Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 8

Chapter 83,894 wordsPublic domain

De namiddag wordt besteed aan den tocht naar Patras met den spoorweg; de warmte was eerst zoo hevig, dat we geen woord uitbrachten en in stilte leden op de banken van de coupé; het landschap vlamt onder den brand der zon, en arbeiders, naar den grond gebogen, met een doek om het hoofd, waarvan ze de slippen tusschen de tanden vasthouden, komen een oogenblik overeind, om ons te zien voorbijgaan. De locomotief schijnt doordrongen van haar belangrijkheid; ze fluit geestdriftig, alsof ze op haar persoon de bewonderende aandacht wilde vestigen. Als al dat lawaai onzen gang maar bespoedigde! Maar daar moet men niet op hopen, en het is hier recht duidelijk veel lawaai en weinig wol.

En zwaar en eentonig gaan de uren voorbij; nauwlettend staat de trein bij alle kleine stations stil, die vaak niet anders zijn dan loodsen met een tafel op het perron, die als buffet dienst doet en waar harde eieren, kaas en wijn zijn te krijgen, alles zwart van vliegen en een geur verspreidend, die ver van lekker is. Eenige fustanella's stappen in en uit; menschen, die niets te doen hebben leunen tegen de hekken met halfnaakte, koperkleurige straatjongens; er wordt gelachen, gepraat, en we staan soms zoo lang stil, dat ik den tijd heb, prachtige margarieten te plukken, waarvan de heerlijke frischheid ons een poosje verkwikt.

Overigens komen, we nader bij de zee, waarvan ons juist als bij Pyrgos reeksen van plassen scheiden; dit zijn de uitgestrekte bezittingen van Manaloda, gedeeltelijk nog onbebouwd, toebehoorend aan den troonopvolger. Rechts sluit de majestueuze Erymanthos, waar de spoorweg omheen loopt, den horizon af met zijn rotsblokken, zijn diepe kloven en donkere bosschen; de zon daalt langzaam naar de zee en gaat er in rusten, als wij eindelijk aankomen, na door beddingen van rivieren te zijn gegaan, bij het station Kato-Achaia, op den zuidelijken oever van de golf van Patras, die we nu verder volgen.

Het ondergaan van de zon heeft inderdaad in het Oosten iets indrukwekkenders dan elders. Hier, waar de zee zich klein schijnt te willen maken, om beter te kunnen doordringen in den chaos van grootsche bergen, die haar omsluiten, is de tegenstelling van tinten, de verschillende kleur der onderdeelen van het landschap werkelijk verrassend. De reeds donkere massa van kaap Kalogria doet zich aan ons voor en dekt de vlakte met haar schaduw; de geheel zwarte voet van den Erymanthos wordt langzamerhand lichter naarmate we naderen; de hoogten van Missolonghi, violet in hun middengedeelte, behouden op hun toppen een zachtrose tint, die zich weerspiegelt in de gouden streep over de golf. Alleen de ongeloofelijke helderheid en doorschijnendheid van de grieksche atmosfeer kan de ontplooiing van zooveel pracht tot stand brengen. Wij worden niet moede, die te bewonderen, tot eindelijk de aankomst in de voorsteden van Patras te midden van de omgewoelde graven ons opwekt uit de droomen van onze stille beschouwing.

De gezant, die graag spoedig weer in Athene terug wil zijn, beslist den volgenden morgen te willen vertrekken; maar hij geeft mij verlof, er mijn verblijf te verlengen en machtigt mij zelfs, de interessante punten te bezoeken van de noordkust van den Peloponnesus. Vroeg in den morgen begeef ik mij dus naar het station, dat aan de haven is gebouwd tegenover het hôtel waar wij den nacht hebben doorgebracht, om bij het vertrek van mijn reisgezellen tegenwoordig te zijn.

De lezer moet zich vooral niet voorstellen, dat Patras, de derde stad van Griekenland, de eerste van den Peloponnesus, omdat ze tegenwoordig 50.000 inwoners telt, een van die mooie stationsgebouwen bezit, zooals we in duitsche steden gewend zijn. O neen, zeker niet; het meest bescheiden station van onze fransche spoorwegen is mooier en vooral zindelijker dan de ellendige houten loods, ingesloten tusschen de naburige huizen, waar reizigers en goederen opgestapeld worden in de grootste wanorde.

Een of twee wegen komen op den spoorweg uit, en de trein wacht geduldig te midden van een nieuwsgierige menigte, tot eindelijk het sein wordt gegeven voor het verder gaan. Het scheelt niet veel, of men zou zich wanen op een dier lijnen in Afrika, waar enkel een eenvoudige paal de halte aangeeft! En toch is dit de plaats, waar de meeste reizigers uit Europa aankomen met bestemming naar Griekenland; ik vraag mij af, hoe groot wel de verbazing moet wezen van de rijke toeristen bij den aanblik van zoo'n tooneel en welk een onaangenamen indruk ze wel moeten krijgen bij hun eerste aanraking met de gemeenschapsmiddelen van dit land.

Patras, megalomaan als alle andere steden, trotsch op zijn belangrijkheid, schaamt zich over dezen staat van zaken; er is al lang sprake van, aan de stad eindelijk een station te schenken, dat beter aan de wassende behoeften voldoet; maar hier stuit men weer als altijd op die vervelende geldquaestie, die de mooiste plannen in den dop verstikt. Laat ons intusschen hopen, dat dit plan wordt verwezenlijkt, en dat een rijk inwoner van Patras door een edelmoedige schenking aan die dagelijksche vernedering een eind make, die telkens samenvalt met het vertrek van den exprestrein naar Athene.

Toen ik kort daarna alleen was gelaten, ging ik de moderne hoofdstad van Achaja bekijken, die het tooneel is geweest van de ontscheping der Franken onder Villehardouin en Champlitte en die ook het eerst werd veroverd; ze is in het begin der vorige eeuw verwoest geworden, maar heeft zich snel weer opgericht en werd herbouwd naar een reusachtig plan. Daardoor lijkt ze nu nog bijna een doode stad ondanks den vluggen aanwas der bevolking. De straten, die met een liniaal getrokken schijnen, snijden elkaar alle rechthoekig naar het voorbeeld der amerikaansche steden; er loopen breede, marmeren trottoirs langs en er staan huizen met arcaden; groote, eenzame pleinen, overschaduwd door peperboomen, verbreken van tijd tot tijd de kunstmatige eentonigheid van die eeuwige rechte lijnen, evenwijdig met of loodrecht staande op de kust.

Ik volg een der in laatstgenoemde richting loopende, de Sint-Nicolaasstraat, die in een zachte helling stijgt naar het venetiaansche kasteel, van waar men een prachtig uitzicht heeft over de groote wijngaarden, die een rijkdom zijn van het land, over de golf van Lepanto, de kust van Aetolië en de Jonische eilanden. Er is trouwens niets bijzonder merkwaardigs in dien hoop van muren, waarvan het best bewaard gebleven gedeelte tegenwoordig als kazerne wordt gebruikt. Ik daal weer naar beneden door de straatjes van de hooge stad, waar ezeltjes, doorbuigend onder het te zware gewicht van manden, die hun tegen de zijden hangen, voortgedreven worden door kooplieden met groenten en vruchten. "Aurea kortaria, portokalia, hier zijn mooie groenten, oranjes!" roepen ze in de openstaande deuren der huizen, waar, voor hen maar al te dikwijls, slechts het geblaf van een hond hun antwoord geeft. Iets lager verdwijnen twee ongelukkige ezels onder den zwaren wirwar van takkebossen, die ze in den vroegen morgen al hebben gehaald; er zijn er zooveel op hun armen rug gestapeld, dat alleen de kop en de uiteinden der pooten te voorschijn komen uit het struikgewas, dat breeder is dan de rijtuigen, die moeten worden gepasseerd, een zonderlinge vertooning, enkele schreden verder verdwijnend in het dichte stof van den weg.

Het slaat op de douaneklok twaalf uur, als ik na de H. Andreaskerk te hebben bezocht en haar wonderdadige bron, eindelijk aan de haven kom, die beslist de eenige plek in de stad is, waar eenige levendigheid heerscht. Pas ben ik gezeten op het terras van een café, tevens restauratie van het hotel, of een heirleger van schoenpoetsers wil met alle geweld mijn schoenen ontdoen van het stof, dat erop ligt. Ik onderwerp mij, om er een eind aan te maken, en zet den voet op een der kistjes, dat zonder omslag vóór mij wordt neergezet; maar er zijn nog geen vijf minuten verloopen sedert het einde der operatie, die inderdaad heel handig werd verricht, of andere loestroi, niet minder ondernemend, verbeelden zich, dat de bewerking wel weer van voren af aan kan beginnen. En gedurende al den tijd van mijn ontbijt houden diezelfde aanbiedingen aan, die even lastig als overbodig waren en waaraan eerst de komst van onzen consul een einde maakte. Ik ga in haast opstaan, en we gaan naar een ontginning van wijnbergen in de buurt, waarvan ik te veel goeds heb hooren zeggen, dan dat ik niet zou wenschen de exploitatie eens in oogenschouw te nemen.

Die onderneming is op het getouw gezet door Duitschers ten tijde van de groote crisis in den wijnbouw door het optreden der phylloxera, toen de aandacht der verbruikers werd gevestigd op de grieksche wijngaarden. De wijn wordt er bereid naar europeesche voorschriften, dus zonder toevoeging van hars natuurlijk. De uitvoer is dan ook een voordeel geweest in de eerste jaren; al is hij langzamerhand afgenomen, toen de wijngaarden, die van de plaag geleden hadden, weer op hun verhaal kwamen, toch heeft de plaatselijke consumptie zich gehandhaafd en is ook de verkoop in het Oosten zoo groot gebleven, dat er winst wordt behaald met de wijnen uit den Peloponnesus, die hier goed behandeld worden en die rijk zijn aan alcohol, als alle wijnen uit het Zuiden. Ik doorloop de kelders, die mij op kleiner schaal herinneren aan die van onze groote huizen te Bordeaux en in Champagne; ik passeer de enorme fusten, Bismarck en Moltke gedoopt, die de reserven van goede jaren bevatten, en ik luister met levendige belangstelling naar de technische bijzonderheden, die mij een helder inzicht geven in de goede economische vooruitzichten van dit land.

Trouwens alles in Patras schijnt dat te beloven, en de geographische ligging der stad op de plaats, waar de vlakten uitmonden, die de vruchtbaarste deelen van den Peloponnesus zijn, zoowel als de aanzienlijke handelsbeweging in de haven, waar de meeste groote scheepvaartlijnen der Middellandsche Zee binnenkomen, wijzen erop. Ongelukkig ontmoet men hier, evenals in alle havens van het Oosten, een niet zeer prettig gezelschap. Op het tijdstip van mijn eerste jaren in Griekenland hadden wij nog niet met dit land het uitleveringstractaat gesloten, en Patras was de ingang van het beloofde land, waar bandieten als madame Humbert en haar beroemde bende, zeker waren van een veilige schuilplaats. Zoo waren de binnenlandsche rooverijen, die zoo goed als geheel onderdrukt waren door de gelukkige pogingen der regeering, vervangen door die van misdadige vreemdelingen, zonder bezwaar binnengelaten in de haven. Men zag er ontrouwe boekhouders aankomen, bezitters van groote geldsommen, die ze kalmweg verteerden onder de oogen van den consul, die er niets aan doen kon, en in gezelschap van een troep gewetenlooze menschen.

Ik herinner mij, dat een van die belangwekkende personnages op een dag bijna geheel geplunderd werd door den advocaat, aan wien hij zijn geldelijke belangen had opgedragen; maar heel natuurlijk wendde hij zich niet tot onze legatie,--want het was een Franschman,--om te trachten weer in het bezit te worden gesteld van het geld, dat hij zelf had gestolen! Hoe kan men zich trouwens verbazen over de bijna volkomen straffeloosheid, waarvan die schurken profiteerden, als de politie-autoriteiten zelven het voorbeeld gaven? Een zekere prefect van politie uit Athene, die eens tot eenige maanden gevangenisstraf was veroordeeld, die hij ook ongestoord uitzat, kan gerust beschouwd worden als een oorzaak, dat eenvoudige burgers, om zoo te zeggen, verontschuldigd worden, als ze de gewetensbezwaren over boord werpen, die hen zouden kunnen terughouden van een oneerlijke zaak, waaruit ze echter groote voordelen hoopten te trekken.

Hoe het zij, zulke schandalen behooren nu bijna geheel tot het verleden; Griekenland heeft begrepen, dat het zijn goeden naam in de waagschaal stelde, en nieuwe uitleveringstractaten hebben in de laatste jaren het recht doen zegevieren. Maar de bevolking der havens is daardoor nog niet veel verbeterd; die levert nog aan de onruststokers, en aan de politieke personen, die tegenstanders van de regeering zijn, de troepen, die ze noodig hebben. Zij, die zich ontschepen in den Piraeus, in Patras of in Syra, kennen die volksbetoogingen, die van tijd tot tijd in die plaatsen tot bloedige tooneelen aanleiding geven, en wat ik ervan zie dezen avond, is waarlijk niet geschikt, mij vertrouwen in te boezemen.

Zoo blijf ik den geheelen avond het gewoel aan de haven gadeslaan, waar krachtige vuurtorens beginnen te stralen, en waar van tijd tot tijd zich de stoomfluit laat hooren van de eene of andere vertrekkende paketboot. Terwijl de mooie electrische trams heen en weer rijden, de moderne opvolgers van de oude rijtuigen, getrokken door drie magere paarden en in de nieuwere, in de laatste halve eeuw met veel woorden verrijkte taal hipposiderodromoi genoemd, wandelen de elegante dames van Patras, zeer aardig gekleed, op de esplanade en laten vriendelijk haar persoontjes bewonderen en de sierlijkheid van haar toilet. Al hebben ze niet allen de plastische schoonheid van de antieken, die enkele van haar voorouders voor altijd beroemd hebben gemaakt, toch moet erkend, dat ze over het algemeen zeer gracieus zijn en dikwijls ook mooi, met haar mat teint, het aangename ovaal van haar gezichten en de groote zwarte oogen, die ze stoutmoedig op de mannen vestigen.

Daar ze nog al coquet zijn, volgen ze onze modes vooral in de uitersten, want de grieksche vrouw is een aardig poppetje, die er niet tegen opziet, aan haar toilet het grootste deel harer uitgaven te besteden en ook niet, om 's avonds niets anders te nuttigen dan olijven en een bescheiden ragoutje. Zij legt op die manier en op hare wijze haar voorkeur aan den dag voor het leven naar buiten, dat in de hoofdsteden zoo duidelijk aan den dag treedt, vooral in de minder heete avonduren, als de heele bevolking wandelt op de fashionabele promenade.

Een stralende morgenzon verlicht met haar stralen de reeds drukke haven, als ik den volgenden dag Patras verlaat met den eersten trein van dien dag. Daar verschijnt, nadat we de moerassige streken zijn doorgereden, waar de berg Voïda zich verheft, de ingang van de baai, voorbij welke de golf van Korinthe begint, en die ingesloten wordt tusschen de beide kapen met aan elken kant de versterkte vestingen, de oude kasteelen van Roemelië en Morea, thans in puin liggend. De doorvaart, waarvan de breedte in den loop der eeuwen heeft afgewisseld, is smaller geworden door een zandig strand, dat zich zeer ver uitstrekt en dat de golf tot een lange binnenzee dreigt te maken. De weg gaat dicht langs de kust en moet elk oogenblik over stroompjes gaan, die nog niet geheel droog zijn in dezen tijd van het jaar, en op welker oevers wijn wordt verbouwd. Nog een kaap, en op een hoogvlakte, met cactussen begroeid, die steil naar zee afdaalt, ligt de oude stad Aegion, waar ik mij voorstel de rest van den morgen door te brengen.

De handel in krenten van uitstekende hoedanigheid heeft van de plaats een der belangrijkste steden van den Peloponnesus gemaakt; magazijnen en entrepots, ingericht in natuurlijke grotten aan den voet der rotsen, liggen dicht bij den spoorweg en de haven, daarvan alleen door een smal strand gescheiden. Ofschoon niet heel druk in dezen tijd van het jaar, klinken er hamerslagen en wordt er gewerkt aan het maken van duizenden kleine kisten, bestemd, om den oogst van het jaar te ontvangen. Ik wensch van harte voor die brave lieden, dat ze er binnen enkele maanden vele zullen kunnen vullen. Door een lange straat als een trap, herinnerend aan die van Montmartre, bereik ik de hooger gelegen wijken en bewonder voor de zooveelste maal het prachtige panorama van de bergen van Phocis, die in de zuivere lucht schijnen te trillen, aan de overzij van de blauwe golf; de baaien worden rond als sierlijke schelpen, steile kapen vallen in zee, en het majestueuze hoofd van den Parnassus, dat boven alle andere uitsteekt, weerkaatst zich in de baai van Salona, door roode rotsen omzoomd.

Hier is er weer feestvreugde onder de bewoners, want ik kom talrijke groepen tegen in feestgewaad; het schijnt, dat de verjaring wordt gevierd van den een of anderen plaatselijken heilige, aan wien men echter veel minder schijnt te denken dan aan de traditioneele trata, de vreugde van schieten en zingen. Maar ik heb geen tijd meer, om naar het station af te dalen, waar de tweede en laatste trein naar Korinthe wel spoedig zal passeeren. Al gauw gaat hij voorbij en ik herken het lawaai van de passage over een ijzeren brug, waar een riviertje, dat van den Erymanthos is neergedaald, onder door stroomt. De berg sluit het dal af. Een half uur later zal de trein aan het station Diakoptho zijn tegenover de diepe kloof, waarin het beroemde klooster van Megaspileon is gelegen.

Dit is het laatste uitstapje van mijn reis, en ik moet kiezen, als ik vóór den nacht ter plaatse wil zijn, of ik de epileptische sprongen wil genieten van een tandradspoortje of de hortende schokken van een ezel. Als ik de stooten met elkander vergelijk, geef ik nog de voorkeur aan de laatste, die onder andere voordeelen ook dit hebben, dat zij mij een rijdier bezorgen, waarmee ik morgen naar Diakoptho kan gaan, zonder dat ik in het klooster zal moeten wachten op den eenigen trein van den dag. Ik dring dus zonder verder dralen in de woeste kloof, die slechts eenige schreden van de zee verwijderd is. Eerst vind ik er mooie olijfboschjes, dan rijst de weg onder eiken in een warreling van myrten en andere planten van doordringenden geur. De schuimende golven van de Erasinos breken op de enorme steenen, die ten gevolge van den een of anderen schok losgeraakt zijn van den hemelhoogen wand van rotsen, die over den stroom hangt. Het in de rots gehouwen voetpad stijgt nu eens ver boven de bedding van de rivier, welker geruisch nog slechts heel uit de verte en verzwakt ons oor bereikt, en daalt dan weer plotseling tot vlak bij het water.

Het profiel van een oude vrouw, die kastanjes inzamelt onder de boomen, komt tusschen de steenen te voorschijn, en de reeds dalende zon bereikt al niet meer de diepte der kloof.... "Grigora, gauw, gauw!" herhaalt onophoudelijk de agoyate, die zooveel haast schijnt te hebben, dat wij ons zelfs niet ophouden in het dorp Zakhloroe. Nog een zware stijging, en eensklaps verschijnt tusschen de zwarte lijnen, die den berg Cyllenus bedekken, verrassend het groote klooster, terwijl de klok in de verlaten eenzaamheid zich laat hooren.

Hoewel het reeds laat is, kan ik nog goed de zonderlinge groepeering onderscheiden van de vele gebouwen, omgeven door een muur van meer dan honderd meter. De gevel van het hoofdgebouw van metselwerk en hout opgetrokken, vertoont vijf verdiepingen van vensters. Overal zijn er houten galerijen aangebracht en wankele balkons, die in de lucht schijnen te zweven, onregelmatige, blauwgekleurde, en vermolmde koepels, of wel witte en roode, die als zwaluwnesten tegen den wand aankleven. De aanblik is niet mooi, want het geheel is vervallen en vuil van dit klooster, door de byzantijnsche keizers in de achtste eeuw gesticht, en het maakt een vreemden indruk in het laatste licht van den dag, nog te kijken door de dennen, die den berg kronen. Met beide handen vóór den mond, richt de agoyate tot de monniken een plechtig geroep; ik hoor het geluid van een venster, dat geopend wordt; een stem is eenige oogenblikken aan het onderhandelen, zonder dat ik in het minst kan vermoeden, waar ze vandaan komt; maar ik begin er toch uit te begrijpen, dat ik welkom ben en dat ik uitgenoodigd word, om binnen te komen en de buitentrap op te gaan. Dat is de hoofdzaak; maar het vooruitzicht, hier te logeeren, lacht mij niet toe. Eén voor één beklim ik nu de wankele treden, die meer of minder stevig aan den rotswand zijn bevestigd en uitkomen bij een groote poort, van schietgaten voorzien. Er worden grendels weggetrokken, kettingen vallen neer en de deur draait eindelijk op haar verroeste hengsels.

Het schijnt, dat oudtijds de reizigers genoodzaakt werden, hun wapens in handen van den portier te laten, eer ze een pas binnen in het klooster mochten zetten; die voorzichtigheid werd verklaard door het feit, dat het klooster alleen door list kon worden vermeesterd, en de geslachten van monniken, die elkaar opvolgen, hebben elkander vroom dat consigne overgeleverd, tot nog voor zeer korten tijd, die samenvalt met het verdwijnen van het rooverswezen. Maar tegenwoordig komt een vriendelijk "Kalos crisete" uit een gastvrijen mond van een geestelijke met een vilten muts, een kaars in de hand, die mij dadelijk door een doolhof van cellen, trappen en galerijen, die in de diepte der rots zijn gebouwd, naar een vijfde verdieping geleidt in een groote, leege eerezaal, naar het schijnt de salon van den bisschop.

Deze verschijnt weldra; zijn sympathiek gezicht van schoonen grijsaard, omlijst door een langen, witten baard, glimlacht, terwijl hij mij hartelijk begroet. Wij praten nu eens in het Grieksch, dan in het Fransch, dat mijn gastheer vroeger een weinig heeft bestudeerd. Hij betreurt het, dat zijn klooster zoo vervallen is, en dat de bevolking onophoudelijk vermindert, zoo erg, dat de meesten der cellen thans onbezet zijn. Beroofd van zijn beste inkomsten door de jongste wetten, van zijn gezag beroofd door de verslapping van de tucht en door de domheid van zijn monniken, zal het klooster van den Megaspileon, eertijds het rijkste en voorspoedigste van Griekenland, in puin vallen, en zijn totale verdwijning is misschien, zoo zei mij treurig de priester, slechts een quaestie van jaren.

Hetzelfde feit heeft mij getroffen, toen ik vroeger de beroemde kloosters van de Meteoren in Thessalië bezocht, waar de regel van den Heiligen Basilius, die oudtijds hun kracht uitmaakte, nauwelijks meer toegepast wordt in onze dagen. Daar brengen, evenals hier, de monniken hun dagen in ledigheid door; hun luiheid is voorbeeldeloos en het komt hun bijna nooit in de gedachte, zich met handenarbeid bezig te houden of aan werk met den geest hun tijd te wijden. De regeering heeft gelukkig die instellingen dan ook tot een wissen dood veroordeeld, omdat ze nadeel toebrengen aan de eer van het land en kweekplaatsen zijn van onzedelijkheid.

Onder het gesprek waren enkele leden van het kapittel binnen gekomen in de blauw verlichte zaal; andere monniken komen achter hen aan, dragers van schotels, waarop de ingewanden van schapen liggen te rooken, gebraden op een houtvuur. Ik raak er nauwelijks aan, want die ragout, die een eigenaardigen geur verspreidt, is al zoo weinig aanlokkelijk mogelijk, en ik doe des te meer eer aan de glyco of confituren, die onmiddellijk voorafgaan aan de onvermijdelijke koffie. De bisschop, die volstrekt wilde dat ik aan den maaltijd deel zou nemen, welke hem daarna afzonderlijk zou worden voorgezet, dwong mij, om zonder groote geestdrift mij weer over te geven aan een nieuwe gastronomische kwelling, terwijl een eenvoudig blikje sardines en een stuk brood, die ik zorgvuldig had bewaard, mij vrij wat beter zouden hebben gesmaakt.

Intusschen vroeg ik de kerk te mogen zien, die gewijd was evenals het klooster aan Maria Hemelvaart. Ik werd daar naar een nis gebracht, waar het wonderdoende beeld werd bewaard van de H. Maagd, dat door de traditie aan den H. Lucas wordt toegeschreven en welker macht ten tijde van den Onafhankelijkheidsoorlog de Turken deed aftrekken. Het is er koud als in een kelder, en de kille vochtigheid binnen in de kapel, die in de rots is uitgehouwen, verklaart, hoe de wanden hier en daar met mos zijn bedekt en hoe het houtwerk overal schimmels vertoont. Eenige oude mozaïeken, die geheel groen uitgeslagen zijn, vormen den vloer van het schip der kerk, en mijn schaduw glijdt erover bij het flikkerend licht der kaarsen. Wat een ellende en welk een droevig verval!