Juist," beaamde Kees. »Maar jij en ik kunnen toch de koppensnellers wel aan? Wat beginnen ze tegen mijn nieuwe revolver, die zesmaal achtereen kan schieten? En je weet, Marti, elk schot is raak!"
Marti liet zich echter zoo gauw niet overreden. En de Toean moest al zijn welsprekendheid te hulp roepen, eer zijn bediende hem beloofde, hem te zullen bijstaan. En zelfs na dit besluit bleef Marti van gevoelen, dat ze ongetwijfeld meer gevaren dan diamanten zouden vinden.
En als Kees heel geestdriftig sprak over de snel te verwerven schatten, dan zweeg de trouwe Maleier of hij antwoordde met enkele voorzichtige, bijna ontnuchterende woorden.
Te Pontianak maakte Kees de eerste toebereidselen voor de reis. Ze zouden de Kapoeas opvaren tot Sintang en van daar met de bidar [10] van eenen of anderen Chineeschen handelaar tot aan de Embalouw-rivier. Dan zouden ze verder gaan per djaloer, een kleine boot uit een boomstam gemaakt, die veel overeenkomst heeft met de bekende kano.
En dan?
II. OP WEG!
Over de Kenjaoe-rivier voer een djaloer, die stroom opwaarts geroeid werd door een stoeren Maleier.
De stuurman van het ranke vaartuigje was een blanke. Deze was gekleed in een blauw katoenen pak; zijn beenen waren omwikkeld met beenwindsels, teneinde ze te behoeden tegen den beet van insecten; op zijn hoofd droeg hij een breedgeranden, slappen stroohoed.
De Maleier droeg op het naakte lijf slechts een vuilwitte pantalon; een zwart fluweelen mutsje, zooals de Maleiers gewoonlijk dragen, dekte zijn hoofd.
Diep zakte het ranke vaartuigje in het water weg, slechts enkele centimeters bleven de boorden boven de oppervlakte. Het was dan ook zwaar geladen. De beide mannen hadden nogal veel bagage bij zich. Men zag enkele petroleumblikken, die thans den dienst van reistasschen vervulden, een zwaar jachtgeweer en ten slotte een paar groote Dajaksche kapmessen of »parangs", die de reizigers een weg door het oerwoud moesten helpen banen.
Moeizaam pagaaide de Maleier met een dajong [11] het ranke vaartuigje tegen den stroom op, terwijl de Europeaan, achterin gezeten, bij de talrijke en vaak zeer scherpe bochten van de rivier de djaloer behendig om de hoeken stuurde.
Waar het vaarwater een eind rechtuit liep, hielp hij een handje met roeien en dan schoot het lichte ding ineens veel sneller voort.
Een echte Borneosche boschrivier, die Kenjaoe.
Het water was donkerbruin, bijna zwart. Tal van takken en massa's bladeren, die van de overhangende boomkruinen waren neergestort, werden door den stroom meegevoerd.
Zwijgend gleden ze voort over het donkere water.
Geen menschelijk wezen was overigens te bespeuren. Verlaten lag daar de stroom; verlaten schenen de wildernissen langs den oever. Slechts nu en dan hoorde men door de stilte de geluiden van een paar vogels en het geschreeuw van een paar apen. Dan heerschte weer het geheimzinnig zwijgen van de ongerepte oernatuur.
Met veel moeite en overleg stuurde Kees Smit de djaloer weer een hoek om. Weer lag een recht gedeelte van de rivier voor hem. Hij behoefde nu eenige oogenblikken niet zoo angstvallig op te letten en om de drukkende stilte te verbreken, zei hij:
»Er zijn heel wat bochten, Marti, en de stroom is sterk."
»Ja, Toean," antwoordde Marti. »De rivier is moeilijk te bevaren voor twee man. En het zal nog wel erger worden, als we de riams bereiken en er groote steenen in het vaarwater beginnen te komen."
»Bovendien zie ik, dat de oevers hooger worden. We naderen het gebergte, Marti. Dan wordt de rivier smaller en de stroom sterker. We hebben tot nu toe weinig last gehad van boomstammen, maar die kunnen ons ook nog genoeg plagen."
»Ja, heer," antwoordde Marti en zweeg toen weer. Spraakzaam was hij nooit, en nu had hij al zijn aandacht noodig voor een nieuwe bocht in de rivier.
Ook Smit zweeg, om den dajong krachtiger te kunnen hanteeren.
Een vol uur ging voorbij in moeizamen arbeid. Toen hervatte Kees:
»Zou het nog lang duren, voor we aan land moeten gaan? Dat kan dunkt me niet, want de oevers worden steeds hooger. En zoodra het terrein beslist bergachtig wordt, moeten we de djaloer aan den kant vastleggen en gaan loopen."
Marti had in dienst van jagers en onderzoekers en later van Smit, reeds vele boschrivieren bevaren. Hij kende de beteekenis van elk verschijnsel aan den oever of op het water. En toen hij, na de laatste opmerking van Kees, nog eens nauwkeurig had rondgespied, antwoordde hij:
»Ik reken hoogstens nog op twee dagen, heer. Dan zullen we wel ongeveer de aanlegplaatsen der Kenjaoe-dajaks bereikt hebben. Daar kunnen we het best aan land gaan. Ik heb gehoord, dat ze nog al veel dorpen hebben. Daar zullen we dan ook wel voetpaden vinden."
»Ja, die zijn er zonder twijfel, Marti, daar kunnen we vast op rekenen. Konden we er maar even zeker op aan, dat er ook een goed pad over het gebergte voert. Maar ik vrees, dat juist het gebergte ons de meeste hindernissen zal bezorgen."
»Dat vrees ik ook, Toean," sprak Marti.
»Doch moeilijkheden zijn er om te overwinnen, en dàn, Marti, dan zijn we rijk!" riep Kees vroolijk.