Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten-oceaan De Aarde en haar Volken, 1887

Part 4

Chapter 41,368 wordsPublic domain

In Oceanië zijn de koningen nu juist geene zeldzaamheid, maar deze George I onderscheidt zich toch in sommige opzichten voordeelig van zijne talrijke mede-souvereinen. Meermalen stonden europeesche bezoekers verbaasd over de mate zijner kennis, vooral van militaire zaken. Daar de Tonga-eilanden door engelsche zendelingen werden bekeerd en beschaafd, voerden zij er natuurlijk het parlementaire stelsel in; en zoo heeft ook koning George een parlement naast zich, bestaande uit een huis der edelen en eene wetgevende vergadering!--Der menschelijke dwaasheid is toch inderdaad geen grensgesteld!--Deze beide doorluchtige vergaderingen zijn echter, even als de inlandsche ministers, niets anders dan werktuigen in de hand van den slimmen eersten minister, die vermoedelijk ook den koning zelven om zijn duim windt, den heer William Baker. Door het protestantsche zendelinggenootschap van Sidney naar de Tonga-eilanden gezonden om daar het Evangelie te verkondigen en tevens een handelshuis te stichten, vergat de eerwaarde Baker de verplichtingen die hij op zich genomen had en behield de winst der onderneming voor zich. Het genootschap van Sidney, dat hem geld geleend had, zette hem af en benoemde een ander in zijne plaats; Baker wreekte zich door de partij der Duitschers te kiezen en zich tot agent te laten benoemen van het huis Godefroij te Hamburg, dat den geheelen handel der Tonga-eilanden in handen heeft. Het was zeker ook niet buiten zijn toedoen, dat koning George zich en zijn rijk onder het protektoraat van den Keizer van Duitschland heeft gesteld.

Nukualofa, waar koning George woont, is de officieele hoofdstad van zijn rijk. Men vindt er veel europeesche huizen, want het aantal Europeanen, vooral duitsche handelaars en planters, is op Tonga zeer aanzienlijk; de handel breidt zich gestadig uit, en de tijd kan niet verre meer zijn, waarop het inlandsche element hier geheel zal zijn overvleugeld.

Wij mochten niet van het heilige eiland scheiden zonder een bezoek aan Mua, den ouden zetel der Tuï-Tonga, en tevens een van de voornaamste posten der katholieke missie. Op uitnoodiging van Mgr. Lamaze begaven alle officieren van de _Manua_ zich daarheen. Drie fransche missionarissen zijn daar gevestigd. De overste, de heer Chevron, die den laatsten Tuï-Tonga tot het katholicisme heeft bekeerd, is meer dan vijf-en-zeventig jaren oud, maar ondanks dien hoogen ouderdom nog helder van hoofd en opgeruimd. Het beeld van dien eerwaardigen grijsaard zal niet licht uit het geheugen zijner gasten wijken.

De vierhonderd bewoners van het dorp Mua zijn tegenwoordig allen katholiek; buiten de oude vestingwerken der voormalige residentie van de Tuï-Tonga, wonen de protestantsche bekeerlingen in eene afzonderlijke buurt. De Katholieken van Mua schijnen voor hunne geestelijke herders een grooten eerbied te koesteren; de kerk en het huis der missionarissen werden vrijwillig en kosteloos door hen gebouwd.

Wij waren getuigen van een inlandsch feest, waarvoor de bevolking zich in hare fraaiste kleeren had gedost, en waarvan dansen natuurlijk het middelpunt vormden. Deze dansen kwamen geheel overeen met die, welke ik op de Samoa-eilanden gezien had; het is dus niet noodig, ze op nieuw te beschrijven.

De kommandant en de officieren van de _Manua_ zaten met den bisschop onder de veranda van het missiehuis, als toeschouwers van het feest. Gu-Wellington, de oudste zoon van koning George, voegde zich weldra bij ons, tot blijkbare ergernis van een nieuwen gast, den zoon van Tongi, den voormaligen vorst van het oostelijk gedeelte des eilands. Deze zoon van Tongi, die beweert van koninklijken bloede te zijn, wilde niet de eereplaats afstaan aan den zoon van George, die met ijzeren hand de macht van de hooge aristocratie gebroken heeft; hij stond op en ging heen. Zelden zag ik een zoo schoon man; zijn houding en gang trof ons allen door natuurlijke majesteit. Rijzig van gestalte, trad hij langzaam voort, op romeinsche wijze gedrapeerd in een wijden mantel van tapa, en gevolgd door tien bedienden, die achter elkander liepen.

In den omtrek van Mua zag ik verschillende graven van Tuï-Tonga, groote terpen, omringd door kolossale platte steenen. Als men door de struiken heendringt, waarmede deze terpen zijn begroeid, vindt men een hoop zand, met scherven van koraal vermengd: dat is het eigenlijke graf. Een mijl oostwaarts van Mua wezen de inboorlingen mij een reusachtig monument, even als de dusgenoemde _dolmens_, uit drie geweldige steenklompen gevormd. Ook de missionarissen kunnen zich den oorsprong van dit raadselachtig gedenkteeken niet verklaren.

Voor mijn vertrek van Tonga verkreeg ik eene audiëntie bij koning George, die voor deze gelegenheid versierd was met het grootkruis van de pruissische orde van den Zwarten Adelaar, hem door Keizer Wilhelm geschonken. De schoenen, waarmede Zijne Majesteit zich nooit heeft kunnen verdragen, hinderden den koning blijkbaar geweldig; ik had medelijden met hem en maakte spoedig een einde aan mijn bezoek.

Ik bracht ook een bezoek aan Gu-Wellington, den kroonprins, wiens huis een uitdragerswinkel gelijkt: overal ziet men langs de wanden portretten, wapenen, blaasinstrumenten, snuisterijen van allerlei aard, een onbeschrijfelijken rommel. De prins spreekt zeer goed engelsch.

De prins toonde vrij wel op de hoogte te zijn van de verhoudingen tusschen de europeesche mogendheden, die elkander ook hier het overwicht betwisten, en sprak met ingenomenheid over de Franschen. Was hij daarin oprecht?

Deze eilanders, wier ouders nog volslagen wilden en menscheneters waren, nemen thans tegenover de Europeanen, wier meerderheid zij hebben leeren kennen en tegen wier overmacht zij weten zich niet te kunnen verzetten, de plichten der gastvrijheid in acht. Geen blanke die deze eilanden bezoekt, behoeft eenig gevaar te vreezen; de bevolking heeft zelfs voor een deel europeesche gewoonten aangenomen; en behalve het parlementaire stelsel, hebben wij haar ook vuurwapenen, brandewijn en sommige noodlottige ziekten ten geschenke gegeven. Ondanks de betrekkelijke zegeningen, door dikwijls zeer welmeenende, maar zeer onverstandige en in hooge mate eenzijdige mannen aan deze natuurkinderen geschonken,--die men plotseling uit den staat van volkomen barbaarschheid heeft willen overbrengen op het standpunt, waarop na eeuwenlange voorbereiding en ontwikkeling de christelijke volken van westelijk Europa staan;--ondanks die betrekkelijke zegeningen en weldaden, is de aanraking met de blanken voor de stammen van Polynesië verderfelijk geweest, en is het wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij juist ten gevolge van die aanraking en de daardoor veroorzaakte geweldige omkeering in hun gansche bestaan, in hun levensbeginsel doodelijk getroffen en onherroepelijk ten ondergang gedoemd zijn. De afstand tusschen de beide rassen, die aldus eensklaps met elkander in aanraking werden gebracht, was veel te groot om inderdaad samenwerking en gemeenschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken; het eene heeft het andere niet noodig en heeft niets te ontvangen; de inboorlingen staan, onder elk opzicht, weerloos en machteloos tegenover de blanken, aan wie zij inderdaad niets te bieden hebben. Onder zulke omstandigheden is de uitslag der ontmoeting niet twijfelachtig: het lagere ras zal worden overvleugeld en verdrongen, om in het eind te verdwijnen.

Gevoelen zij zelven hiervan iets? Ik weet het niet; maar dit is zeker, dat de inlanders, in spijt van hunne vriendelijkheid en voorkomendheid, ons innerlijk verachten en met zekeren trots, den trots der natuurkinderen op hunne nog ongebroken kracht, op ons neerzien. Men verhaalde mij daarvan een aardig staaltje.

Toen Mgr. Lamaze van Rome, waar hij de wijding ontvangen had, was teruggekeerd, had, als naar gewoonte te Maofaga, de plechtigheid van den handkus plaats. Den volgenden morgen meldde een katholiek inboorling zich bij den bisschop aan, en deelde hem mede, dat zijne protestantsche stamgenooten hem en de andere Katholieken bespotten, omdat zij de hand van den prelaat hadden gekust.

Den volgenden zondag beklom de bisschop den preekstoel, en sprak ongeveer het volgende: "Vroeger kustet gij den voet van den Tuï-Tonga; de Katholieken kussen den voet van den Paus: hierin is dus niets vreemds. Nu nog kust gij de hand van koning George, die in rang op den Tuï-Tonga volgde; de bisschoppen volgen in rang op den Paus: het is niet meer dan natuurlijk dat de Katholieken hun de hand kussen...."

Na afloop van de preek verscheen dezelfde man weer aan de missie en zeide tot Mgr. Lamaze:

"Gij hebt mijne vraag niet begrepen, Monseigneur."

"Hoe dat?" hernam de bisschop.

"Wel, de anderen bespotten ons niet omdat wij met onze lippen uwe hand hebben aangeraakt, maar zij zien verachtend op ons neer, omdat uwe hand _blank_ is!"

Van de Tonga-eilanden zetten wij koers naar den Fidji-archipel, die, zoo als men weet, eene engelsche bezitting is. Wellicht deel ik u later daarvan het een en ander mede.