Omwandelingen door een gedeelte van Spanje De Aarde en haar volken, 1868

Part 1

Chapter 13,821 wordsPublic domain

DE AARDE EN HAAR VOLKEN.

OMWANDELINGEN DOOR EEN GEDEELTE VAN SPANJE.

MET TEEKENINGEN VAN GUSTAVE DORÉ.

SEVILLA.

I.

De Alcazar van Sevilla; De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—De Baños van Padilla.—De Capilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—De Casa de Pilatos.—De Juderia en de Moreria.—Het klooster van Santa-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal van Murillo.

Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.

De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.

Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; de puerta de la Banderas, de poort der banieren, en de puerta de la Monteria of van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar de Monteros of jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintje del Triunfo.

De Alcazar werd door de Arabieren Al-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.

Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uit die stad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.

De Patio de las Doncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.

De Patio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtige Patio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel der azulejos van aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; deze azulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.

Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede de patio is geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V: Non plus ultra leest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder de sala de Embajadores in de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam van los Baños de Padilla geeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.

De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijne maitresse naar het baño te vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:

Señor, despues de haber cortado la salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.

Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.

Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in de Capilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.

Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees, [1] doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en met azulejos van allerhande kleur bekleed zijn.

Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oude alqueria of lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.

Na den Alcazar is de Casa de Pilatos een der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. De patio of binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed met azulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Deze azulejos zijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.

De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in de patio ziet, was eertijds het aanvangspunt van een Kruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar de Cruz del campo voerden, niet verre van de Caños de Carmona gelegen.

Bij het verlaten van de Casa de Pilatos begaven wij ons naar de Juderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam van Juderia draagt; ook had men er de Moreria of het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In de Juderia bezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam van Calle de Murillo gegeven.

Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula, Las Monjas de Santa Paula genaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendste azulejos bekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevel teweeg gebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk van Lucca della Robbia doen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.

Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster van la Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.

De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.

Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaarden frio, calido, vaporoso (koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die men El salon de Murillo heet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.

Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandeling la servilleta heet.

De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts een heilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; een heilige Hermenegilde, van Herrera el vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.

Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen, komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.

II.

De schouwburgen van Sevilla: de Cazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusische sainetes.—Hoe de vreemdelingen in de sainetes behandeld worden.

Sevilla bezit twee schouwburgen: het Teatro principal, en dat van San Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s, zarzuelas of opéras comiques, blijspelen, sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op den baile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam van sillas of asientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heet la cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die men la cazuela heet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”

De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er een lleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoeden al estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegna zou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van een majo te steken, dadelijk de woorden van franchute, van Inglis-manglis of andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.

Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met een zarzuela, getiteld: Buenas noches señor don Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op een opéra comique gelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche: Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.

Op de zarzuela volgde een stukje, getiteld: Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het fransche le Caporal et la payse was, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van het Teatro principal zijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.

Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door de sainete schadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woord sainete uit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.

De sainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nog Entremeses, zooals ten tijde van Cervantes, of Tonadillas genoemd.

De sainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel: El Valor de una Gitana. De personen, allen gitanos, waren ten getale van vier: Pepiya, eene jonge en schoone gitana; Gavirro, haar vader; Perico, de novio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, en Asaura, een door Pepiya afgewezen minnaar.

Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zes cuartos te voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.

Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dier esquiladores of muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.... (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van den buchi [2] is omgekomen.

Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in de cazuela levendig toegejuicht.

De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt. Olé salero! roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”

„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”

„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”

„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt...”

„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”

Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.

„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”

Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.

„Mosto! Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor u kam ik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”

„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”

„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”

Zij slaat haar mante om den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:

„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”

„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje; „bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”

„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”

„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat den zapateado dansen!”

„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meer puñalas (ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”

„Spring zoo niet en stel u te weer.”

„Vandaag loopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”