Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten Oceaan: De Fidji-eilanden De Aarde en haar Volken, 1888

Part 2

Chapter 2 3,338 words Public domain Markdown

Den negenden September 1882, bij het krieken van den dag, terwijl iedereen aan boord, met uitzondering van de wacht, nog rustig sliep, liet ik mij naar den wal roeien en begaf mij naar de plaats, waar ik volgens afspraak mijne inlandsche gidsen zou vinden. Ik wilde een uitstapje maken naar de Waï-Levoe of rivier van Rewa, waarvan men mij de bekoorlijke oevers ten zeerste had geroemd; de rivier is vrij breed en diep en met prauwen bevaarbaar tot de bergen van Ulinikora, die de centraalgroep vormen der bergketenen van Viti-Levoe. Ik zou voor den nacht de gastvrijheid inroepen van den missionaris van het dorp Rewa, een ouden kluizenaar, bijna geheel van de beschaafde wereld vervreemd, maar van wien ik wist, dat hij verschillende legenden en sagen der eilanders had vertaald. Ik moest voor zonsondergang ruim vijf-en-veertig kilometers afleggen, maar ik vertrouwde op mijne beenen en op mijne gidsen. Intusschen begonnen deze laatsten met op het appèl te mankeeren. Hoe onaangenaam dit ook was, liet ik mij toch niet afschrikken, en ging alleen op weg, rekenende op de aanwijzingen, welke de adjudanten van den gouverneur mij gegeven hadden; bovendien had ik deze zinsnede uit de taal der inlanders onthouden: "_Ive na sala ki Rewa_ (wijs mij den weg naar Rewa)".

Het pad, dat ik vol vertrouwen op mijne kaart moedig insloeg, liep door een bosch en kwam vervolgens uit op een der wegen die de suikerrietplantages in de vallei van Rewa doorsnijden en onderling verbinden. Ondanks den fijnen regen, die in den nacht gevallen was en den grond glibberig had gemaakt, volbracht ik den tocht van Suva naar de Waï-Levoe zonder eenig ongeval. Ik wandelde onder een gewelf van groen, tusschen twee hagen van sierlijke boomvarens, van australische pijnboomen en van palmen, waarop en waaromheen duizenden papegaaien van allerlei grootte en kleur, onder oorverdoovend gekrijsch en geschreeuw, sprongen, vlogen, fladderden. Deze vogels waren overigens de eenige levende wezens, welke ik ontmoette; maar ik had te lang in Oceanië vertoefd om mij daarover te verwonderen.

In deze archipels zijn giftige slangen onbekend; over het geheel is de fauna zoo arm, dat er voor liefhebbers van de jacht hier zeer weinig te halen valt. Men vindt op deze eilanden geen verscheurende dieren, en het zal niet licht iemand invallen, zich daarover te beklagen; maar ook de onschadelijke diersoorten, die een sieraad zijn van onze europeesche bosschen, worden hier gemist. Wilde katten en tallooze legioenen van ratten zijn de eenige viervoetige dieren, welke hier inheemsch zijn.

De oevers volgende van een klein rivierke, dat zich in de baai van Suva uitstort, kwam ik aan het dorp Tamavua, op den top van een heuvel die de groote vallei van de Waï-Levoe bestrijkt. Dit inlandsche dorp was omgeven door stevige bolwerken, gevormd door zware boomstammen die zeer dicht bij elkander in den grond waren gestoken; de hutten verdwenen tusschen het suikerriet, waarvan de forsche halmen boven de van palmbladen gemaakte daken uitstaken. De arme bewoners van Tamavua betalen hunne belasting in natura aan het engelsche gouvernement: zij leveren jaarlijks eene hoeveelheid suikerriet, vertegenwoordigende voor elken belastingschuldige een bedrag van omstreeks twaalf gulden. De fiscus zorgt zelf voor de omzetting van het riet in klinkende munt.

Ik trad door de eerste de beste opening die ik in de palissade vond, het dorp binnen, en bevond mij eensklaps te midden van een aantal inlanders, vergaderd voor de woning van het dorpshoofd, welke zich van de andere hutten onderscheidt door haar grootere afmetingen en haar sierlijker bouw. Wat was er gaande? De geheele stam was op de been; de mannen, in vol krijgsgewaad, het voorhoofd met schelpen versierd, de armen beladen met ivoren ringen, de heupen omgord met een sjerp van roode tapa, stieten afschuwelijke kreten uit, terwijl zij met de eene hand hun grooten waaier van palmblad bewogen en met de andere hun strijdknods zwaaiden. Te midden van den woesten tierenden hoop bemerkte ik weldra een man, wiens ernstig deftig voorkomen en vooral wiens lange zwarte jas over de sjerp van tapa zeker mijne uiterste verbazing zoude hebben opgewekt, indien de groote bijbel, welken hij onder den arm hield, het raadsel niet had opgelost. Die man was een wesleyaansch prediker of katechiseermeester. Ik trad nader bij en groette hem in het engelsch, welke taal bijna alle inlandsche predikanten en zendelingen verstaan; hij antwoordde met een onverstaanbaar gebrom. Ik liet mij niet afschrikken, maakte een buiging en vroeg hem, aan welke plechtigheid hij door zijne tegenwoordigheid luister kwam bijzetten. De man met de lange jas keek mij uit de hoogte aan, en zeide toen op minachtenden toon: "_It is a marriage;_" vervolgens draaide hij mij den rug toe. Dit was niet beleefd, maar ik had geen recht van iemand, wiens ouders misschien nog menscheneters waren, fijne vormen te verwachten; bovendien, ik wist nu wat ik weten wilde. Ik zou getuige zijn van een inlandsch huwelijk. Mijn gesprek met den predikant gaf mij zekere beteekenis in de oogen der inboorlingen, die mij voor een lid hunner gemeente aanzagen. Deze vergissing waarborgde mij tegen verderen overlast; zelfs werd het mij vergund, met de schare in de woning van het opperhoofd binnen te gaan. Die woning was vol menschen; ik had ruimschoots de gelegenheid, haar nauwkeurig op te nemen.

Deze hut, welke zeker honderd menschen kon bevatten, vormde slechts een enkel ovaal vertrek; de wanden bestonden uit dikke matten van sierlijk gevlochten bamboe, van afstand tot afstand gesteund door stijlen van boomvarenhout. Het dak werd gedragen door min of meer bewerkte kokosstammen, die door sierlijk bindwork onderling waren aaneengeschakeld. Aan de balken hingen houten schotels, benevens eene geheele collectie van soms zonderling gevormde knodsen. Ik zag ook in den hoek van de hut verschillende potten, die des te meer de aandacht verdienen omdat deze eilanders de eenigen zijn in Oceanië, die gebruik maken van aardewerk. Deze potten worden door de vrouwen met de hand gemaakt, vervolgens in het vuur gebakken, en met hars van den pijnboom gevernist. Voeg daarbij eenig vischtuig, getande lansen of houten drietanden, en gij kunt u een fidjisch binnenhuis voorstellen. Meubelen zijn er niet. De grond is bedekt met eene laag gedroogd gras, waarover matten worden gespreid: zulk eene legerstede is voldoende voor deze inboorlingen, die toch van de vier-en-twintig uren er minstens twintig verslapen, daar de natuur zelve zich belast met de zorg voor hun levensonderhoud.

In het midden van de hut zaten de oudsten van den stam in eenen kring op den grond, bezig met het kauwen van den kavawortel; de uitgekauwde balletjes werden in een grooten bak geworpen, die voor het opperhoofd, een grijsaard met een barsch uiterlijk, stond. Drie afzichtelijk leelijke vrouwen, wier ooren met groote gaten doorboord en wier wangen met safraan besmeerd waren, hielpen bij de bereiding van de kava, een flauwen en toch bedwelmenden drank, waarvan het gebruik de onmisbare inleiding is voor iedere gezellige bijeenkomst en elk feest. De eene vrouw goot eene zekere hoeveelheid water op de gekauwde balletjes, die reeds door den invloed van het speeksel begonnen te gisten, en roerde vervolgens het vocht met hare handen om. De tweede, voorzien van een pakje vezels van zekere plant, verwijderde zorgvuldig uit den schotel alle stukjes van den wortel, die niet waren opgelost; terwijl de derde eindelijk den afschuwelijken drank in den beker van gesneden kokoshout schonk. Een inlander, die nabij het opperhoofd stond, riep daarop, naar rangorde, de namen van de aanwezigen af; hij wiens naam genoemd werd, klapte driemaal in de handen en ledigde met één teug den beker, die hem werd ter hand gesteld.

Na afloop van deze ceremonie ging men naar buiten en werd een aanvang gemaakt met het toilet van de bruid, terwijl jongelieden op uitgeholde stukken boomstam, bij wijze van trommels, sloegen, of op pansfluiten en schelpen bliezen. Jonge meisjes ontrolden een lang stuk witte tapa, met sandelhout welriekend gemaakt, en wikkelden de bruid daarin; het boveneinde van de tapa ontplooide zich als eene soort van breede kraag rondom den hals; terwijl het ondereinde een langen sleep vormde. Een halssnoer van cachelot-tanden--de oude munt van het land--en eene kroon van bloemen voltooiden dit zonderlinge bruidstoilet.

Daar ik de bruid misschien met wat al te veel aandacht bekeek, trad de bruidegom, dien ik tot dusverre nog niet opgemerkt had en wiens kostuum in niets van dat der andere krijgslieden verschilde, op mij toe en zag mij met alles behalve vriendelijke blikken aan. Ook uit andere teekenen maakte ik op, dat men vond dat mijn bezoek nu lang genoeg geduurd had. Ik wilde niet wachten tot men mij de deur uit zou zetten, en ging dus heen; maar niet dan nadat ik de jonggehuwden zich aan elkander had zien verbinden, en wel door het te zamen eten, zonder mes of vork, van een gebraden speenvarkentje: een prozaïsch symbool van de gemeenschap van goederen. Dit gebruik is nog een overblijfsel uit den ouden heidenschen tijd: trouwens, het ruwe fetichisme van weleer is wel geweken voor een zekeren uiterlijken schijn van beschaving, maar zonder dat in het wezen der zaak veel veranderd is. De eilanders heeten Christenen en behooren tot de katholieke kerk of tot een der protestantsche genootschappen; maar noch in het eene noch in het andere geval is hun Christendom veel meer dan een vorm.

Het dorp verlatende, stond ik stil op eene hoogte, en tusschen het schrale gebladerte van de ijzerboomen rondom mij, ontdekte ik de prachtige vallei van Rewa, door eene groote rivier besproeid. Deze aanblik verheugde mij boven mate: sedert de twee jaren van mijn verblijf in de eilandenwereld van Oceanië, zag ik voor het eerst eene werkelijke rivier, stroomende door de vlakte.

Zonder aarzelen besloot ik, rechtstreeks van den berg naar de vallei van Rewa af te dalen. Dit afdalen is in deze streken dikwijls zeer moeilijk, vooral wanneer het geregend heeft en de dunne laag teelaarde daardoor is losgewoeld, welke de granietmassa der bergen bedekt: de struiken, die de reiziger bij het op- en afdalen niet missen kan, laten dan aanstonds of althans zeer licht los:--en wee dengene, die er zich aan vastklemt! De stevige twijg buigt onder uw greep, maar de wortel biedt geen weerstand; de kleiachtige aarde brokkelt af onder den voet, en men rolt onweerstaanbaar, hortend en stootend, naar beneden. Deze wijze van afdaling had ditmaal gelukkig voor mij geene andere gevolgen, dan dat mijn jachtbuis aan flarden werd gescheurd en mijne witte pantalon zwart gekleurd. Doch ook dit was onaangenaam: ook op de Fidji-eilanden maken de kleeren den man, en vooral tegenover inlanders is het kostuum niet onverschillig.

Om de rivier te bereiken, die nog verre was, moest ik, eenmaal in de vallei aangeland, de bedding volgen van eene kreek, die midden door het bosch liep en telkens de schilderachtigste gezichten aanbood. Nu eens was het als wandelde ik door een prachtig park met grasperken en boomgroepen; dan weder bevond ik mij te midden van fantastisch gevormde rotsen en hooge muren van bazalt. Maar nergens eene levende ziel: het wanluidend geschreeuw der papegaaien en het luid gepiep van groote krekels, ziedaar het eenige geluid dat de plechtige stilte verbrak. Van tijd tot tijd kwam daarbij het wonderlijk geluid van eene soort van duif, dat zoo sprekend op het blaffen van een hond gelijkt, dat ik mij dikwijls daarin heb vergist. Telkens verbeeldde ik mij, in de nabijheid te zijn van eene tusschen het groen verscholen hut, en greep ik mijn stok om mij tegen den hond te verdedigen. Naderbij gekomen, zag ik niets anders dan den zonderlingen vogel, die haastig wegvloog.

Toen ik eindelijk de boorden van de Rewa bereikte, zag ik mij, tot mijne groote verbazing, eensklaps uit de wildernis overgeplaatst in het hart onzer industrieele beschaving. Voor mij lagen de uitgestrekte suikerplantages van de _Colonial Sugar refining Company_, de rijkste en best georganiseerde van al deze soort van vennootschappen. Ik betrad de domeinen van de maatschappij en bespeurde verschillende europeesche huizen, waar de engelsche opzichters en administrateurs wonen. Tusschen de reusachtige halmen bewogen zich arbeiders, van de Salomons-eilanden hier heen gevoerd; zij sneden de rijpe halmen af, beroofden ze van hun bladeren en laadden ze op wagens, waarmede zij naar de fabriek van Nausori werden vervoerd; welk etablissement, aan de overzijde der Rewa, met zijne zware muren en hooge schoorsteenen het landschap bedierf.

Een inlandsche visscher was wel zoo beleefd, om mij, tegen betaling van vier shillings, met zijne prauw over te zetten. Ik stapte aan wal vlak bij den ingang der fabriek, en trad naar binnen. Een lange, stijve Engelschman kwam aanstonds naar mij toe, nam mij van het hoofd tot de voeten op (ik zag er uit als een landlooper), en voegde mij op drogen, bevelenden toon toe: _"Go out! go out!"_ Ik haalde het kaartje voor den dag, waarop een der adjudanten van den gouverneur eenige woorden van aanbeveling geschreven had, en liet dat den grimmigen portier kijken. De man maakte eene buiging en bracht mij in het kantoor van den directeur der fabriek, die mij zeer beleefd ontving en mij de geheele inrichting liet kijken. Hoewel fabrieken en machinerieën mij maar eene zeer matige belangstelling inboezemen, kon ik toch niet nalaten, de volharding en energie te bewonderen van deze australische kolonisten, die in ter nauwernood twee jaren het oerwoud hebben veranderd in prachtige plantages, en in hunne fabrieken de nieuwste ontdekkingen der wetenschap in praktijk brengen. Het is waar, dat de buitengewone vruchtbaarheid van den grond, die tot eene diepte van drie meter uit losse lava en plantaardige bestanddeelen bestaat, hun daarbij zeer te stade komt.

Op de groote binnenplaats van de fabriek zag ik van nabij de Hindoes van Calcutta, die de maatschappij in hare dienst genomen heeft. Deze koelies, met hunne gezinnen naar Oceanië gekomen, staan niet hoog aangeschreven bij den directeur der fabriek, die zich over hunne luiheid beklaagt. De mannen zijn mager en zien er zwak uit; de vrouwen, overigens niet leelijk, brengen een groot deel van haar tijd door met, op den grond neergehurkt, oude hindoesche liedjes te zingen, om haar talrijk kroost in slaap te wiegen, en tevens haar koperen armbanden en andere versiersels in de zon te laten schitteren.

Ik verliet de fabriek en vervolgde mijne wandeling naar Rewa. Ik trachtte mij zoo goed mogelijk te oriënteeren, toen juist een gezelschap inlanders voorbijkwam, die naar dezelfde bestemming op weg waren: ik had dus eindelijk gidsen gevonden. Ik gaf den aanvoerder eenige snuisterijen ten geschenke en sloot mij aan bij den troep, die langs den smallen oever der rivier voorttrok. Wij moesten drie vrij diepe armen van de Waï-Levoe overzwemmen en kwamen langs ettelijke inlandsche dorpjes, aardig tusschen het groen verscholen; eindelijk ontmoetten wij een knaap, die tot de missie van Rewa behoorde, zoo als ik opmaakte uit den rozenkrans, dien hij bij wijze van snoer om zijn hals had gewonden. Deze jeugdige bekeerling sprak een zeer vermakelijk keukenlatijn, en bood zich aan om mij naar _bono pater Favier_ te geleiden, den missionaris van wiens werkzaamheid op de Fidji-eilanden ik met veel lof had hooren gewagen. Ik nam zijn geleide aan, en binnen vijf minuten betrad ik den tuin van den grijsaard, die sedert 1832 van de beschaafde wereld afscheid heeft genomen, om zich aan de moeilijke taak der bekeering van de inlanders van Viti-Levoe te wijden.

De dag was reeds aanmerkelijk gedaald; de missionaris, op een steenen bank voor zijne hut gezeten, las met groote aandacht een nommer van de _Gazette de France_, dat meer dan zes maanden oud was, om zich toch eenigszins op de hoogte te houden van de gebeurtenissen in het vaderland.

Ik mag niet ontkennen, dat de ontvangst van den eerwaardigen grijsaard op het eerste oogenblik, niet veel vriendelijker was dan die van den engelschen portier in de fabriek. Ik zag er dan ook alles behalve fatsoenlijk uit, niet veel anders dan wanneer ik acht dagen in het open veld, in de brousse, had gehuisd. Nadat ik mij bekend had gemaakt, verontschuldigde pater Favier zich, zeggende dat zijne afzondering hem tot groote voorzichtigheid noopte. Ook bekende hij, dat mijne onverwachte verschijning hem eenigszins had verschrikt: te meer daar hij eenigen tijd te voren, geheel onbewust, huisvesting had verschaft aan een gedeporteerde, die van Xouméa was ontsnapt en door de engelsche politie werd opgespoord. De brave man was aanstonds gereed, zijn eenvoudig maal, bestaande uit drie tomaten en een pot melk, met mij te deelen. Den volgenden dag geleidde hij mij naar Suva en verhaalde mij middelerwijl de oude legenden, die misschien hem alleen bekend zijn.

Ik kon niet meer zien van den slaap; de missionaris stond mij toen, als bijzondere gunst, de zoogenoemde kamer van Monseigneur af: een afgeschoten hokje waar de bisschop op zijne rondreis logeerde. Het bed, uit niets anders bestaande dan uit een vlechtwerk van kokostouw op een houten raam gespannen, af mij geen hoog denkbeeld van de weelde der paters Maristen in Oceanië.

Ik zou juist inslapen, toen eensklaps een vreemd licht in mijne kamer scheen. Denkende dat er brand was, opende ik haastig het venster, en werd verblind door een stroom van wit licht, afkomstig, zooals mij nu bleek, uit de fabriek van Nausori, die een straal elektrisch licht over de velden van Rewa liet schijnen, vermoedelijk om den weg te wijzen aan een troepje arbeiders, die wat laat op de suikerplantages waren gebleven.

Elektrisch licht op Viti-Levoe!...... dat is wel het vreemdste wat ik er gezien heb!

Voor het zendingshuis stonden eenige inboorlingen, vol verbazing en onder luid gepraat, te kijken naar deze uitvinding van den allerlaatsten tijd, dit wonder van de allerjongste wetenschap. Wat mag er wel omgaan in de hersens van die menschen, die gisteren nog naaktloopende wilden waren, en voor wier oogen nu de moderne industrie eensklaps al hare wonderen ten toon spreidt! Is het vreemd, dat zij ten eenemale de kluts kwijt raken, en door den geweldigen sprong verbijsterd, hun evenwicht verliezen en geestelijk en lichamelijk te gronde gaan?

Ik werd den volgenden morgen laat wakker, en was in het eerste oogenblik zeer verwonderd, dat ik geheel gekleed op een leger lag, waarbij zeker mijn kooi aan boord, hoe ongemakkelijk ze wezen mocht, zeer gunstig afstak. Het was reeds acht uur; pater Favier klopte aan mijne deur, en deelde mij mede, dat hij de mis ging bedienen. "Gij weet dat het heden Zondag is", zeide hij op eenvoudigen toon. Ik begreep den braven man.

"Gij kunt op mij rekenen, antwoordde ik; tenzij mijn kostuum, dat sedert gisteren niet veranderd is, mij eene plaats in de kerk onwaardig make.

--Het is waar, hervatte de missionaris, gij ziet er niet zeer netjes uit, maar wij hebben geen tijd om uw goed te wasschen voor de dienst begint. Bovendien is hier iedereen met uwe lotgevallen bekend; mijne parochianen hebben reeds honderd uit over u gebabbeld: gij zijt dus voor hen geen onbekende meer. Wilt gij de mis bijwonen, het zal mij veel genoegen doen, maar ik wil u in geen enkel opzicht dwingen.

--Niet alleen zal ik de mis bijwonen, maar ik zal de klok luiden om uwe parochianen op te roepen."

En het touw grijpende van de klok, die op eenige schreden afstands van het kleine kerkje, in een e houten stellage was opgehangen, begon ik de klok te luiden, dat het over bosch en veld weerklonk. De brave missionaris was schier tot tranen geroerd.

Wat een zonderling leven toch, dat van dien geestelijke, sedert lange jaren alleen, afgescheiden van de beschaafde wereld, te midden van eene barbaarsche en voor een goed deel vijandig gezinde bevolking, alle vernederingen en beproevingen, alle ontberingen en bezwaren trotseerende, en met onbezweken volharding, met vasten moed en tevens met onuitputtelijk geduld en kalme zachtmoedigheid zijn doel najagende. Een zonderling leven, zoo ge wilt, maar dat zeker op waardeering en bewondering aanspraak heeft.

De taak der katholieke missionarissen is des te moeilijker, vooral in de engelsche koloniën, omdat zij ook te strijden hebben met de tegenwerking en de vijandschap der britsche en amerikaansche protestantsche zendelingen, van wie niet gezegd kan worden, dat zij hunne katholieke broeders altijd met de meest eerlijke en ridderlijke wapenen bestrijden. Toch neemt hun invloed voordurend toe, dank zij vooral de uitmuntende leiding van den bisschop Monseigneur Lamaze.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie _De Aarde,_ jaargang 1887, bladz. 189 en volg.