Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 9
Met een waarlijk gul gemoed werp ik in de bus, die daarvoor dient, de offerande, waar de ongelukkige monniken niet ongevoelig voor zijn, en langs een nog vermolmder trap dan de vorige bereiken wij, mijn gidsen en ik, de reusachtige kelders, die diep onder den grond liggen. Hun goede naam reikte vroeger zeer ver, want in den tijd van den bloei van het klooster werden er groote hoeveelheden bewaard van een wijn, die beroemd was door het geheele land. Thans liggen er nog vaten en fusten van enormen omvang langs de muren; maar ze bevatten slechts den bescheiden crassi resinato, die voldoet aan de tegenwoordige behoeften der gemeenschap.
En wij gaan weer naar de bovenverdiepingen door cellen heen, waar vier of vijf monniken dommelen op hun bedden; ook laat men mij nog een vertrek zien, dat als een moesjarabieh gebouwd is over den stroom; het is de bibliotheek, waarvan de vensters op den tuin uitzien. Ik blader er in een paar theologische werken, die door elkander liggen in hun kisten met oude perkamenten, welke de ratten naar hun smaak moeten vinden, te oordeelen naar den beklagenswaardigen toestand waarin ze zich bevinden, en eindelijk zijn we in den salon van den bisschop terug, waar het avondeten ons wacht.
Mijn gastheer heeft aan zijn tafel ook den monnik genoodigd, die mij door het klooster heeft begeleid, en verontschuldigingen makend over de bescheidenheid van het maal, verzoekt hij mij tegenover hem plaats te nemen.
Zou ik wezenlijk aan de grieksche keuken wennen? Zeker is het, dat ik eer bewijs aan de tomatensoep, waar groote sneden maïsbrood in drijven, aan den pilau met gestremde melk en vooral aan het lamsvleesch, gekruid met smakelijke toekruiden. Onder den maaltijd liet ik mij verleiden, mijn gastheer een verhaal te doen over een ervaring, die ik pas had gehad. Het was de volgende. Toen ik op een avond langs een verschrikkelijk slechten weg mij naar het station Kalabaka begaf, waar ik den trein naar Volo moest nemen, bemerkte ik plotseling, dat mijn horloge en ketting, twee familiesouvenirs, waar ik bijzonder veel aan hechtte, verdwenen waren. Er aan wanhopende, ze nog terug te zullen krijgen en ze te vinden onder de struiken en niet veel lust hebbend, de agoyaten en gendarmen, die mij vergezelden, in vertrouwen te nemen, haastte ik mij, bij aankomst dadelijk mijn verlies aan den stationschef mede te deelen. Deze, agent van een half fransche maatschappij, die van de thessalische spoorwegen, liet een agoyate op zijn kantoor komen en een gendarme, wier oogen schitterden op het hooren van de beloofde belooning. Nauwelijks waren de noodige aanwijzingen gegeven, of ze gingen beiden als pijlen uit bogen heen naar den weg over de bergen, zonder zich te bekommeren om hun metgezellen, die verbaasd toekeken en die met opzet niet op de hoogte waren gebracht.
En ik sloeg vol onrust den weg naar Athene in. Maar ik was nog niet te Volo aangekomen, of een telegram berichtte mij, dat mijn bezit in een holte van de rotsen was teruggevonden, waarin het zeker was terechtgekomen bij de huppelende sprongen van den muilezel. Den volgenden dag was het weer in mijn handen en ik haastte mij, mijn schuld af te doen. Ik had mijn blijdschap zeker in lyrische termen geuit, want de begiftigden, trotsch op den hun toegezwaaiden lof, haastten zich, mijn brief te publiceeren in een Thessalische courant met het uitvoerig verhaal van mijn ongeluk. Van Volo ging het nieuwtje naar Athene, waar de pers zich er ook van meester maakte, om de helleensche eerlijkheid te prijzen, die zoo onrechtvaardig wel eens in twijfel wordt getrokken, en ik genoot sinds dien een luiden roep van philhellenisme, die mij geen nadeel deed. Na de koffie wordt de narghilé gebracht, en toen die eindelijk was uitgegaan, was het laat geworden en daar ik al om vier uur in den morgen weer op weg wilde gaan, neem ik afscheid van mijn gastheer en laat een klein sommetje achter, om, zoo mogelijk, zijn klooster te helpen in stand te houden; daarna ga ik naar mijn kamer, versierd met geweren, degens en tapijten, om er te rusten, tot de agoyate aan mijn deur komt kloppen met de mededeeling, dat het tijd is, ons weer op weg te begeven.
Dienzelfden avond kom ik in Athene terug, na nog eens weer de landengte van Korinthe te zijn overgegaan. Eenige maanden later verliet ik voor goed Griekenland en nam in mijn hart naar de nevelen van het Noorden, waar het lot mij heen riep, de herinnering mee aan de schoone horizons en het heerlijke licht van het zuidelijke land.
End of Project Gutenberg's Om en door den Peloponnesus, by B. de Jandin